Pentaoer had zich met zijne ruiters enkele malen te verdedigen tegen
vijandige bergbewoners, die plotseling uit de wouden te voorschijn
kwamen en hen op het lijf vielen. Toen zij nog maar een paar dagreizen
van hun doel verwijderd waren, geraakten zij in een bloedigen kamp met
eene bende vijandelijke stroopers, die tot eene grootere legerafdeeling
scheen te behooren.
Kaschta, die toonde dat hij hoe langer hoe meer met alle wegen bekend
was, naarmate men dichter bij Kadesch[322] kwam, ging op verkenning uit.
Hij keerde niet zonder bezorgdheid terug, daar hij groote scharen van
Cheta had gezien op den weg, dien zij moesten doortrekken.
[322] De hoofdstad van den koning der Cheta, dat is van de
Arameërs, om wie zich het verbond van alle volken van westelijk
Azië geschaard had. Er waren meer plaatsen, die den naam van
Kadesch droegen. Al heeft het Kadesch, dat de legers van Thotmes
III dikwijls tegenhield, ook zuidelijker gelegen, zoo lag toch
de Chetiten-stad Kadesch, waarbij Ramses II zulk een zwaren
strijd te strijden had, in elk geval aan den Orontes. Want de in
twee armen verdeelde stroom, die deze vesting bespoelt, bijv.
op het tafereel, waarin zij voorkomt op een der pylonen van
het Ramsesseum, heet Aroentha. Ook in het zoogenaamde epos van
Pentaoer wordt gezegd, dat de grootste slag bij Kadesch aan
den oever van den Orontes geleverd is. De naam der stad bleef
behouden, en wel in het meer dat drie uren ten noorden van
Riblat is gelegen.
Hoe kwamen die vijanden hier in den rug van de Egyptische hoofdmacht?
Zou Ramses een nederlaag hebben geleden? Gisteren hadden zij nog
Egyptische soldaten ontmoet, die hun mededeelden, dat de koning in
zijn legerplaats was en zich voorbereidde tot een grooten slag. Deze
beslissende slag kon toch sedert nog niet geleverd zijn, en geen enkel
vluchteling van het Egyptische leger was hun te gemoet gekomen.
»Als wij nog maar twee uren door kunnen rijden, zonder aangevallen te
worden,” zeide Warda’s vader, »dan weet ik wel raad. Daar ginds is eene
bergkloof, en vandaar uit liep vroeger een pad over hoogten en laagten
naar de vlakte van Kadesch. Niemand kende dat pad, behalve de Mohar en
zijne meest vertrouwde dienaars. Halverwege ligt een verborgen hol,
waarin wij ons menigmaal dagen lang ophielden. De Cheta geloofden, dat
mijn heer tooverkracht bezat en zich onzichtbaar kon maken, want wanneer
zij op de loer lagen bij onze tochten langs dezen weg, waren wij
plotseling verdwenen, zeker niet in de wolken, maar in het hol, dat de
Mohar zijn Toeat[323] noemde. Ziet gij niet tegen het klimmen op, en
wilt gij u getroosten eenige uren het paard aan den teugel achter u te
leiden, dan wijs ik u den weg, en kunnen wij morgen avond in het leger
zijn.”
[323] De diepte. De onderwereld der Egyptenaren.
Pentaoer liet nu den roodbaard den trein vooruit rijden. Zonder op
vijanden te stuiten, kwamen zij aan den kloof tusschen de bergen,
waardoor eene diepe beek zich in het dal stortte. Kaschta sprong van
zijn paard, en die hem volgden deden desgelijks. Nadat de paarden in het
water waren getrokken, wischte hij zorgvuldig het spoor der hoeven uit
tot aan den heerweg. Vervolgens ging het een halfuur stijgende tegen het
water in. Eindelijk bleef hij voor een dicht oleander-boschje staan,
zocht nauwkeurig naar het pad en baande zich gemakkelijk een weg door
het geboomte, toen hij het gevonden had. Zij die hem vergezelden en
vooral de paarden, die met inspanning moesten klauteren, volgden hem
niet zonder moeite.
Zij kwamen vervolgens in een woud van hemelhooge ceders. Nu eens moesten
zij tusschen rotsblokken doorworstelen, dan weder bestond het pad enkel
uit gladde rolsteenen, die aan de hoeven der paarden geringen weerstand
boden. Het ging berg op, berg af. Soms moesten zij door dicht
struikgewas heen, of kleine beken over, die door den winterregen zeer
gezwollen waren. De weg werd hoe langer hoe moeielijker, want het
begon donker te worden. Wolken bedekten den hemel en er vielen zware
regendruppels.
»Spoedt u mannen, en blijft dicht bij mij!” zeide Kaschta. »Nog een
half uur, en dan zijn wij op het droge, als ik ten minste het pad niet
bijster raak.”
Daar viel een paard neer. De ruiter die er bij liep richtte het met
moeite op. Het begon harder te regenen, de nacht werd donkerder, en de
roodbaard bleef meer dan eens staan, om met de handen het pad te zoeken.
Tweemaal meende hij het verloren te hebben, maar hij gaf zich geen
rust, voordat hij het oude spoor weder ontdekt had. Eindelijk bleef hij
staan en riep Pentaoer bij zich.
»Hier moet het hol zijn,” zeide hij. »Houdt u vlak achter mij. ― Het is
mogelijk dat wij hier lieden vinden van den gids Paäker. Toen zijn vader
leefde, was hier altijd spijsvoorraad en een vuurboor. ― Ziet gij mij?
Houd u aan mijn kleed vast en buk, tot ik u toeroep dat gij u weder kunt
oprichten. Houd ook uw bijl gereed. ’t Zou kunnen zijn dat zich thans
Cheta of roofdieren hier genesteld hadden. ― Mannen, wacht hier op ons!
Zoo aanstonds roepen wij u, om mede binnen te komen.”
Pentaoer drong achter zijn gids door de natte struiken voort, kroop met
hem door een lagen gang, en bleef eindelijk met hem op een rotsplateau
staan.
»Wees toch voorzichtig,” zeide Kaschta, »houd linksaf; aan de
rechterzijde is een diepe afgrond. ― Ik riek rook. ― De hand aan de
bijl! Er moeten menschen in het hol zijn. Wacht een oogenblik! Ik zal
ook de manschappen hierheen brengen.”
De roodbaard ging terug, en Pentaoer luisterde in de richting, uit welke
de rook tot hem scheen te komen. Hij meende nu eene smalle lichtstreep
te bespeuren; duidelijk hoorde hij ook eerst klagen, daarna schelden. Al
tastende ging hij een weinig vooruit, terwijl hij zich aan den rotswand
hield, die zich aan zijne linkerzijde verhief. Het licht werd al
helderder en scheen wel door de spleet van eene deur te komen.
De soldaat was weder bij Pentaoer gekomen. Beiden luisterden en de
laatste fluisterde zijn gids in het oor: »Zij spreken Egyptisch; ik heb
enkele woorden verstaan.”
»Des te beter,” antwoordde de soldaat. »Paäker of zijne lieden zullen
dan daarbinnen zijn. De deur is er nog, maar zij is gesloten.
Wanneer men met vier harde en drie zachte slagen aanklopt, zal men
opendoen. ― Kunt gij wat verstaan?”
»Een smeekt, dat men hem bevrijden zal,” antwoordde Pentaoer, »en
scheldt daarbij op een verrader. De ander heeft eene ruwe stem, en zegt
dat hij zijn meester gehoorzamen moet. Nu kermt hij, die zooeven sprak,
hoort gij wel? Thans bezweert hij den ander bij de ziel zijns vaders,
zijn boeien los te maken. Hoe vertwijfelend klinkt zijne stem. ― Klop
aan, Kaschta, ik geloof dat wij juist ter rechter tijd komen! Klop aan,
zeg ik u!”
De roodbaard klopte eerst vier maal en daarna driemaal. Uit het hol
klonk een kreet. Men hoorde hoe een zware verroeste grendel werd
teruggeschoven. De ruw getimmerde deur ging open, en eene rauwe stem
vroeg: »Zijt gij het, Paäker?”
»Neen,” antwoordde de roodbaard. »Ik ben Kaschta. Kent ge mij niet meer,
Noebi?”
De man die alzoo werd aangesproken, de ons bekende Ethiopische slaaf van
den gids, ging achteruit en vroeg: »Leeft gij nog? Wat brengt gij?”
»Deze man zal het u zeggen,” antwoordde Kaschta, en ging achteruit, om
Pentaoer vooruit te laten komen.
De dichter trad op den zwarte toe. Het licht van het vuur, dat in het
hol brandde, scheen hem met vollen gloed in het aangezicht. De oude
slaaf staarde hem aan, en week onder allerlei teekenen van ontzetting
terug. Hij wierp zich ter aarde, huilde luid als een hond, wien zijn
booze meester een schop tegen het lijf geeft en riep uit: »Hij heeft het
bevolen, geest van den Mohar, hij heeft het bevolen!”
Pentaoer stond als aan den grond genageld, en was niet in staat een
woord te spreken. Want van het vuur kroop een jongeling, aan handen en
voeten gebonden, naar hem toe, en riep met diep ontzag, maar toch met
eene teederheid, die den dichter diep ontroerde: »Red mij, ziel van den
Mohar, red mij, vader!”
Toen verhief de dichter zijne stem en zeide: »Ik ben geen geest van den
afgestorvene, maar de priester Pentaoer. En ik herken u, jongeling!
Gij zijt Horus, Paäkers broeder, die met mij in het Seti-huis werd
opgevoed.”
De gevangene naderde hem bevende, zag hem scherp aan en riep: „Wie
gij ook zijn moogt, gij gelijkt mijn vader in gedaante en stem. Maak
mijne banden los en red mij, want een schrikkelijk, een ongehoord en
vloekwaardig verraad bedreigt ons, den koning en allen.”
Pentaoer trok zijn zwaard en sneed de lederen riemen los, waarmede de
handen en de voeten van den jongeling waren omwonden.
Wederom vrij ademhalende, en de goden overluid dankende, rekte de
verloste zijne bevrijde ledematen, en zeide: »Als gij Egypte liefhebt en
den koning zijt toegedaan, volg mij dan. Misschien is het nog tijd het
vreeselijk plan te verhinderen, het verraad te verijdelen.”
»De nacht is duister,” zeide de soldaat, »en de weg naar het dal
gevaarlijk.”
»Al moest het ons het leven kosten, gij moet mij volgen!” riep de
jongeling, greep Pentaoers hand, en nam hem mede naar buiten.
De Ethiopische slaaf trachtte, nu hij overtuigd was dat Pentaoer niet
de geest van zijn gestorven meester was, maar de priester van het
Seti-huis, dien hij voor de hut van den Paraschiet had zien worstelen,
langs Paäkers broeder heen te sluipen. Doch Horus bemerkte het, greep
hem in zijn wollig haar en hield hem vast.
De slaaf begon weder luid te huilen en riep klagend: »Als gij ontkomt,
zal Paäker mij dooden! Dat heeft hij gezworen.”
»Wacht!” riep de jongeling. Hij sleepte den slaaf met zich voort, wierp
hem in het hol terug en sloot de deur met een zwaren balk, die voor dit
doel op den grond lag.
Nadat de manschappen den lagen rotsgang weder doorgekropen en buiten
gekomen waren, woei een hevige wind hun in het aangezicht. »Zie hoe de
wolken jagen,” zeide Horus, »weldra zal een storm ze verstrooien. ―
Laat nu paarden brengen, Pentaoer, want wij hebben geen oogenblik te
verliezen.”
De dichter beval Kaschta, dat hij de manschappen zou doen opbreken, maar
deze zeide: »De ruiters zoowel als de paarden zijn uitgeput, en in de
duisternis kan men slechts langzaam vooruitkomen. Geef éen uur rust,
voor de paarden om gevoerd te worden en voor de mannen om zich wat te
versterken en te warmen. Tegen dien tijd gaat ook de maan op, en met
frissche beesten halen wij op een helderen weg het verlorene driedubbel
in.”
»De man heeft gelijk,” zeide Horus, en voerde Kaschta naar een hol,
waarin gerst en dadels voor de paarden, en eenige zakken vol wijn werden
bewaard.
Weldra brandde er een helder vuur, en terwijl eenige lieden voor de
paarden zorgden en anderen een warm maal kookten, liepen Horus en
Pentaoer ongeduldig op en neder.
»Waart gij sedert lang gebonden, toen wij kwamen?” vroeg de dichter.
»Gisteren is mijn broeder mij op het lijf gevallen,” antwoordde Horus.
»Hij is ons onbereikbaar ver vooruit. Wanneer hij zich naar de Cheta
begeeft, en wij niet vóor het aanbreken van den dag in het Egyptische
leger komen, dan is alles verloren.”
»Denkt Paäker werkelijk aan verraad?”
»Aan verraad, zwart verraad!” riep de jongeling. »O mijn Osirische
vader.”
»Vertrouw mij,” zeide Pentaoer, bijna op smeekenden toon, terwijl hij
den jongeling naderde, die bitter klagende, zijn aangezicht met de
handen bedekte. »Wat voert Paäker toch in het schild? Hoe is uw broeder
uw vijand geworden?”
»Hij is de oudste van ons beiden,” zeide Horus met bevende stem. »Toen
onze vader stierf, was ik eerst sedert kort uit het Seti-huis ontslagen.
Met zijne laatste woorden vermaande hij mij dat ik Paäker als hoofd van
ons huis zou eerbiedigen. Hij is heerschzuchtig en ruw. Hij kan niet
dulden dat een ander een wil heeft, die van den zijnen verschilt. Ik
verdroeg alles en was hem gehoorzaam, dikwijls tegen mijne betere
overtuiging. Twee jaren bleef ik bij hem; toen ging ik naar Thebe en
nam daar eene vrouw, die nu met mijn kind bij mijne moeder woont. Voor
zestien maanden ben ik naar Syrië teruggekeerd, en wij trokken weder te
zamen door het land. Maar nu kon ik niet langer een gedwee werktuig zijn
van mijn broeder, want ik was trotscher geworden. De vader van mijn
kind, dacht ik, mag geen knecht zijn, ook niet van zijn broeder.
Wij doorleefden te zamen kwade uren. Maar het leven werd mij bijna
ondragelijk, toen Paäker, na geruimen tijd in Thebe te hebben
doorgebracht, voor acht weken terugkeerde, prikkelbaarder en wilder dan
ooit te voren. Hij werd te meer verbitterd, toen de koning hem te kennen
gaf, dat mijne berichten hem beter bevielen dan de zijne. Van mijne
kindsheid ben ik teergevoelig geweest. Zij zeiden allen dat ik mijne
moeder geleek. Maar wat Paäker mij lijden liet met woord en daad, dat
is... dat vermag...”
De stem begaf den spreker, en Pentaoer gevoelde hoe diep hij leed, toen
hij voortging: »Wat mijn broeder in Egypte overkomen is, weet ik niet.
Hij is zeer gesloten en schijnt, noch onder vreugde, noch onder smart,
behoefte aan deelneming te gevoelen. Maar uit los daarheen geworpen
woorden, kwam ik te weten, dat hij niet slechts den wagenmenner Mena,
die hem onrecht gedaan moet hebben, doodelijk haat, maar dat hij ook
verbolgen is op den koning. Ik meende hem te moeten waarschuwen, doch
maar eens; want als men hem weerstreeft, kent zijn toorn geen grenzen.
En hij is toch mijn oudste broeder.
»Sedert eenige dagen wordt in het leger een beslissende slag voorbereid,
en wij werden gelast de sterkte en de positie van het vijandelijke leger
te verkennen. De koning had mij, niet hem opgedragen het bericht op te
stellen. Gisteren vroeg was ik met mijn rapport en de teekening gereed.
Toen zeide mijn broeder, dat hij een en ander naar het leger zou
brengen, terwijl ik hier moest wachten. Ik weigerde dit, daar de koning
niet van hem maar van mij het rapport had verlangd. Hierop begon hij te
razen als een waanzinnige, wierp mij voor de voeten, dat ik mij zijne
afwezigheid ten nutte had gemaakt, om mij in des konings gunst te
dringen, en eischte gehoorzaamheid als hoofd van onzen stam en in naam
van onzen vader.
»Ik zat besluiteloos neder, toen hij het hol verliet om de paarden op
te halen. Daar viel mijn oog op eenige zaken, die de oude Ethiopiër van
mijn vader bij elkander bond, om er het lastpaard mede te beladen. Er
was eene schriftrol bij, die ik voor de mijne hield. Ik zag haar in,
maar ― wat moest ik vinden! Met levensgevaar had ik tot het midden in
de legerplaats der Cheta weten door te sluipen en bevonden, dat zij de
kern van hun leger samentrokken in een door bergen gedekt dwarsdal van
den Orontes, ten noord-oosten van Kadesch; doch in de rol stond, met
Paäker’s eigene hand geschreven, dat dit dal vrij was, en de weg er door
heen breed en zeer geschikt voor ’s konings strijdwagens. Ook andere
opgaven waren vervalscht, en toen ik verder zijne zaken doorsnuffelde,
vond ik tusschen pijlen in zijn koker, waarop de woorden ‚Dood aan
Mena!’ te lezen stonden, een ander rolletje. Ik grijp het er uit en ik
verstijfde, toen ik zag aan wien het gericht was.”
»Aan den koning der Cheta?” vroeg Pentaoer ontroerd.
»Aan den overste van zijne dienaars, Titoere”[324], ging Horus voort.
»Beide rollen hield ik in mijne hand, toen Paäker het hol weder
binnenkwam. Verrader! riep ik hem toe. Doch hij wierp mij snel en handig
den strik, waarmede hij de paarden had opgevangen, om den hals, en toen
ik half verwurgd ineenzeeg, bond hij mij met hulp van den zwarte, die
hem gehoorzaamt als een hond. Hij liet den slaaf achter om mij te
bewaken, stak de rollen bij zich en vlood heen. ― Maar zie, daar
vertoonen zich de sterren en weldra zal de maan opgaan.”
[324] Hij wordt, op de afbeeldingen van den slag op pylonen van
het Ramesseum, onder de Cheta genoemd.
»Op, mannen!” riep Pentaoer. »De drie beste paarden voor Horus, mij en
Kaschta! Gij overigen blijft hier achter!”
Toen de roodbaard de rossen voorbracht, kwam de maan juist achter de
wolken te voorschijn, en een uur later bereikte het drietal de vlakte.
Hier sprongen zij op hunne rossen en joegen in gestrekten galop naar
het meer van Kadesch, dat zij bij het opgaan der zon reeds in de verte
grauwachtig zagen schemeren. Al nader en nader komende, bemerkten zij
aan den boomloozen westelijken oever zwarte massa’s, die zich heen en
weer bewogen. Stofwolken verhieven zich en bliksemende lichtstralen
schoten op, alsof een spiegel het zonneschijnsel weerkaatste.
»De slag heeft reeds een aanvang genomen,” riep Horus, en wierp zich
hijgend over den hals van zijn paard.
»Maar alles is nog niet verloren,” zeide de dichter, en zette zijn paard
aan, opdat het dier zijne uiterste krachten mocht inspannen. De andere
twee volgden hem, maar eerst zeeg Kaschta’s paard van vermoeienis neer,
daarna ook dat van Horus.
»Van den linkervleugel kan nog redding komen,” riep Paäker’s broeder.
»Ik weet waar die te vinden is en loop er te voet heen. Gij zult den
koning gemakkelijk vinden, wanneer gij den stroom volgt tot aan de
steenen brug. In het dwarsdal, duizend schreden verder, ten noordwesten
van de vesting, zal het leger uit hinderlagen overvallen worden.
Tracht er door te komen en Ramses te waarschuwen. Het wachtwoord der
Egyptenaars is de naam van Ramses’ lievelingsdochter, Bent-Anat. Maar
al hadt gij ook adelaarswieken en kwaamt gij nog ter rechter tijd bij
hem, zij zullen hem toch overweldigen, wanneer het niet gelukt met den
linkervleugel den vijand in den rug te vallen.”
Pentaoer joeg weder voort, maar eerlang bezweek ook zijn paard. Toen
begon hij uit al zijn macht te loopen, steeds het wachtwoord ‚Bent-Anat’
roepende, waarvan het geluid zijne kracht scheen te verdubbelen, tot
hem een vijandelijke bode te paard tegenkwam. Hij sloeg den man er af,
sprong in zijne plaats op het paard en vloog naar de kampplaats, alsof
hij ter bruiloft ging.