EERSTE HOOFDSTUK.

Drie dagen waren sedert het vertrek van den Mohar verloopen. Hoewel het

nog vroeg was, bleek men toch in de werkzalen van Bent-Anat reeds druk

in de weer te zijn. De beide vriendinnen hadden den stormachtigen nacht,

die volgde op den feestavond, slapeloos doorgebracht. Wat toch hadden

zij niet doorleefd! Nefert gevoelde zich den volgenden morgen afgemat en

slaperig. Zij had de prinses verzocht, haar dien dag nog niet in haren

nieuwen werkkring in te leiden. De dochter van Ramses had haar echter

opwekkend toegesproken, zeggende dat men het goede nooit van heden

tot morgen moest uitstellen, en Nefert bewogen haar te volgen naar de

plaatsen, waar de verschillende werkzaamheden werden verricht.

»Wij moeten beiden tot andere gedachten komen,” zeide zij. »Nu en dan

overvalt mij onwillekeurig eene rilling, en is het mij als droeg ik

een brandmerk, als ware ik onteerd door eene vuile vlek hier aan den

schouder, waar de ruwe hand van Paäker mij heeft aangeraakt.”

Den eersten werkdag had Nefert nog veel met zichzelve te strijden, doch

den tweeden vond zij reeds eenige aantrekkelijkheid in dezen arbeid, en

den derden dag mocht zij zich verheugen over de kleine vruchten van hare

inspanning. Bent-Anat had haar dan ook recht op haar plaats gezet, toen

zij haar het toezicht opdroeg over een groot aantal kleine meisjes en

vrouwen, de dochters, de echtgenooten en de weduwen van mannen uit

Thebe, die nog in het leger streden of reeds gevallen waren. Deze

hielden zich bezig met het uitzoeken en schikken van genezende kruiden.

Hare helpsters zaten in kleine kringen op den grond neergehurkt. In het

midden van elke groep lag eene groote hoop versch geplukte en gedroogde

planten, en vóor elke arbeidster zag men een groot aantal pakjes met

de uitgezochte wortels, bladeren en bloemen. Een oude heelkundige was

belast met de geheele leiding van dezen arbeid, en had Nefert den

eersten dag bekend gemaakt met de verschillende planten, die men noodig

had.

De vrouw van Mena, die zooveel van bloemen hield, had alles spoedig

begrepen. Zij leerde gaarne, want zij had de kinderen lief. Weldra had

zij zich onder die kleinen enkele lievelingen uitgezocht. Het duurde

niet lang, of zij wist de ijverige en zorgvuldige arbeidsters te

onderkennen van de trage, of die haar taak vluchtig volbrachten.

»Ei, ei,” zeide zij, terwijl zij zich voorover boog tot een klein

halfnaakt meisje, met groote ovale oogen. »Gij werpt alles maar door

elkaar! Je vader is immers in het leger, zooals ge mij gezegd hebt? Denk

eens, zou het niet erg treurig zijn, wanneer men, zoo een pijl hem trof,

dit kruid op zijne brandende wond legde, dat hem kwaad zou doen, in

plaats van dat andere, dat hem genezen kan?”

Het meisje knikte met het hoofdje, en keek wat ze uitgezocht had nog

eens na.

Nefert ging nu weder naar eene andere kleine, die zat te luieren. »Daar

zit je nu weer te babbelen en niets te doen,” zeide zij, »en toch staat

je vader in ’t veld! Als hij nu eens ziek is en geene geneesmiddelen

heeft, en wanneer hij dan in den nacht, van zijn dochtertje droomende,

je zóo ziet zitten, dan zegt hij zeker tot zichzelven: Nu zou ik gezond

kunnen zijn, maar mijn kind heeft mij niet meer lief, want zij legt

liever de handen in den schoot, dan dat zij voor haar zieken vader

geneesmiddelen klaar maakt.”

Daarna richtte Nefert zich tot een grooteren kring van meisjes, die

kruiden zaten uit te zoeken, en sprak: »Weet gij wel, kinderen, waar al

deze vriendelijke en gezegende kruiden vandaan komen? De goede Horus was

ten krijg getogen tegen Seth, den moordenaar van zijn vader, en in het

gevecht sloeg de woedende vijand, Horus een oog uit[266]. Maar de zoon

van Osiris overwon, want het goede is altijd machtiger dan het kwade.

Toen Isis echter het arme gewonde oog zag, toen drukte zij het hoofd van

haar zoon aan hare borst[267]. Het was haar zoo wee om ’t hart als eene

ongelukkige menschelijke moeder, die haar lijdend kind in de armen

houdt, en zij dacht: ‚Hoe gemakkelijk is het toch wonden te slaan, en

hoe moeilijk valt het ze te heelen!’ Bij deze woorden weende zij. De

eene traan voor, de andere na viel op de aarde, en overal waar deze in

den bodem drongen, daar wies zulk een gezegend kruidje op”[268].

[266] Naar de teksten van het Doodenboek.

[267] Volgens de teksten van het Doodenboek en de inleiding van

den papyrus-Ebers, geneest Isis het oog van Horus.

[268] De Egyptenaren schreven aan het bloed en de tranen der

goden scheppende krachten toe. Hierover kan men het best

raadplegen Lefébure. =Le mythe osirien=. =Première partie: Les

yeux d’Horus=. In de door Naville uitgegeven „Lofverheffingen

van Ra” wordt deze godheid in de 21ste aanroeping „Remi”, d. i.

„de weenende” genoemd, en in de teksten, die gevonden worden bij

de voorstelling van de vier menschenrassen, in het graf van Seti

I in Biban el Moeloek, komt eene plaats voor, waaruit blijkt,

dat ook wel menschen uit goddelijke tranen geboren zijn. Want

daar spreekt de godheid op de volgende wijze de volken toe: „Gij

zijt een traan uit mijn oog, gij die menschen heet.”

»Isis is zeer goed,” riep nu een meisje, dat tegenover haar zat. »Moeder

zegt altijd, dat Isis de kinderen ook liefheeft, wanneer zij goed

oppassen.”

»Uwe moeder heeft gelijk,” antwoordde Nefert. »Isis heeft ook zelve haar

lieve Horus-kindje. En ieder mensch die sterft, wordt, als hij braaf

heeft geleefd, weder een kind, en de godin neemt hem tot zich, alsof hij

haar eigen kind was, en legt hem aan hare borst en verpleegt hem met

hare zuster Nephtys[269], tot hij groot zal zijn en voor zijn vader

strijden kan.”

[269] Gelijk Isis als moeder, zoo wordt Nephtys als zoogmoeder

en opvoedster van Horus voorgesteld. Op het eiland Philak zien

wij een der Ptolemaeën als een jeugdige god afgebeeld, die van

Nephtys onderwijs ontvangt in het harpspel. Osiris heeft beide

godinnen lief, en beiden worden afgebeeld, weeklagende aan het

hoofd- en aan het voeteinde van zijne lijkbaar. Haar klaaglied

is bewaard gebleven in een papyrus van het Berlijnsch museum,

die door De Horrack werd uitgegeven.

Nefert had opgemerkt, dat onder deze woorden eene vrouw was begonnen

te weenen. Zij ging tot haar om te vragen wat haar deerde, en kwam te

weten dat haar man en haar zoon, de eerste in Syrië, de laatste op zijn

terugreis naar Egypte, gestorven waren.

»Arme vrouw en moeder!” zeide Nefert. »Nu moogt gij wel dubbel uw best

doen, opdat de wonden der anderen geheeld worden! Ik wil u nog iets

anders van Isis vertellen. Zij had haar gemaal Osiris zeer liefgehad,

zooals gij uw gestorven echtgenoot, en ik mijn Mena. Maar hij was

gevallen als een offer van de listen van Seth. Zij kon niet eens het

lijk vinden van den man, die haar op zoo wreede wijze was ontroofd, en

gij kunt uw echtgenoot ten minste nog bij zijn graf bezoeken. Toen trok

Isis klagende het land door, en ach, wat was er van Egypte geworden, het

schoone land, dat al zijne vruchtbaarheid aan Osiris te danken heeft! De

heilige Nijl lag droog, en geen grashalm groende er aan zijne oevers. De

goede godin gevoelde hierover eene onuitsprekelijke smart. Zij weende

een traan in het bed van den vloed en terstond begonnen de wateren weer

te zwellen. Want gij weet toch wel dat elke overstrooming ontstaat door

een traan van Isis[270]. Zoo werd de smart eener weduwe tot zegen voor

vele millioenen geslachten.”

[270] Onder de Arabieren is nog het oude geloof bewaard

gebleven, dat de Nijl wast door een goddelijken traan, die in

den stroom valt. Nog heden wordt den nacht van den 11den Baoeneh

„de nacht van den druppel” genoemd, omdat in dien nacht de Nijl

zijn laagste standpunt bereikt en langzaam begint te stijgen.

De vrouw had opmerkzaam naar haar geluisterd, en zeide, toen Nefert

zweeg: »Maar ik heb nu ook de drie bloedjes van kinderen, die mijn zoon

naliet, te onderhouden. Want zijne vrouw, eene waschvrouw, is helaas bij

het verrichten van haar werk door een krokodil overvallen. Lieden van

onze soort moeten in de eerste plaats voor zichzelven en niet voor

anderen zorgen. Als de prinses ons niet betaalde, hoe kon ik dan aan de

wonden der krijgslieden denken, die mij niets aangaan? Ik ben ook niet

sterk meer en heb vier monden te voeden.”

Nefert gevoelde eene huivering, gelijk meermalen bij deze hare nieuwe

werkzaamheid, en verzocht Bent-Anat het loon van deze vrouw te

verhoogen.

»Gaarne,” zeide de prinses, »Wat zou ik eene helpster als gij zijt

kunnen weigeren! Kom thans eens mede in mijne keuken. Ik laat vruchten

inpakken voor mijn vader en broeders. Daar mag nu toch ook wel een

kistje voor Mena bij.”

Nefert volgde hare vorstelijke vriendin, en zag hoe men juist in eene

kist goudgele dadels van de oase van Amon[271] en in eene andere donkere

van Nubië, de lievelingssoorten van den koning, had gelegd.

[271] De tegenwoordige oase Siwah, waar de dadelboomen nog

altijd vruchten dragen, die wijd en zijd beroemd zijn.

»Laat mij dat pakken!” riep Nefert, beval de dienstmaagd, die er mede

bezig was, de kistjes weder te ledigen, en legde nu de dadels van

verschillende kleuren, benevens eenige andere in suiker gekookte

vruchten, in sierlijke figuren bijeen.

Bent-Anat zag dit met welgevallen, reikte haar toen zij gereed was de

hand en zeide: »Wat uwe vingers maar aanroeren, dat krijgt dadelijk een

vriendelijk aanzien. Geef me dat stuk papyrus! Ik zal het in dit kistje

leggen en er op schrijven: Dit heeft de vlijtige medehelpster van zijne

dochter Bent-Anat, de vrouw van Mena, voor koning Ramses ingepakt.”

Na de rust van den middag werd de prinses weggeroepen, en Nefert bleef

nog eenige uren met hare arbeidsters alleen. Toen de zon onderging en

de vlijtige schare wilde opbreken, hield Nefert de vrouwen en meisjes

nog terug en zeide: »De zonneschuit verdwijnt ginds achter de westelijke

bergen. Komt, laat ons te zamen bidden voor den koning en onze geliefden

in ’t veld. Ieder denke aan de zijnen, gij kinderen aan uwe vaders,

gij vrouwen aan uwe zonen, en wij echtgenooten aan onze mannen, die

verre van ons zijn. Wij bidden Amon, dat zij zoo zeker tot ons mogen

wederkomen, als de zon, die thans van ons scheidt, maar morgen vroeg

zich opnieuw zal vertoonen.”

Nefert knielde neder, en met haar de kinderen en vrouwen.

Toen zij weder opstonden, liep een klein meisje naar de vrouw van Mena

en zeide schuchter, terwijl zij haar kleedje frommelde: »Gij hebt ons

ook gisteren hier laten knielen, en stellig zal het ook heden met mijne

moeder wat beter gaan, nu ik voor haar gebeden heb.”

»O zeker,” zeide Nefert, en zij streelde de zwarte haren van het kind.

Zij vond Bent-Anat op het balkon, peinzend starende over den stroom naar

de doodenstad, die al meer en meer in duisternis werd gehuld. Toen zij

de zachte schreden harer vriendin achter zich hoorde, schrikte zij een

oogenblik.

»Ik stoor u zeker,” zeide Nefert, en trad terug.

»Neen blijf,” smeekte Bent-Anat. »Ik dank de goden dat ik u heb, want

het is mij zoo wee, zoo akelig wee om ’t hart.”

»Ik weet waaraan gij dacht,” sprak Nefert zacht.

»Welnu?” vroeg de prinses.

»Aan Pentaoer.”

»Ik denk aan hem en altijd aan hem,” antwoordde de prinses, »en toch is

er nog iets anders wat mijn gemoed beweegt. Ik ben mij zelve niet meer.

Wat ik denk moest ik niet denken, wat ik gevoel niet gevoelen, en toch

kan ik het niet van mij zetten. Ik geloof dat mijn hart zou doodbloeden,

wanneer ik het er met geweld uit wilde verwijderen. Vreemd, ja

onbetamelijk heb ik gehandeld, en nu hangt mij iets boven het hoofd,

dat mijne schouders bijna niet kunnen dragen, iets buitengewoons, dat u

misschien weder van mijne zijde wegneemt en naar uwe moeder terugvoert.”

»Alles wil ik met u deelen,” riep Nefert. »Maar wat verlangt men dan van

u? Zijt gij dan de dochter van Ramses niet meer?”

»Als eene burgervrouw heb ik mij aan het volk vertoond,” antwoordde

Bent-Anat, »en nu heb ik de gevolgen van deze daad te dragen.

Bek-en-Choensoe, de opperpriester van Amon, was zooeven bij mij, en ik

heb mij lang met hem onderhouden. De eerwaardige man is mij welgezind,

dat weet ik, en mijn vader heeft mij geboden zijn raad boven dien van

alle anderen te volgen. Hij bracht mij onder het oog, dat ik zwaar

misdreven had. Terwijl ik nog in den staat der onreinheid verkeerde, heb

ik een tempel in de Nekropolis betreden, en nadat ik mij reeds eens had

gewaagd op het erf van een Paraschiet, en mij daarover de berisping van

Ameni op den hals gehaald, deed ik het toch andermaal. Zij weten aan

de overzijde alles, wat ons daar bejegend is! Nu moet ik mij laten

reinigen, óf door Ameni zelven in het Seti-huis, in tegenwoordigheid van

alle priesters en rijksgrooten, met buitengewone plechtigheid, óf door

eene bedevaart te ondernemen tot de Smaragden-Hathor[272], onder welker

bescherming men de edelgesteenten uit de rotsen houwt, en het erts

vindt, dat door smelting wordt gelouterd. De godin, die het echte van

het onechte scheidt, zal, zoo zeggen zij, de onreinheid van mij nemen,

gelijk zij het edel metaal van de slakken zuivert. Eene dagreize of iets

verder van de steengroeven vloeit van den heiligen berg des Heeren, den

Sinaï[273], zooals de Mentoe[274] hem noemen, eene diepe beek[275],

en daarbij verheft zich het heiligdom der godin, waarin de priesters

reiniging verleenen. De tocht is lang; de weg leidt door de woestijn en

over de zee; maar Bek-en-Choensoe raadt mij, dat ik het wagen zal.

Ameni, zegt hij, is mij niet gunstig gezind, omdat ik de inzettingen

overtreed, die hij boven alles in eere gehouden wil hebben. Hij meent,

dat ik het mij moet laten welgevallen, zoo deze met dubbele gestrengheid

handelt, want het volk ziet allereerst naar hen op die het hoogste

staan, en wanneer ik de inzettingen ongestraft minacht, zoo zal ik onder

de menigte navolgers vinden. Hij handelt in naam der goden, die de

harten der menschen meten met gelijke maat. De el behoort aan de godin

der waarheid[276]. Ik gevoel wel dat dit alles niet onjuist is, en toch

kan ik mij moeilijk schikken naar de uitspraak van den opperpriester,

omdat ik de dochter van Ramses ben!”

[272] De Hathor van het maskat was de godin, die voornamelijk

op het Sinaïtisch schiereiland werd vereerd. Na de grondige

verhandeling van Lepsius, over de metalen bij de oude

Egyptenaars, staat het vast, dat maskat noch koper beteekent,

noch de turkoois, maar een groenen steen. Wordt het maskat echt

geheeten, dan bedoelt men smaragd; soms ook wel malachiet,

berggroen en groene vloeispaath, die veelvuldig in de graven

worden gevonden. Sieraden van malachiet komen zelden voor. Wij

vestigen hier de aandacht op een allerliefst beeldje van den god

Ptah (zie Dl. I. bl. 82, v.) uit dezen steen vervaardigd, dat

bewaard wordt in het Japansch paleis te Dresden.

[273] Niet de berg Sinaï, waar de monniken wonen, maar het

reusachtig gebergte, dat thans Serbal heet, houden wij voor

den Sinaï van den Bijbel. Wij hebben deze opvatting uitvoerig

verdedigd in ons werk: =Durch Gosen zum Sinaï, aus dem

Wanderbuche und der Bibliothek=.

[274] De bergvolken van het Sinaïtisch schiereiland.

[275] In de tegenwoordige oase Feirân.

[276] De naam van de godin der waarheid (Ma) wordt ook

geschreven met de hiëroglyphe, die eene el voorstelt. Van de

oude heilige ellematen zijn er verschillende bewaard gebleven.

Men kan alles hierover vinden in Lepsius’ verhandeling: „Die

altägyptische Elle und ihre Eintheilung” in de =Abhandl. der k.

Akademie der Wissenschaften=, Berlin, 1865, s. 33.

»Dat zijt gij,” sprak Nefert, »en uw vader is een god!”

»Maar,” ging de prinses voort, »hij heeft mij ook altijd geleerd de

inzettingen te eeren. Ook heb ik met Bek-en-Choensoe nog wat anders

besproken. Gij weet dat ik de hand van den stadhouder afwees. Hij zal in

stilte boos op mij zijn. Dat nu zou mij geen schrik aanjagen, maar

hij is door mijn vader als voogd over mij aangesteld; hij is mijn

beschermer. Kan ik hem dan nog vertrouwelijk raad en hulp vragen? Neen!

Ik ben toch maar eene vrouw en bovendien de dochter van Ramses. Eer trek

ik door duizend woestijnen, eer dat ik mijn vader en zijn kind laat

vernederen. Tot morgen zal ik mij beraden, doch ik ben reeds nu besloten

de reis te aanvaarden, wat het mij ook zal kosten zooveel hier te

verlaten. ― Vrees niets, lieve, gij zijt te teeder voor zulk een verren

tocht; ik zou....”

»Neen, neen,” riep Nefert, »ik trek met u, al ging de reis ook tot aan

de vier zuilen des hemels aan de uiteinden der aarde[277]. Gij hebt een

nieuw leven in mij gewekt, en wat thans in mijn binnenste zoo frisch

ontkiemt, zou weder verdorren, als ik tot mijne moeder terugkeerde. Of

zij, óf ik moet meesteres zijn in onze woning. Alleen met Mena wil ik

haar weder betreden!”

[277] De zuilen des hemels (sechent pet) komen in verschillende

teksten voor. Op de schoone overwinnings-stêle van Thotmes III

te Boelaq leest men: „Ik (Amon) verbreid ... de vrees voor u

tot de vier zuilen des hemels.” Men stelde zich voor, dat deze

zuilen aan de uiterste einden van het zuiden, noorden, westen

en oosten werden gevonden. Daarom worden ook in vele teksten,

in plaats van de vier windstreken, de vier zuilen des hemels

genoemd.

»Zoo is dan besloten, ik vertrek!” zeide de prinses. »O ware mijn vader

maar niet zoo ver; kon ik hem maar raad vragen en zijne stem hooren!”

»Ja, die krijg, die eeuwigdurende krijg!” zuchtte Nefert. »Waarom

stellen de mannen zich toch nooit tevreden met hetgeen zij hebben, en

verkiezen zij een ijdelen roem boven den stillen vrede, die het leven

siert!”

»Zouden zij dan mannen zijn? Zouden wij hen kunnen liefhebben, indien

zij anders waren?” vroeg Bent-Anat levendig. »Scheppen de goden ook in

den strijd geen behagen? Hebt gij ooit een verhevener beeld gezien,

dan dat van Pentaoer, toen hij dien onbehouwen paal hoog door de lucht

slingerde, en zijn leven waagde om de bedreigde onschuld te beschermen?”

»Ik waagde maar even een blik in den hof te slaan,” antwoordde Nefert,

»want ik maakte mij zoo angstig. Maar zijn luid geroep klinkt mij nog in

de ooren.”

»Zoo klinkt ook het krijgsgeschreeuw der helden in den slag, die de

vijanden doet beven!” zeide Bent-Anat.

»Ja zeker, zoo klinkt het!” riep prins Rameri, die zonder door de

vrouwen opgemerkt te zijn, het halfdonkere vertrek van zijne zuster was

binnengetreden.

De prinses keerde zich naar haar broeder om, zeggende: »Wat doet ge mij

daar schrikken!”

»U?” vroeg de prins verwonderd.

»Ja mij. Vroeger was ik kloek van hart, maar sedert dien avond beef ik

telkens, en overvalt mij gedurig een pijnlijke angst, ik weet zelve niet

waarvoor. Ik geloof dat een demon mij beheerscht.”

»Gij heerscht, waar gij u vertoont, en gij wordt door niets beheerscht,”

zeide Rameri. »De ontsteltenis, en het verdriet dat gij in het dal hebt

geleden, en daarna aan de landingstrap, dat alles zit u nog in de leden.

Ook ik begin te knarsetanden, als ik eraan denk, hoe zij mij uit de

school hebben gebannen, en hoe die Paäker zijn hond tegen mij aanhitste.

Ik heb heden vrij wat ondervonden.”

»Waar zijt gij toch zoolang geweest?” vroeg Bent-Anat. »Neef Ani had

toch bevolen, dat gij het paleis niet mocht verlaten.”

»Ik zal in de volgende maand mijn achttiende jaar intreden,” antwoordde

de prins, »en heb geen voogd meer noodig!”

»Maar onze vader....” wilde Bent-Anat hem vermanen.

»Onze vader,” viel Rameri haar in de reden, »kent den stadhouder slecht.

Doch ik zal hem schrijven, al wat ik heden onder het volk heb hooren

vertellen. Men zegt dat zij Ani op het feest van het dal zoo goed als

gehuldigd hebben, en de een vertelt den ander openlijk, dat het den

stadhouder om de kroon te doen is, en dat hij voornemens is den koning

van den troon te stooten. ― Gij hebt gelijk, dat is onzinnig, maar er

moet toch wel iets van waar zijn.”

Nefert verbleekte. Bent-Anat vroeg eenige nadere bijzonderheden, waarop

de prins vertelde wat hij vernomen had, om dan lachend uit te roepen:

»Ani zou mijn vader doen vallen! Dat is zooveel alsof ik de Isis-ster

van den hemel wilde losrukken, om daarmede de lampen te ontsteken, die

hier nog altijd ontbreken!”

»Ik vind het vertrouwelijker in donker te zitten,” zeide Nefert.

»Neen, laat het licht komen,” zeide Bent-Anat. »Men kan beter spreken,

wanneer men hen tot wie men spreekt in de oogen kan zien. ― Wat die

dwaze volkspraatjes betreft, ik geloof er niet aan. Maar gij hebt

gelijk, wij moeten er onzen vader kennis van geven.”

»In de doodenstad hoorde ik de dolzinnigste zwetserij,” zeide Rameri.

»Hebt gij u dan aan de overzijde gewaagd? Hoe verkeerd hebt gij gedaan!”

»Ik had mij weder een weinig verkleed, en heb heel veel goeds te

vertellen. Het gaat met de lieve Warda veel beter. Zij heeft uwe

geschenken ontvangen, en woont weder in haar eigen huis. Naast de

afgebrande stond een vervallen hut, die haar vader, een soldaat met een

grooten baard, die evenveel op haar gelijkt als een egel op een witte

duif, met eenige gezellen in een oogenblik weder in orde heeft gebracht.

Ik bood haar aan met de andere meisjes in het paleis voor u te werken,

tegen hoog loon. Maar zij wilde niet, want zij moet hare zieke

grootmoeder verplegen. Ook is zij trotsch en wil niemand dienen.”

»Het komt mij voor, dat gij lang bij die onreine hebt vertoefd,” zeide

Bent-Anat verwijtend. »Ik had gedacht, dat hetgeen mij is wedervaren, u

tot eene waarschuwing geweest zou zijn.”

»Ik wil niet beter zijn dan gij!” hernam de prins. »Bovendien is de

Paraschiet dood, en Warda’s vader is een eerlijk soldaat die niemand

verontreinigt. Voorts hield ik mij op een afstand van de oude vrouw.

Morgen steek ik weder over; dat heb ik haar beloofd.”

»Aan wie?” vroeg Bent-Anat.

»Aan wie anders dan aan Warda! Zij houdt veel van bloemen, en na de

roos, die gij haar hebt geschonken, heeft zij er geene meer gezien. Ik

heb den hovenier reeds bevolen, dat hij mij tegen morgen een korf vol

rozen moet snijden, die ikzelf haar brengen zal.”

»Dat zult gij niet doen!” riep Bent-Anat. »Gij zijt nog half een kind,

en al ware dit niet zoo, ook om den wil van het meisje zult gij het

laten.”

»Wij zitten samen alleen wat te keuvelen,” zeide de prins terwijl hij

bloosde, »en niemand zal mij herkennen. Ja, als gij het volstrekt

verlangt dan zal ik niet met dien korf vol rozen oversteken, maar alleen

ga ik toch tot haar. ― Neen, zuster, dat laat ik mij niet verbieden!

Zij is zoo bekoorlijk, zoo blank, zoo teeder, en haar stemmetje klinkt

zoo zacht en lieflijk! En zij heeft voetjes, ja, hoe zal ik het zeggen,

zoo klein en sierlijk als Neferts hand! Wij hebben het meest gesproken

over Pentaoer. Zij kent zijn vader, die hovenier is, en weet zeer veel

van hem. Denk eens aan, zij zegt dat Pentaoer geen kind van zijne

ouders is maar een goede geest, die op aarde is gekomen, misschien wel

eene godheid. In het begin was zij zeer schuchter, maar toen ik over

Pentaoer begon, werd zij spraakzaam. Zij vereert hem bijna afgodisch, en

dat juist heeft mij geërgerd.”

»Gij zoudt zeker liever willen, dat zij u zoo vereerde?” zeide Nefert

lachende.

»Volstrekt niet!” hernam Rameri. »Maar ik heb haar mede gered en het

doet mij zoo goed als ik bij haar zit. Morgen, dat heb ik stellig

voorgenomen, steek ikzelf haar eene bloem in het haar. Dat is wel rood,

maar zoo zwaar als het uwe, Bent-Anat, en het moet verrukkelijk zijn het

met de hand te mogen aanraken en streelen!”

De vrouwen zagen elkander aan met een blik, waaruit duidelijk bleek dat

zij elkander verstonden. De prinses zeide dan ook op beslissenden toon:

»Gij gaat morgen niet naar de doodenstad, mijn pleegzoon.”

»Dat zullen wij eens zien, mijn pleegmoedertje!”

Dit zeide hij schertsend. Doch hierna werd hij ernstig en vervolgde: »Ik

heb ook mijn schoolvriend Anana gesproken. In het Seti-huis heerscht

thans de ongerechtigheid! Pentaoer zit in de gevangenis en gisteren

avond hebben zij gericht over hem gehouden. Onze neef Ani was ook

daarbij, en heeft den dichter heftig aangevallen. Ameni moet hem in

zijne bescherming hebben genomen. Welk besluit er eindelijk gevallen is,

konden de kweekelingen niet te weten komen, maar het moet wel iets heel

bedenkelijks zijn geweest, want de zoon van den schatmeester hoorde, hoe

Ameni na de zitting tot den ouden Gagaboe zeide; ‚Straf verdient hij,

maar ik laat zijn ondergang niet toe!’ Met deze woorden kon hij niemand

anders bedoelen dan Pentaoer. Morgen ga ik weder naar de overzijde, en

zal nog wel meer te weten komen, misschien wel iets verschrikkelijks,

denk ik. Op zijn minst zal hij voor vele jaren worden gevangen gezet.”

Bent-Anat was doodsbleek geworden. »Wat zij hem aandoen,” riep zij uit,

»lijdt hij om mijnentwil! O gij almachtige goden, helpt hem, helpt mij

en weest mij genadig!”

Zij sloeg de handen voor het aangezicht en verliet het vertrek.

»Wat mag mijne zuster toch wel overkomen zijn,” vroeg Rameri aan Nefert;

»zij komt mij zoo vreemd voor, en ook gij zijt anders dan gewoonlijk!”

»Wij beiden hebben ons in zekeren nieuwen toestand te verplaatsen.”

»Wat bedoelt gij hiermede?”

»Dat kan ik u zoo niet in een paar woorden verklaren. Maar het komt mij

voor als zult gijzelf weldra iets dergelijks ondervinden. ― Rameri! Ga

niet weder naar de Paraschieten!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 40 / 58 题