VIJFDE HOOFDSTUK.

Nadat de drinkende soldaten een uur in uitgelaten vroolijkheid hadden

doorgebracht, begonnen zij zich al meer en meer vermoeid te gevoelen.

De maan stond nog niet hoog aan den hemel, toen allen reeds waren

ingeslapen, behalve Kaschta en Pentaoer. De eerste stond voorzichtig op,

luisterde naar de ademhaling van elk zijner gezellen, naderde daarop den

dichter, ontsloot de ringen, waarmede de ketting aan zijne en Nebsecht’s

enkels bevestigd was, hoewel hij te vergeefs beproefde den arts te

wekken.

»Volg mij,” riep hij den dichter toe, nam Nebsecht op zijne schouders en

haastte zich naar de plek aan de beek, die Warda hem had uitgeduid.

Zoodra hij driemaal den naam zijner dochter had genoemd, kwam de jonge

Amalekiet te voorschijn. »Volg dezen,” riep de soldaat den dichter toe,

»voor den arts zal ik wel zorgen.” »Hem laat ik niet achter!” zeide

Pentaoer beslissend. »Mogelijk kan het water hem wakker maken.”

Zij dompelden Nebsecht in de beek, die zoowat half ontwaakte en door

zijne begeleiders, nu eens ondersteund dan weder gedragen, langs het

ruwe rotspad wankelend en struikelend naar boven werd gebracht, zoodat

zij met hem voor middernacht aan het doel hunner wandeling, de hut van

den Amalekiet, aanlandden.

De oude jager sliep reeds, maar zijn zoon wekte hem, en deelde hem mede

wat Warda hem gezegd en beloofd had. Doch de brave bergbewoner behoefde

door geen uitzicht op belooning tot gastvrijheid opgewekt te worden. Hij

ontving den dichter met trouwhartige vriendelijkheid, legde den arts,

die weder vast was ingeslapen, op eene mat neder, en spreidde Pentaoer

een leger van loof en dierenvellen. Hij riep zijne dochter, liet hem de

voeten wasschen, en toen hij de lompen zag die zijn lichaam bedekten,

gaf hij hem zijn eigen feestkleed.

Pentaoer vlijde zich op dit eenvoudig rustbed neder, dat hem zachter

voorkwam dan het zijden bed eener koningin. Toch kon hij den slaap

niet vatten. De afwisselende aandoeningen, die zijn hart vervulden,

overmeesterden en verwarden zijn verstand. De sterren stonden nog aan

den hemel, toen hij van zijn leger opsprong en, nadat hij den arts

daarop had nedergelegd, naar buiten snelde.

Naast de woning van den jager ontsprong eene frissche bron. Hij ging

daarheen en dompelde zijn gezicht in het ijskoude water. Daarna liet

hij het een en andermaal over zijn gansche lichaam stroomen. Het kwam

hem voor, dat hij zich tot in het diepst zijner ziel moest reinigen,

niet enkel van het stof van zoovele weken, maar ook van spijt en

moedeloosheid, van smaad en bitterheid, van elke aanraking met al wat

laag en gemeen is. Toen hij eindelijk de bron verliet en naar de hut

terugkeerde, gevoelde hij zich zoo rein als aan den morgen van een

feestdag in het Seti-huis, wanneer hij zich gebaad en frissche kleederen

van sneeuwwit linnen aangetrokken had. Hij greep nu naar het feestkleed

van den jager, trok het aan en ging toen weder verder onder den blooten

hemel.

Voor hem verhieven zich ontzaglijke rotsgevaarten als zwarte

onweerswolken, en daarboven welfde zich de donkerblauwe hemel, waaraan

duizenden sterren vonkelden. Het zalig gevoel van vrijheid en reinheid

verhief zijne ziel, en de lucht die hij inademde was zoo frisch en fijn,

dat hij, als door vleugels of onzichtbare handen gedragen, langs het

steile pad naar de donkere massa van bergtoppen opklom.

Hij ontmoette een steenbok, die schuw voor hem uit den weg ging. Het

beest beklauterde vluchtend met zijn wijfje een steilen rotswand. Hij

riep het echter toe: »Ik zal u niets doen, ik niet.”

Toen hij op een klein plateau, aan den voet van een veeltandigen

graniettop, was aangekomen, bleef hij stilstaan. Wederom hoorde hij eene

bron in zijne nabijheid murmelen. Het gras, dat door zijne voeten werd

betreden, was vochtig en met eene dunne glinsterende ijslaag bedekt,

waarin de sterren zich spiegelden, die gaandeweg begonnen te verbleeken.

Hij zag op naar de nimmer rustende en toch eeuwig stilstaande

hemellichten. Hij liet zijn blik dwalen langs de toppen der bergen, in

de diepte en de oneindige verte.

Langzamerhand kwam er licht in de duisternis. Het verdwijnen van den

nacht bracht teekening in de donkere massa. Al duidelijker traden de

vormen van het gebergte te voorschijn met zijne schemerende toppen,

omgeven door lichte wolkjes, gelijk aan den rook van een smeulend vuur.

Uit de oase en de andere dalen aan zijne voeten stegen grijze dampen

op. Eerst hingen zij zwaar en in groote massa neder, daarna verdeelden

zij zich en zweefden als spelende wolkjes tot hem en den helderen hemel

op.

Laag beneden hem dreef een groote adelaar op zijne wieken, het eenig

levend wezen, dat zijn oog in den ganschen omtrek bespeurde. De geheele

natuur rondom hem bewaarde een plechtig stilzwijgen, dat door geen

geluid werd gestoord. En toen de adelaar neerstreek en uit zijn oog

verdween, toen de nevelen al lager schenen te zinken, zeide hij tot

zichzelven, dat hij hier alleen stond, hoog verheven boven al het

geschapene; dat hij de godheid nabij was.

Eene diepe ademtocht bewoog zijne borst. Hij gevoelde zich gestemd als

in de ure, die op zijne wijding was gevolgd, toen hij voor het eerst in

het allerheiligste was geleid. Maar het was toch nog iets geheel anders.

In plaats van zware wierookgeuren, ademde hij thans eene reine en fijne

lucht in, en machtiger dan weleer het gezang der priesters, greep hem

hier de indrukwekkende stilte van dit gebergte in de ziel. Het kwam hem

voor dat de godheid thans zelfs het geringste stamelen van zijne lippen

moest vernemen. En toch was zijn hart zoo vervuld van eerbied en

dankbaarheid, dat het hem drong in een luid gezang uitdrukking te geven

aan al de verhevene aandoeningen die hem overweldigden. Maar zijn mond

verstomde, en zwijgend knielde hij neder om te bidden en te danken.

Eerbiedig zag hij rondom zich heen. Waar was hier het oosten, dat in

Egypte door eene lange heuvelreeks zoo duidelijk was aangewezen? Ja,

daar ginds, waar thans boven de oase de hemel. begon op te klaren. Aan

zijne rechterhand lag het zuiden, het heilige land van den Nijl en van

de goden der watervallen. Doch hier golfde geen waterstroom; en waar was

hier een plekje voor de zichtbare werkzaamheid van Osiris en Isis, en

voor den uit eene lotusbloem te midden van het dichte papyrus-riet

opwassende Horus, of voor de zegenende godinnen Rennoet en Zefa[311]!

Tot welke van al de godheden kon hij hier de handen opheffen?

[311] De godinnen van den oogst en van de voedingsmiddelen.

Rennoet is meestal gekenmerkt door de Uraeus-slang die, het

menschelijk hoofd vervangt. Met den naam van Zefa wordt in de

teksten een overvloed van voedsel aangeduid. Vert.

Er verhief zich een zachte luchtstroom; de nevelen losten zich op,

gelijk rustelooze schaduwen voor het woord van den bezweerder. De kroon

van den heiligen berg Sinaï met zijne vele inzinkingen vertoonde zich

aan zijn oog in scherpe omtrekken, en beneden hem kwamen de kronkelingen

der dalen en verder de donkerkleurige, zachtbewogen oppervlakte der

zee steeds duidelijker te voorschijn. Alles bleef stil. Zonder door

eene menschelijke hand te zijn aangeraakt, was alles zoo wonderbaar

samengevoegd tot een groot en heerlijk geheel. Maar was alles niet aan

de wetten van het Al onderworpen, alles niet vol van de godheid?

Hij wilde zijne handen dankbaar opheffen tot Apheroe[312], den wijzer

der wegen; maar hij gevoelde zich daartoe niet in staat. De goden, wier

lof hij zoo dikwijls aan het volk had verkondigd in bezielende woorden,

en die toch alleen aan de boorden van den Nijl beteekenis, een

vaderland, een gebied voor hunne heerschappij bezaten, schenen hem nu

zoo oneindig klein toe.

[312] Apheroe is wegwijzer, een vorm van Anubis, door den

jakhals vertegenwoordigd. Hij werd meer bijzonder in de stad en

den nomos Chesschent of Lycopolis in Opper-Egypte vereerd.

Vert.

»Tot u,” prevelde hij, »bid ik niet! Hier, waar mijn blik als die eener

godheid het oneindige omvat, hier voel ik den Eenen, hier is hij mij

nabij, hier roep ik hem aan, hier wil ik hem danken!”

En wederom verhief hij zijne handen en bad overluid: »Gij Eenige! ― Gij

Eenige! ― Gij Eenige!”

Meer kon hij niet uitbrengen, maar een verheven lof- en danklied

vervulde zijn borst, terwijl hij deze woorden uitsprak.

Toen hij eindelijk oprees, zag hij een man naast zich staan van hooge

gestalte, met doordringde oogen. Zijn uiterlijk was vol waardigheid als

dat eens konings, ofschoon hij een eenvoudig herderskleed droeg.

»Heil u!” zeide de onbekende, op diepen en plechtigen toon. »Gij zoekt

den waren god.”

Pentaoer sloeg een onderzoekenden blik op den zwaar gebaarden man. »Nu

herken ik u,” zeide hij ten laatste. »Gij zijt Mesoe[313]. Ik was nog

maar een knaap, toen gij het Seti-huis verliet, maar uwe trekken bleven

onuitwischbaar in mijne ziel geprent. Even als u, heeft Ameni ook mij

ingewijd in de leer van den Eenen.”

[313] De Egyptische naam van Mozes.

»Hij kent hem niet,” antwoordde de andere, nadenkend, en zag naar den

oostelijken gezichteinder, die reeds helderder begon te lichten.

Daar kleurde zich den hemel purperrood en de toppen van den met een

ijssluier omhangen granietberg begonnen te vonkelen en stralen te

schieten, zooals een donkere diamant, die de zonnestralen heeft

ingedronken. De zon werd zichtbaar, en Pentaoer keerde zijn aangezicht

naar het groote hemellicht, om te bidden zooals hij gewoon was.

Toen hij weder opstond, knielde ook Mesoe neder, maar hij keerde zich

van de zon af.

Na zijn gebed voleindigd te hebben, vroeg Pentaoer hem: »Waarom hebt

gij u afgewend van de verschijning van den zonnegod? Ons werd toch

geleerd hem tegen te zien als hij nadert.” »Omdat ik,” antwoordde zijn

metgezel ernstig, »tot een ander bid dan gij. De zon en alle gesternten

zijn in zijne hand, wat de ballen zijn voor spelende kinderen. De aarde

is de voetbank zijner voeten, de stormwind is zijn adem, en de zee is in

zijne oogen het drupje gelijk, dat aan dit grasscheutje hangt.”

»Leer mij dien machtige kennen, tot wien gij bidt,” zeide Pentaoer.

»Zoek hem!” hernam de ander, »en gij zult hem vinden, want gij komt uit

de school van het lijden en de beproeving. Op deze plaats, op een morgen

als dezen, heeft hij zich aan mij geopenbaard.”

De vreemdeling keerde zich om, en weldra verdween hij achter eene rots

voor het oog van den dichter, die nadenkend in de verte staarde.

Vervuld van allerlei gedachten, daalde Pentaoer af naar het dal en

naderde de hut van den jager. Weldra bleef hij stilstaan, want hij

hoorde menschelijke stemmen. Doch rotsen hielden de naderenden voor zijn

oog verborgen. Eindelijk verschenen de zoon van zijn gastvriend, een man

in Egyptische kleeding, eene vrouw van hooge gestalte, naast welke een

meisje vlug voortliep, en nog eene andere vrouw, die door slaven in een

draagstoel werd gedragen. Pentaoer ontroerde, want hij herkende

Bent-Anat en die haar vergezelden. Zij verdwenen echter weder bij het

jagershuis.

Diep ademhalend bleef Pentaoer staan, als ware hij aan den rotswand

genageld. Zoo stond hij lang, zeer lang, zonder zich te verroeren. Hij

hoorde niet dat zachte schreden hem naderden en zich weder verwijderden;

hij voelde niet dat de zon hem en den porfierwand achter hem, met

gloeiende stralen bescheen; hij merkte de vrouw niet op, die hem

langzaam te gemoet kwam. Doch evenals een doove, die opeens het gehoor

terug ontvangt, zoo schrikte hij op, toen hij zijn naam hoorde noemen,

en ― van welke lippen!

»Pentaoer!” riep Bent-Anat andermaal. De dichter opende zijne armen; de

dochter des konings zonk aan zijne borst, en hij trok haar tot zich, als

wilde hij haar vasthouden en levenslang niet meer loslaten.

* * * * *

Intusschen rustten zij, die de prinses begeleidden, voor de hut van den

jager uit.

»Zij vloog hem om den hals; ja dat heb ik gezien,” zeide Warda. »Ik zal

het nooit vergeten! Het was alsof de blinkende zee daarginds zich had

opgericht en den heiligen berg omhelsd!”

»Kind! Hoe komt ge toch aan zulke gedachten?” vroeg Nefert.

»Uit het hart, diep uit het hart!” zeide Warda. »Ik ben zoo

onuitsprekelijk gelukkig!”

»Gij hebt hem gered en zijne weldaad vergolden. Ik begrijp dat u dit

reden tot blijdschap geeft.”

»Dat is het niet alleen,” zeide Warda. »Ik vreesde reeds den moed te

zullen verliezen, maar nu zie ik toch weder, dat de goden rechtvaardig

zijn en goed.”

De vrouw van Mena knikte haar toe en zuchtte: »Deze twee zijn gelukkig!”

»En zij verdienen het te zijn,” hernam het meisje. »Als Bent-Anat stel

ik mij de godin der waarheid voor, en er is geen ander man in Egypte aan

Pentaoer gelijk.”

Nefert zweeg een poos; toen vroeg zij zacht: »Hebt gij Mena ook gezien?”

»Hoe zou ik?” antwoordde Warda. »Wacht maar, ook uw tijd zal komen.

Ik geloof, dat ik heden als eene profetes een blik in de toekomst kan

slaan! Maar laten wij gaan zien of de arts Nebsecht nog altijd ligt te

slapen. De drank dien ik in den wijnzak heb uitgegoten, moet wel sterk

zijn.”

»Dat is hij,” hernam Nefert, en volgde het meisje in de hut.

Daar lag de arts nog altijd op zijn leger en sliep met wijd-geopenden

mond.

Warda knielde bij hem neder, zag hem in het aangezicht en zeide: »Hij is

zoo verstandig en weet alles, toch ziet hij er nu zoo onnoozel uit! Ik

zal hem wekken.”

Zij trok een grashalm uit het stroo, en zeer ondeugend begon zij

daarmede zijn neus te streelen.

Nebsecht hief het hoofd even op, niesde en sliep weder in. Warda

schaterde het uit van lachen met haar zilver stemmetje. Daarna bloosde

zij en zeide: »Dat was toch verkeerd van mij. Hij is zoo goed en

grootmoedig!”

Nauwelijks had zij dit gezegd, of zij greep de hand van den slapende,

bracht die aan hare lippen, en veegde het zweet van zijn voorhoofd. Nu

ontwaakte hij. Hij sloeg de oogen op, en prevelde, nog half droomend:

»Warda, lieve Warda!”

Het meisje stond op en vloog weg, gevolgd door Nefert.

Toen Nebsecht weder op zijne voeten stond en rondzag, bevond hij zich

alleen in de vreemde jagershut. Hij ging naar buiten, waar hij het

gevolg van Bent-Anat aantrof, dat niet zonder bezorgdheid de dingen

besprak, die gebeurd en die nog te verwachten waren.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 44 / 58 题