ZESDE HOOFDSTUK.

Eeuwen geleden hadden de bewoners der oase zich reeds aan de pharao’s

onderworpen, en betaalden zij hun schatting. Daarvoor was hun als een

voorrecht toegestaan, dat geen Egyptisch soldaat zonder hun verlof hun

grondgebied mocht betreden. De Ethiopiërs hadden Bent-Anat’s tenten en

hunne eigene legerplaats dan ook opgeslagen buiten de eigenlijke oase.

Het kwam echter weldra tot allerlei vechtpartijen tusschen de soldaten,

die met hun tijd geen weg wisten, en de Amalekieten. Die twisten liepen

nu en dan bloedig af, en kregen een zeer ernstig aanzien, toen op

zekeren avond eenige dronken soldaten Amalekietische meisjes bij het

waterputten overvielen.

Heden morgen vroeg had een der drijvers, toen hij wakker geworden was,

Pentaoer en Nebsecht gemist. Hij had hierop zijne kameraden, waaronder

Warda’s vader zijne plaats weder had ingenomen, dadelijk gewekt. De

bewakers der dwangarbeiders snelden woedend over het gebeurde naar den

bevelhebber der Ethiopiërs. Zij deelden hem mede, dat twee gevangenen

ontkomen waren, en dat het wel niet anders kon, of ze werden door de

Amalekieten verborgen gehouden. Deze beantwoordden den eisch om de

vluchtelingen, waarvan zij trouwens niets wisten, uit te leveren met

spottende woorden. De hoofdman werd hierdoor zoo verbitterd, dat hij

besloot de oase met geweld te doorzoeken, ja werkelijk rukte hij, nadat

men zijn bode had gehoond, met de grootste helft zijner manschappen de

vrijplaats der Amalekieten binnen.

De zonen der woestijn waren te wapen gevlogen. Zij weken terug voor

de gesloten gelederen der Egyptenaars, die, zich zeker wanende van de

overwinning, hen vervolgden tot aan de plaats, waar het dal wijder

wordt, en zich om een rotsheuvel[314] heenbuigt. Hierachter stond de

hoofdmacht der Amelekieten verborgen, die, zoodra de Ethiopiërs zonder

eenig kwaad vermoeden den heuvel voorbij gemarcheerd waren, opeens voor

den dag kwamen en hen in den rug vielen. Tegelijk keerden de vervolgden

zich om, en schoten hunne pijlen en wierpen hunne lansen op de in

verwarring gebrachte soldaten, van welke er maar weinigen ontkwamen.

Onder deze laatsten was ook de hoofdman, die licht gewond en razend van

woede zich aan het hoofd stelde van de afdeeling, die tot bewaking van

Bent-Anat was achtergebleven. Hij beval de drijvers der gevangenen hem

insgelijks te volgen en drong opnieuw de oase binnen.

[314] De tegenwoordige heuvel Meharret, met de ruïne der kerk

van het bisdom Pharan.

Aan de mogelijkheid dat de prinses zou kunnen ontvluchten, dacht

hij niet. Nauwelijks had zij echter den laatsten harer wachters zien

verdwijnen, of de ceremoniemeester en allen die haar begeleidden

verklaarden, dat nu het tijdstip gekomen was om te vluchten. Het

dienstbaar personeel was de koningsdochter geheel toegedaan. De lieden

belastten zich met hetgeen men voor dagelijksch gebruik het meest noodig

had, namen draagstoelen en lastdieren mede, en terwijl het gevecht in de

oase woedde, voerde de jonge Salich hen naar de hoogten van Sinaï en

de woning zijns vaders. Onderweg bereidde Warda de prinses voor op de

ontmoeting, die haar bij den jager wachtte. Wij weten reeds hoe

Bent-Anat den dichter vond.

Beiden wandelden hand in hand langs het bergpad, tot zij gekomen waren

aan een schaduwrijk plekje, bij eene vooruitspringende rots. Pentaoer

belegde die met mos, zij zetten zich daarop naast elkander neder,

openden voor elkander hunne harten en vertelden de geschiedenis van

hunne liefde en hun lijden, van hunne omzwervingen en hunne redding.

Toen de dochter van den jager tegen den middag voorbijkwam met eene kan

vol geitenmelk, en hun aanbood hiervan te drinken, vulde Bent-Anat een

en andermaal de schaal van eene kalebas voor den geliefde. Haar hart

gevoelde zich trotsch, toen zij hem zoo bediende, en het zijne werd

vervuld met den ootmoedigen wensch, dat hij zijn bloed, ja zijn leven

voor haar mocht kunnen geven.

Aanvankelijk hadden zij, verdiept in het verledene en genietende van

het tegenwoordige, weinig aan de toekomst gedacht. Terwijl zij elkander

honderdmaal herhaalden wat ze sedert lang wisten, en toch nimmer genoeg

konden hooren, vergaten zij het onmiddellijk gevaar, waarin zij nog

verkeerden. Na het eenvoudig maal kwam de golfslag van ’s dichters

ziel, die sedert zijn morgengebed zoo hoog ging, langzamerhand tot

bedaren. Had hij tot dusverre gemeend te kunnen vliegen, nu voelde hij

dat zijn voet nog de aarde drukte. Bedaard begon hij met Bent-Anat te

overleggen, wat hun in de naaste toekomst te doen stond. In ernstig

gesprek, dat veel had van eene beraadslaging, en waarbij de zalige

vreugde die uit hunne oogen straalde weinig paste, daalden zij hand in

hand naar de hut van hun gastvriend af.

Halverwege kwam de jager hun reeds tegemoet, geleid door zijne dochter.

Naast hen ging een deftig man, in de volle wapenrusting van het hoofd

der Amalekieten, die de oase bewoonden. Beiden bogen zich en kusten den

grond voor de voeten van Bent-Anat en Pentaoer.

Zij zeiden vervolgens vernomen te hebben, dat de prinses door de

Ethiopische troepen met geweld in de oase werd teruggehouden. Nadat de

vorst der woestijn, Abocharabos[315], aan Pentaoer, dien hij voor een

zoon des konings hield, en Bent-Anat de verzekering had gegeven, dat hij

en de zijnen den pharao Ramses, die hunne rechten steeds geëerbiedigd

had, geheel waren toegedaan, verhaalde hij niet zonder trots, dat de

Ethiopiërs, op enkelen na, die door hem gevangen werden gehouden, allen

door zijne manschappen waren neergeschoten.

[315] Deze naam is echt, want volgens Procopius schonk de

hoofdman der Saracenen Abocharabos, het palmbosch midden op het

schiereiland van den Sinaï aan Justinianus. De handschriften

hebben Abocharagos; dit werd echter, ongetwijfeld met recht,

door Tuch in Abocharabos veranderd.

»Zij zijn gewoon,” zeide hij, »tegen de zwarte hondsche lafaards van

Koesch te vechten. Maar wij zijn mannen en weten ons te verweren, als

de leeuwen in onze dalen. Moeten wij voor de overmacht wijken, dan

weten wij ons als de steenbok in de rotskloven van het gebergte te

verschuilen.”

Bent-Anat, wien de vreemde man met zijne bliksemende oogen en zijn

adelaarsneus, terwijl zijne bruine wangen nog de sporen droegen van een

zwaardhouw, wel beviel, beloofde hem, dat zij hem en de zijnen bij haar

vader zou aanbevelen. Zij sprak den wensch uit, zich onder leiding

van Pentaoer, haar verloofde, zoo spoedig mogelijk naar het leger des

konings te begeven.

Het opperhoofd had Bent-Anat, terwijl zij sprak, en Pentaoer met zijne

oogen goed opgenomen, en zeide nu: »Gij, koningsdochter, gelijkt de

maan, en uw metgezel den zonnegod Doesaris[316]. Behalve Abocharabos,”

en hij sloeg op zijne borst, »en zijne vrouw, ken ik geen paar menschen

gelijk aan u beiden. Tot Hebron zal ikzelf u geleiden met eenige van

mijne beste krijgslieden. Maar er is haast bij het werk, want ik moet

terug zijn, eer de verraderlijke man, die thans over Mitzraïm[317]

gebied voert en die u vervolgde, nieuwe troepen tegen u uitzendt. Trekt

nu naar beneden. Geen hoen wordt bij uw tenten gemist! Morgen breken wij

op, eer de dag aanlicht.”

[316] Doesares of Dysares, Grieksche vorm van de Nabatheïsche

godheid Dhû-l-shará, den god van den berg Seïr, door de

Grieksche schrijvers met Dionysos vergeleken. Zie boven bl. 388.

Vert.

[317] De Semitische naam voor Egypte.

Bij de jagershut begroette Pentaoer het gevolg der prinses. De

ceremoniemeester kon hem niet zonder schroom aanzien. De koning had hem

wel toen hij opbrak bevolen, Bent-Anat in alles te gehoorzamen, als ware

zij de koningin zelve, maar zulk eene keus van een toekomstig gemaal was

ongehoord. Hoe zou Ramses dat alles opnemen?

Nefert verheugde zich over de edele gestalte van den dichter, en gaf

telkens de verzekering, dat hij als een jongere broeder geleek op haar

gestorven oom, den vader van den gids Paäker.

Warda werd niet moede hem en de prinses in stilte te beschouwen. Zij zag

hem niet meer aan voor een hooger wezen, maar het schoone paar vertoonde

zich aan haar als een tastbaar gelukkig voorteeken van Nefert’s en

mogelijk ook van hare eigene liefde.

De arts Nebsecht hield zich op een behoorlijken afstand. De hoofdpijn,

die hem lang geplaagd had, was door de frissche berglucht voorbijgegaan.

Toen Pentaoer hem de hand drukte, zeide hij: »Nu is er een einde gekomen

aan ons lustig schelden! Het gaat toch zonderling toe met den loop van

’s menschen levenslot! Van nu aan trek ik altijd in den strijd met u aan

het kortste einde, want de groote orchestmeester, tot wien gij bidt,

heeft de disharmonieën in uw leven werkelijk heel aardig opgelost.”

»Het klinkt waarlijk als deed u dit leed; maar ook voor u zal alles ten

beste keeren.”

»Dat betwijfel ik,” antwoordde de arts, »want ik zie nu duidelijk, dat

ieder mensch een instrument op zichzelf is, uit goed of slecht hout,

bruikbaar of onbruikbaar, reeds voor zijne geboorte zoo gemaakt in een

geheimzinnige werkplaats. Zeker iets, ik weet niet hoe ik het noemen

zal, speelt er rondom hem, en naarmate dat het instrument gemaakt is,

klinkt het goed of kwaad. Gij zijt een windharp. Hoe lieflijk klinkt

het, wanneer de adem van het lot u in beweging brengt! Maar ik ben een

windwijzer, en tracht altijd juist aan te duiden uit welken hoek de

wind waait, maar daarbij knars ik, dat u en anderen de ooren er van

zeer doen. Ik ben al tevreden, wanneer het aan dezen of genen schipper

gelukken mag, naar mijne aanwijzing het zeil goed te richten. Maar in

den grond is mij dit ook onverschillig! Ik wil draaien zonder mij van de

wijs te laten brengen; of anderen het opmerken of niet, wat doet het er

toe?”

* * * * *

Toen Pentaoer met Bent-Anat en haar gevolg afscheid namen van den jager,

wien de koningsdochter rijkelijk met geschenken had overladen, ging de

zon reeds ter ruste. De getande kroon van den Sinaï baadde in een gloed,

als bestond zij enkel uit robijnen, waarachter een brandend gedeelte van

het aardrijk lag te smeulen.

Den volgenden morgen brak men op voor de reis naar het leger des

konings. Abocharabos, het Amalekieten-hoofd, begeleidde de karavaan,

waartoe nu ook Warda’s vader behoorde. Hij was door de bewoners der oase

gevangen genomen, maar op verzoek der prinses in vrijheid gesteld. Bij

het eerste halt moest Kaschta vertellen, hoe het hem gelukt was Pentaoer

in plaats van naar de steengroeven van Chennoe naar de bergwerken van

het Sinaïtisch schiereiland te doen brengen.

»Ik wist,” zoo begon de soldaat op zijne eenvoudige manier, »door Warda,

waarheen deze man gebracht moest worden, die zijn leven voor ons, arme

schepsels, in de waagschaal had gesteld; en ik zeide tot mijzelven, dat

ik hem redden moest. Maar denken is mijne zaak niet, en ik kon nooit

plannen maken. Het zou dan ook gekomen zijn tot eene of andere daad van

geweld, die waarschijnlijk slecht ware afgeloopen, wanneer een ander mij

niet op een denkbeeld had gebracht, nog voordat Warda mij vertelde welk

gevaar Pentaoer bedreigde.

»De zaak heeft zich aldus toegedragen. Ik zou de mannen, die veroordeeld

waren tot den dwangarbeid in de mafkat-groeven over den Nijl leiden,

naar de plaats waar het schip in de Nekropolis zou afvaren. Die arme

schelmen mogen hunne betrekkingen aan de haven van Thebe aan de

overzijde vaarwel zeggen. Honderdmaal heb ik dat aangezien, maar ik kon

er nooit aan wennen, ofschoon men toch anders voor zooveel onverschillig

wordt. Dat luid gejammer, dat wild gehuil is nog het ergste niet. De

ondervinding heeft mij geleerd, dat zij die het hardst schreeuwen, zich

het eerst in hun lot weten te schikken. Maar hen grijpt de ellende het

meest aan die er doodsbleek uitzien, wier lippen wit worden, wier kin

beeft alsof het vroor, wier droge oogen strak in de ruimte staren. Er

was toen ook weer veel naarheid te zien en te hooren. Het meest had ik

te doen met een man, dien ik sedert lang kende. Hoeni heet hij, en hij

behoorde bij den tempel van Amon, waar hij opzichter was van hen, die

den heiligen ram moeten verplegen. Ik had hem dikwijls ontmoet, als ik

de arbeiders bewaakte, die de groote zuilenzaal moesten voltooien. Hij

was bij iedereen geacht, en vervulde onberispelijk zijn plicht. Doch

eens verzuimde hij dien. Het was juist in den nacht, gij zult het u

nog herinneren, toen de wolven in den tempel doorbraken en den ram

verscheurden en het heilige hart in de borst van den profeet Roeï werd

overgebracht. Eén moest er voor boeten, en dit trof den ongelukkigen

Hoeni, die voor zijne nalatigheid werd veroordeeld tot dwangarbeid in de

mafkat-groeven. Zijne opvolgers zullen nu wel oppassen.

»Er was niemand die Hoeni uitgeleide deed. Toch wist ik dat hij eene

vrouw had en vele kinderen. Hij zag zoo bleek als dit doek, en was een

dergenen wien de smart het hart verteert. Ik ging naar hem toe, en vroeg

waarom de zijnen niet kwamen? Hij had in zijn huis afscheid genomen, gaf

hij mij ten antwoord, want zijne kinderen mochten hem niet zien onder

moordenaars en falsarissen. Acht onverzorgde schapen waren bij de moeder

te huis, en nog kort geleden had een brand al wat zij bezaten vernield.

Er was geen kruimel in huis, om zoovele van honger gapende monden te

voeden. Dat vertelde hij mij niet zoo geregeld, neen, het eene woord

viel hem zoo na het andere uit den mond, gelijk dadels uit een

gescheurden zak. Ik moest ze stuk voor stuk oprapen, en toen hij zag dat

ik medelijden met hem gevoelde, toen brak hij los en zeide: ‚Mij kunnen

ze voor mijn part naar de goudmijnen sturen, of in stukken hakken; maar

dat mijne kinderen nu honger moeten lijden, dat.... dat!’ Daarbij sloeg

hij zich tegen het voorhoofd. ―

»Ik ging heen om Warda vaarwel te zeggen, en op weg tot haar herhaalde

ik gedurig: ‚dat, dat!’ Daarbij zag ik den man vóor mij en die acht

schapen van kinderen. Als ik rijk was, dacht ik, zou ik dezen helpen! Ik

kom bij mijn dochtertje, zij vertelt mij van al het geld, dat de arts

Nebsecht haar geschonken had en stelt mij voor Pentaoer te redden. Daar

komt ineens de gedachte bij mij op: het geld krijgen de kinderen van

Hoeni, en hijzelf laat zich daarvoor naar Ethiopië sleepen. Ik loop naar

de haven, spreek met den man, vind hem volgaarne bereid, geef het geld

aan de vrouw, en in den nacht bij de inscheping gelukt het mij de

verwisseling te doen plaats hebben. Pentaoer kwam bij mij op mijn schip

onder den naam van den ander, en Hoeni voer naar het zuiden onder den

naam van Pentaoer. Ik had den man niet verzwegen, dat hij niet naar

Chennoe, maar naar de goudmijnen zou worden gevoerd. Niets valt zwaarder

dan iemand te bedriegen, dien men het gemakkelijkst bedriegen kan. Dat

gebeurt dan ook zelden. Men heeft er pleizier in een sluwen of een

sterken beet te nemen, maar wie kan een kind of een zieke misleiden?

Trouwens, Hoeni zou toen vanzelf in een der vuurpotten van de hel zijn

afgedaald, zonder te klagen. Hij heeft dan ook vol goeden moed van mij

afscheid genomen.

»Het overige, en hoe wij hierheen gekomen zijn, weet gij zelve. ― In

Syrië zult gij in dit jaargetijde veel van den regen te lijden hebben.

Ik ken het land, want ik heb vandaar vele krijgsgevangenen naar Egypte

gebracht. Ik ben daar vijf jaren geweest onder de afdeeling van den

grooten Mohar, den vader van den gids Paäker.”

Bent-Anat dankte den braven man. Hierop zetten Pentaoer en Nebsecht zijn

verhaal voort.

»Gedurende de vaart,” zeide de arts, »was ik zeer bezorgd voor Pentaoer,

want ik zag dat hij innerlijk verkwijnde. Maar in de woestijn kwam hij

weder bij, en als wij halt hielden fluisterde hij mij dikwijls schoone

liederen in het oor, die hij op marsch had gedicht.”

»Vreemd!” voegde Bent-Anat er bij. »Ook ik heb mij beter gevoeld, sedert

ik in de woestijn was.”

»Zeg ons het versje toch eens op van de beytherân-plant”[318], verzocht

Nebsecht.

[318] De bussaran- of bederan- of beytherân-struik (Cantolina

fragrantissima Forsk) is een aromatisch kruid der woestijn, dat

in groote menigte voorkomt, zoodat het soms den bodem als thijm

bedekt. Zie Ebers, =Durch Gosen= u.s.w., S. 129, 206, 224.

Vert.

»Kent gij dat kruid?” vroeg de dichter aan de prinses. »Het groeit hier

op vele plaatsen. ― Daar is het! Ruik maar hoe het geurt, wanneer men

den vetten stengel op de blaadjes wrijft. Mijn versje is zeer eenvoudig.

Het viel mij in, na vele andere liederen, waarvan gij de beste reeds

kent.”

»Zij prezen alle dezelfde godin,” zeide Nebsecht lachend.

»Maar uw versje?” vroeg Bent-Anat.

De dichter sprak zacht:

„Vaak zag ik ’t needrig plantje beytherân

Rijk bloeiend in het dor woestijnzand staan;

Geen vezeltje, geen blad dat zich onthult

Of ’t spreidt dien zoeten geur die ’t gansch vervult,

Hoe kan in d’armen bodem der woestijn

Een plant zoo rijk aan zulke gaven zijn?

En hoe ontwaakt het lang ontslapen lied

In ’t aaklig oord waar slechts de dood gebiedt?”

»Schrijft gij aan de woestijn niet toe, wat gij aan de liefde

verschuldigd zijt?” vroeg Nefert.

»Ik heb beiden te danken. Maar ik moet bekennen, dat de woestijn een

uitnemende arts is voor eene kranke ziel. Uit de eindelooze eentonigheid

rondom ons, trekken wij ons geheel terug in ons binnenste. De zinnen

rusten; ongestoord en zonder inwerking van buiten is het ons hier

gegeven elke gedachte tot het laatste uit te spinnen, elk gevoel na te

sporen tot in zijne fijnste ontleding. In de steden is ieder altijd maar

een deel van een groot geheel, waarvan hij afhankelijk is, waaraan

hij geeft en waarvan hij terugontvangt. De eenzame wandelaar door

de woestijn is echter geheel aan zichzelven overgelaten. Nagenoeg

afgezonderd van elken grooten kring van menschen, moet hij zich met zijn

eigen ik tevreden stellen, en daarin zoeken wat inhoud en kleur kan

geven aan zijn bestaan. Hier, waar het tegenwoordige bescheiden op den

achtergrond treedt, vindt ook de denkende geest, die zich gaarne in het

oneindige verliest, geene grenzen.”

»Ja, in de woestijn kan men goed denken,” bevestigde Nebsecht. »Hier is

mij duidelijk geworden, wat ik in Egypte slechts vermoedde.”

»En dat is?” vroeg Pentaoer.

»Vooreerst,” antwoordde de arts, »dat ik en wij allen inderdaad niets

goeds weten. Vervolgens, dat de ezel de roos wel mag liefhebben, maar de

roos niet den ezel. Het derde moet ik voor mij zelven houden, want dat

is juist mijn geheim, en ofschoon het ook alle menschen aangaat, niemand

bekommert zich daarom. Ceremoniemeester, hoe komt dat toch? Gij weet

precies hoe diep de menschen zich naar hun stand voor de prinses

te buigen hebben, en gij vermoedt niet hoe zoo’n ruggegraat is

samengesteld!”

»Wat zou mij dat ook geven?” antwoordde de andere met eene wedervraag.

»Ik heb alleen op het uitwendige te letten, terwijl gij zeker dag en

nacht het inwendige beschouwt. Anders zou uw haar wel gladder en uw

kleed minder morsig zijn.”

* * * * *

Het reisgezelschap kwam zonder buitengewone wederwaardigheden bij de

oude stad der Chetieten, Hebron, nam daar afscheid van Abocharabos en de

zijnen, en trok nu verder naar het noorden, onder het zeker geleide van

Egyptische troepen.

Hier nam Pentaoer van de prinses afscheid, en Bent-Anat zeide hem zonder

eene klacht vaarwel. Warda’s vader, die in den dienst van den ouderen

Mohar alle wegen en paden in Syrië nauwkeurig had leeren kennen,

begeleidde den dichter, terwijl de arts Nebsecht bij de vrouwen

terugbleef. Hun goed gesternte scheen met het vertrek van Pentaoer te

zijn ondergegaan, want in het Samaritaansch gebergte vielen hevige

regens, die de wegen bijna onbruikbaar maakten, de tenten doornat deden

worden en hen dikwijls dwongen tot een minder wenschelijk oponthoud. In

Megiddo[319] werden zij door den bevelhebber der Egyptische bezetting

met hooge eer ontvangen, en zij waren gedwongen hier langer te

vertoeven, want Nefert, die met bijzonderen ijver tot spoed had

aangedrongen, was ziek geworden, en de arts Nebsecht moest haar

verbieden in dit jaargetijde verder te reizen.

[319] Egyptisch Maketha. Eene stad in Palestina, die

herhaaldelijk op de monumenten voorkomt. Zij had reeds lang

voor hare vernieuwing door Salomo (I Koningen IX, 15) eene

belangrijke strategische beteekenis. De groote veroveraars onder

de 18e dynastie (16e eeuw v. Chr.) moesten haar reeds belegeren

en innemen.

Warda werd bleek en stiller. Bent-Anat zag met bezorgdheid van dag tot

dag het teeder rood van de wangen van hare schoone lieveling verdwijnen;

wanneer zij echter vroeg wat er aan scheelde, kreeg zij een ontwijkend

antwoord. Het meisje had geene enkele maal in tegenwoordigheid der

prinses Rameri’s naam genoemd, en ook haar kleinood niet getoond. Zij

toch meende dat alles wat er tusschen haar en den prins was voorgevallen

een geheim was, dat haar niet alleen toebehoorde. Er was ook nog iets

anders dat haar den mond sloot. Zij was met hartstochtelijke liefde aan

Bent-Anat gehecht, en zij beeldde zich in dat de prinses, als zij haar

alles vertelde, haar broeder zou berispen of ten minste om hare neiging

lachen zou als over een kinderspel. Als dat eens gebeurde, begreep zij

de zuster van Rameri niet langer te kunnen lief hebben.

Reeds bij het eerste grensstation was een bode te paard naar het leger

des konings gezonden, met de vraag welken weg de prinses en haar geleide

van Megiddo zouden moeten inslaan. Deze keerde nu met een korten en

beslissenden, maar teederen brief terug, door den pharao met eigene

hand geschreven, waarin hij zijne dochter beval Megiddo, de veilige

voorraadschuur van het leger, de goed versterkte plaats, die door een

groot garnizoen werd verdedigd en de toegangen tot het noorden en midden

van Palestina van de zeezijde beheerschte, niet te verlaten. Meer dan

een veldslag, schreef hij, zou er thans moeten geleverd worden, en zij

wist dat de Egyptenaars hunne vrouwen en dochters van krijgstochten

uitsloten, om haar des te zekerder te bewaren voor den vrede, als het

heerlijkst loon na den zege.

Terwijl de vrouwen te Megiddo toefden, trok Pentaoer met Kaschta en eene

kleine bereden bende, die de bevelhebber van Hebron hem had medegegeven,

verder naar het noorden. Hijzelf zat deftig te paard, hoewel het op

deze reis de eerste keer was dat hij er een besteeg. Het was alsof

de rijkunst hem was aangeboren. Zoodra hij van de andere ruiters de

handgrepen had afgezien, en hij zich vertrouwd had gemaakt met de natuur

van het paard, was het zijn hoogste genot een vurig ros te temmen en te

berijden. Hij had zijn priesterkleed in Egypte gelaten. Hier droeg hij

een wapenrok, een zwaard en een strijdbijl, als een volmaakt krijgsman,

en de volle baard, die zich gedurende zijne gevangenschap had

ontwikkeld, hing nu neder op zijne borst.

Warda’s vader zag hem dikwijls verwonderd aan en zeide dan: »Men zou

haast denken dat de Osiris geworden Mohar, met wien ik meer dan eens

langs dezen weg ben getrokken, uit de dooden is opgestaan. Evenals gij

zag hij er uit en sprak hij, evenzoo riep hij de manschappen toe, zóo

zat hij te paard en hield hij de teugels, als de weg al te slecht was

voor zijn wagen”[320].

[320] De Mohars bedienden zich op reis van wagens. Dit blijkt

duidelijk uit den papyrus-Anastasi I, waarin de bezwaren

levendig geschilderd worden, die het beroep van een door Syrië

reizenden Mohar medebrachten.

Geen van alle lieden, die Pentaoer onder zijn bevel had, was hem meer

dan een huurling, behalve de roodbaard. Daarom reed hij den trein het

liefst vooruit, altijd denkende aan hetgeen achter hem lag, zelden aan

hetgeen hem wachtte, en in den regel alles, wat zich op den weg aan hem

voordeed, met een geopend oog waarnemende.

Weldra had hij den Libanon bereikt. Tusschen dit gebergte en den

Antilibanon voert een weg door Coele-Sirië[321]. Hij verblijdde zich met

eigene oogen de met heldere sneeuw bedekte, wijd en zijd in den omtrek

schitterende bergtoppen te zien, waarvan de krijgslieden zoo gaarne

vertelden. Het land tusschen beide hooge bergketenen was vruchtbaar en

rijk gezegend. Ruischende stortbeken en wilde stroomen spoedden zich van

beide berghellingen naar het dal. Pentaoer kwam langs dezen weg vele

dorpen en steden voorbij, maar de meesten hadden door den krijg geleden.

De trekossen der boeren, de kudden der herders waren weggedreven, en

wanneer een wijngaardenier, die zijn wijnstok opbond, den naderenden

hoefslag vernam, dan vluchtte hij in de bergkloven en bosschen.

[321] Koile Syria, het holle Syrië. Vert.

Overal vertoonden zich de sporen van ploeg en spade, maar thans lagen

de meeste velden braak, want de jongere boeren stonden onder de wapenen.

Tuinen en weiden waren door de soldaten vertreden, huizen en hutten

uitgeplunderd, vernield of verbrand. Alles droeg de sporen van den

verwoestenden krijg, alleen de eiken- en cederwouden verhieven zich

trotsch en ongedeerd langs de hellingen der bergen. Men zag er geheele

bosschen van platanen en Sint-Jansbrood-boomen, en in de engten en

spleten van het weinig ontwikkelde kalkgebergte, dat het vruchtbare

laagland begrensde, wies altijd groenend struikgewas.

In dit jaargetijde was er geen gebrek aan water en zag alles er even

frisch en saprijk uit. Pentaoer vergeleek dit land daarom met Egypte,

en merkte op hoe hier andere krachten werkzaam waren, die dezelfde

uitwerkingen hadden. Hij dacht aan den morgen op den Sinaï, en zeide

weder tot zichzelven: »Hier werken andere dan onze goden, en de oude

meesters hadden geen onrecht, die de vreemdelingen voor goddeloozen

scholden, en de oningewijden, voor wie het geheim van den Eenen

verborgen bleef, waarschuwden, om toch het vaderland niet te verlaten.”

Hoe meer hij de legerplaats des konings naderde, des te levendiger hield

hij zich in zijne verbeelding met Bent-Anat bezig, des te sneller sloeg

van tijd tot tijd zijn hart, wanneer hij dacht aan de ure, waarop

hij den koning zou ontmoeten. Over het geheel was hij vol blijmoedig

vertrouwen, dat hijzelf dwaas moest noemen, maar waartegen hij niet in

staat was zich te verzetten.

Ameni had hem dikwijls berispt over zijne al te groote bescheidenheid

en zijn gebrek aan eerzucht, wanneer hij zich gaarne bij anderen

achterstelde. Dat herinnerde hij zich nu, en hij moest er om lachen.

Want hij begreep zichzelven hoe langer hoe minder. Niettegenstaande hij

zich honderdmaal herhaalde, dat hij van lage afkomst was, een arme en

verbannen priester, toch kon hij de overtuiging maar niet onderdrukken,

dat hij zeker recht bezat om Bent-Anat tot zijne vrouw te vragen.

En wanneer nu de koning hem eens zijne dochter weigerde, en hem deze

stoutmoedigheid met zijn leven liet betalen? ― Maar hij wist dat hij

onder den moordbijl geen wenkbrauw zou vertrekken; dat hij zelfs

gelukkig zou sterven. Want wat Bent-Anat hem geschonken had, dat bezat

hij; dat kon geen god hem ontnemen.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 45 / 58 题