Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een
eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene
aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda’s vader weder in
orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had
gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.
»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige
oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”
»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar het zij zoo!
Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch
mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan
nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal
herkennen.”
Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond
zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet
wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”
De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als
hofmeester aanspreken.”
»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop
in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”
»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”
»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander.
Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek
voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook
gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker
worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang
niet wachten.”
De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij
den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en
den bruinen zak over hem heen wierp.
Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met
eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres
Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien
zij bezat.
Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet
verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten!
Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier
verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek
gekozen?”
»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” zeide Ani, »en
ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen.
Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon
gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar
den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en
mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen
zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te
voet en als een deemoedige te bezoeken.”
»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op
beleefden toon: »Uw leerling!”
Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer
de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor
hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was,
dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon
inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed
hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne
geknotte vleugels naslepende, en zweeg.
»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.
De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat
is er dan met hem?”
»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor
gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij
gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis
mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft
laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar
te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren
hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van
Chennoe zenden[278]. Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen
acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf
van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen
te bespreken!”
[278] De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren
van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig
heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar
uitgehouwen.
Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in
de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen
die twee verhandeld werd.
Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het
oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”
De oude boog toestemmend het hoofd.
»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil
het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij
noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te
zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb
mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het
wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen
heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de
gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals
gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote
priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis.
Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest
wordt gevierd[279], dan hebben de priesters daar het recht zich die
misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen
dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer
kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”
[279] Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II
en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen
opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de
lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden
gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking
worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en
ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna
voortreffelijk verklaard in de =Zeitschrift für ägyptische
Sprache und Altertumskunde=, 1873, s. 129. Ramses de groote
heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de
beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht
van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den
17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het
laagst is, (Zie boven bl. 346.), en „De doorsteking van den
dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee
maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen
even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.
»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!
»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,”
ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar,
doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik
thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”
»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde
zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat
in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide
gevangenen verzinken.”
»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het
aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag
mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet
naar het leven te zullen staan.”
»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander
woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? ― Gij laat het
schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft
in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel
mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar
Ethiopië. Van Soean[280] laat gij de gevangenen door de woestijn naar
de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken
verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan
hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit
misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren,
dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van
onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne
en gij het uwe, en ― gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt
mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord
houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit
iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders
zijn daar in de zon gebleekt.”
[280] Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten
waterval.
»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is
geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.
»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. »Verklaar dat
gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden;
dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet
straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij
den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg
mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis
ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”
»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni
niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem
worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”
De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam
terug met een fleschje. »Neem dit mede,” zeide zij. »Men behoeft slechts
vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet
missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van
dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”
»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.
»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt
den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te
komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half
waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering
Chennoe is voorbij gevaren?”
»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone
daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de
schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen,
vrouw Beki!”
»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen
toon.
»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik
mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt,” zeide
Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe
niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u
werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten
dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk ― gij weet
reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”
Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik
kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij
daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van
niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene
oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt
gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot
dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”
Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt
zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan
het noodlot niet dwingen.”
»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs
in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te
vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij
dan intijds door Nemoe weten.”
Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het
naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te
lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in zich zelve,
»thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die
glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te
denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere
menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft
Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij
den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als
hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in
den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!”