VIERDE HOOFDSTUK.

Twee maanden waren er sedert het vertrek van Bent-Anat uit Thebe en

de gevangenneming van Pentaoer verloopen, toen een lange trein van

lastdieren en menschen voorttrok door het dal, Ant-Baba geheeten, in het

westelijk deel van het Sinaïtisch schiereiland[286].

[286] Over het Schiereiland van den Sinaï, zijne geschiedenis en

de heilige plaatsen die daar gevonden worden, heb ik uitvoerig

gehandeld in mijn in 1872 verschenen werk: =Durch Gosen zum

Sinai, aus dem Wanderbuche und der Bibliothek=, Leipzig, W.

Engelman. Het tooneel der gebeurtenissen, die hier geschilderd

worden, heb ik zoo nauwkeurig mogelijk naar de werkelijkheid

trachten te teekenen. Wie deze wonderbare eenzame bergstreek

heeft doorreisd, kan die nooit vergeten. Het dal dat heden Baba

wordt genoemd, heette in den tijd der pharao’s evenzoo.

Het was winter en toch schoot de middagzon brandende stralen, die door

de naakte rotsen werden teruggekaatst.

De trein werd geopend en ook gesloten door eene afdeeling Libysche

soldaten. Elk hunner was met een dolk en een strijdbijl, met schild

en lans gewapend, en gereed van die wapenen gebruik te maken, als het

noodig was. Want deze krijgslieden geleidden een transport gevangenen

uit de mafkatgroeven, die zij naar het strand van de Schelfzee hadden

gebracht[287], om af te leveren wat uit de mijnen was gedolven, en om

den uit Egypte aangekomen voorraad in ontvangst te nemen, die naar de

magazijnen der bergwerken moest worden gevoerd.

[287] De oude wegen, die van de mijnen naar zee voerden,

schijnen uitgeloopen te hebben op de bocht, die nog heden Aboe

Zelimeh heet, bij de kaap van gelijken naam.

Gebogen onder hun last en hijgend stapten die ongelukkigen voort. Elke

gevangene sleepte een koperen ketting mede, die aan zijne enkels was

vastgesmeed. Hunne eenige kleeding bestond uit gescheurde lompen, die

zij om de heupen hadden geslagen. Schier bezwijkend onder de vracht der

zakken, staarden zij met strakke blikken naar den grond. Als de een of

ander dreigde ineen te zijgen, werd hij weer opgewekt door de zweep van

een der ruiters, die langs den trein op en neer reden. Voor velen was de

keus blijkbaar niet gemakkelijk, of zij onder de vermoeienis dan onder

de zweepslagen zouden bezwijken.

Niemand, noch de gevangenen noch van die hen geleidden, sprak een enkel

woord. Zelfs zij die geslagen werden schreeuwden niet, want hunne

stemorganen waren als uitgedroogd, en in de harten hunner drijvers welde

zoo min een gevoel van medelijden op, als er een kruidje groende op de

rotsen aan den weg.

De sombere schare bewoog zich voorwaarts alsof het zoovele schimmen

waren, dàn alleen met het oor waar te nemen, wanneer een zacht gesteun

aan de borst van een der gemartelden werd ontperst. De zandige weg

maakte geen geluid, als de naakte voet van den wandelaar dien betrad. De

bergen weigerden schaduw te geven. Het licht was hier eene plaag. Alles

in het rond scheen onbezield, en toch den mensch vijandig. Wijd en zijd

vertoonde zich op deze doodsche grauwe en bruine oppervlakte geen plant,

geen worm. Zelfs geen vogel, die klapwiekend zich in de lucht verheft,

lokte de bedrukten uit den blik eens omhoog te heffen.

Daags te voren, op den middag, waren zij met hunne lading van de

havenbocht opgebroken. Twee uren lang waren zij voortgetrokken langs den

oever van de Schelfzee, met hare helder blauwgroene wateren[288]. Zij

hadden eene vooruitspringende rots moeten overtrekken, om daarna door

eene smalle vlakte te marcheeren. Bij den ingang van het dal, dat naar

de groeve leidde, werd nachtkwartier gehouden. De aanvoerders en de

soldaten ontstaken vuren, schaarden zich daarom en legden zich in de

bocht van eene rots te slapen neder. De gevangenen strekten zich midden

in het dal op den bodem uit, ongedekt, ofschoon de vorst hen deed

verstijven, toen de bittere koude van den nacht plotseling de gloeiende

hitte van den dag verving. De half bevrozenen begroetten waarlijk

de drukkende ellende van den dagelijkschen arbeid weder als eene

verlossing, hoewel zij weinige uren te voren naar de rust van den nacht

hadden gesmacht.

[288] De Roode zee, in ’t Hebreeuwsch en in ’t Koptisch de

Schelfzee geheeten, heeft eene heerlijke blauw-groene kleur.

Volgens de schrijvers der oudheid werd zij aldus genoemd, òf

naar hare roode oevers, òf naar de Erythraeërs, „de Rooden,” die

rondom hare kusten woonden. In een oud opschrift heet zij Atoer

set Descher, d. i. de wateren van het Roode land. Zie Ebers

=Durch Gosen=, u.s.w. S. 518, Anm. 37.

Alvorens men opbrak, werd onder de gevangenen linzenbrij en hard brood

in overvloed uitgedeeld, maar het water werd hun toegemeten. Dan ging

het weder verder door de bergengte, die al heeter en heeter werd, van

het eene keteldal in het andere. In elk scheen het pad dood te loopen,

maar overal werd een uitweg gevonden. Het pad liep onafgebroken door;

het had geen einde, zoo min als de kwelling der ongelukkigen.

Sommige reusachtige rotswanden zagen er uit, als waren zij uit

vierkante, rechthoekig gehouwen steenblokken laagsgewijze opgestapeld.

Doch er was maar éen onder de mijnwerkers, maar éen die een oog had voor

deze wonderbare vormen te midden van zoovele andere, waar in de natuur

zich openbaarde. De schouders van dien éenen schenen sterker te zijn dan

die zijner lotgenooten, en zijn last drukte maar weinig.

»In deze eenzame woestenij, die de menschen alle levensonderhoud

weigert en hen van zich weert,” dacht hij bij zichzelven, »hebben

de Chnemoe[289], de werklieden die de aarde bouwden, zich de moeite

bespaard de voegen aan te vullen en de vormen behoorlijk af te

ronden. Hoe komt het toch, dat men dit gruwzaam oord, waarin ook

de menschenharten zonder eenig gevoel van medelijden schijnen te

versteenen, gewijd heeft aan de goedige Hathor[290]? Misschien wel omdat

deze plek het meest behoefte heeft aan de gaven van de vriendelijke

godin der liefde en der vreugde.”

[289] Zie Dl. I bl. 82.

[290] Zie Dl. I bl. 8. De gedenkteekenen, die bij de beide

voormalige steengroeven Wadi Maghara en Sarboet el Chadem op

het Sinaïtisch schiereiland bewaard zijn gebleven, leeren, dat

Hathor hier boven alle goden werd geëerd.

»Blijf in het gelid, Hoeni!” riep een der drijvers op strengen toon.

Hij die alzoo toegesproken werd, sloot zich dichter aan bij den man die

naast hem liep, den zuchtenden arts Nebsecht.

Wij kennen den sterken gevangene. Het is Pentaoer, die op de lijst der

mijnwerkers onder den naam Hoeni voorkwam, en alzoo aangeroepen werd.

De tocht ging verder. De rotsen werden steeds steiler. Op den weg,

die onmerkbaar meer en meer klom, lagen groote hoopen roode en zwarte

steenbrokken, zoo klein alsof de menschelijke hand ze had afgeslagen.

Wederom opende zich een nieuw keteldal, maar ditmaal was er geen uitweg.

»De last der ezels verlichten!” riep de aanvoerder van het transport

den gevangenen toe. Daarop wendde hij zich tot de soldaten en beval

hen, nadat zij de lastdieren hadden afgeladen, de mannen zwaarder te

belasten. Onder de uiterste inspanning hunner krachten klouterden de

arme lieden, die tot bezwijkens overladen waren, het bergpad op[291],

dat nauwelijks te onderkennen was.

[291] Tegenwoordig Naqb el Boeddrah. De Engelsche majoor

Macdonald, die in de uitgegraven mijnen turkooizen liet delven,

en eerst sedert eenige jaren gestorven is, heeft gezorgd, dat

het oude bergpad werd hernieuwd.

Pentaoer’s voorman, een magere grijsaard, zonk ter halver hoogte onder

zijn last ineen. Een drijver, die op het smalle pad de dragers niet

voorbij kon loopen, wierp hem met steenen, om den oude te dwingen

opnieuw al zijne krachten te verzamelen. De grijsaard schreeuwde van

pijn. Pentaoer dacht aan den Paraschiet, die onder de slagen der

woedende volksmenigte neerzonk, aan zijne worsteling en aan Bent-Anat.

Met innig medelijden vervuld, en in het gevoel van zijne eigene gezonde

kracht, was zijn besluit spoedig genomen. Hij tilde de zakken van ’s

grijsaards schouders, wierp hen op de zijne, en hielp den oude weer op

de been. Menschen en dieren kwamen gelukkig ongedeerd over den berg

heen.

Pentaoer’s slapen klopten geweldig. Hij hijgde naar adem en huiverde,

toen hij van den hoogen bergpas neerzag in den bergketel beneden hem, en

zijn oog liet gaan langs de hem omringende scherp getande rotspunten, de

klippen en hoogten, hier wit en grauw of zwavelgeel, daar bloedig rood

en akelig zwart gekleurd. Hij dacht aan het heilige meer van Moeth te

Thebe[292], met de honderden beelden van de godin met den leeuwenkop,

uit zwart bazalt gehouwen, op hunne postamenten. De klippen die dit dal

omgaven namen dergelijke vormen aan, zij schenen zich te bewegen en den

muil te openen. Het was hem of hij in het wild gesuis om zijne ooren

haar gebrul hoorde, en de dubbele last, die ook voor zijne schouders te

zwaar was, gaf hem het gevoel, als drukten zij hare handen tegen zijn

borst.

[292] Van dit meer heeft Karel Werner in zijne =Nilbildern=, in

kleurendruk uitgegeven bij Seitz te Wansbeck, eene zeer getrouwe

voorstelling gegeven.

Eindelijk bereikte hij toch zijn doel. De andere gevangenen wierpen de

zakken van hunne schouders en gingen rusten. Hij deed werktuigelijk

hetzelfde. Zijn bloed kwam tot bedaren, de visioenen verdwenen, zijne

oogen zagen, zijne ooren hoorden weder, en in zijne hersenen keerde de

oude denkkracht terug. De grijsaard en de arts Nebsecht rustten naast

hem uit.

De oude man streelde de hooggezwollen aderen van zijn hals en bad den

zegen aller goden over hem af. Doch de aanvoerder van de wachters sneed

den grijsaard de gelegenheid af verder te spreken, daar hij, de rustende

voorbij wandelende, riep: »Gij hebt kracht voor drie, Hoeni; wij zullen

je in het vervolg zwaarder belasten!”

»Hoe liefderijk verhooren toch uwe vriendelijke goden de vrome

zegenwenschen,” zeide de arts Nebsecht scherp, »en hoe weten zij eene

goede daad te beloonen!”

»Ik ben genoeg beloond,” antwoordde Pentaoer, terwijl hij den grijsaard

vriendelijk aanzag. »Maar gij eeuwige spotter, hoe gevoelt gij u? Gij

ziet er zoo bleek uit.”

»Ik gevoel mij als een dier ezels daar,” antwoordde de natuurvorscher.

»Mijne knieën beven, evenals de hunne, en ik denk aan niets anders dan

waaraan zij denken, en ik wensch niets meer of niets minder dan zij. Dat

wil zeggen: ik wenschte dat wij in den stal lagen.”

»Nu, als gij nog denken kunt,” zeide Pentaoer lachend, »dan ziet het er

nog zoo kwaad niet uit.”

»Eéne wijze gedachte had ik ten minste, terwijl gij zooeven in de lucht

tuurdet. Het verstand, zoo leeren de priesters, is een lichtende adem

van den eeuwigen wereldgeest, en onze ziel is de vorm van het stuk

materie, dat men mensch noemt. Ik zocht den geest eerst in het hart,

vervolgens in de hersenen: maar nu weet ik dat zij in armen en beenen

schuilt, want sedert ik deze lichaamsdeelen bovenmatig moet vermoeien,

is het gedaan met het denken. Ik ben te lui om mij met verdere bewijzen

in te laten, maar zal in het vervolg mijne beenen met meer achting

behandelen.”

»Zijt gij beiden weer aan ’t twisten? ― Op mannen!” riep de drijver.

De vermoeide ongelukkigen stonden langzaam op, de dieren werden opnieuw

beladen, en de beklagenswaardige troep zette zich weder in beweging, om

tegen den avond bij de mafkat-groeven aan te komen.

Het einddoel van den tocht der gevangenen was een breed dal, door twee

hooge en rotsachtige berghellingen ingesloten. De Egyptenaren noemden

die plaats Ta Mafka, de Hebreën Dophka[293]. De zuidelijke rotswand

bestond uit donker graniet, de noordelijke, waarin de turkoois-mijnen

werden gevonden, uit ronden zandsteen. In een dwarsdal op eenigen

afstand lagen de metaalgroeven[294], waarin vooral koper werd gevonden.

Midden in het dal verhief zich een heuvel[295], door een muur omgeven,

waarop kleine van steen opgetrokken huisjes stonden voor de wachters,

officieren en opzichters[296]. Volgens een oud voorschrift moesten zij

van boven open zijn, doch daar vele arbeiders door den nachtvorst waren

ziek geworden en gestorven, had men ze een weinig gedekt, met palmtakken

uit de oase der Amalekieten in de nabijheid.

[293] Numeri XXXIII, 13. Ebers, =Durch Gosen=, u. s. w. S. 140.

[294] Palmer en Wilson hebben ze ontdekt, en wel in Wadi Oemm

Themâïm. Gaarne verwijzen wij hier naar het zeer belangrijke

werk van M. A. Palmer, =The desert of the Exodus=, Cambridge

1871.

[295] Het tegenwoordige Wadi Maghara.

[296] Er zijn nog eenige bouwvallen bewaard gebleven.

De smeltovens bevonden zich op de uiterste toppen van den heuvel, die

het meest aan den wind blootstonden. Daar stond ook de fabriek, waarin

men het groene vloeispaath vervaardigde, dat onder den naam mafkat, dat

is smaragd, in den handel werd gebracht. De echte edelsteen van dezen

naam werd aan de westkust van de Schelfzee, verder naar het zuiden

gevonden, en in Egypte hoog gewaardeerd.

Onze vrienden behoorden reeds langer dan een maand onder de mijnwerkers

van het mafkat-dal, en Pentaoer wist nog altijd niet, hoe hij, in plaats

van in de zandsteen-groeven van Chennoe, hierheen en met Nebsecht samen

was gekomen. Ongetwijfeld had Warda’s vader deze verwisseling bewerkt,

en de dichter kon niet anders gelooven, of de ruwe maar eerlijke soldaat

had dit met de beste bedoelingen gedaan. Hij was nog altijd in zijne

nabijheid, maar sedert zij van Thebe waren opgebroken, had hij nog maar

een enkele maal gelegenheid gehad hem te naderen.

Dadelijk, in den eersten nacht, was de zoon van den Paraschiet bij hem

gekomen, en had hem in het oor gefluisterd: »Ik zal voor u zorgen!

Gij zult den arts Nebsecht hier wedervinden. Doet alsof gij elkander

vijandig zijt, indien gij niet wilt, dat men u van elkander zal

scheiden.”

Pentaoer had zijn vriend den raad van den soldaat medegedeeld, en de

arts volgde dien op zijne manier. Heimelijk schepte hij er behagen

in, te zien, hoe de werkelijkheid thans Pentaoer’s geloof aan eene

rechtvaardige en liefderijke beschikking van ’s menschen lotgevallen

logenstrafte. Hoe zwaarder werkzaamheden hem en den dichter werden

opgelegd, met des te meer verbittering, ja, met eene tot het uiterste

gedrevene ironie viel de anders zoo vreedzame natuuronderzoeker, den

laatste telkens aan.

Nebsecht had Pentaoer lief, want deze bewaarde in zijne ziel de

sleutels, die toegang verleenden tot eene schoonere wereld, helaas, voor

het oog zijns geestes altijd gesloten. Toch viel het hem gemakkelijk,

zoo vaak hij bemerkte dat men het oog op hem had, zijne rol te spelen en

den dichter allerlei woorden naar het hoofd te werpen, die de drijvers

voor onzinnig hielden en hun lachlust opwekten, omdat zij hun zoo

zonderling in de ooren klonken, en zoo hortend en stootend over

zijne stamelende lippen kwamen. »Afgeranseld omhulsel van goddelijk

zelfbewustzijn;” »Op den bek geslagen advocaat der gerechtigheid;”

»Goochelaar, die deze wereld, de slechtste die men zich bij

mogelijkheid denken kan, op den kop zet, om te bewijzen dat zij de beste

is;” »Bewonderaar van de schoone kleur zijner blauwe plekken!” zulke

en dergelijke schimpwoorden, die alleen voor hemzelven en den gesmaden

verstaanbaar waren, kon hij gedurig uitwerpen, onuitputtelijk in nieuwe

combinatiën.

Daardoor prikkelde hij Pentaoer tot antwoorden, die altijd doel troffen,

niet zelden zeer puntig waren, en door oningewijden niet konden begrepen

worden. Dikwijls gingen hunne smaadredenen in een formeel twistgesprek

over. En dit had een dubbel nut. Vooreerst vond hun geest, aan ernstig

denken gewoon, gelegenheid tot vrije beweging, ondanks den last van den

dwangarbeid, die alle geestelijk leven dreigde te vermoorden. Ten andere

hield men hen hierdoor werkelijk voor vijanden.

Beiden sliepen in denzelfden hof, en wisten elkander daar nu en dan

heimelijk te spreken. Overdag werkte Nebsecht in de turkoois-groeven,

Pentaoer echter in de kopermijnen. De zwakkere arts was juist berekend

voor het omzichtig uitbeitelen van het edelgesteente uit de rotslagen.

Het verbrijzelen van den harden steen was eene bezigheid, die meer

geschikt was voor Pentaoer’s reuzenkracht. De drijvers beschouwden den

geweldigen jongeling niet zelden met verbazing, wanneer hij met het

houweel wild op het gesteente lossloeg.

Niemand kon vermoeden welke beelden zich in zulke uren van woedenden

arbeid voor de ziel des dichters plaatsten, welke vreeselijke en tevens

verleidelijke tonen hij in zijn binnenste vernam. Gewoonlijk vertoonde

Bent-Anat’s gestalte zich voor zijne levendige verbeeldingskracht,

omringd door een leger, dat hij meende te verslaan, man voor man,

terwijl hij op de rotsen hamerde. Soms wierp hij te midden van zulk een

arbeid het houweel weg en breidde hij zijne armen uit, maar om diep te

steunen, en het zweet, dat van zijn voorhoofd gutste, met de hand weg te

vegen.

De opzichters wisten eigenlijk niet, waarvoor zij dezen sterken

jongeling moesten houden, die soms zoo vriendelijk was als een kind,

maar toch reeds onder den invloed bleek te komen van den demon, waarvan

zoovele dwangarbeiders het slachtoffer werden[297].

[297] Het schrikkelijk lot der Egyptische mijnwerkers wordt

uitvoerig geschilderd in eene beroemde plaats van den rethor

Agatharchides van Knidus, die men bij Diodorus (III, 12-14)

vindt. Daar wordt echter niet gesproken van bovenstaande

steengroeven, maar van de Ethiopische goudmijnen, waarvan reeds

meermalen is gewag gemaakt, en die in de jaren 1832 en 1833,

door Linant-Bassa en Bonomi, tusschen den Nijl en de Roode zee

zijn weergevonden. De goudlagen in de kwartsrotsen van het

Bischari-gebied zijn tegenwoordig geheel uitgeput.

Hij was zichzelven een raadsel geworden, want vanwaar kwam in hem, den

in den vrede van het Seti-huis opgevoeden tuinmanszoon, sedert het

gebeurde van dien nacht voor de hut van den Paraschiet, dat altijddurend

verlangen naar worsteling en strijd?

De afgematte werklieden hadden zich ter ruste begeven; vóor het huis

van den overste der bergwerkers brandde echter nog een helder vuur. De

opzichters en onderbevelhebbers der soldaten waren in een kring er om

neergehurkt.

»Doe thans de bekers weg,” zeide de overste, »want wij hebben ernstig

raad te houden. Gisteren heb ik, op bevel van den stadhouder, de helft

der manschappen van de wacht naar Pelusium moeten zenden. Hij heeft

soldaten noodig. Maar wij zijn zoo zwak in aantal geworden, dat, als de

veroordeelden het wisten, zij zelfs zonder wapenen ons te sterk zouden

worden. Steenen liggen er hier beneden genoeg, en overdag hebben zij

beitel[298] en hamer. Het ergst ziet het er uit bij de Hebreën in de

kopermijn. Het is een zeer oproerig volk, dat men kort moet houden. Gij

kent mij genoeg, om te weten dat ik waarlijk niet bang ben. Maar ik maak

mij over iets bezorgd. Hier in dit vuur branden de laatste kolen, en de

smeltovens en glasgieterijen mogen niet stilstaan. Morgen moeten er

dus lieden naar Raphidim[299] worden uitgezonden, om kolen van de

Amalekieten te eischen. Zij zijn ons nog honderd ladingen schuldig[300].

Belast de gevangenen met wat koper, om ze te vermoeien en de bewoners

der oase welwillend te stemmen. ― Wat zullen wij echter aanvangen om te

verkrijgen wat wij noodig hebben, en de manschappen hier toch niet al te

zeer te verzwakken?”

[298] Deze beitels hadden den vorm van zwaluwstaarten.

[299] De oase aan den voet van den berg Choreb, bij welke,

volgens de bijbelsche overlevering, de uitgetrokken Israëlieten

onder aanvoering van Jozua de Amalekieten overwonnen, terwijl

Aäron en Hur de armen van den biddenden Mozes ondersteunden.

Exodus XVII, 8, vv.

[300] De Bedoeïnen op het Sinaïtisch Schiereiland branden thans

nog vele kolen uit het hout van den Sejâl-boom (Acacia tortilis

Hayne), en brengen ze naar Kaïro ter markt.

Men overwoog nu eens dit, dan weder dat. Eindelijk werd besloten,

dat dagelijks eene zeer kleine afdeeling, door weinige soldaten

geëscorteerd, zou opmarcheeren, om zoo van den eenen dag op den anderen

in behoefte aan kolen te voorzien. Men achtte het voorts geraden, dat de

gevaarlijkste dezen vrachtdienst zouden verrichten, twee aan twee met

ketens aan elkander geklonken.

De overste gaf in bedenking, dat twee sterke mannen, aan elkander

verbonden, dubbel gevaarlijk konden worden, wanneer zij eendrachtig

handelden.

»Zoo verbinde men een sterken met een zwakken,” zeide de man die de

rekening van de mijnen hield en dien men den schrijver der metalen

noemde. »Smeed ook zooveel mogelijk de zoodanigen aaneen, die elkander

vijandig zijn.”

»Hoeni bij voorbeeld, die zoo sterk is als een boom, aan den spottenden

musch, den stotterenden Nebsecht,” riep een onderbevelhebber.

»Aan die twee dacht ik ook juist,” zeide de schrijver lachend.

Nog drie andere paren werden eerst al schertsend maar daarna met

klimmenden ernst gekozen, en eindelijk ook Warda’s vader onder de

drijvers opgenomen.

Den volgenden morgen smeedde men Nebsecht en Pentaoer met een koperen

keten aan elkander vast. Toen de zon ter middaghoogte stond, braken vier

paar gevangenen op, met zware baren koper belast, om door zes soldaten

en den Paraschieten-zoon geleid, uit de oase der Amalekieten brandstof

voor de smeltovens te halen.

Bij de halt Aloes[301] hielden zij rust. Daarna trokken zij verder

tusschen kale, steeds hooger oprijzende, grauwachtig groene en bruine

rotswanden van porfier. Van tijd tot tijd konden zij den scherpen top

van een reus in dit gebergte waarnemen, die hoog boven de lagere bergen

uitstak. Doch daar zij gebukt gingen onder den zwaren last van het koper

dat zij droegen, hadden zij weinig lust er acht op te slaan. De zon

neigde reeds ten avond, toen zij het kleine heiligdom van de

Smaragden-Hathor voorbijkwamen.

[301] Numeri XXXIII, 13, 14.

Hier vlogen eenige grijze en zwarte vogels klapwiekend hun te gemoet.

Pentaoer zag met blijdschap naar hen op. Hoe lang had hij reeds het

gezicht dezer dieren en het geluid hunner stem moeten missen!

»Daar zijn vogels,” sprak Nebsecht, »wij moeten dus in de nabijheid van

water zijn.”

Daar stond werkelijk de eerste palmboom. Weldra hoorde men duidelijk

het murmelen eener beek, en deze zachte tonen deden de gemoederen der

woestijn-wandelaars even weldadig aan, als de regen het dorrende gras.

Aan de linkerzijde van het water was, in een wijden kring, eene

afdeeling Egyptische soldaten gelegerd, in wier midden zich drie groote

tenten verhieven, van kostbare, blauw en rood gestreepte en met goud

doorwerkte stoffen. Van de bewoners der tenten was niets te zien; toen

de gevangenen er echter voorbij waren, en hunne drijvers de wachtposten

hadden begroet, kwam hun een meisje te gemoet in het lange gewaad eener

Egyptische, en beschouwde hen met opmerkzaamheid.

Pentaoer ging van schrik achteruit, als ware er een geest voor hem

opgerezen; maar Nebsecht kon niet nalaten een luiden kreet van

verrassing te doen hooren, daarbij eene beweging met zijne handen

makende.

Op hetzelfde oogenblik zwaaide een drijver zijn zweep over de schouders

der twee vrienden, hun lachend toeroepende: »Met je tongen mag je elkaar

klappen toedienen, zoo veel je wilt, maar niet met je handen!”

Daarop keerde de soldaat zich tot een zijner metgezellen, vragende:

»Hebt ge dat mooie meisje daar bij de tent gezien?”

»’t Geeft ons niet veel!” antwoordde de ander. »Zij behoort tot het

gevolg der prinses, die reeds sedert drie weken den tempel van de

Smaragden-Hathor bezoekt.”

»Zij moet zware misdaden begaan hebben,” hernam de eerste spreker.

»Behoorde zij tot ons gelijken, dan zou zij bij de groeven zand moeten

spitten of kleurstoffen fijnstooten, en zeker niet hier in vergulde

tenten wonen. ― Waar is de roodbaard?”

Warda’s vader was een weinig achter den trein gebleven, want het meisje

had hem gewenkt en eenige woorden met hem gewisseld.

»Hebt ge ook nog oogen voor de meisjes?” vroeg hem de jongste der

drijvers, toen hij zich weder bij hen had gevoegd.

»Zij is eene dienstmaagd der prinses,” antwoordde Kaschta, niet zonder

verlegenheid. »Wij zullen morgen van haar een brief aan den schrijver

der metalen medenemen, en daarvoor wil zij ons wijn schenken, wanneer

wij ons ten minste legeren in de nabijheid der tenten.”

»Zie me dien ouden roodbaard!” riep een der jongere drijvers. »Hij ruikt

den wijn als een vos de ganzen. Laat ons hier rusten! Men weet bovendien

nimmer, hoe men het met de Mentoe[302] heeft, en de overste heeft

bevolen, dat wij buiten de oase ons nachtkwartier zullen houden. ― De

zakken af, mannen! Hier is frisch water, en misschien vallen er nog wel

wat dadels voor je af, en zoet Man[303] op het brood. Maar pas op dat je

vrede onder elkaar houdt, gij kemphanen Hoeni en Nebsecht!”

[302] De goden der onderwereld.

[303] „Man” noemen heden de Bedoeïnen van het Sinaïtisch

schiereiland de zoete uitzweeting van de tamarinde (tamarix

mannifera), die in de wadis of dalen hunner woonplaats groeit.

De uitzweeting heeft gewoonlijk plaats in Mei. Het ‚man’ kon

echter bewaard worden. Niet ten onrechte wordt het gehouden voor

hetzelfde als het manna waarvan in den bijbel wordt gesproken.

Bent-Anat’s reis naar de Smaragden-Hathor had lang geduurd. Zij was met

die haar begeleidden tot Keft[304] den Nijl afgezakt. Vandaar waren

zij in kleine dagmarschen de woestijn dwars doorgetrokken. Eindelijk

aangekomen in de grootendeels door Phoeniciërs bewoonde havenstad aan de

Schelfzee[305] hadden zij aldaar eene volle week moeten wachten op het

schip, dat hen naar Pharon overbracht, een dorpje alleen door visschers

bewoond. Vandaar trokken zij door het gebergte naar de oase, bij

welker noordelijken toegang het heiligdom van de Smaragden-Hathor werd

gevonden.

[304] Zie boven bl. 371.

[305] Het latere Berenice.

De oude priesters, die met den dienst der godin belast waren, hadden de

dochter van Ramses eerbiedig ontvangen. Door middel van het heldere en

koele water der beek uit het gebergte, die de palmen der Amalekieten

drenkte, door berookingen, vrome spreuken en ontelbare ceremoniën,

hadden zij getracht aan de prinses hare reinheid terug te geven. Ten

laatste verklaarde de godin zich bevredigd, en Bent-Anat wilde nu

opbreken, ten einde noordwaarts naar haren vader te trekken. Doch de

bevelhebber der soldaten, die haar geleide uitmaakten, een in den dienst

vergrijsd Ethiopisch veldoverste, wiens zonen Ani tot hooge rangen had

bevorderd, verklaarde den ceremoniemeester, dat hij bevel had de prinses

zoolang in de oase terug te houden, tot de stadhouder haar zou toestaan

te vertrekken. Bent-Anat hoopte nu op den bijstand haars vaders, die

dagelijks kon verwacht worden, wanneer Rameri ten minste geen onheil was

overkomen. Maar, te vergeefs!

De vrouwen verkeerden inderdaad in een zeer pijnlijken toestand, want

zij gevoelden, dat men haar in een hinderlaag had gelokt en dat zij

gevangenen waren. Er kwam nog bij, dat de Ethiopische soldaten zich

tegen de bewoners der oase vergrepen hadden. Dagelijks hadden er onder

hunne oogen vechtpartijen plaats, waarbij in de laatste dagen zelfs

bloed had gevloeid.

Bent-Anat was krank naar de ziel. De beide machtige vleugels, die

haar in staat hadden gesteld zich zoo hoog te verheffen boven al hare

zusters, namelijk haar vorstelijke trots en hare opgeruimde helderheid

van geest, schenen gebroken te zijn. Zij gevoelde dat zij eenmaal

had liefgehad, om nimmer weder lief te hebben; dat zij, die

geene luchtkasteelen had willen bouwen, maar alles gezocht in de

werkelijkheid, ten slotte toch het beste deel van haar wezen had gewijd

aan een droombeeld. Het beeld van Pentaoer stond haar nog altijd

levendig voor den geest, en scheen steeds grootere en reinere vormen

aan te nemen. Hijzelf was voor haar als gestorven. Er was nog maar een

enkele brief uit Egypte tot haar gekomen, en deze had vrouwe Katoeti

aan Nefert gericht, om haar mede te deelen, hoe nieuwe berichten hadden

bevestigd, dat haar echtgenoot eene gevangene vorstendochter als zijn

aandeel in den buit in zijne tent had genomen. Het schrijven van de

weduwe hield verder in, dat de tot dwangarbeid veroordeelde dichter

Pentaoer niet in de steengroeven van Chennoe was aangekomen, zoodat men

allen grond had om te onderstellen, dat hij onderweg gestorven was.

Nefert wankelde ook ditmaal geen oogenblik in de overtuiging, dat haar

echtgenoot haar trouw was gebleven. Zij hield onveranderlijk vast aan

het geloof in zijne liefde. De veerkracht harer natuur, die door een

grooten en reinen hartstocht geheel werd beheerscht, en daarom meer

harmonisch was ontwikkeld, bleek juist in deze bange en moeielijke

dagen. Het scheen wel dat zij en Bent-Anat van rollen hadden verwisseld.

Altijd vol hoop, verzekerde zij van den eenen dag op den anderen, dat

er wel hulp van den koning zou opdagen. Daarbij vleide zij zich dan

dat Mena, als hij van Rameri vernam dat zij bij Bent-Anat was, zelf zou

komen om haar te halen, wanneer zijn dienst het ten minste toeliet. In

uren van blijmoedige verwachting ging zij zelfs zoover, dat zij zich

voorstelde hoe de bewoners van de tent verdeeld moesten worden: wie

Bent-Anat gezelschap zou moeten houden, wanneer Mena haar bij zich in

zijne legerplaats nam; in welk gedeelte van de oase hij het best zijne

tenten zou opslaan; en zoo al verder.

Warda, meende Nefert, kon gevoeglijk bij Bent-Anat haar plaats

vervangen, want het meisje had zich op deze reis merkwaardig ontwikkeld.

Zij droeg de deftige gewaden, die de prinses haar gaf, alsof zij nooit

andere had gedragen. Zij wist met bescheidenheid te luisteren, zich ter

rechter tijd te verwijderen, en aardig te praten, wanneer men met haar

in gesprek trad. Daar was een reine zilvertoon in haar lachje, dat meer

dan iets anders Bent-Anat kon vertroosten. Ook luisterden de vriendinnen

gaarne naar hare gezangen, hoewel de weinige liederen, die het meisje

kende, ernstig en zwaarmoedig waren. Zij had ze afgeluisterd van de oude

Hekt, die dikwijls in ’t donker op eene luit speelde. Toen de tooveres

opmerkte, dat Warda hare melodieën nazong, wees zij haar op enkele

gebreken, en gaf haar goede wenken. »Zij valt toch eens in mijne

handen,” dacht de heks, »en hoe beter zij zingen kan, des te duurder

wordt zij betaald.”

Bent-Anat beproefde ook Warda onderwijs te geven, maar het viel de

jeugdige leerlinge bijzonder zwaar te leeren lezen, hoeveel moeite zij

zich ook gaf. Toch liet de prinses de lessen in de spelkunst niet varen.

De werkeloosheid waartoe zij gedoemd was, hier aan den voet van dien

majestueuzen heiligen berg, tot welks toppen zij dikwijls met huivering

zoowel als met verlangen opzag, drukte haar des te zwaarder, naarmate er

meer in hare ziel omging, dan zij zou wenschen te uiten. Warda kende de

oorzaak van de smart harer meesteres, en zij had haar om zijnentwil lief

als eene heilige. Dikwijls vertelde zij van Pentaoer en zijn vader al

wat zij wist, en altijd zóo, dat de prinses niet vermoeden kon hoezeer

zij was ingewijd in het geheim harer liefde.

Toen de gevangenen voorbij Bent-Anat’s tent werden gevoerd, zat zij

met Nefert daar binnen, en sprak, zooals gewoonlijk in de schemering

geschiedde, over haar vader en zijn wagenmenner Mena, over Rameri en

Pentaoer.

»Hij leeft nog,” zeide Nefert, doelende op den dichter, »al schrijft

mijne moeder ook, dat men niet zeker weet waar hij gebleven is. Wanneer

hij ontkomen is, dan tracht hij ongetwijfeld het leger van den koning

te bereiken, wanneer wij daar eens zijn, dan vindt ge hem zeker bij uw

vader.”

De prinses staarde met een droef gelaat op den grond. Doch Nefert zag

haar vriendelijk aan en vroeg: »Denkt gij misschien aan het onderscheid

van stand, dat u scheidt van den uitverkorene uws harten?”

»Wien ik mijne hand schenk,” antwoordde Bent-Anat met vastheid, »dien

maak ik tot een vorst. Doch al kon ik Pentaoer ook verheffen tot

heerscher over de geheele wereld, zoo zou hij toch altijd meer zijn en

beter dan ik.”

»Maar uw vader?” vroeg Nefert bescheiden.

»Hij is mijn vriend; hij hoort en verstaat mij. Als ik bij hem ben, zal

hij alles vernemen. Ik ken zijn vaderlijk en koninklijk hart.”

Beiden zwegen een geruimen tijd. Eindelijk zeide Bent-Anat: »Ik verzoek

u licht te laten brengen, want ik wil mijn weefsel afmaken.”

De vrouw van Mena stond op. Buiten de deur van de tent kwam zij Warda

tegen, die dadelijk haar hand greep en haar zwijgend met zich mede trok.

»Wat hebt gij, meisje? Gij beeft,” zeide Nefert.

»Mijn vader is hier,” antwoordde Warda gejaagd. »Hij bewaakt gevangenen

uit de mafkat-groeven. Onder hen zijn twee aan elkander vastgeketende

mannen. Een van dezen ― gij moet niet schrikken ― een van dezen is de

dichter Pentaoer. ― Blijf! om den wil der goden, blijf, en hoor mij

verder! Ik heb mijn vader reeds tweemaal gezien en met hem gesproken,

toen hij met andere dwangarbeiders hierlangs kwam. Pentaoer moet heden

bevrijd worden, maar Bent-Anat mag nog van niets weten; want wanneer

mijn plan mislukt....”

»Kind! Meisje!” viel Nefert haar met levendigheid in de rede. »Hoe kan

ik u helpen?”

»Beveel den hofmeester, dat hij aan den drijver der gevangenen, uit naam

der prinses, een vollen lederen zak wijn moet brengen. Neem dan uit

Bent-Anat’s reis-apotheek[306] het fleschje, dat den drank tegen de

slapeloosheid bevat, waarvan zij ondanks uw herhaald verzoek nooit iets

wil nemen. Ik wacht hier buiten en zal er gebruik van weten te maken.”

[306] Zulk eene reis-apotheek, en wel eene die uit veel ouder

tijd afkomstig is dan de eeuw van Ramses, wordt in het museum te

Berlijn bewaard.

Nefert vond den hofmeester dadelijk en beval hem Warda met een zak

wijn te volgen. Daarna keerde zij tot de prinses terug en opende de

reis-apotheek.

»Wat zoekt gij?” vroeg Bent-Anat.

»Een middel tegen hartkloppingen,” antwoordde Nefert. Zij stak heimelijk

het verlangde fleschje hij zich, dat eenige oogenblikken later in

Warda’s handen was overgegaan. Het meisje verzocht den hofmeester den

zak te willen openen, en haar den wijn te laten proeven. Terwijl zij

scheen te drinken, goot zij den slaapdrank in het druivensap, en liet

vervolgens het geschenk van Bent-Anat aan de dorstige drijvers brengen.

Toen dit bezorgd was, ging Warda naar de keukentent, waarvoor zij een

jongen Amalekiet op den grond vond zitten, te midden van de dienaars der

prinses. Hij sprong op, zoodra hij het meisje gewaar werd, en zeide:

»Heden breng ik vier schoone patrijzen[307], die ik zelf heb geschoten,

en voor u dezen fraaien turkoois, dien mijn broeder bij eene rots heeft

gevonden[308]. Deze steen brengt geluk en is goed voor de oogen. Hij

schenkt overwinning op vijanden en verdrijft booze droomen”[309].

[307] Op den top van den Sinaï der monniken, die Gebel Katherin

wordt genaamd, ontspringt een beekje, dat „ma’yan esch

schoennâr” of patrijzenbron heet, en waarvan allerlei sagen in

omloop zijn. God zou het bijv. voor de patrijzen hebben doen

ontspringen, die de engelen waren gevolgd, toen deze het lichaam

van de heilige Katharina van Alexandrië naar den Sinaï brachten.

[308] De Serbal-turkooizen zijn schooner en houden beter kleur,

dan die van Wadi Maghara.

[309] Deze eigenschappen worden heden door de Arabieren aan de

turkooizen toegeschreven.

»Ik dank u,” zeide Warda en vatte, terwijl zij den hemelsblauwen steen

aannam, den jongeling bij de hand en trok hem met zich in het donker.

»Hoor eens, Salich!” sprak zij zacht, zoodra zij zich ver genoeg van de

anderen meende verwijderd te hebben. »Gij zijt een brave jongen, en

de dienstmaagden hebben mij verteld, dat ge mij eene ster[310] hebt

genoemd, die van den hemel op aarde was gevallen om eene vrouw te

worden. Dat zegt men alleen van iemand, die men gaarne mag lijden.

Dat ge mij genegen zijt en aan mij denkt, toont gij dagelijks, door

de bloemen die ge mij brengt, als gij het wild, dat uw vader heeft

geschoten, aan den hofmeester aflevert. Zeg mij nu eens: wilt ge mij en

tevens de prinses een grooten dienst bewijzen? Ja? En gaarne?” ― »Ja!

O, dat wist ik wel. Nu hoor dan. Een vriend van de verhevene vrouw

Bent-Anat, die heden nacht hierheen zal komen, moet éen dag, misschien

wel gedurende meerdere dagen, voor zijne vervolgers verborgen worden

gehouden. Zou hij, of zouden zij, want het zijn er misschien twee, in

het huis van uw vader, dat hoog boven aan den heiligen berg moet liggen,

een onderkomen en bescherming kunnen vinden?”

[310] De bewoners van het schiereiland van den Sinaï waren in

den oudsten tijd Cabiërs, d.i. zij vereerden de hemellichten.

Dit verkondigen ons de door Beer ontcijferde Nabatheïsche

opschriften, waarvan de oudste schrijvers zich „dienaars,”

„vereerders” of „priesters” noemen van de „zon,” de „maan,”

„Baäl,” enz. De zonnegod heette bij hen Doesaris. De oudste van

deze opschriften behooren eerst tot de tweede eeuw v. Chr.

»Wien ik mijn vader breng,” zeide de jongeling, »is hem welkom, en

wij verdedigen eerst onze gasten en dan ons zelven. ― Waar zijn die

vreemdelingen?”

»Zij zullen binnen weinige uren komen. Wilt gij hier wachten tot de maan

hoog aan den hemel staat?”

»Totdat de laatste van al de duizende manen, die achter de bergen

verdwijnen, ondergaat.”

»Goed dan. Wacht aan gene zijde van de beek, en breng hen naar uw huis,

die u driemaal mijn naam noemen. Gij weet toch hoe ik heet?”

»Ik noem u de zilverster, maar zij noemen u met den naam Warda.”

»Juist! Gij brengt de vreemdelingen naar uwe hut, en wanneer zij daar

door uw vader zijn opgenomen, komt gij terug om het mij mede te deelen.

Ik houd hier aan de deur van de tent de wacht. Het spijt mij dat ik arm

ben en het u niet vergelden kan, maar de prinses zal uw vader vorstelijk

weten te beloonen. Wees waakzaam, Salich.”

Het meisje verdween en begaf zich naar de drijvers der gevangenen,

wenschte hen even een genotvollen avond en ijlde daarna naar Bent-Anat

terug, die haar met bezorgdheid over de volle lokken streek, en vroeg

waarom zij toch zoo bleek zag. »Ga wat liggen,” zeide de prinses

vriendelijk. »Gij hebt de koorts. Zie maar, Nefert, men kan de beweging

van het bloed zien in de blauwe aderen op haar voorhoofd!”

Intusschen waren de drijvers aan het drinken. Zij prezen den

koninklijken wijn en dezen gelukkigen dag. Toen Warda’s vader voorsloeg

ook de gevangenen een slokje te laten proeven, riep een zijner gezellen:

»Komaan dan, het arme vee mag zich ook wel eens vroolijk maken.”

De roodbaard vulde een grooten beker en reikte dezen het eerst aan een

falsaris, die met den man die hem had aangegeven was saamgeklonken.

Daarop naderde hij Pentaoer en fluisterde hem in het oor: »Drink niet,

maar blijf wakker!” Toen hij ook naar den arts wilde gaan om dezen te

waarschuwen, kwam een zijner gezellen hem voor en riep, terwijl hij

Nebsecht den beker toestak: »Daar roerdomp, drink ook eens! ― Kijk eens

hoe hij slurpt! Thans kan zich zijn stotterend mondwerk vlug genoeg

bewegen.”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 43 / 58 题