TWEEDE HOOFDSTUK.

Vroeg op den volgenden dag ging de dwerg Nemoe met een man in een

eenvoudig lang kleed, naar het scheen de hofmeester van eene

aanzienlijke familie, de hut voorbij, die door Warda’s vader weder in

orde was gebracht, de hut waarin de soldaat eens met zijne vrouw had

gewoond. Zij richtten hunne schreden naar het hol van de oude Hekt.

»Hier omlaag, edele heer,” zeide de dwerg, »verzoek ik u eenige

oogenblikken te wachten, om u bij mijne moeder aan te melden.”

»Dat klinkt zeker heel deftig,” antwoordde de ander, »maar het zij zoo!

Nog éene voorwaarde! De oude mag mij niet bij mijn naam noemen, noch

mijn titel op hare lippen nemen. Zij noeme mij hofmeester, want men kan

nooit weten... Ik meen echter, dat niemand mij in deze vermomming zal

herkennen.”

Nemoe haastte zich naar het hol te gaan, waarvoor hij zijne moeder vond

zitten, die reeds van verre hem tegenriep: »Laat dien heer nu niet

wachten, ik weet maar al te goed wie het is!”

De kleine man legde den vinger op den mond en zeide: »Gij moet hem als

hofmeester aanspreken.”

»Goed,” prevelde de tooveres. »Zoo steekt ook een struisvogel zijn kop

in de veeren, wanneer hij wil dat men hem niet zien zal.”

»Is het prinsje gisteren nog lang bij Warda geweest?”

»Neen, gek!” zeide de heks lachend. »Die kinderen spelen met elkander.

Rameri is een jonge ram, die nog geen horens heeft, maar toch de plek

voelt, waar ze zullen uitgroeien, en reeds beproeft of hij ze ook

gebruiken kan. Pentaoer kan u bij dat roodharig kopje veel gevaarlijker

worden. Loop nu een-twee-drie heen; men laat zulk een hofmeester zoolang

niet wachten.”

De oude gaf den dwerg een duw, en deze vloog naar Ani terug, terwijl zij

den kleinen, weder op zijne plank gebonden Scheraoe in de hut droeg, en

den bruinen zak over hem heen wierp.

Eenige oogenblikken later stond de stadhouder voor haar. Zij boog met

eene sierlijkheid, die meer aan de zangeres Beki dan aan de tooveres

Hekt deed denken, en bad hem plaats te nemen op den eenigen stoel, dien

zij bezat.

Toen hij door eene beweging met de hand te kennen gaf, dat hij niet

verlangde te gaan zitten, zeide zij: »Wel zeker, gij moet u nederzetten!

Dan kan men u uit het dal niet zien, omdat gij achter deze rots hier

verborgen zijt. Maar waarom hebt gij dit uur toch voor uw bezoek

gekozen?”

»Omdat hetgeen ik met u wensch te bespreken haast heeft,” zeide Ani, »en

ik in den avond licht door de wachters zou kunnen worden aangeroepen.

Mijne vermomming is voldoende. Onder dit overkleed draag ik mijn gewoon

gewaad. Van hier ga ik het dal in naar het graf mijner vaderen, om daar

den groven rok en wat mij verder nog onkenbaar maakt af te leggen, en

mijn wagen te wachten, die reeds besteld is. Ik zal aan de menschen

zeggen, dat ik heden eene gelofte heb vervuld, om namelijk de groeve te

voet en als een deemoedige te bezoeken.”

»Goed bedacht,” prevelde de oude. Doch Ani wees op den dwerg en zeide op

beleefden toon: »Uw leerling!”

Sedert de onthulling die zij gedaan had, was Hekt voor hem niet langer

de gewone tooveres. De oude vrouw gevoelde het, en neigde zich voor

hem met eene buiging, die zoo geheel in de vormen, zoo hoffelijk was,

dat een tamme raaf aan hare voeten zijn verbazing hierover niet kon

inhouden, maar zijn zwarten snavel wijd opensperde en een gekras deed

hooren. Zij wierp er een stuk kaas in, en de vogel huppelde weg, zijne

geknotte vleugels naslepende, en zweeg.

»Ik moet u over Pentaoer spreken,” zeide Ani.

De oogen van de oude schoten vuur, en vol belangstelling vroeg zij: »Wat

is er dan met hem?”

»Ik heb allen grond,” antwoordde de stadhouder, »dezen man voor

gevaarlijk te houden. Hij staat mij in den weg. Allerlei kwaad heeft hij

gedaan; wat erger is, hij heeft moorden begaan. Maar in het Seti-huis

mogen zij hem gaarne lijden, en daar zouden zij hem liefst ongestraft

laten. Die heeren bezitten het recht over elkander alleen de vierschaar

te spannen, en ik kan aan hunne uitspraak niets veranderen. Eergisteren

hebben zij vonnis geveld. Zij willen hem naar de steengroeven van

Chennoe zenden[278]. Op al wat ik hiertegen inbracht heeft men geen

acht geslagen, en, nu ja.... Nemoe, ga naar de overzijde in het graf

van Amenophis, en wacht daar op mij! Ik heb iets met uwe moeder alleen

te bespreken!”

[278] De steengroeven van Chennoe, thans Gebel Silsileh, waren

van buitengewonen omvang. Bijna al de zandsteen, dien men noodig

heeft gehad voor het bouwen der tempels in Opper-Egypte, is daar

uitgehouwen.

Nemoe boog en daalde den berg af, wel-is-waar verdrietig, maar toch in

de zekere overtuiging, dat hij later alles zou vernemen, wat tusschen

die twee verhandeld werd.

Toen de kleine verdwenen was, vroeg Ani: »Gevoelt gij nog iets voor het

oude koningshuis, dat uwe ouders zoo met hart en ziel waren toegedaan?”

De oude boog toestemmend het hoofd.

»Welnu, zoo zult gij mij uw hulp niet ontzeggen, wanneer ik trachten wil

het weder op te richten. Gij begrijpt hoezeer ik de priesters daarbij

noodig heb, en ik heb Ameni gezworen Pentaoer niet naar het leven te

zullen staan. Doch ik herhaal nog eens: hij staat mij in den weg! Ik heb

mijne verspieders ook in het Seti-huis, en door dezen weet ik, wat het

wegzenden van den dichter naar de steengroeven van Chennoe te beteekenen

heeft. Een tijdlang laten zij hem zandsteenen houwen, en dat zal aan de

gezondheid van dezen ijzersterken man eer goed dan kwaad doen. Zooals

gij weet, vindt men te Chennoe, behalve die groeven, ook het groote

priestercollege, dat in zeer nauwe verbinding staat met het Seti-huis.

Wanneer de vloed begint te wassen en in Chennoe het grootste Nijlfeest

wordt gevierd[279], dan hebben de priesters daar het recht zich die

misdadigers, die in de steengroeven werken, uit te kiezen tot hun eigen

dienst. Het spreekt vanzelf, dat zij in het volgend jaar Pentaoer

kiezen. Dan laten zij hem vrij en men lacht mij uit.”

[279] Bij Chennoe wordt de stroom smaller. Onder Ramses II

en zijn opvolger Mernephtah werden daar groote gedenksteenen

opgericht, die schoone hymnen bevatten aan den Nijl en de

lijsten der offers, die op de Nijlfeesten moesten worden

gebracht. De opschriften kunnen door onderlinge vergelijking

worden aangevuld. Dit is geschied door mijn vriend Stern en

ook door mij op de plaats zelve. De eerste heeft ze daarna

voortreffelijk verklaard in de =Zeitschrift für ägyptische

Sprache und Altertumskunde=, 1873, s. 129. Ramses de groote

heeft twee Nijlfeesten ingesteld. Stern vergelijkt ze met de

beide feesten, die thans nog gevierd worden, namelijk: „De nacht

van den druppel,” die altijd op den 11den Baoeneh (in 1873 den

17den Juni) valt, op welk tijdstip de stand van den Nijl het

laagst is, (Zie boven bl. 346.), en „De doorsteking van den

dam,” een feest dat geregeld wordt naar den waterstand. De twee

maanden die thans nog als feestmaanden worden beschouwd, liggen

even ver uit elkander als weleer de Nijlfeesten van Chennoe.

»Niet kwaad verzonnen,” zeide de Heks!

»Ik heb nu met mijzelven, met Katoeti en ook met Nemoe raad gehouden,”

ging Ani voort, »maar alles wat zij bedachten was, ja, wel uitvoerbaar,

doch onraadzaam, en zou voor het minst tot vermoedens leiden, die ik

thans zorgvuldig moet trachten te vermijden. Wat is uw raad?”

»Assa’s stam moet ondergaan!” prevelde de oude somber. Daarna staarde

zij een poos nadenkend op den grond en zeide eindelijk: »Laat een gat

in het schip boren, en voor het in Chennoe aankomt, met de geboeide

gevangenen verzinken.”

»Neen, neen, daaraan heb ikzelf al gedacht, en ook Nemoe heeft het

aangeraden,” zeide Ani. »Zoo iets is wel honderdmaal gebeurd. Ameni mag

mij ook niet voor meineedig houden, en ik heb gezworen Pentaoer niet

naar het leven te zullen staan.”

»O ja, dat hebt gij gezworen, en gij mannen zijt gewoon onder elkander

woord te houden. Wacht eens even, hoe was het ook weer? ― Gij laat het

schip met de gevangenen naar Chennoe onder zeil gaan, doch gij geeft

in ’t geheim aan den gezagvoerder bevel, dat hij in den nacht zoo snel

mogelijk de steengroeven voorbij moet varen, en verder koers zetten naar

Ethiopië. Van Soean[280] laat gij de gevangenen door de woestijn naar

de goudmijnen voeren. Er kunnen vier, ja misschien wel acht weken

verloopen, eer men verneemt wat er gebeurd is. Spreekt Ameni u dan

hierover aan, dan houdt gij u alsof gij vertoornd zijt over dit

misverstand, en gij kunt bij alle goden van hemel en onderwereld zweren,

dat gij Pentaoer niet naar het leven hebt gestaan. Met het doen van

onderzoek verloopen weder eenige weken. Inmiddels doet Paäker het zijne

en gij het uwe, en ― gij zijt koning. Eene gelofte laat zich, dunkt

mij, wel met een schepter verbrijzelen. En wilt gij volstrekt uw woord

houden, welnu, laat Pentaoer dan in de goudmijnen. Van daar is nog nooit

iemand teruggekeerd. Ook de gebeenten van mijn vader en mijne broeders

zijn daar in de zon gebleekt.”

[280] Het oude Syene, het heilige Assoean, bij den eersten

waterval.

»Maar Ameni zal niet willen gelooven, dat het een misverstand is

geweest,” viel Ani de tooveres angstig in de rede.

»Beken dan, dat gij dien tocht hebt bevolen!” hernam Hekt. »Verklaar dat

gij te weten zijt gekomen, wat zij in Chennoe met Pentaoer voorhadden;

dat gij uw woord hebt gehouden, maar dat gij een misdadiger niet

straffeloos wildet laten. Zij zullen berichten inwinnen, en vinden zij

den kleinzoon van Assa in het leven, dan zijt gij gerechtvaardigd. Volg

mijn raad, wanneer gij waarlijk wilt toonen de belangen van uw huis

ernstig te behartigen, en meester blijven van hetgeen gij bezit.”

»Het gaat niet,” zeide de stadhouder. »Ik heb den steun van Ameni

niet enkel heden en morgen noodig. Ik wil geen blind werktuig van hem

worden, maar voor het oogenblik moet hij mij daarvoor houden.”

De oude haalde de schouders op, stond op, ging haar hol binnen, en kwam

terug met een fleschje. »Neem dit mede,” zeide zij. »Men behoeft slechts

vier druppels van dit vocht in den wijn te gieten, en het kan niet

missen of die er van drinkt verliest zijn verstand. Neem de proef van

dezen drank bij een slaaf, en gij zult zien dat hij uitnemend werkt.”

»Wat moet ik daarmede aanvangen?” vroeg Ani.

»U rechtvaardigen voor Ameni,” zeide de tooveres lachend. »Gij beveelt

den gezagvoerder van het schip dadelijk na zijn terugkeer bij u te

komen. Gij onthaalt hem op wijn, en waarom zou Ameni, als hij den half

waanzinnige ziet, niet gelooven, dat deze in zijne zinsverbijstering

Chennoe is voorbij gevaren?”

»Dat is verstandig, dat is voortreffelijk!” riep Ani. »Het buitengewone

daalt toch nimmer af tot het platte alledaagsche. Gij waart eens de

schoonste der zangeressen, en thans zijt gij de wijste der vrouwen,

vrouw Beki!”

»Ik ben thans Beki niet meer, ik heet Hekt,” zeide de oude op ruwen

toon.

»Zoo als gij wilt! Inderdaad, had ik Beki’s gezang gehoord, zoo zou ik

mij aan haar tot grooter dank verplicht achten, dan nu aan Hekt,” zeide

Ani met een glimlach. »Doch ik mag de verstandigste vrouw van Thebe

niet verlaten, zonder eene ernstige vraag tot haar te richten. Is het u

werkelijk gegeven een blik in de toekomst te slaan? Staan u middelen ten

dienste, waardoor gij weten kunt, of het groote waagstuk ― gij weet

reeds wat ik bedoel, gelukken of mislukken zal?”

Hekt zag weder naar den grond, en zeide, na een kortstondig overleg: »Ik

kan nog niets met zekerheid zeggen, maar uw zaak staat goed. Ziet gij

daar die twee sperwers met het kettinkje aan de pooten? Zij nemen van

niemand voedsel aan dan van mij. Die ruiende met zijne grauwe geslotene

oogen is Ramses; die mooie en glimmende met zijne bliksemende oogen zijt

gij! Het komt er nu maar op aan wie van beiden het langst leeft. Tot

dusverre is het voordeel aan uwe zijde, gelijk gij ziet.”

Ani sloeg een boozen blik op den ziekelijken sperwer des konings. Hekt

zeide echter: »Men moet beiden geheel gelijk behandelen, want men kan

het noodlot niet dwingen.”

»Voeder ze dan goed!” riep de stadhouder, terwijl hij Hekt zijne beurs

in den schoot wierp. Hij voegde er bij, zich gereedmakende om te

vertrekken: »Wanneer een van beide vogels iets overkomt, laat het mij

dan intijds door Nemoe weten.”

Ani daalde van den berg af, om zijne schreden te richten naar het

naastbijzijnde graf zijner vaderen. Hekt kon niet nalaten hem uit te

lachen, terwijl zij hem nazag, »Thans,” prevelde zij in zich zelve,

»thans beschermt die gek mij, ter wille van zijn vogeltje! Die

glimlachende en moedelooze man, die te lui is om voor zichzelven te

denken, wil Egypte beheerschen! Ben ik dan zooveel wijzer dan andere

menschen, of komen alleen de dwazen tot de oude Hekt? Doch Ramses heeft

Ani toch tot zijne plaatsvervanger gekozen! Mogelijk ook wel, omdat hij

den niet zeer slimmen man voor niet bijzonder gevaarlijk hield. Maar als

hij zoo gedacht heeft, dan handelde hij niet wijs, want niemand is in

den regel zelfzuchtiger en onbeschaamder dan de domme!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 41 / 58 题