DERDE HOOFDSTUK.

Een uur later reed Ani, uit het graf zijner vaderen komende, rijk

gekleed, op zijn schitterender wagen, het hol van de tooveres en de hut

van Warda’s vader voorbij. Nemoe zat neergehurkt op de trede, de gewone

zitplaats der dwergen. De kleine sloeg een blik op de herstelde hut en

knarsetandde, toen hij bij Warda een man zag zitten, wiens wit gewaad

door de openingen van de heining schemerde.

De bezoeker van het schoone kind was niemand anders dan prins Rameri,

die in het wit gewaad van een jong schrijver van het schathuis, reeds

vroeg in den morgen den Nijl was overgevaren, ten einde berichten in te

winnen omtrent Pentaoer, en Warda eene roos in het haar te steken. Dit

laatste voornemen was zeker wel het gewichtigste, het eerste moest ten

minste daarbij achterstaan, wat aangaat de volgorde van tijd. Hij vond

het dan ook noodig deze zijne handelwijze voor zichzelven op allerlei

deugdelijke gronden te verontschuldigen. Vooreerst liep de roos, die

goed geborgen was in de plooien van zijn gewaad gevaar te verwelken,

wanneer hij allereerst bij het Seti-huis op zijne makkers bleef wachten.

Vervolgens had zich bij het Seti-huis iets kunnen voordoen, dat hem zou

hebben gedwongen haastig naar Thebe terug te keeren. Ten laatste was het

ook niet onmogelijk, dat Bent-Anat hem den ceremoniemeester achterna

zond, en in dat geval zou elke vertraging zijn voornemen geheel kunnen

verijdelen.

Geen wonder dus dat zijn hart hevig klopte, toen hij zich spoedde

naar de hut, niet alleen ter wille van het meisje, maar ook omdat hij

zichzelven bekennen moest niet goed te handelen. De plaats die hij

betreden zou was onrein, en tegenover Warda had hij voor het eerst

gelogen. Hij had zich uitgegeven voor een edelknaap uit het gevolg van

Bent-Anat, en daar de eene onwaarheid de andere meestal na zich sleept,

had hij op hare vragen naar zijne ouders en zijn leven allerlei

logenachtige antwoorden moeten verzinnen. Was dan het booze aan die

onreine plaats machtiger over hem, dan in het Seti-huis en in het

paleis zijns vaders? Zoo scheen het wel te zijn, want de booze Seth

veroorzaakte alle beroering in de natuur en in elke menschelijke ziel,

en ― hoe stormde het in zijn borst! En toch, hij wilde Warda enkel goed

doen. Zij was zoo schoon, zoo vriendelijk! Zij zag er uit als ware zij

het kind van eene godheid! Voorzeker, dat blanke meisje was geroofd en

behoorde niet te huis onder de onreinen.

Toen de prins den tuin van de hut intrad, was Warda niet te zien. Doch

weldra vernam hij hare stem van binnen door de geopende deur. Zoodra zij

hoorde dat de hond vijandig tegen Rameri begon te blaffen, liep zij naar

buiten.

Op het gezicht van den prins verschrikte zij, en zeide: »Zijt gij

daar nu weder? Maar ik heb u immers gewaarschuwd? Mijne grootmoeder

daarbinnen is de vrouw van een Paraschiet.”

»Haar breng ik ook geen bezoek,” antwoordde de prins, »maar u alleen.

En gij behoort niet tot deze onreinen, heb ik zoo juist tot mijzelven

gezegd. In de woestijn groeien geen rozen.”

»En toch,” hernam Warda met zekerheid, »ben ik het kind van mijn vader,

en de kleindochter van mijn armen verslagen grootvader. Wis-en-zeker

behoor ik bij hen, en ben ik voor iemand daarom te gering, dan blijve

hij verre van mij.”

Dit zeggende maakte zij zich gereed om de hut weder binnen te gaan. Doch

Rameri greep hare hand, hield haar terug en zeide: »Wat zijt gij boos!

Heb ik dan niet getracht u te redden, en ben ik niet tot u gekomen, eer

de gedachte in mij opkwam, dat gij zoudt kunnen.... nu ja, dat gij toch

zoo geheel ongelijk waart aan hen, die gij uwe bloedverwanten noemt? Gij

moet mij niet verkeerd verstaan; het was mij alleen eene schrikkelijke

gedachte, dat gij, zoo blank als eene lelie en zoo schoon, mede zoudt

lijden onder dien vreeselijken vloek. Iedereen, zelfs mijne meesteres

Bent-Anat, wordt door u aangetrokken, en zoo kwam het mij onmogelijk

voor, dat....”

»Dat ik tot de onreinen zou behooren. Spreek het maar uit!” zeide Warda

zacht, terwijl zij hare oogen nedersloeg. Daarop vervolgde zij op

levendiger toon: »Maar die vloek is onrechtvaardig, zeg ik u, want er is

nooit beter mensch geweest, dan mijn arme grootvader was.” En bij deze

woorden rolden de tranen haar langs de wangen.

»Ik wil het gaarne gelooven,” sprak Rameri, »en het moet zeer moeielijk

vallen goed te blijven, als de menschen u verachten en schelden. Wat

mij betreft, ik laat mij door verwijten tot niets dwingen, maar door lof

kan men alles goeds van mij gedaan krijgen. Doch ik moet bekennen, dat

de menschen wel genoodzaakt zijn, mij en de mijnen met achting te

bejegenen.”

»En ons met minachting,” viel Warda hem in de rede. »Doch ik wil u eens

wat zeggen. Als men weet dat men goed is, dan is het ons onverschillig,

of wij door anderen veracht worden of geëerd. Ja, wij mogen trotscher

zijn dan gijlieden, want gij, groote heeren, moet dikwijls voor u zelven

bekennen, dat gij minder waard zijt dan de menschen u schatten, maar wij

weten dat wij meer gelden.”

»Juist, zóo heb ik mij u voorgesteld!” riep Rameri eensklaps uit. »En

daar is toch éen, die uwe waarde erkent, en dat ben ik! Zou ik anders

wel gedurig en altijd weder aan u denken?”

»Maar ik heb ook aan u gedacht,” zeide Warda. »Zooeven, toen ik bij

mijne zieke grootmoeder zat, kwam het voor ’t eerst in mijne ziel op,

hoe heerlijk het zou zijn, wanneer ik eens een broeder had die op u

geleek. Weet gij wel wat ik doen zou, als gij mijn broeder waart?”

»Welnu?”

»Ik zou een wagen voor u koopen en paarden, en dan zoudt gij met ’s

konings dapperen moeten uittrekken.”

»Zijt gij dan zoo rijk?” vroeg Rameri lachend.

»O ja,” antwoordde Warda. »Hoewel eerst sedert een uur. Kunt gij lezen?”

»Ja.”

»Denk eens, toen ik ziek was, zonden zij mij een arts uit het Seti-huis.

Hij was zeer bekwaam, maar een wonderlijk man. Hij zag mij dikwijls zoo

vreemd met zijne oogen aan, alsof hij dronken was, en als hij sprak

stotterde hij.”

»Heet hij Nebsecht?” vroeg de prins.

»Ja, Nebsecht. Hij had ook iets zonderlings voor met grootvader, en bij

dien schrikkelijken aanval op ons, sprong hij, nadat Pentaoer en gij ons

hadt gered, mede voor ons in de bres. Sedert is hij niet weder gekomen;

ik werd dan ook veel beter. Doch heden, zoowat een paar uren geleden,

blafte de hond, en een vreemde bejaarde man trad mij te gemoet. Hij gaf

voor Nebsecht’s broeder te zijn, en zeide dat hij veel geld voor mij

bewaarde. Hij schonk mij ook een ring en voegde daarbij, dat hij aan

ieder, die dezen aan hem van mijnentwege terug kwam brengen, het geld

zou uitbetalen. Vervolgens las hij mij dezen brief voor.”

Rameri nam den brief van haar aan, en las:

»Nebsecht aan de schoone Warda!

»Nebsecht groet Warda en deelt haar mede, dat hij haren Osiris geworden

grootvader Pinem, wiens lijk de Kolchyten balsemen, alsof hij een der

aanzienlijksten was geweest, een som van duizend gouden ringen schuldig

is. Hij heeft zijn broeder Teta opgedragen, deze som ten allen tijde

voor haar gereed te houden. Zij kan zich geheel aan Teta toevertrouwen,

want hij is rechtschapen. Het staat haar vrij hem om geld te vragen, zoo

vaak zij het noodig heeft. Het zou ’t beste zijn, wanneer zij aan mijn

broeder overliet het geld voor haar te beheeren, en voor haar een

huis met een stuk bouwland te koopen. Dan moet zij dat huis met hare

grootmoeder betrekken, om er zonder zorgen in te wonen. Hij wenscht dat

zij nog éen jaar zal wachten, vóor zij een man volgt, die haar tot vrouw

begeert. Nebsecht heeft Warda hartelijk lief. Is hij na verloop van

dertien maanden niet bij haar geweest, zoo mag zij zich tot echtgenoot

kiezen wien zij wil, maar niet voordat zij den tolk des konings het

kleinood heeft getoond, dat hare moeder haar naliet.”

»Vreemd!” zeide Rameri. »Wie had gedacht dat die wonderlijke arts, die

altijd vuile kleederen droeg, zoo edelmoedig kon zijn! Maar wat voor

kleinood bezit gij?”

Warda maakte haar kleedje open, en toonde den prins het schitterend

juweel.

»Dat zijn diamanten! Inderdaad, dat is zeer kostbaar!” riep de prins.

»Daar in het midden, in dat half ovaal van onyx, staan scherp gesneden

schriftteekens. Ik kan ze niet lezen, maar ik wil ze den tolk laten

zien! ― Heeft uwe moeder dat kleinood gedragen?”

»Vader vond het bij haar, toen zij stierf,” antwoordde Warda. »Zij kwam

als krijgsgevangene naar Egypte, en was zoo blank als ik, maar stom,

zoodat zij den naam van haar vaderland niet noemen kon.”

»Dan behoorde zij zeker tot eene aanzienlijke familie in het buitenland,

en de moeder bepaalt de afkomst der kinderen,” hernam Rameri levendig.

»Gij zijt een prinsesje, Warda! O, ik kan u niet zeggen, hoeveel

genoegen mij dit doet en hoe lief ik u heb!”

Het meisje glimlachte en zeide: »Dan behoeft gij nu ook niet meer te

vreezen het onreine meisje aan te raken.”

»Gij zijt hard!” gaf de prins haar ten antwoord. »Wil ik u eens zeggen,

wat ik gisteren voornam, wat mij heden nacht belette te slapen, en

waarom ik eigenlijk hier kwam?”

»Nu?”

Rameri haalde de schoone witte roos uit zijn kleed te voorschijn, en

zeide: »Het is misschien kinderachtig, maar ik dacht hoe het wel staan

zou, als ik deze bloem eens met mijne eigene vingers in uw glanzend haar

kon steken. Mag ik?”

»Die roos is kostelijk. Zoo schoon heb ik er nog nooit eene gezien!”

»Zij is dan voor mijn trotsch prinsesje. Kom, laat mij u nu eens

opsieren. Als de zijde van Tyrus, als de borst van een zwaan, als de

stralen der gouden sterren, zoo zacht zijn uwe glanzende haren! ― Daar

steekt zij vast! ― Neen, laat de roos nu zoo zitten. Als de zeven

Hathors u zien, moeten zij u wel benijden, want gij zijt schooner dan

zij allen te zamen.”

»Foei, gij vleier!” zeide Warda, een weinig beschaamd en blozend. Toch

zag zij Rameri in de heldere oogen.

»Ach, Warda!” riep de prins, terwijl hij de hand op zijn hart legde, »nu

heb ik nog een enkele wensch. Voel maar hoe het hier bonst en klopt. Ik

geloof, dat dit niet eer tot rust zal komen, voor ge mij.... nu ja,

Warda ― voor ge mij veroorlooft u een kus, maar een enkelen, te geven.”

Het meisje ging achteruit en zeide ernstig: »Neen! Nu zie ik waar gij

heen wilt. De oude Hekt kent de menschen en heeft mij gewaarschuwd.”

»Wie is Hekt, en wat kan zij dan van mij weten?”

»Zij heeft mij gezegd, dat er een tijd zal komen, waarop een man mij

zal naderen. Zijn oog zal het mijne zoeken, en wanneer ik zijn blik zal

beantwoorden, dan zal hij naar mijne lippen verlangen. Dan moest ik,

zeide zij, weigeren, want wanneer ik mij zijn kus liet welgevallen, dan

zou hij naar mijne ziel grijpen en haar rooven. Ik zou zielloos moeten

ronddwalen, als de rustelooze geesten, die de diepte opwerpt en de

stormwind wegdrijft, die de zee uitspuwt en de hemel niet hebben wil. Ga

daarom van mij weg, want ik zou u een kus niet kunnen weigeren, en wil

toch niet rusteloos zonder ziel omdwalen!”

»Is die oude goed, die u dat geleerd heeft?” vroeg de prins.

Warda schudde ontkennend het hoofd.

»Dat kan zij ook niet zijn!” hernam Rameri, »want zij heeft onwaarheid

gesproken. Ik wil uwe ziel niet wegnemen, integendeel: ik wil u de mijne

bij de uwe geven, en gij zult mij de uwe geven bij de mijne, en zoo

zullen wij beide niet armer maar rijker worden!”

»Hoe gaarne zou ik dat willen gelooven,” zeide Warda nadenkend. »Iets

dergelijks heb ikzelve ook reeds gedacht. Toen ik nog gezond was, moest

ik dikwijls ’s avonds laat naar den Nijl om water te scheppen bij de

landingsplaats, waar het groote scheprad staat. Duizende druppels vielen

er neder van den aarden emmer, en in elken spiegelde zich eene maan, en

toch stond er maar éene aan den hemel. Dan dacht ik zoo bij mij zelve:

Zoo zal het ook zijn met de liefde in het hart. Men heeft toch maar éene

liefde, en wij storten haar toch over in verschillende harten, zonder

dat zij vermindert in kracht of matter wordt van glans. Ik dacht aan

mijne grootouders, aan vader, aan den kleinen Scheraoe, aan den goden

en aan Pentaoer. Nu kan ik ook u wel een deel ervan geven?”

»Maar een deel?” vroeg Rameri.

»Neen,” zeide Warda, »zij zal zich geheel in u afspiegelen, zooals de

geheele maan zich vertoonde in elken druppel..”

»Dat zal zij,” riep de koningszoon, sloeg zijn arm om het slanke middel

van het bevende meisje, en de beide jeugdige menschenzielen, verbonden

zich aan elkander door een eersten kus.

»Ga nu ook heen!” smeekte Warda.

»Laat mij nog een oogenblik blijven!” vroeg de prins. »Zet u naast

mij op de bank voor de hut. De heining verbergt ons voor het oog der

wandelaars. Bovendien, het dal is nu eenzaam en verlaten.”

»Wat wij doen is niet goed,” zeide Warda nadenkend, »anders zouden wij

niet noodig hebben ons te verbergen.”

»Houdt gij dan voor kwaad, wat de priester in het allerheiligste

verricht?” vroeg Rameri. »En toch wordt dit onttrokken aan aller oogen.”

»Wat zijt gij bedreven in de kunst van te overreden!” zeide Warda

lachend. »Ik begrijp het: gij kunt schrijven, en gij zijt zijn leerling

geweest.”

»Zijn! zijn!” riep Rameri. »Gij bedoelt zeker Pentaoer. Van al mijne

leermeesters heb ik hem altijd het meest liefgehad, maar het hindert mij

toch als gij zoo over hem spreekt, als lag hij u nader aan het hart dan

ik en die anderen. De dichter, zeidet gij, was een der druppels, waarin

het maanlicht uwer liefde zich afspiegelde, en ik wil niet met velen

deelen!”

»Hoe kunt gij zoo spreken!” viel Warda hem in de rede. »Eert gij dan uw

vader niet en de goden? Zooals ik u liefheb, bemin ik geen ander, en

wat ik zooeven gevoelde, toen gij mij hebt gekust, dat was ook niet als

het maanlicht, maar brandend als de zon op dit middaguur. Zoo vaak ik

aan u dacht, was mijne rust geweken. Ik wil het u wel bekennen, wel

twintigmaal zag ik te voren naar buiten, in stilte vragende: ‚Zou mijn

redder, die lieve en vriendelijke krullebol ook komen, of zou hij mij,

arm meisje, versmaden?’ Gij zijt gekomen, en ik ben zoo gelukkig! Ik zou

met u van ganscher harte kunnen jubelen! Kom, wees weer vriendelijk,

anders trek ik u bij de lokken!”

»Ga je gang maar!” hernam Rameri. »Gij kunt met uw kleine hand geen zeer

doen, maar ― wel met woorden. Pentaoer is zeker wijzer en beter dan ik.

Gij zijt ook veel aan hem verschuldigd en ik mocht wel....”

»Ga niet verder!” viel Warda hem in de rede. Op ernstigen toon ging zij

voort: »Er zijn geen twee menschen geheel aan elkander gelijk. Als hij

mij wilde kussen, dan zou ik als stof ineen vallen, gelijk door de zon

geblakerde asch, die men met den vinger aanraakt. Ik zou zijn lippen

kunnen vreezen als die van een leeuw. Al drijft gij er misschien den

spot mede, zoo geloof ik toch altijd, dat hij een van de hemelsche goden

is. Zijn eigen vader heeft mij gezegd, dat er reeds op den dag zijner

geboorte een groot wonder met hem heeft plaats gehad. De oude Hekt heeft

mij dikwijls naar den hovenier gezonden met den last naar zijn zoon

te vragen. De man is wat ruw, maar goed. In den beginne was hij niet

vriendelijk, maar toen hij zag hoeveel schik ik had in zijne bloemen,

kreeg hij mij lief en gaf mij wat te doen. Want hij liet mij kransen

vlechten en ruikers maken, en dan naar zijne klanten brengen.

»Als wij zoo bij elkander zaten en het eene bloempje naast het andere

legden, vertelde hij altijd van zijn zoon, en van zijne schoonheid,

wijsheid en goedheid. Toen hij nog een kleine jongen was, kon hij reeds

dichten. Hij heeft leeren lezen, zonder dat iemand hem daarin onderwezen

had. De opperpriester Ameni kwam dit te weten, en daarom nam hij hem

in het Seti-huis op. Daar ontwikkelde hij zich zoo buitengewoon, dat

de hovenier ervan verbaasd stond. Nog kort geleden wandelde ik met den

ouden man langs de bloembedden. Hij sprak over Pentaoer als altijd, en

bleef staan voor een heerlijken heester met breede bladeren, zeggende:

‚Mijn zoon is gelijk aan deze plant, die bij mij opgroeide, ik weet zelf

niet hoe. Het zaad ervan heb ik tegelijk met andere zaadkorrels, die ik

in Thebe had gekocht, in den grond gelegd. En nu kan niemand zeggen, van

waar die struik afkomstig is, en toch is hij mijn eigendom. Uit Egypte

is hij zeker niet afkomstig. En overtreft Pentaoer niet mij en zijne

moeder, en zijne broeders en zusters, gelijk deze struik de andere

bloemen? Wij zijn allen grof en klein, en hij is slank; onze huidkleur

is donker en de zijne is roodachtig; ruw is onze spraak en zijne stem

klinkt als gezang. Ik blijf er bij, hij is het kind eener godheid, dat

de hemelsche goden in mijn nederig huis hebben neergelegd. Wie begrijpt

hunne raadsbesluiten?’

»Menigmaal heb ik Pentaoer bij de feesten gezien, en dan zeide ik tot

mij zelve: Welke andere priester uit het Seti-huis kan in houding en

gestalte met hem vergeleken worden? Ik hield hem voor een god, en nu ik

gezien heb, toen hij mijn leven redde, hoe hij door bovenmenschelijke

kracht gansche scharen van aanvallers weerstond, zou ik hem niet als een

hooger wezen, beschouwen? Ik zie tot hem op als tot zulk een goddelijk

wezen maar ik zou hem nooit in de oogen kunnen zien als u. Deed ik het,

dan zou mij het bloed in de aderen stollen, in plaats van sneller te

vloeien. Hoe zal ik het uitdrukken? U vindt mijne ziel, wanneer ik

vooruit zie, maar om hem te vinden, moet zij den blik naar boven

richten. Gij zijt voor mij een frissche rozenkrans, waarmede ik mij

tooi, en hij is een heilige Persaboom[281], waarvoor ik mij nederbuig!”

[281] De Persea is een der heilige boomen, en meer bepaald aan

Hathor gewijd. Op de hartvormige vruchten, zooals de Persea op

de gedenkteekenen is afgebeeld, schreven de goden de namen van

den door hen begunstigden koning. In de benedenwereld wordt

Hathor voorgesteld als in de Persea gezeten, en daaruit den

overledene met spijs en drank lavende, op dezelfde wijze

waarop dit door Noe in den aan haar gewijden vijgenboom (ficus

sycomorus) geschiedt. De Persea, in het oud-Egyptisch

„schaoeaboe, schoeab” geheeten, is de balanites aegyptiaca.

Rameri had zwijgend naar haar geluisterd en zeide nu: »Ik ben nog jong,

en heb nog geen gelegenheid gehad te toonen wie ik ben. Doch er zal een

tijd komen, waarin gij ook tot mij zult opzien als tot een boom, wel

niet als tot een heiligen, maar als tot een sykomore, onder welks

schaduw wij het liefst rusten. Ik ben niet vroolijk meer en wil u

verlaten, want ik heb een heiligen plicht te vervullen. Pentaoer is

in allen deele een man, en dat wil ik ook worden. Gij zult echter de

rozenkrans zijn, die mij siert. Mannen, die men met bloemen vergelijkt,

staan mij tegen.”

De prins stond op en reikte Warda zijne rechterhand.

»Gij hebt eene sterke hand,” zeide het meisje. »Gij zult zeker een

voortreffelijk man worden, en deze hand gebruiken tot iets goeds en iets

groots. Zie maar, mijne vingers zijn rood geworden van uw handdruk. Al

zijn zij teeder, zij zijn toch niet geheel onnut. Het is zoo, zij hebben

nooit zware dingen gehanteerd, maar wat zij aanraken en verzorgen, zeide

grootvader dikwijls, dat gedijt, en hij noemde ze daarom ‚gelukkig.’

Zie maar eens die schoone leliën en dien granaatstruik dáar in den

hoek. Grootvader heeft voor mij aarde van den Nijl hierheen gedragen.

Pentaoer’s vader heeft mij de zaden geschonken en elk plantje, dat

waagde boven den grond als een groen scheutje zich te vertoonen, heb ik

zoo lang gekoesterd, verpleegd en met moeite begoten ― want ik moest er

in mijn kruikje het water voor gaan halen ― tot het levenskracht bezat

om voor zichzelve te zorgen en mij met bloemen kon danken. Neem deze

granaat. Zij is de eerste, die aan mijn struik bloeide, en heeft

eene bijzondere beteekenis. Want toen de stevige knop in de lengte

uitgroeide, zich begon te ronden en van dag tot dag zich rooder kleurde,

toen heeft grootmoeder gezegd: Nu zal uw hartje ook weldra kloppen en

beginnen lief te hebben. Thans begrijp ik ook wat zij bedoelde. U komen

dan ook de beide eerste bloemen toe, die roode van dezen struik hier,

en die andere, die men wel niet ziet, maar die nog oneindig vuriger

schittert.”

Rameri drukte den granaatbloesem aan zijne lippen, en strekte zijne hand

naar Warda uit, maar zij week terug, want er sloop onverwacht iemand

door de opening van de heining.

Het was niemand anders dan de kleine Scheraoe, die de oude Hekt tot

dwerg opvoedde. Zijn aardig gezichtje gloeide, en hij haalde snel adem,

omdat hij zoo hard geloopen had. Een tijdlang deed hij te vergeefs zijn

best om woorden uit te brengen, terwijl hij angstig tot den prins opzag.

Warda zag het den kleine wel aan, dat hij iets bijzonders op het hart

had. Zij sprak hem vriendelijk toe, en zeide, toen hij verlangde haar

te spreken, dat Rameri haar beste vriend was, waarvoor hij niet bang

behoefde te zijn.

»Maar het betreft niet u of mij,” antwoordde het knaapje, »maar den

goeden heiligen vader Pentaoer, die zoo vriendelijk voor mij was, en die

u het leven heeft gered.”

»Ik ben Pentaoer zeer genegen,” zeide de prins. »Niet waar, Warda? Hij

mag gerust in mijne tegenwoordigheid over hem spreken.”

»Mag ik?” vroeg Scheraoe. »Dan is het goed. Ik ben stillekens

weggeslopen. Hekt kan ieder oogenblik terugkomen, en wanneer zij

bemerkt, dat ik van huis ben gegaan, dan krijg ik zeker slagen en geen

eten.”

»Wie is dan toch die schandelijke Hekt?” vroeg de prins met eenige

ongerustheid.

»Dat mag Warda u later vertellen,” zeide de kleine hijgend. »Hoort nu

naar mij. Zij had mij op mijn plank in de hut gelegd, en mij met een zak

verborgen. Eerst kwam Nemoe en toen een ander man, dien zij hofmeester

noemde. Met dezen heeft zij veel gesproken. In den beginne luisterde ik

niet, maar toen ik den naam van Pentaoer verstond, maakte ik mijn hoofd

vrij en hoorde alles. De hofmeester zeide, dat Pentaoer een slecht man

was, en dat hij hem in den weg stond. Hij vertelde dat de opperpriester

Ameni hem naar de steengroeven van Chennoe wilde zenden, maar dat die

straf veel te gering was. Toen heeft Hekt hem aangeraden, dat hij den

scheepsgezagvoerder heimelijk zou bevelen, hem voorbij Chennoe en naar

Ethiopië te brengen, naar die vreeselijke mijnwerken, waarvan zij mij

dikwijls verteld heeft. Want haar vader en haar broeder zijn daar zoo

lang gemarteld tot zij dood waren.”

»Van allen die daarheen gingen is nooit iemand wedergekeerd,” riep de

prins. »Maar vertel verder!”

»Ja, wat er nu kwam, dat kon ik maar half verstaan. Maar zij sprak van

een drank, die waanzinnig maakt. O, wat heb ik al niet moeten zien en

hooren! Ik zou liever levenslang op mijn plank willen liggen, maar dit

alles is toch te afgrijselijk. Ik wou dat ik dood was!”

De kleine begon bitter te weenen. Warda, die onder zijn verhaal al

bleeker en bleeker was geworden, streelde hem liefderijk.

»Dat is vreeselijk en ongehoord,” riep Rameri echter. »Wie was dan toch

die hofmeester? Hebt gij zijn naam niet verstaan? Kom wat tot u zelven,

beste jongen, en houd op met weenen. Het is hier om eens menschen leven

te doen. Wie was die schurk? Noemde hij zich niet? Bedenk u eens wel!”

Scheraoe beet zich op de roode lippen, en deed al zijn best om tot

bedaren te komen. Zijne tranen hielden op te vloeien en plotseling riep

hij, terwijl hij in de borstopening van zijn versleten kleedje greep:

»Wacht even, misschien zult gij hem wel herkennen. Ik heb hem

nagemaakt.”

»Wat hebt gij?” vroeg de prins.

»Wel, ik heb hem nagemaakt,” vervolgde Scheraoe, en haalde voorzichtig

eene in een lapje gewikkelde massa te voorschijn. »Ik kon zijn hoofd

juist zeer scherp van terzijde zien, terwijl hij sprak, en mijne klei

lag naast mij. Ik moet altijd boetseeren, als mijn hart zoo klopt, en

ditmaal maakte ik haastig zijn gezicht na. Daar het portret niet slecht

gelukt was, stak ik het bij mij, om het als Hekt de hielen zou lichten,

aan mijn meester te toonen”[282]!

[282] De portretten op de gedenkteekenen, en vooral de koppen

in profiel, die in bas-relief zijn uitgebeiteld, zijn bijzonder

scherp en karakteristiek gemodelleerd. In de onvoltooide zaal

van het graf van Seti I te Biban el Moeloek worden teekeningen

in omtrek gevonden, die nog heden ten dage de bewondering van

onze kunstenaars wekken. In Lepsius’ =Denkmäler aus Aegypten und

Aethiopien=, is eene schoone verzameling van karakteristieke

portretten der pharao’s opgenomen.

De kleine had, terwijl hij deze woorden sprak, met bevende vingers de

lappen van het model afgenomen, dat hij thans aan Warda overhandigde.

»Ani!” riep de prins. »Hij is ’t en geen ander! Wie had het kunnen

denken! Wat wil hij van Pentaoer? Wat heeft de priester hem in den weg

gelegd?”

Een oogenblik stond hij na te denken; toen sloeg hij zich met de hand

voor het voorhoofd en riep in heftige beweging: »Ik gek! Kind, dat ik

ben! ― Ja, zoo is ’t, zoo is ’t! Ik weet alles! Ani heeft aanzoek

gedaan om de hand van Bent-Anat, en zij.... Ja, nu eerst, sedert ik

u liefheb, Warda, begrijp ik wat er in haar omgaat. ― Weg met alle

bedrog! Ik wil niet langer liegen. Ik hen geen edelknaap van Bent-Anat;

ik ben haar broeder, koning Ramses’ eigen zoon. ― Bedek uw aangezicht

niet met uwe handen, Warda, want al had ik ook niet het kleinood uwer

moeder gezien, al ware ik geen prins, maar Horus zelf, de zoon van Isis

in eigen persoon, dan zou ik u toch moeten liefhebben en niet loslaten.

Maar thans heb ik wat anders te doen dan met u te keuvelen. Thans zal ik

u toonen dat ik een man ben. Thans is de vraag Pentaoer te redden.

Vaarwel, Warda, blijf aan mij denken!”

Hij wilde zich haastig verwijderen, doch Scheraoe hield hem bij zijn

kleed vast en sprak schuchter: »Gij zegt dat gij een zoon van Ramses

zijt. Nu, ook over dezen heeft de oude Hekt met hem gesproken. Zij

vergeleek hem bij onzen ruienden sperwer.”

»Weldra zal hij de klauwen van den koningsadelaar gevoelen,” riep de

prins. »Nog eenmaal, vaarwel!”

Hij reikte Warda de hand, en zij drukte hare brandende lippen erop. Doch

hij trok de hand terug, kuste haar op het voorhoofd en ijlde heen.

Sprakeloos en bleek zag het meisje hem achterna. Zij merkte op hoe hij

een man voorbij vloog, en herkende in dezen haren vader. Dadelijk ging

zij hem te gemoet. De soldaat kwam om van haar afscheid te nemen, want

hij moest gevangenen wegbrengen.

»Naar Chennoe?” vroeg Warda.

»Neen, naar het noorden,” antwoordde de roodbaard.

Zijne dochter vertelde hem nu wat zij gehoord had, en vroeg of hij den

priester, die haar leven gered had, helpen kon.

»Ja, als ik geld had, als ik geld had!” prevelde Kaschta nadenkend.

»Dat hebben wij!” riep Warda. Zij vertelde hem wat Nebsecht haar

geschonken had en zeide: »Breng mij over den Nijl, en in twee uren hebt

gij wat een mensch rijk kan maken[283].... Doch neen, ik kan mijne zieke

grootmoeder toch niet alleen laten! Neem gijzelf den ring, en vergeet

niet dat zij Pentaoer straffen, omdat hij het waagde mij in zijne

bescherming te nemen.”

[283] Hier dient opgemerkt te worden, dat de vrouwen in Egypte

over haar vermogen konden beschikken. Hierover kan men bijv.

nazien den VIIden grooten papyrus in het Louvre te Parijs.

Daarin toch sluiten de dochter van een schuldenaar en de zoon

van een schuldeischer eene overeenkomst. Beiden behooren tot

denzelfden kring waarin Warda leefde, want Arsiësis is de zoon

van een Kolchyt in Thebe, en Asklepias, genaamd Senîmoethis, de

vrouw of dienstmaagd van een lijkbezorger in dezelfde stad.

»Dat zal ik wel in gedachte houden,” zeide de soldaat. »Ik heb maar éen

leven, en dat wil ik er gaarne aan wagen om het zijne te redden.

Aanslagen kan ik niet verzinnen, maar iets weet ik toch, en wanneer mij

dat gelukt, behoeft hij niet naar de goudmijnen te gaan. Ik laat mijne

wijnkruik hier; geef mij een dronk water, want in de eerstvolgende uren

heb ik een nuchter hoofd noodig.”

»Daar hebt gij het water, maar ik giet er toch een scheut wijn bij! Komt

gij weder om mij bericht te brengen?”

»Dat zal moeielijk gaan, want tegen middernacht breken wij op. Doch

wanneer iemand u den ring terugbrengt, dan is mijn voornemen gelukt.”

Warda ging in de hut, gevolgd door haar vader, die afscheid nam van

zijne zieke moeder en zijne dochter. Toen hij weer buiten kwam, zeide

hij: »Gij kunt van de geschenken der prinses leven tot ik terugkom, en

ik heb maar de helft noodig van het geschenk van den arts. ― Maar waar

zijn uwe granaatbloemen?”

»Die heb ik geplukt, en op een geliefkoosd plekje bewaard.”

»Wonderlijke wezens zijn die vrouwen toch!” prevelde de gebaarde man,

kuste voorzichtig zijn kind op het voorhoofd, en keerde naar den Nijl

terug, vanwaar hij gekomen was.

* * * * *

De prins was intusschen voortgesneld, en deed in de haven van de

Nekropolis onderzoek ― want van daar voeren gewoonlijk de schepen met

gevangenen in den nacht af ― waar het voor Chennoe bestemde vaartuig

voor anker lag. Daarna liet hij zich den Nijl overzetten, en spoedde hij

zich naar Bent-Anat. Hij vond haar en Nefert in buitengewone spanning,

want de trouwe ceremoniemeester was door vrienden des konings in Ani’s

omgeving te weten gekomen, dat de stadhouder alle naar Syrië bestemde

brieven, en daaronder ook die van Ramses’ kinderen, in Thebe had

opgehouden. Een kamerheer, die den koning geheel was toegedaan, had

daarop, door den ceremoniemeester aangemoedigd, aan Bent-Anat nog een en

ander medegedeeld, dat haar bijna niet langer kon doen twijfelen aan

Ani’s eerzuchtige plannen.

Men had de prinses ook gebeden zich voor Nefert te wachten, wier moeder

de vertrouwdste raadgeefster van den stadhouder was, doch Bent-Anat had

bij deze mededeeling gelachen. Zij had terzelfder ure een bode tot Ani

gezonden om hem mede te deelen, dat zij bereid was de bedevaart naar de

Smaragden-Hathor te ondernemen, en zich in den tempel dezer godin te

laten reinigen. Haar voornemen was vandaar boden naar haar vader te

zenden, en hem, als hij het toestond, in het legerkamp te volgen. Zij

had dit plan aan hare vriendin medegedeeld, en Nefert hield elken weg

voor de beste, die haar nader zou brengen bij haar gemaal.

Rameri werd haastig in alles ingewijd. Hij berichtte daarentegen op zijn

beurt al wat hij vernomen had, en liet Bent-Anat vermoeden, dat hij het

geheim van haar hart doorzag. Zoo waardig was zijne houding, zoo ernstig

waren de woorden, die de anders zoo overmoedige wildzang sprak, dat

Bent-Anat bij zichzelve dacht: het gevaar dat dit huis bedreigt, heeft

dezen knaap opeens tot een man doen rijpen.

Zij had dan ook niets tegen zijne beschikking in te brengen.

Hijzelf wilde, alleen vergezeld door een enkel getrouw dienaar, na

zonsondergang, met vlugge paarden naar Keft[284] rijden, en vandaar

in aller ijl door de woestijn naar de Schelfzee, ten einde daar een

Phoenicisch schip te huren en naar Alia[285] te zeilen. Vandaar wilde

hij door het rotsgebergte van het Sinaïtisch schiereiland heen met

versnelde marschen het Egyptisch leger en zijn vader trachten te

bereiken, ten einde hem in kennis te stellen met Ani’s misdadige

plannen.

[284] Koptos, het tegenwoordige Qeft aan den Nijl.

[285] Bij het tegenwoordige Aqaba.

Voorts werd aan Bent-Anat opgedragen, met behulp van den getrouwen

ceremoniemeester Pentaoer te redden. Aan geld ontbrak het niet, want

ook de schatmeester was haar toegedaan. Het kwam er nu maar op aan den

scheepsgezagvoerder te bewegen in Chennoe te landen. Het lot van den

dichter was in het ergste geval daar toch draaglijk. Te gelijker tijd

zou een getrouwe bode met een schrijven naar den gouverneur van Chennoe

worden gezonden, een bevel inhoudende, in naam van koning Ramses, om elk

schip, dat bij nacht de stroomengte van Chennoe zou passeeren, aan te

houden, alsmede om te beletten, dat de gevangenen, die tot den arbeid in

de steengroeven van zijne stad waren veroordeeld, naar Ethiopië werden

gesleept.

Rameri nam afscheid van de vrouwen, en het gelukte hem Thebe onopgemerkt

te verlaten.

Bent-Anat lag biddend voor de beelden van hare Osirische moeder, van

Hathor en de beschermgoden van haar huis, tot de ceremoniemeester

terugkeerde en haar mededeelde, dat hij den gezagvoerder had overgehaald

in Chennoe te landen, en voor Ani te verzwijgen, dat de geheele aanslag

verraden was.

De prinses haalde weder vrij adem, toen zij dit hoorde, want zij was

besloten, wanneer de zending van haar trouwen dienaar mocht mislukken,

naar de Nekropolis over te steken, te verbieden dat het schip zou

afvaren, en in het uiterste geval het volk dat haar trouw was tegen Ani

op te roepen.

Den volgenden morgen liet vrouwe Katoeti aan de prinses verlof vragen,

of zij haar dochter zou mogen spreken. Bent-Anat vertoonde zich echter

niet aan de weduwe, wier poging, om namelijk haar kind van de reis met

de koningsdochter terug te houden en weder in haar huis op te nemen,

schipbreuk leed. De gekrenkte moeder was daarop verstoord en onrustig

geworden, en ijlings naar Ani gegaan, teneinde hem te verzoeken Nefert

met geweld terug te houden. Maar de stadhouder wilde alles vermijden wat

opzien kon verwekken, en Bent-Anat laten vertrekken met een gevoel van

volkomene gerustheid.

»Wees niet bezorgd,” zeide hij; »ik zal de vrouwen eene vertrouwde

schare medegeven, die haar bij de Smaragden-Hathor zal terughouden, tot

hier alles zijn beslag heeft gekregen. Dan moogt gij Nefert in de armen

voeren van den ruwen Paäker, wanneer hij u als schoonzoon nog aangenaam

zal zijn, na alles wat ik ten uitvoer zal hebben gebracht. Wat mij

betreft, mogelijk beweeg ik ten slotte mijne trotsche nicht nog wel, in

plaats van naar beneden, naar boven te zien. Ik zal haar tweede geliefde

zijn, maar zij is ook niet mijne eerste!”

De beiden vrouwen braken den volgenden dag op. Ani nam afscheid van haar

met zijne gewone vriendelijkheid, die koel en vormelijk werd beantwoord.

De priesterschap van den Amon-tempel te Thebe, met den ouden

Bek-en-Choensoe aan het hoofd, deed haar tot aan de haven uitgeleide.

Het volk aan den oever riep Bent-Anat’s naam en sprak luide vele

zegenwenschen uit. Doch er werden ook honende woorden gehoord.

Het Nijlschip waarop zich de beide bedevaartgangsters bevonden, werd

gevolgd door twee andere, beladen met soldaten, die de vrouwen moesten

begeleiden »om haar te beschermen.” De zuidenwind deed de zeilen zwellen

en voerde het vaartuig snel stroomafwaarts. De prinses zag nu eens op

naar het paleis harer vaderen, dan weder naar de graven en tempels van

de Nekropolis. Eindelijk verdwenen ook de kolossen van Amenophis en de

laatste huizen van Thebe uit het oog. De anders zoo sterke jonkvrouw

zuchtte smartelijk, en tranen rolden haar langs de wangen. Het was haar

alsof zij de vlucht nam na een verloren veldslag, hoewel niet moedeloos,

maar hopende op eene toekomstige zege.

Toen Bent-Anat zich omkeerde, om naar de kajuit te gaan, trad een

gesluierd meisje haar te gemoet. Zij verwijderde het doek, dat haar

aangezicht verborgen hield, en zeide: »Vergeef mij, prinses, ik ben

Warda, die gij overreden hebt, en voor wie gij zoo goed zijt geweest.

Mijne grootmoeder is gestorven, en ik ben nu geheel alleen. Ik sloop

onder uwe dienstmaagden naar u toe, want ik wil u volgen en alles doen

wat gij beveelt. Wijs mij nu niet terug!”

»Blijf, lief kind,” zeide de prinses, en bij deze woorden legde zij

de hand op haar hoofd. Zij was getroffen over hare buitengewone

lieftalligheid en dacht onwillekeurig aan haar broeder, en zijn wensch

om Warda’s glanzende haarvlechten met eene roos te tooien.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 42 / 58 题