ACHTSTE HOOFDSTUK.

Terwijl onze vrienden dit nachtelijk avontuur hadden, was alles in de

koninklijke legerplaats druk in de weer. Vóor zonsopgang zouden de

troepen opmarcheeren tot den veldslag, die reeds zoo lang was

voorbereid.

Paäker had den koning met eigene hand zijn verkenningsrapport

overhandigd. Nadat er krijgsraad was gehouden, werd aan elke

troepenafdeeling voorgeschreven, in welke richting zij het eerst moest

optrekken.

Het korps, dat den naam droeg van den zonnegod Ra, rukte uit het zuiden

op over Schabatoen[325], ten einde de oostzijde van het meer om te

trekken en den vijand in de flank te vallen. Het korps van Seth, waartoe

de soldaten uit Neder-Egypte behoorden, was uit Arnam aangekomen en zou

het centrum uitmaken. De koning zelf was voornemens met de keurbende

der wagenstrijders het dal te volgen, dat zich met de Orontes-vlakte

vereenigde en, volgens de opgave van den gids, breed en goed te berijden

was. Terwijl de troepen den vijand bezighielden, kon hij den Orontes op

eene doorwaadbare plaats overschrijden, en de vesting Kadesch aan de

noordwest-zijde van achteren aanvallen. Het korps van Amon, met de

Ethiopische hulptroepen, zou hem dan als achterhoede volgen langs een

anderen weg, die volgens de verraderlijke opgaven van den Mohar zich met

zijne operatie-linie verbond. Het korps van Ptah eindelijk hield zich

als reserve bij den linkervleugel.

[325] Bij de beschrijving van den slag van Kadesch hebben wij

ons in het algemeen gehouden aan het epos van Pentaoer, het

nationale heldendicht der Egyptenaars. Aan het slot wordt de

schrijver Pentaoer als de vervaardiger genoemd. Het werd zoo

hoog gewaardeerd, dat men het te Loeqsor tweemaal en te Karnak

eens in steen beitelde. Op papyrussen komt het meermalen voor,

zooals op den papyrus-Sallier III en den papyrus Raifet, waarvan

helaas! slechts fragmenten in de „salle historique” van het

Louvre bewaard worden. De groote katastrophe, namelijk de

redding van den verlaten koning uit de handen van de duizenden,

wordt met de woorden van het epos ook op het Ramesseum (Thebe)

en te Aboe Simbel (Nubië) herhaald. De beste vertaling van het

heldendicht, gevolgd naar den meesterlijk herstelden tekst,

hebben wij te danken aan den grooten, te vroeg gestorven

Franschen Egyptoloog E. de Rougé. Men vindt haar in =Recueil de

travaux relatifs à la philologie et à l’archéologie Egyptiennes

et Assyriennes=. Fasc. I. 1870.

Dr. W. Pleyte gaf in het =Theologisch tijdschrift= van 1869

eene Nederlandsche vertaling met toelichting en kaart. Vert.

De soldaten hadden zich niet als gewoonlijk te slapen gelegd.

Wachtpatrouilles van zwaar gewapenden, met een schild van

halvemans-hoogte in de eene, een slagzwaard of een spits dolkzwaard in

de andere hand, bewaakten het leger[326], waar, om talrijke vuren, de

rustende krijgers in kringen gezeten waren. Hier ging de wijnzak van

mond tot mond; dáar braadde men vleesch aan houten spitten; elders werd

reeds het lot geworpen over den nog te behalen buit, of mora gespeeld.

Daarbij ging het levendig toe, en de legerwachten moesten gedurig

soldaten, die ernstig handgemeen raakten, uit elkander halen.

[326] Voorstellingen van Ramses’ legerplaats zijn bewaard

gebleven op de pylonen van den tempel van Loeqsor en het

Ramesseum.

In de nabijheid van de omheiningen, waarbinnen de paarden stonden, waren

de smeden bezig, want er moesten nog hoeven beslagen en lanspunten

gescherpt worden. Ook de dienstknechten van de wagenstrijders hadden nog

volop werk. Want vele strijdwagens waren over de bergen gekomen; men had

ze uit elkander moeten nemen en in stukken op de ruggen der paarden en

ezels moeten laden[327]. Thans zette men de lichte voertuigen weder in

elkaar en smeerde de raderen.

[327] Op de afbeelding van het kamp van Ramses II in het

Ramesseum vindt men zoowel de onderdeelen van wagens als

lastezels.

In het oostelijke gedeelte van het legerkamp waren, in de nabijheid

van een baldechijn, waaronder de standaarden bewaard werden, talrijke

priesters werkzaam. Zij zegenden de krijgers, slachtten offers en zongen

hymnen. Vaak werden hunne vrome liederen echter overstemd door het luid

gejoel van spelers en drinkers, door den hamerslag of het hevig gebalk

der ezelhengsten en het gehinnik der paarden. Somwijlen liet zich ook

het luid gebrul hooren van de getemde leeuwen des konings[328], die hem

in den slag altijd volgden en heden niet gevoederd werden, om hunne

woede te prikkelen.

[328] Diodorus I, 47, en verschillende voorstellingen van den

ten strijd optrekkenden koning.

Midden in het leger stonden de tenten van den pharao, omgeven door die

van de garden en wagenstrijders. De hulptroepen van elk volk waren

bij elkander gelegerd en tusschen hen lag telkens een legioen zwaar

gewapende Egyptische soldaten en boogschutters. Hier zag men zwarte

Ethiopiërs met hunne verwarde haren, waaruit enkele vederen opstaken.

Daar waren de schoon en regelmatig gebouwde »zonen des zands”, uit

de Arabische woestijn, die Egypte van de Schelfzee scheidde, bezig

krijgsdansen uit te voeren, de heupen krampachtig schuddende en hunne

lansen zwaaiende. Ginds lagen de blanke Sarders met hunne metalen helmen

en groote zwaarden. Elders kon men de helderkleurige Libyërs opmerken,

kenbaar bovendien door hunne getatoeëerde armen en de struisvederen op

den schedel; alsmede spitsbaardige bruine Arabieren, allen bij hunne

paarden, strijdende deels met lansen, deels met pijl en boog, thans

biddende tot de sterrengeesten. Even verschillend als deze hulptroepen

er uitwendig uitzagen, was ook de klank hunner taal, doch allen

gehoorzaamden het commando van Ramses.

Betrad men het terrein waar de koninklijke tenten waren opgeslagen, dan

kon men in het midden een licht gebouwd tempeltje zien, met de beelden

van de goden van Thebe en die van ’s vorsten voorvaderen. Men kon thans

reeds van buiten den wierookgeur opvangen, want alle priesters waren

verplicht, aan den avond vóor een veldslag totdat hij beslist was, te

offeren aan Amon, den koning der goden, aan de overwinning-gevende godin

van het zuiden Necheb, en aan den krijgsgod Menth. Naast de tent waar

de pharao sliep, stond het afgesloten perk zijner leeuwen. Vóor de tent

waarin de krijgsraad vergaderde, waren hooge masten met vanen opgericht.

Binnen de wijde ruimte van deze laatste was het nu stil, maar des te

levendiger ging het toe in de keukententen en de daarmede verbondene

wijnmagazijnen.

De tent die de groote, langwerpig rechthoekige oppervlakte bedekte, waar

Ramses gewoonlijk met de zijnen spijsde, was boven alle andere thans

helder verlicht. Zij was van alle zijden omgeven door bontkleurige

lampen. Sardische, Libysche en Egyptische lijfwachten bewaakten de

ingangen met uitgetogen zwaarden, en schenen zóo doordrongen te zijn van

het gewicht hunner taak, dat zij zelfs geen acht gaven op de schotels

en kannen, die de dienaars van den pharao, uitsluitend zonen van de

voornaamste familiën, voor de deuren van de tent in ontvangst namen

van keuken- en magazijnbeambten. Het schuine dak en de wanden van deze

pronkzaal, die in korten tijd moest kunnen opgebouwd en afgebroken

worden, bestond uit sterk en ondoordringbaar purperkleurig tapijtwerk,

dat te Memphis geweven en door Phoeniciërs in Tanis geverfd was.

Kunstenaars van Saïs hadden in deze kostbare stof ontelbare malen met

zilverdraad de gier van Necheb, het symbool der overwinning, gestikt.

Het cederhout der pijlers waarop de tent rustte, was met goud beslagen,

en de koorden, die het lichte bouwwerk aan den grond bevestigden, waren

uit dun zilverdraad en zijde gevlochten[329].

[329] De zijde was ten minste in den tijd der Ptolemaeën aan de

Egyptenaars bekend. De voor de Lagiden op het eiland Kos geweven

doorzichtige bombyxstoffen waren vooral beroemd. Onder de

Grieken is Aristoteles de eerste, die van zijde gewag maakt

(Histor. anim. V, 17). Over de geschiedenis van de zijde kan

men veel leerrijks te weten komen uit het werk van Pariset,

=Histoire de la Soie=, 1862.

In deze tent nu waren meer dan honderd mannen gezeten aan een

nachtelijken maaltijd. Zij hadden aan vier tafels plaats genomen. Aan

drie van deze zaten, op lichte tabouretten, de aanvoerders van het

leger, de voornaamste priesters en de koninklijke raadslieden. Aan de

ver van de andere verwijderde vierde tafel merkte men de koninklijke

prinsen op. De pharao zelf zat aan eene afzonderlijke, van die zijner

zonen afgescheiden hoogere tafel, op een troon, die rustte op de

vergulde beelden van geboeide Aziaten. Tafel en troon stonden op eene

kleine verhevenheid, die met pantherhuiden was belegd, doch Ramses zou,

ook zonder haar, boven allen ver hebben uitgestoken. Men kon hem goed

zien, want het was in deze zaal, door de overvloedige verlichting,

daghelder. De pharao was een man van reusachtige gestalte. Dat

indrukwekkend gelaat met dien zwaren baard; dat hooge voorhoofd,

bedekt met den diadeem, in het midden waarvan de koppen van twee

Uraeus-slangen, dragen de kronen van Opper- en Neder-Egypte, te

voorschijn kwamen, deden terstond in hem den gebieder herkennen. Een

breede halsband van edelgesteenten bedekte halverwege zijne borst,

terwijl de andere helft was bekleed met een draagband in den vorm van

eene sjerp. De naakte beneden- en bovenarmen waren met gouden ringen

getooid. De regelmatige lichaamsvormen van dezen man waren als uit

metaal gegoten, waartoe de koperkleurige gladde huid, die over zijn

sterk gezwollen spieren was gespannen, niet weinig bijdroeg.

Thans was hij onder de zijnen gezeten, en met rechtmatigen vaderlijken

trots zag hij op zijne bloeiende zonen neder. Hij was als een leeuw in

rust, maar ook zóo was hij een leeuw gelijk, en iets buitengewoons mocht

men van hem verwachten, wanneer hij zou opstaan, en de reuzenhand, die

nu het brood verdeelde, zich tot een vuist zou ballen. Er was aan dezen

man niets kleins, maar toch ook niets wat schrik wekte, want al straalde

uit zijn oog de glans van den heerscher, zoo getuigden zijne woorden

toch van bijzondere goedheid. Die zware uit zijn breede borst wellende

stem, die boven het slaggewoel kon worden gehoord, beschikte ook over

weeke en hartveroverende tonen. Dank zij zijne opvoeding, was hij, onder

het volle bewustzijn van zijne macht en grootheid, in den vollen zin des

woords een mensch gebleven, want geene aandoening van het menschelijk

hart was hem vreemd.

Achter den koning stond een jong man, deze reikte hem den beker toe,

dien hij aan zijne lippen bracht, het edele vocht met welgevallen

proevende. Het was Mena, de wagenmenner en vriend des konings. De

gestalte van dezen edelman was slank en toch krachtig, buigzaam en toch

rustig. Zijn schoon besneden gelaat, met die vrijmoedig rondziende

oogen, toonde dat hij zelfbewustzijn aan goedhartigheid paarde. Deze

man mocht minder beteekenen in eene raadsvergadering, waar het gold

bedachtzaam te overleggen, des te hooger waarde had hij als een

beminnenswaardig, dapper en trouw strijdgenoot.

Onder de prinsen zat Chamoes[330] het dichtst bij den koning. Hij was

van allen de oudste en eerst onlangs bekleed geworden met de waardigheid

van opperpriester van Memphis. De kroeskop Rameri, die op weg naar het

leger gevangen was geraakt, maar voor een losgeld was vrijgekocht, had,

als een der jongste prinsen, naast zijn broeder Mernephtah aan het

benedeneinde van de tafel plaats genomen.

[330] Op de gedenkteekenen Cha-em-Oes, d.i. glans in Thebe

geheeten. Hij was „Sam” of opperpriester van Memphis. Zijne

mummie is bij de Apisgraven te Saqqarah door Mariëtte, bij de

uitgraving van het Serapeum van Memphis, weergevonden.

»Hoe dreigend klinkt alles wat gijlieden vertelt!” zeide de koning.

»Elk van u, aanklagers, spreekt de waarheid, maar uwe liefde voor mij

benevelt uwe oogen. Wat Rameri mij verhaalt, wat Bent-Anat mij schrijft,

wat de opzichter van Mena’s stoeterij mij omtrent Ani bericht, en wat

mij nu en dan uit Egypte wordt overgebracht, houd niets in, wat mij

verontrusten kan. Ik ken onzen neef en weet, dat hij het zich op den

geleenden troon zoo gemakkelijk maken zal als maar mogelijk is; doch

als wij terugkeeren, zal hij zich weder op een smalleren zetel weten

te schikken. Voor groote ontwerpen en koene daden is hij de man niet,

maar hij is zeer bruikbaar om uit te voeren, wat door anderen wordt

vastgesteld en gereed gemaakt, en daarom koos ik hem tot mijn

plaatsvervanger.”

»Doch Ameni,” liet Chamoes zich hooren, terwijl hij eerbiedig voor zijn

vader boog, »schijnt zijne eerzucht te hebben doen ontvlammen, en hem

met raad te steunen. De leider van het Seti-huis is een stout en wijs

man, en de helft der priesterschap staat achter hem.”

»Ik weet het,” antwoordde de koning. »Die heeren zijn boos op mij, omdat

ik hunne onderhoorigen, die hunne akkers bebouwen, onder de wapenen

riep. ’t Is inderdaad kostelijk volk, dat ze mij gezonden hebben!

Met den eersten pijl vliegt hun moed reeds weg! Zij zullen morgen de

legerplaats bewaken; daarvoor zullen zij goed zijn, ten minste wanneer

men hun aan het verstand brengt dat, als zij zich de tenten laten

ontnemen, ook het brood, het vleesch en de wijnzakken in de handen der

vijanden vallen. Als Kadesch stormerderhand wordt ingenomen, dan zullen

de tempels aan den Nijl het beste deel van den buit hebben, en gijzelf,

mijn jonge opperpriester van Memphis, gij zult uwe stadgenooten kunnen

toonen, dat Ramses genegen is, wat hij de dienaars der godheid met

schepels ontneemt, met mudden weder te geven.”

»Ameni’s ontevredenheid,” hernam Chamoes, »heeft nog een dieper grond.

Uw groote geest zoekt en vindt zijn eigen weg.....”

»Die heeren echter,” ging Ramses, hem in de rede vallende, voort, »zijn

gewoon ook den koning te leiden, en ik, ik wijs hen niet terug. Ik voer

heerschappij in de plaats van den hoogsten god, maar ik ben geen god, al

bewijzen zij mij ook als zoodanig eere. Met een deemoedig hart wil ik

gaarne mijn verkeer met de hemelsche goden, en ook dat van mijn volk aan

hunne tusschenkomst overdragen. Maar de menschelijke belangen bestuur ik

naar mijne eigene inzichten. ― En nu niet verder over dit onderwerp!

Het stuit mij tegen de borst aan vrienden te twijfelen, en ik gevoel zoo

groote behoefte aan, ik stel zooveel prijs op vertrouwen, dat ik het mij

laat welgevallen, wanneer ik daardoor ook eene enkele maal bedrogen

word!”

De koning wenkte en ledigde den gouden beker, dien Mena hem

overhandigde. Een oogenblik zag hij op de blinkende bokaal; toen hief

hij de oogen weer op, waarin nu strenge ernst was te lezen, en zeide:

»En ook al bedrogen ze mij, en lokten tien Ameni’s en Ani’s mijn land in

den strik ― ik keer terug, en met mijn voetzool treed ik het gewormt in

het zand!”

Terwijl hij deze laatste woorden uitsprak, had zijne zware stem

geklonken als die van een heraut, die eene groote daad verkondigt. Geene

lippen, geene hand zelfs bewoog zich in de wijde ruimte, toen hij zweeg.

Ramses hief nu den beker omhoog, en riep luide en vroolijk: »Vóor den

slag betaamt het ons het hart te verheffen. Roemrijke daden hebben wij

volbracht. Ver verwijderde volken hebben onze hand gevoeld. Aan hunne

stroomen richtten wij zegeteekenen op, en in hunne rotsen griffelden

wij den roem onzer daden[331]. Hij die over u gebied voert, is grooter

dan alle koningen; hij is het door de goden en door u, zijne dappere

medestrijders. Moge de slag van morgen ons nieuwen roem doen oogsten, en

de hemelsche goden weldra dezen krijg doen eindigen! Ledigt dan met mij

een beker op de overwinning en onzen blijden roemrijken terugkeer in het

vaderland!”

[331] Herodotus (II, 102-106) verhaalt ons van de

beeldhouwwerken, die Ramses II deed beitelen in de rots van het

door hem onderworpen gebied, ter nagedachtenis aan zijne daden.

Twee ervan heeft hijzelf gezien. Een is nog heden bewaard, en

wel op eene rots bij Beyroet. Men kan daarvan afbeeldingen

vinden in Lepsius, =Denkmaler aus Aegypten und Aethiopiën=, in

eene verhandeling van denzelfde in de „Annali dell’ Instituto di

correspondenza archeologica,” vol. X. Roma 1838, p. 12-19, en

eene beschrijving van denz. in het „Bulletino dell’ Instituto

d.C.A.” 1840 p. 33-39. Vgl. het opstel van Dr. C. Leemans:

„Egyptische gedenkteekens van de krijgstochten van Sesostris in

Azië” in =Algem. Konst- en Letterbode=, 1854, No. 48 en 49.

»Zege! zege! Leve bloeie den pharao, kracht en heil!” riepen juichend

alle gasten van Ramses, die, terwijl hij de trappen van zijn troon

afdaalde, den aanwezigen toeriep: »Rust nu, tot de Isis-ster ondergaat.

Volg mij dan in het gebed bij het altaar van Amon, daarna in den slag.”

Het gejuich verhief zich opnieuw, terwijl Ramses aan elk zijner zonen

met een opwekkend woord de hand reikte. De beide jongsten, Mernephtah en

Rameri, gebood hij hem te volgen. Hij verliet daarop met hen en Mena

de eetzaal en begaf zich, voorafgegaan van garden en hofbeambten, die

staven met gouden leliën en struisvederen in de handen droegen, naar

zijn slaaptent, die door een keurbende, onder aanvoering van een zijner

zonen, bewaakt werd.

Eer hij die tent binnenging, liet hij zich eenige stukken vleesch geven,

waarmede hij eigenhandig zijne leeuwen voederde, die zich als tamme

katers door hem lieten streelen. Daarna wierp hij een blik in den stal,

klopte zijne lievelingsrossen op hunne edele halzen, streek ze over de

glimmende schenkels en bepaalde, dat »Noera” en »In Thebe de zege”[332]

hem morgen in den slag zouden voeren. Toen hij in zijn slaapvertrek

gekomen was, beval hij de hovelingen hem te verlaten. Daarop wenkte hij

Mena, liet zich door dezen zijne sieraden en wapenen afnemen, en riep

eindelijk zijne jongste zonen bij zich, die eerbiedig en met eenige

bezorgdheid aan de deur der tent stonden te wachten.

[332] Zoo heetten inderdaad de paarden, die Ramses in den slag

van Kadesch voerden.

»Waarom gebood ik u mij te volgen?” vroeg Ramses ernstig.

Beiden zwegen. Daarop herhaalde hij zijne vraag.

»Omdat gij hebt opgemerkt,” antwoordde Rameri nu, »dat het tusschen ons

beiden niet in alle opzichten is gelijk het wezen moest.”

»En omdat ik wensch,” viel de koning hem in de rede, »dat er onder mijne

kinderen eensgezindheid zij. Vijanden zult gij morgen genoeg kunnen

bevechten, maar vrienden vindt men zelden en verliest men maar al te

dikwijls in den slag. Wie van ons valt mag niet boos zijn op den ander,

maar moet hem vol liefde aan gene zijde des grafs kunnen wachten. Spreek

Rameri wat heeft u beiden verdeeld?”

»Ik ben niet langer op hem vertoornd,” antwoordde de aangesprokene. »Gij

hebt mij onlangs dat zwaard geschonken, hetwelk dáar in Mernephtah’s

gordel steekt, omdat ik bij den laatsten uitval der Cheta mijn plicht

heb gedaan. Gij weet, wij slapen beiden in dezelfde tent, en toen ik

gisteren mijn zwaard uit de scheede trok, om mij in de beschouwing van

den schoonen kling te verheugen, toen bevond ik dat een vreemd, minder

scherp zwaard in de scheede stak.”

»Ik had mijn wapen uit scherts met het zijne verwisseld,” sprak nu

Mernephtah. »Maar hij wil van geen gekheid weten en zeide, dat ik mij

voortaan wel met dat onverdiend eere-geschenk kon blijven tooien, dat

hij trachten zou in den kamp een nieuw te verdienen en, en dan....”

»Ik weet genoeg,” zeide de koning. »Gij hebt beiden verkeerd gehandeld.

Ook al schertsend, Mernephtah, moogt gij elkander niet bedriegen. Ik

heb het maar eens gedaan, en hoe dat afliep, wil ik u tot waarschuwing

vertellen.

»Mijne voortreffelijke zalige moeder Toeaä bad mij, toen ik voor

het eerst naar het land der Fenchoe[333] trok, dat ik haar een steen

zou medebrengen van de kust bij Byblos, waar het lijk van Osiris

aanspoelde[334]. Ongelukkig vergat ik dit geheel en al. Toen wij Thebe

weder binnentrokken, viel mij het verzoek mijner moeder weder in. Jong

en onbedachtzaam, gelijk ik toen was, nam ik een steen van den weg op,

stak dien bij mij, en toen zij mij om het aandenken van Byblos vroeg,

gaf ik haar zwijgend den steen uit Thebe. Zij was er bijzonder mede in

haar schik, toonde het kleinood aan al hare broeders en zusters, en

legde het bij de beelden onzer voorvaderen. Schaamte en berouw kwelden

mij echter, en eindelijk nam ik heimelijk den steen weder weg en wierp

dien in het water. Alle dienaars werden saamgeroepen om streng onderzoek

te doen naar den dief van dit voorwerp. Toen kon ik het eindelijk niet

langer uithouden en bekende alles. Niemand heeft mij gestraft, en toch

ben ik nooit zwaarder getuchtigd. Sedert dien tijd veroorloofde ik mij

zelfs niet al schertsend iets anders dan de waarheid te zeggen. Neem

deze les ter harte, Mernephtah, die uw vader heeft ontvangen.

[333] De Phoeniciërs worden reeds op gedenkteekenen uit de 18e

dynastie Fenchoe genoemd.

[334] Zie boven bl. 91.

»Wat u aangaat, Rameri, laat u het zwaard teruggeven. Geloof mij, er

komen in het leven zooveel groote dingen voor, die onzen toorn wekken,

dat men reeds vroeg moet leeren, zich zonder ontstemd te worden over de

kleinigheden heen te zetten, als men geen knorrig en ontevreden schepsel

wil worden gelijk de gids Paäker. En gij, wilde waaghals, schijnt mij

daarvoor allerminst aanleg te hebben. Geeft elkaar nu de handen!”

De prinsen traden op elkander toe. Rameri viel zijn broeder echter om

den hals en kuste hem.

De koning streelde beiden de haren en zeide: »Gaat nu rusten en laat

ieder uwer zich morgen een nieuw eergeschenk trachten te verwerven!”

Toen zijne zonen de tent verlaten hadden, wendde Ramses zich tot zijn

wagenmenner en zeide: »Ook met u heb ik voor den strijd nog een woord te

spreken. Ik zie u door de oogen in de ziel, en geloof dat het daar niet

richtig is, sedert de overste uwer stoeterij hierheen kwam. Wat is er

toch in Thebe geschied?”

Mena zag den koning aan met een open oog, waarin echter eene smartelijke

uitdrukking lag, en zeide: »Mijne schoonmoeder Katoeti bestuurt mijn

erfgoed zeer slecht; zij verpandt de akkers en verkoopt het vee.”

»Dat is te vergoeden,” zeide Ramses vriendelijk. »Gij weet dat ik u nog

de vervulling van een wensch schuldig ben, wanneer Nefert u zoo zeker

vertrouwt als gij meent. Het komt mij echter voor, dat het met haar niet

zoo is als het wezen moest, want ik heb u nog nooit bezorgd gezien over

geld en goed. ― Spreek vrij uit; gij weet ik wil een vader voor u zijn.

Vrij en onbeneveld moeten hart en oogen zijn van den man, die in den

slag mijne paarden ment.”

Mena kuste het gewaad van den pharao en zeide: »Nefert heeft Katoeti’s

huis verlaten en is, gelijk gij weet, uwe dochter Bent-Anat naar den

heiligen berg Sinaï en naar Megiddo gevolgd.”

»Ik dacht,” antwoordde Ramses, »dat zij eene goede ruiling had gedaan.

Ik laat Bent-Anat voor Bent-Anat zorgen, want zij heeft geen ander

noodig die over haar waakt. En uwe vrouw kan geene betere vinden om

haar te beschermen, dan juist mijne dochter.”

»Zeker kan zij dit niet!” riep Mena in volle oprechtheid. »Doch eer

zij op reis ging, zijn er ergerlijke dingen gebeurd. Gij weet dat zij,

voordat gij hare hand voor mij hebt gevraagd, bestemd was voor haar

neef den Mohar Paäker. Deze nu ging, gedurende zijn oponthoud in Thebe,

in mijn huis uit en in. Hij heeft Katoeti met eene ontzaglijke som

bijgestaan, ten einde de schulden van mijn lichtvaardigen zwager te

betalen, en heeft gelijk de overste der stoeterij met eigen oogen gezien

heeft, Nefert bloemen geschonken.”

De koning glimlachte, legde zijne hand op den schouder van zijn

wagenmenner en zeide, terwijl hij hem recht in het gelaat zag: »Uwe

vrouw zou u vertrouwen, niettegenstaande gij eene vreemde vrouw in uwe

tent hebt genomen, en gij meent Nefert te mogen verdenken, omdat haar

neef haar bloemen schonk! Is dat verstandig en rechtvaardig? Ik geloof

dat gij ijverzuchtig zijt op den onbevalligen, breedgeschouderden man,

dien een nijdige demon in het nest van den edelen gestorven Mohar

schijnt te hebben gelegd.”

»IJverzuchtig ben ik niet,” antwoordde Mena, »en geen twijfel aan Nefert

verontrust mijne ziel. Maar mij kwelt, en pijnigt, en beleedigt reeds

de gedachte alleen, dat juist die Paäker, die mij tegenstaat als eene

giftige spin, haar geschenken geeft en haar aanziet en dat in mijn eigen

huis!”

»Wie vertrouwen verlangt, moet ook vertrouwen schenken!” zeide de

koning. »Moet ik het ook niet voor lief nemen, wanneer ellendige sukkels

mij en de mijnen met lofliederen prijzen? Komaan, strijk dadelijk de

plooien op uw voorhoofd glad, en denk aan de naderende overwinning en

den terugkeer naar het vaderland. Vergeet daarbij niet, dat gij Paäker

minder te vergeven hebt, dan hij u. Ga nu naar de paarden, en stap

morgen op mijn wagen, met vroolijken moed, zooals ik u het liefst zie.”

Mena verliet de tent en ging naar den vorstelijken paardenstal. Daar

trof hij Rameri aan, die hem wachtte. De levendige jongeling bekende

den wagenmenner, dat hij hem liefhad en eerde, als een schitterend

voorbeeld, dat hij wilde navolgen. Maar hij begon te twijfelen aan zijne

huwelijkstrouw, want hij had nu eerst gehoord, dat Mena eene vreemde

vrouw in zijne tent had genomen, niettegenstaande hij verbonden was

aan de schoonste en beminnenswaardigste vrouw in Thebe. »Ik heb,” zoo

besloot hij, »met haar als een broeder omgegaan en weet dat zij het

besterven zou, indien zij hoorde, dat gij haar zoo diep beleedigt. Ja,

beleedigt, want zulk eene openbare trouwbreuk onteert de vrouw van een

Egyptenaar! Vergeef mij mijne openhartigheid maar wie weet wat de dag

van morgen brengt, en ik zou niet met slechte gedachten van u ten

strijde willen trekken!”

Mena liet Rameri uitspreken, zonder hem in de rede te vallen en

antwoordde: »Gij spreekt rond en open als uw vader, en hebt zeker

ook van hem geleerd den aangeklaagde te hooren, alvorens hem te

veroordeelen. Eene vreemde vrouw, de dochter van den koning der

Danaërs[335], slaapt op mijne legerstede, maar ik houd sedert maanden

mijn nachtverblijf bij de deur van uws vaders tent, en heb mijne eigene

niet meer betreden, sedert het meisje daarin huist. Zet u een oogenblik

bij mij neer, en laat ik u vertellen, hoe dat gekomen is!”

[335] Naam van de Grieken in den tijd van den Trojaanschen

oorlog. Zij komen in de opschriften uit den tijd van Ramses III

voor als bondgenooten van de bewoners der eilanden in de

Middellandsche zee tegen Egypte. De Dardaniërs, bewoners van het

Trojaansche landschap Dardania, welker naam ook voor de Trojanen

gebruikt wordt, komen naast de volken van Pisada (Pisidië), Masa

(Mysië) en Ilioena (Ilion) in het epos van Pentaoer voor als

bondgenooten der Cheta. Het is zeer waarschijnlijk, dat de

vorsten van de Grieksche eilanden, die nabij de kusten van

Klein-Azië gelegen waren, zich hebben aangesloten bij het groot

verbond der volken van Westelijk Azië tegen de Egyptenaars.

»Wij hadden het leger voor Kadesch opgeslagen, en er was weinig voor mij

te doen, want Ramses lag nog lijdende aan zijne wonden. Dikwijls zocht

ik eenig tijdverdrijf met te jagen aan de oevers van het meer. Eens ging

ik, als gewoonlijk slechts met pijl en boog gewapend en vergezeld van

mijne hazewinden[336], naar de vlakte en vervolgde onbezorgd een haas.

Daar werd ik onverwachts door een bende Danaërs overvallen, die mij met

strikken bonden en in hunne legerplaats voerden. Ik werd als verspieder

voor hunne rechters gebracht. Reeds was het oordeel over mij geveld en

een strop om mijn hals gelegd, toen hun koning daar langs kwam, en mij

ziende mij nogmaals in het verhoor nam. Ik vertelde hem geheel naar

waarheid, dat ik op de dierenjacht zijnde, zonder eenige vijandige

bedoeling te hebben, in de handen der zijnen was gevallen. Hij geloofde

mij, schonk mij niet alleen het leven, maar ook de vrijheid. Hij had in

mij den edelman herkend, behandelde mij ook als zoodanig en liet mij

aan zijne eigene tafel spijzigen. Toen hij mij liet vertrekken, deed

ik stilzwijgend de gelofte, dat ik hem deze grootmoedige daad zou

vergelden.

[336] Hazewindhonden, afgericht voor de jacht op hazen, vindt

men reeds in de alleroudste graven, bijv. bij den Mastaba te

Meydoem, die tot den tijd van Snefroe behoort (4000 jaren v.

Chr.) Over de honden, waarvan de Egyptenaars zich bedienden,

handelt S. Birch in de =Transactions of the society of biblical

Archaeology=, 1875, p. 172-195.

De Mastaba of Moesatbet el Faroen, troon van Pharao, is een

pyramidevormig gebouw te Saqqarah, door de Arabieren met dien

naam onderscheiden, volgens de overlevering, dat een der oude

Egyptische koningen het tot zijn troonzetel bestemde. Vert.

»Een maand later gelukte het ons, de legerplaats der met de Cheta

verbondene volken te overrompelen, en Lybische soldaten roofden uit de

tent van den koning der Danaërs, benevens andere schatten, ook zijne

dochter. Ik had mij dapper gedragen, en toen het tot de verdeeling van

den buit kwam, vergunde de koning mij het eerst te kiezen. Dadelijk

legde ik de hand op de dochter van mijn redder en gastvriend, en voerde

haar naar mijne tent, waar ik haar ongedeerd met hare dienstmaagden laat

leven om haar bij het sluiten van den vrede aan haren vader terug te

geven.”

»Vergeef mij!” riep Rameri, en reikte den wagenmenner de hand. »Nu

begrijp ik eerst, waarom de koning mij zoo met nadruk vroeg, of Nefert

aan uwe trouw gelooft!”

»En wat hebt gij hem ten antwoord gegeven?” vroeg Mena.

»Dat zij dag en nacht aan u denkt, en geen oogenblik aan u twijfelt. Dat

scheen ook mijn vader groot genoegen te doen, en hij zeide tot Chamoes:

‚Dan heeft hij het gewonnen’!”

»Hij wil mij eene groote gunst bewijzen,” zeide Mena, om het antwoord

van Ramses op te helderen, »wanneer zij, na vernomen te hebben dat ik

eene vreemde vrouw in mijne tent opnam, mij toch nog vertrouwt. De

koning houdt dit schier voor onmogelijk, maar ik weet dat ik het winnen

zal. Zij =moet= op mij vertrouwen!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 47 / 58 题