Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden
doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen.
De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren
ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op,
luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den
dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s
enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te
wekken.
»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en
haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.
Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge
Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de soldaat den dichter toe,
»voor den arts zal ik wel zorgen.” »Hem laat ik niet achter!” zeide
Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”
Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door
zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het
ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat
zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van
den Amalekiet, aanlandden.
De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede
wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde
door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij
ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts,
die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer
een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de
voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten,
gaf hij hem zijn eigen feestkleed.
Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter
voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap
niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden,
overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan
den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts
daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.
Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging
daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet
hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam
hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen,
niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en
moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat
laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut
terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een
feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen
van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed
van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten
hemel.
Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte
onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan
duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid
verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn,
dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het
steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.
Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het
beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij
riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”
Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen
graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene
bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd
betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt,
waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken.
Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande
hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in
de diepte en de oneindige verte.
Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den
nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de
vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen,
omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur.
Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen
op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden
zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel
op.
Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig
levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele
natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen
geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog
verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot
zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het
geschapene; dat hij de godheid nabij was.
Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als
in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in
het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders.
In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne
lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem
hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem
voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen
moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en
dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven
aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond
verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.
Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in
Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja,
daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan
zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van
de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was
hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en
voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet
opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa[311]!
Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?
[311] De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen.
Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het
menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de
teksten een overvloed van voedsel aangeduid. Vert.
Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op,
gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon
van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich
aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen
der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der
zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door
eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar
samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan
de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?
Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe[312], den wijzer
der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier
lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden,
en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een
vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu
zoo oneindig klein toe.
[312] Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den
jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en
den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.
Vert.
»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener
godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij
nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”
En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! ― Gij
Eenige! ― Gij Eenige!”
Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied
vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.
Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge
gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als
dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.
»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt
den waren god.”
Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu
herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe[313]. Ik was nog
maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven
onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij
ingewijd in de leer van den Eenen.”
[313] De Egyptische naam van Mozes.
»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den
oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.
Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een
ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te
schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft
ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht
naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.
Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich
van de zon af.
Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt
gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch
geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” »Omdat ik,” antwoordde zijn
metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten
zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde
is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in
zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”
»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.
»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit
de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen
als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”
De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots
voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.
Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en
naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij
hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn
oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man
in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een
meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een
draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende
Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het
jagershuis.
Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand
genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij
hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden;
hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met
gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem
langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor
terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen,
en ― van welke lippen!
»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de
dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als
wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.
* * * * *
Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den
jager uit.
»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide Warda. »Ik zal
het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had
opgericht en den heiligen berg omhelsd!”
»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.
»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo
onuitsprekelijk gelukkig!”
»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit
reden tot blijdschap geeft.”
»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te
zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig
zijn en goed.”
De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”
»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel
ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan
Pentaoer gelijk.”
Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”
»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen.
Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan
slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te
slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk
zijn.”
»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.
Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden
mond.
Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is
zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik
zal hem wekken.”
Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij
daarmede zijn neus te streelen.
Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda
schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde
zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en
grootmoedig!”
Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende,
bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu
ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend:
»Warda, lieve Warda!”
Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.
Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich
alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het
gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen
besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.