ZEVENDE HOOFDSTUK.

Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen

vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn

kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen

van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met

eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling

scheen te behooren.

Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend

was, naarmate men dichter bij Kadesch[322] kwam, ging op verkenning uit.

Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van

Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken.

[322] De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de

Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk

Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van

Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes

III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch

de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren

strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in

twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv.

op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van

het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van

Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan

den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef

behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van

Riblat is gelegen.

Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht?

Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog

Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in

zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze

beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel

vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.

»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te

worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene

bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten

naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en

zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol,

waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat

mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer

zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij

plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de

Mohar zijn Toeat[323] noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en

wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te

leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger

zijn.”

[323] De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.

Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op

vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen,

waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van

zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het

water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit

tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het

water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan,

zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door

het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en

vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem

niet zonder moeite.

Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten

zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel

uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand

boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht

struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer

gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het

begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware

regendruppels.

»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. »Nog een

half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet

bijster raak.”

Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met

moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de

roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken.

Tweemaal meende hij het verloren te hebben, maar hij gaf zich geen

rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij

staan en riep Pentaoer bij zich.

»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. ― Het is

mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader

leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. ― Ziet gij mij?

Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt

oprichten. Houd ook uw bijl gereed. ’t Zou kunnen zijn dat zich thans

Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. ― Mannen, wacht hier op ons!

Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen.”

Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met

hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau

staan.

»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de

rechterzijde is een diepe afgrond. ― Ik riek rook. ― De hand aan de

bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal

ook de manschappen hierheen brengen.”

De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke

de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep

te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al

tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand

hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al

helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.

De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de

laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb

enkele woorden verstaan.”

»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen

dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten.

Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men

opendoen. ― Kunt gij wat verstaan?”

»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, »en

scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt

dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak,

hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders,

zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. ― Klop

aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan,

zeg ik u!”

De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol

klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd

teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem

vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”

»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer,

Noebi?”

De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van

den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?”

»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om

Pentaoer vooruit te laten komen.

De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het

hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude

slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting

terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn

booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het

bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!”

Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een

woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en

voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met

eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den

Mohar, red mij, vader!”

Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den

afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling!

Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd

opgevoed.”

De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: „Wie

gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak

mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en

vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen.”

Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de

handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.

Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de

verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en

den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het

vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen.”

»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het dal

gevaarlijk.”

»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” riep de

jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.

De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet

de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het

Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen,

langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep

hem in zijn wollig haar en hield hem vast.

De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt,

zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”

»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp

hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit

doel op den grond lag.

Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten

gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de

wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. ―

Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te

verliezen.”

De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar

deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de

duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust,

voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te

versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met

frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel

in.”

»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol,

waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden

bewaard.

Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de

paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en

Pentaoer ongeduldig op en neder.

»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg de dichter.

»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde Horus.

»Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta

begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische

leger komen, dan is alles verloren.”

»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”

»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn Osirische

vader.”

»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij

den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de

handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder

uw vijand geworden?”

»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende stem. »Toen

onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen.

Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van

ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet

dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik

verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere

overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en

nam daar eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor

zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te

zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn

van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn

kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder.

Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna

ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben

doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan

ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen

gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne

kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne

moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat

is... dat vermag...”

De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen

hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet.

Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart,

behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen

woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena,

die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook

verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch

maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen.

En hij is toch mijn oudste broeder.

»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid,

en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger

te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te

stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed.

Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou

brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning

niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te

razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne

afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te

dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam

van onzen vader.

»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op

te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van

mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er

was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in,

maar ― wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in

de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de

kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van

den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met

Paäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door

heen breed en zeer geschikt voor ’s konings strijdwagens. Ook andere

opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde,

vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden ‚Dood aan

Mena!’ te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik

verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was.”

»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.

»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”[324], ging Horus voort.

»Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder

binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig

den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen

ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die

hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te

bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. ― Maar zie, daar

vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan.”

[324] Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van

het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.

»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en

Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!”

Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de

wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte.

Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar

het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte

grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij

aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa’s, die zich heen en

weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen

schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.

»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en wierp zich

hijgend over den hals van zijn paard.

»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette zijn paard

aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere

twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta’s paard van vermoeienis neer,

daarna ook dat van Horus.

»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s broeder.

»Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den

koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de

steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten

van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden.

Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der

Egyptenaars is de naam van Ramses’ lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar

al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij

hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den

linkervleugel den vijand in den rug te vallen.”

Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen

begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord ‚Bent-Anat’

roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot

hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af,

sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof

hij ter bruiloft ging.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 46 / 58 题