TIENDE HOOFDSTUK.

Sedert den beslissenden slag bij Kadesch waren er bijna drie

maanden verloopen. Heden werd de pharao, met zijne als overwinnaars

terugkeerende troepen, gewacht in het sterke Pelusium, den sleutel van

Egypte voor alle legers, die uit het oosten kwamen[340].

[340] Zie Lepsius, =Chronologie der Aegypter=, S. 338 f. waar

alle aanvallen, die het Nijldal uit het oosten heeft moeten

verduren, opgeteld worden.

Er waren schitterende toebereidselen gemaakt om den koning te ontvangen,

en hij die de maatregelen voor het feest leidde, met een ijver die

dubbel verrassend was, omdat hij anders zoo kalm van aard scheen te

zijn, was niemand minder dan de stadhouder Ani. Overal zag men zijn

wagen, nu eens bij de werklieden, die de triumfbogen met frissche

bloemen moesten tooien, dan weder bij de slaven, die de houten leeuwen

langs de straten, opzettelijk voor deze gelegenheid vervaardigd, met

kransen omslingerden. Het meest en het langst zag men hem bij het

kolossale houten paleis, in korten tijd opgetimmerd op de plaats

waar vroeger de Hyksos gelegerd waren[341]. Daar zou het eigenlijk

welkomstfeest worden gevierd en de pharao voorloopig met de zijnen

verblijf houden.

[341] Het Abaris van Menotho is Pelusium, zooals wij in ons

=Aegypten und die Bücher Mose’s=, I. S. 209, bewezen hebben. Van

de oude wallen met inspringende hoeken, die aan eene vesting

doen denken, zijn nog sporen bewaard gebleven. Zie Lepsius in de

=Sitzungsberichte der Berliner Akademie der Wissenschaften=, 17

Mai 1866.

Door samenwerking van vele duizende menschenkrachten was het gelukt

in weinige weken dit prachtig gebouw te voltooien[342]. Er ontbrak

werkelijk niets, wat een koning, die aan weelderigen glans gewoon was,

maar in eenig opzicht begeerlijk kon toeschijnen. Een hooge op zichzelf

staande trap leidde uit een keurig aangelegden tuin, die als uit het

niet te voorschijn was geroepen, naar eene voorzaal, waarachter de

eigenlijke feestzaal gelegen was. Deze laatste was buitengewoon hoog

opgetrokken. Het houten dakgewelf, dat duizende sterren op een blauwen

grond vertoonde en het firmament voorstellen moest, rustte op zuilen,

waarvan sommige de gedaante hadden van dadelpalmen, andere van ceders

van den Libanon. De breede bladeren en de fijnvertakte naalden er aan,

bestonden uit kunstig vastgehecht en beschilderd weefsel. De zuilen

waren over de geheele breedte van de zaal aan elkander verbonden door

blauwachtig gaas. Alleen midden aan den oostelijken achterwand van deze

zaal was dit gaas saamgestoken in den vorm van eene schelp, die, bezaaid

met groen en blauw vloeispaath, paarlemoer, plaatjes van spiegelblank

Moscovisch glas en andere blinkende sieraden, zich als een baldachijn

over den hoogen troon van den pharao uitbreidde. Deze koninklijke zetel

had de gedaante van een schild dat door leeuwen werd bewaakt, die aan

zijne beiden zijden als leuningen rustten. Het geheel werd gedragen door

vier geboeide Aziatische vorsten, die onder het gewicht van dezen last

schenen te bezwijken.

[342] Volgens Herodotus (II, 107) zou dit houten gebouw te

Daphne bij Pelusium zijn opgetrokken, volgens Diodorus (I, 57)

te Pelusium zelf. Wij kunnen niet instemmen met hen, die meenen

dat het verraad van den stadhouder gericht was tegen Ramses III

en niet tegen Sesostris (Ramses II). Werkelijk heeft er onder

Ramses III (vgl. Deveria, =Le papyrus judiciaire de Turin=) een

samenzwering van den harem plaats gehad, die ten doel had, den

broeder van den pharao op den troon van Egypte te plaatsen.

Maar van dergelijke paleis-revoluties vinden wij telkens gewag

gemaakt, bijv. reeds in het oude rijk, onder Amenemha I (12e

dynastie), in den papyrus-Sallier (II).

De vloer van deze feestzaal was bedekt met zware tapijten, die eene

voorstelling moesten geven van den zeebodem; want men zag op den blauwen

grond de meest verschillende gedaanten van mosselen, visschen en

waterplanten. Hier stonden rondom sierlijke tafels wel driehonderd

zetels voor de grooten van het rijk en de aanvoerders van het leger.

Overal hingen ontelbare lampen in de gedaante van leliën en tulpen,

en in de voorzaal stonden groote korven met rozen gereed, die bij de

aankomst voor den koning moesten uitgestrooid worden.

Ook de slaapvertrekken van den koning en de zijnen waren prachtig

gemeubeld. Rijk geborduurde purperen weefsels hingen als tapijten langs

de wanden neer. De zoldering was gedekt door blauw-wit gaas, in doffen

opgenomen, alsof het lichte boven het hoofd zwevende wolkjes waren. De

grond was in plaats van met tapijten, met giraffen-vellen belegd.

Meer naar de zijde van de stad waren de barakken opgeslagen voor de

garden en lijfwachten des konings, alsmede de vorstelijke stallen, die

van het paleis gescheiden waren door den tuin, die het van alle zijden

omgaf. Een afzonderlijk, fraai verguld en met bloemen versierd paviljoen

was bestemd om de paarden te herbergen, die den koning in den slag

gereden hadden, en door hem aan den zonnegod waren gewijd.

Op dit oogenblik doorwandelde de stadhouder Ani met vrouwe Katoeti deze

in allerijl opgetrokken feestzalen.

»Mij dunkt dat alles goed geslaagd is,” zeide de weduwe.

»Eén ding alleen weet ik niet uit te maken,” antwoordde de stadhouder.

»Wat moet ik het meest bewonderen: uw vindingrijke geest, of uw smaak?”

»Laten wij daarover thans niet spreken,” hernam de weduwe met een

glimlach. »Indien ik in eenig opzicht lof verdien, dan is het voor mijn

ijver om u te dienen. Wat moest er in dit moerassig oord[343], waar de

lucht vervuld is van hinderlijke insecten, al niet wordt uitgedacht,

gewaagd, geordend en afgedaan, eer dit gebouw er stond! Nu is het

voltooid, maar voor hoe lang?”

[343] Volgens eene, hoewel onjuiste etymologie bij Strabo p.

(802) zou Pelusium, afgeleid van het Grieksche woord „pelos,”

beteekenen „moerasstad.”

Ani zag naar den grond, terwijl hij herhaalde: »Voor hoe lang?” ―

Daarna ging hij aldus voort: »Eén groot waagstuk is reeds mislukt. Ameni

is koel geworden en verroert zich niet meer. De troepen, waarop ik

reken, zijn mij misschien nog toegedaan, maar veel te weinig in aantal.

De Hebreën, die hier hunne kudden hoeden, en die ik voor mij heb

gewonnen door hen van dwangarbeid te ontheffen, hebben nimmer wapenen

gedragen. Bovendien, gij kent dit volk! Zij kussen de voeten van den

roemrijken overwinnaar, al moesten zij ook om hem te naderen door het

bloed hunner kinderen waden. Het ontbreekt mij aan vertrouwen. En

behalve dit.... het is,... er heeft zich... nu ja, de sperwer, die de

oude Hekt voor mij verzorgt, is juist heden zoo ziek en afgemat....”

»Hij zal zich morgen des te trotscher weer oprichten, als gij een man

zijt,” zeide Katoeti, en hare oogen vonkelden van toorn. »Gij kunt thans

niet meer terug! Hier in Pelusium neemt Ramses, die als een god door u

ontvangen wordt, uw feest aan. Ik ken den koning! Hij is te trotsch om

wantrouwend te zijn, en zoo ingenomen met zichzelven, dat hij niets

moeielijker toegeeft, dan dat hij zich in een mensch, onverschillig of

het een vriend is of een vijand, zou hebben vergist. Hij zal den man,

die hijzelf, toen hij hem tot zijne stadhouder benoemde, voor den

waardigsten in het land verklaarde, ongaarne verdoemen. Heden nog

behoort zijn oor aan u, morgen reeds aan uwe vijanden, en er is in Thebe

te veel geschied, dan dat het zou kunnen uitgewischt worden. Gij zijt

den leeuw gelijk, die tusschen zijn wachter en de traliën staat. Laat

gij thans den tijd ongebruikt voorbijgaan, dan zit gij in de kooi; maar

voelt gij heden uw kracht en toont gij een leeuw te zijn, dan is het met

hem die u temde gedaan!”

»Gij houdt niet op mij aan te zetten,” hernam Ani. »Maar wanneer nu,

nadat Paäker’s zoo voortreffelijk uitgevoerd plan is mislukt, ook uw

aanslag eens verkeerd uitvalt?”

»Zoo staat het met uw zaak niet slimmer dan thans,” antwoordde

Katoeti. »De goden, niet de menschen besturen de elementen. Is het

waarschijnlijk, dat gij zulk een prachtig gebouw met zooveel zorg zult

hebben doen voltooien, om het te verbranden? Wij hebben en behoeven

niemand, die van ons plan kennis draagt!”

»Maar wie zal den brand steken in de vertrekken, die door Nemoe en mijn

stommen slaaf met stroo en pek zijn gevuld?” vroeg Ani.

»Ik,” antwoordde Katoeti vastbesloten, »en met mij nog iemand die van

Ramses niets te verwachten heeft.”

»En wie zal dat zijn?”

»Paäker.”

»Is de Mohar dan hier?” vroeg de stadhouder verschrikt.

»Gij hebt hem zelf gezien.”

»Gij vergist u,” zeide Ani. »Ik zou ...”

»Herinnert gij u dien eenoogigen zwarte, met zijn grijs hoofd, die u

gisteren mijn schrijven overbracht? ― Dat is de zoon mijner zuster.”

De stadhouder bracht de hand aan zijn voorhoofd, en prevelde, terwijl

eene rilling hem door de leden voer: »Die arme!”

»Hij is vreeselijk veranderd,” zeide Katoeti. »Hij had zich niet eens

behoeven te verven, om zelfs voor zijne moeder onkenbaar te zijn. In

het gevecht met Mena heeft hij een oog verloren. Een zwaardsteek van

mijn schoonzoon verwondde zijne longen, zoodat hij moeilijk spreekt en

ademhaalt. Het vleesch van zijne breede schouders is verdwenen, en zijne

stevige beenen, waarop hij vroeger zoo pochte, zijn thans dunner dan

die van een neger. Zonder aarzelen liet ik hem onder mijne dienaars

verwijlen. Mijn aanslag kent hij nog niet, maar ik weet dat hij ons

helpen zal, al bedreigden hem ook duizend dooden. Om der goden wil,

draal en wankel nu niet langer! Wij zullen den boom voor u schudden,

zorg gij slechts bij de hand te zijn, als het er morgen op aan zal komen

de vruchten op te rapen. Eén ding echter moet ik verlangen. Beveel den

opzichter der wijnschuren dat hij het druivennat niet spare, opdat de

garde en de Sardische wachters ons niet storen. Ik weet dat gij bevel

hebt gegeven, van de vijf schepen, die den inhoud van uwe wijnschuren

hierheen brachten, maar drie te ontladen. Ik dacht dat de toekomstige

beheerscher van Egypte ten minste niet zoo angstvallig spaarzaam zou

zijn!”

Om Katoeti’s lippen speelde een trek van minachting, terwijl zij deze

woorden sprak.

Ani merkte het op en zeide: »Gij houdt mij voor schroomvallig. Nu ja, ik

stem het toe, het zou mij wel zoo lief zijn, wanneer ik kon maken dat

vele dingen, die ik op uw aandrijven heb gedaan, niet gebeurd waren.

Ik zou ook gaarne van dezen nieuwen aanslag afzien, hoe zorgvuldig

wij alles ook bij den aanleg en de versiering van dit gebouw hebben

voorbereid. Den wijn wil ik er aan geven. Inderdaad, er zijn wijnkruiken

bij, die nog uit den tijd van mijn vader afkomstig zijn. Doch het moet

zoo zijn. Gij hebt gelijk! Er is reeds te veel gebeurd, dat ’s konings

toorn gaande zal maken. Gij zijt verstandig! Doe wat gij goed acht. Ik

slaap na het feest in het kamp der Ethiopiërs.”

»Zij zullen u tot koning uitroepen, zoodra die overweldigers verbrand

zijn,” riep Katoeti. »Als er maar eenigen schreeuwen, zoo volgen de

anderen vanzelf, en al hebt gij Ameni ook vertoornd, hij huldigt u

altijd nog liever dan Ramses. ― Daar komt hij, zie, daarboven wapperen

reeds de vanen!”

»Zij naderen,” zeide de stadhouder. »Nu nog éen ding! Zorg gij er

persoonlijk voor, dat de prinses Bent-Anat de voor haar bestemde

vertrekken betrekt. Zij mag niet in den brand omkomen.”

»Nog altijd dezelfde?” vroeg Katoeti schalks en toch niet zonder

bitterheid lachende. »Wees niet bezorgd; hare vertrekken liggen

gelijkvloers en zij zal gewaarschuwd worden.”

Ani zeide haar vaarwel. Hij wierp nog een blik in de groote zaal en

sprak daarna zuchtende: »Mijn gemoed is beklemd; ik wenschte dat deze

dag en nacht voorbij waren!”

»Het komt mij voor,” zeide Katoeti met een glimlach, »dat er veel

overeenkomst is tusschen u en deze schoon versierde feestzaal, die er

thans zoo verlaten, haast huiveringwekkend uitziet. Maar dat alles zal

heden avond veranderen, wanneer zij met gasten gevuld is. Tot koning

zijt gij geboren, en toch nog geen koning. Gij zult eerst geheel uzelf

zijn, wanneer kroon en schepter u toebehooren.”

Ani dankte haar met een lachje en verliet haar. Katoeti prevelde echter

voor zichzelve: »Bent-Anat zal met de overigen verbranden; ik heb geen

lust de heerschappij over dezen met haar te deelen!”

* * * * *

Uit alle deelen van Egypte waren mannen en vrouwen saamgestroomd, om den

terugkeerenden overwinnaar en zijne troepen aan de grenzen van zijn rijk

te ontvangen[344].

[344] Aan den noordelijken wand van den tempel van Karnak is ons

de schoonste voorstelling van zulk eene feestelijke ontvangst

bewaard gebleven. Deze gold den vader van onzen Ramses, toen ook

hij uit Syrië terugkeerde.

Elk eenigszins aanzienlijk priestercollege had Ramses eene deputatie

tegemoet gezonden. Het college van de Nekropolis van Thebe zond vijf

zijner medeleden, met den opperpriester Ameni en den tweeden profeet van

het Seti-huis, den ouden Gagaboe, aan het hoofd. De in het wit gekleede

dienaars der godheid naderden in statigen optocht de brug, die over den

oostelijken, den Pelusinischen Nijlarm voerde in het eigenlijke, door de

wateren van den heiligen stroom bevruchte Egypte[345].

[345] Het orakel van Amon gaf aan de bewoners van Marea en Apis,

twee steden aan de Lybische grenzen, ten antwoord, dat alles

tot Egypte behoorde, wat door den Nijl, wanneer hij buiten zijn

oevers trad, overstroomd werd, Herodotus II, 18.

De trein werd geopend door de afgevaardigden van den eerwaardigen

Ptah-tempel te Memphis, welken Mena, de eerste koning wiens hoofd de

kroon van Opper- en Neder-Egypte sierde, reeds gesticht zou hebben, en

tot welks opperhoofd de oudste zoon van Ramses, Chamoes, was benoemd.

Hierop volgden zij, die door het niet minder eerwaardige Heliopolis

waren afgezonden. Daarachter kwamen zij, die den rijkstempel en die

de Nekropolis van Thebe vertegenwoordigden. Maar weinige leden dezer

gezantschappen droegen het eenvoudig witte kleed van de dienaars der

godheid, daar de meesten getooid waren met het panthervel der profeten.

Elk hield een langen staf in de hand die met rozen, leliën en groen loof

was omwonden. Velen droegen gouden armen met gebogene handen, in welker

holte, bij de nadering des konings, kostbaar reukwerk zou worden

ontstoken. Onder de afgevaardigden van de Amon-priesters van Thebe

bevonden zich ook enkele aanzienlijke vrouwen[346], die bij den dienst

van den god werkzaam waren. Daarbij zag men ook Katoeti, die kort

geleden, op uitdrukkelijk verlangen van den stadhouder, onder haar was

opgenomen.

[346] De zoogenaamde Pallakieden, die wij het menigvuldigst

aantreffen bij de vereering van Amon, maar ook bij den dienst

van godinnen, als Isis en Bast. Hoewel zij op den gedenksteen

van Tanis „Jonkvrouwen” genoemd worden, zoo kon Katoeti toch wel

onder haar gerekend worden daar in ouderen tijd vele Pallakieden

gehuwd waren.

De opperpriester Ameni liep nadenkend naast den profeet Gagaboe voort.

»Wat is toch alles gansch anders uitgekomen dan wij dachten en

wenschten!” zeide de laatste zacht. »Wij zijn boden met verzegelde

brieven; wie kent den inhoud?”

»Ik begroet Ramses met een blijmoedig hart,” antwoordde Ameni op

beslisten toon. »Na alles wat hem voor Kadesch wedervoer, keert hij niet

terug, gelijk hij was toen hij te veld trok. Hij weet nu wat hij aan

Amon verschuldigd is. Zijn zeer geliefden zoon heeft hij reeds in dienst

gesteld van den god van Memphis. Hij heeft beloofd prachtige tempels te

bouwen, en den hemelschen goden rijke geschenken te geven. En Ramses is

gewoon zijne geloften beter gestand te doen, dan die lachende zwakhoofd

daar op den wagen.”

»Ik maak mij beangst over Ani,” zeide Gagaboe.

»De pharao zal hem niet straffen, zeker niet,” verzekerde de

opperpriester. »En hij heeft niets van hem te vreezen, want dit

wankelend riet is, zonder krachtigen steun, een speelbal der winden.”

»Wat groote dingen hebt gij toch niet van hem verwacht!”

»Niet =van= hem, maar =door= hem, als hij door ons werd geleid,” hernam

Ameni zacht, maar met nadruk. »Dat ik hem opgaf, is geheel zijne eigene

schuld. Hij heeft onzen eersten wensch, den dichter Pentaoer te sparen,

in den wind geslagen; geen eedbreuk ontzien om ons te bedriegen, en

een der heerlijkste werken der goden, want dat was de dichter, te

vernietigen, om eene nietsbeduidende beleediging. Het valt moeilijker te

strijden tegen arglistige zwakheid dan tegen redelijke kracht. Zouden

wij den man, die ons Pentaoer ontstolen heeft, met eene kroon beloonen?

Het valt ieder mensch zwaar een weg, dien men eenmaal heeft ingeslagen,

te verlaten en een beteren te kiezen, een reeds half ten uitvoer gelegd

plan op te geven om een ander te volgen, dat beter uitzichten opent.

Doet hij het, dan loopt hij gevaar door de menschen van onbestendigheid

beschuldigd te worden. Doch wij zien noch rechts noch links, en wanneer

wij handelen in het algemeen belang, behoeven wij ons niet te houden

binnen de perken, die door wet of gewoonte voor de daden van gewone

menschen zijn gesteld. Wij treden terug even voor de bereiking van het

doel; wij laten hem vallen, dien wij omhoog hieven, en verheffen den

man, dien wij zelven hadden neergeworpen, tot de hoogste hoogte. Om

kort te gaan, wij bekennen voor onszelven, en hebben ons sedert eeuwen

aan die leer gehouden. Elke weg is goed, die tot het groote doel

voert, namelijk om der priesterschap de heerschappij over dit land te

verzekeren. Ramses, door een wonder gered, die komt met de belofte

om tempels te bouwen, zal zijn dorst naar groote daden niet meer als

krijgsman maar als bouwmeester trachten te lesschen. Hij zal ons noodig

hebben, en hem die ons noodig heeft, kunnen wij leiden. Ik huldig thans

met blijdschap den zoon van Seti.”

Ameni had nog niet uitgesproken, toen de vlaggen aan de masten vóor

de eerepoorten werden geheschen. Aan gene zijde van den Nijl gingen

stofwolken op, en het geklank van bazuinen liet zich hooren. Daar

vertoonden zich de paarden, die Ramses naar het slagveld hadden gereden.

De koning mende ze zelf en zijn aangezicht straalde van vreugde, toen

de zijnen hem aan de andere zijde van de brug met een onbeschrijfelijk

gejuich begroetten, toen tienduizenden hem met tranen van ontroering

en geestdrift ontvingen, en een regen van tallooze geurige bloemen en

knoppen, van groen loof en palmtakken voor zijne voeten neder viel.

Ani ging allen die den pharao ontvingen vóor. Hij wierp zich deemoedig

voor de paarden in het stof, kuste de aarde, en overhandigde den koning

den op een zijden kussen liggenden gouden schepter, die hem zoolang was

toevertrouwd.

De koning riep hem genadig tot zich, en toen Ani zijn gewaad greep om

het te kussen, boog Ramses zich tot hem neder en raakte met zijne lippen

het voorhoofd van zijn plaatsvervanger aan. Hij verzocht hem vervolgens

zijn wagen te bestijgen en de teugels van zijne rossen in handen te

nemen.

In ’s konings oogen parelden tranen van dankbaarheid. Men had hem dus

niet misleid. Als een gelukaanbrengend en geliefd vader, niet als

een straffend gebieder, kon hij het land weder betreden, voor welks

grootheid en welvaart hij leefde. Tot in het diepst zijner ziel bewogen,

ontving hij den welkomstgroet der priesters, en met hen bad hij voor het

oog van de verzamelde volksmenigte.

Vervolgens liet hij zich naar het voltooide praalgebouw brengen.

Vroolijk besteeg hij den hoogen voortrap. Boven gekomen, begroette hij

vandaar de zich verdringende menigte zijner saamgestroomde onderdanen.

Tweeduizend rijk getooide stieren en even zooveel tamme antilopen[347],

die als een dankoffer aan de goden voor zijn behouden terugkomst zouden

geslacht worden, getemde leeuwen en luipaarden, vreemde boomen, op

welker takken bontgevederde vogels zich wiegden, giraffen, wagens met

struisvogels bespannen, dat alles en nog meer zag hij voorbij voeren,

terwijl hij den stoet wachtte, die van de haven kwam, met Bent-Anat, in

een draagstoel gezeten, aan het hoofd.

[347] De pracht van het feest, dat wij Ani laten geven, zinkt

geheel in het niet, wanneer wij het vergelijken met hetgeen

Ptolemaeus Philadelphus bij eene feestelijke gelegenheid voor de

bewoners van Alexandrië ten toon spreidde, volgens het verhaal

van een ooggetuige. Kallixenos (bij Athenaeus).

Ten aanzien van het geheele volk omarmde Ramses zijne dochter. Hij

meende, dat hij zijne onderdanen moest laten deelen in het geluk en de

hartelijke dankbaarheid, die hem vervulden. Zoo schoon als heden was

zijn meest geliefd kind hem nog nooit voorgekomen. Zijn hart werd

ontroerd, want zij herinnerde hem zijne gestorvene gemalin[348], op

welke zij hoe langer hoe meer scheen te gelijken.

[348] Zij heette Isis Nefert.

De vrouw van Mena was hare vorstelijke vriendin gevolgd als draagster

van haar waaier. Zij knielde voor den pharao, terwijl deze zich

verheugde over het wederzien van zijne dochter. Thans merkte hij ook

Nefert op, en beval haar vriendelijk op te staan, zeggende: »Wat moet ik

heden al niet beleven! Ik heb ondervonden, dat hetgeen ik weleer voor

het grootste geluk hield, toch nog overtroffen kan worden. En nu zie ik,

dat ook het schoonste zich nog tot hooger schoonheid kan ontwikkelen.

Mena’s ster is eene zon geworden.”

Bij deze woorden gedacht Ramses zijn wagenmenner. Een oogenblik rimpelde

zich zijn voorhoofd, toen boog hij langzaam het hoofd, met nedergeslagen

oogen. Bent-Anat kende deze beweging haars vaders. Zij was de voorbode

van een dier vriendelijke, ook weleens ondeugende plannen, waarmede

hij de zijnen placht te verrassen. Ditmaal zag hij echter langer dan

gewoonlijk naar beneden.

Eindelijk hief hij het hoofd weder op, en liefderijk schitterden zijne

groote oogen, toen hij zijne dochter vroeg: »Wat heeft uwe vriendin wel

gezegd, toen zij hoorde dat haar gemaal eene vreemde schoone in zijne

tent genomen en daar maanden lang geherbergd heeft? Ik vraag de volle

waarheid, Bent-Anat!”

»Ik ben Mena dankbaar voor deze daad,” antwoordde de prinses, »die zeker

licht te vergeven zal zijn, omdat gij er over spreekt met een glimlach,

want zij bracht zijne vrouw tot mij. Hare moeder schold op haar

echtgenoot met bittere hardheid, maar zij bleef gelooven in zijne

trouw en verliet zijn huis, daar zij niet kon verdragen hem te hooren

belasteren.”

»Is dat waar?” vroeg Ramses.

Nefert knikte toestemmend met het schoone hoofd, en een tweetal tranen

rolde langs hare blozende wangen.

»Hoe goed moet hij zijn,” riep de koning, »wien de goden zulk een geluk

laten te beurt vallen! Ceremoniemeester! Beveel Mena, dat hij mij heden

aan tafel bediene, gelijk vóor den slag bij Kadesch. Hij wierp in het

gevecht de teugels weg, toen hij zijn vijand zag; laat hij nu oppassen,

dat hij met den beker niet hetzelfde doe, wanneer zijne geliefde

meesteres[349] hem aan den maaltijd met deze beide oogen zal aanzien.

Gij vrouwen zult aan het maal deelnemen.”

[349] Zie boven bl. 219.

Nefert zonk dankend voor den koning op de knieën, doch hij keerde zich

van haar af, om de waardigheidsbekleeders te begroeten, die gekomen

waren om hem te verwelkomen, en reed daarna naar den tempel, waar hij

het slachten der offers bijwoonde, en zijne gelofte, namelijk dat hij

uit dankbaarheid voor zijne redding uit doodsgevaar een prachtigen

tempel te Thebe zou stichten, voor de priesterschap en geheel het volk

plechtig herhaalde. De geestdrift waarmede hij ontvangen werd, waar hij

zich ook vertoonde, was zonder wederga. Zijn weg voerde hem ook voorbij

de haven en de tenten, waarin de gewonden verpleegd werden, die te

scheep naar Egypte vooruitgezonden waren. Hij groette allen van zijn

wagen met bijzondere vriendelijkheid.

De stadhouder Ani mende weder de paarden. Hij liet de edele dieren

langzaam door de rijen der herstellenden stappen. Maar plotseling gaf

hij de teugels een hevigen ruk. De paarden steigerden en waren met

moeite weder rustig in gang te brengen. Getroffen zag Ramses om. Waar de

paarden waren geschrikt, had ook hem eene huivering aangegrepen, want

hij meende den persoon gezien te hebben, die te Kadesch zijn leven had

gered.

Had de blik eener godheid de paarden doen schrikken? Moest het eene

zinsbegoocheling heeten, of was zijn redder inderdaad een sterfelijk

mensch, en als gewonde van het slagveld teruggekeerd? De man, die naast

hem de teugels hield, had de oplossing kunnen geven, want Ani had

Pentaoer herkend, en daarbij vol ontzetting in de teugels gegrepen.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 49 / 58 题