VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Eindelijk was ook de boot van den gids van wal gestoken met zijne moeder

Setchem en het lijk van zijn hond. Zijn plan was het beest te laten

balsemen, en te Kynopolis[255], de stad waarin men de honden meer dan

andere dieren voor heilig hield, te laten bijzetten. Hijzelf begaf zich

naar het Seti-huis, waar in den nacht die op het feest volgde een groot

gastmaal werd gehouden, waaraan zich de aanzienlijke priesters uit de

Nekropolis zoowel als uit Thebe, benevens de feestgezanten en de keur

der waardigheidbekleeders plachten te vereenigen. Zijn vader werd, als

hij ten minste in Thebe vertoefde, nooit bij dien maaltijd gemist.

Hemzelven viel heden voor het eerst de buitengewone onderscheiding ten

deel van als gast tegenwoordig te zijn, eene eer, die velen hem konden

benijden. Hij had dit alleen aan den stadhouder te danken, zoo als Ameni

hem uitdrukkelijk zeide, toen hij hem gisteren noodigde.

[255] Het oude Egyptische Saka, het tegenwoordige Samakoet, waar

Anubis als hoofdgodheid vereerd werd. Plutarchus verhaalt, dat

de Oxyrynchiten, die den Oxyrynchos-visch vereerden, met hunne

naburen, de Kynopoliten, die den hond voor heilig hielden, een

strijd begonnen over deze dieren. De strijd nam hiermede een

aanvang, dat de Kynopoliten, Oxyrynchos-visschen aten, en de

Oxyrynchiten uit wraak honden vingen, die ze slachten en als

een offermaal gebruikten. Eene dergelijke geschiedenis verhaalt

Juvenalis in de 15de satire van de Omiten (waarschijnlijk

Koptiten) en Tentyriten.

Voordat hij van haar afscheid nam, had zijne moeder de door Rameri

verwonde hand verbonden. Hij gevoelde hevige pijn, maar hij zou voor

geen prijs het gastmaal in het Seti-huis hebben willen verzuimen,

hoezeer hij er ook tegen opzag. Zijn geslacht was zoo oud en aanzienlijk

als eenig ander in Egypte, zijn bloed zuiverder dan dat des konings, en

toch gevoelde hij zich nooit in het gezelschap van rijksgrooten op

zijn plaats. Hij was geen priester en toch een schrijver, hij was een

krijgsman en toch stond hij niet in de gelederen van ’s konings helden.

Bij zijne opvoeding had hij strenge plichtsbetrachting geleerd, en hij

wijdde zich ook geheel aan zijn beroep. Doch zijne levensgewoonten

verschilden hemelsbreed van die dergenen, in wier kring hij was

opgewassen, en waarvan zijn schoone, dappere en grootmoedige vader het

sieraad was geweest. Hij was niet als een gierigaard gehecht aan

het vermogen, dat hij geërfd had; integendeel, de edele deugd der

vrijgevigheid scheen hem niet vreemd te zijn. Hij liet echter de

ongevoeligheid van zijn hart juist het meest blijken als hij gaf. Want

behalve dat hij van zijne geschenken zooveel mogelijk vertoon maakte,

werd hij niet moede de beweldadigden, die van hem afhankelijk waren,

telkens voor te houden, welk een dank zij hem verschuldigd waren. Hij

meende door zijne gaven het recht verworven te hebben, elk die ze aannam

naar welgevallen ruw en onbeschaamd te mogen bejegenen. Ziedaar, waarom

zelfs zijne beste daden hem meer vijanden dan vrienden bezorgden.

Paäker was derhalve een man van een onedel, of liever van een uiterst

zelfzuchtig karakter. Als hij langs een korter weg zijn doel bereiken

kon, was het hem volmaakt onverschillig, of hij op bloemen trad, dan op

het zand der woestijn. Deze zijn gemoedsgesteldheid openbaarde zich in

alles, en was ook merkbaar in zijn uiterlijk voorkomen, zooals in den

klank van zijn stem, in de breede trekken van zijn gelaat en in de

pronkerige bewegingen van zijne ineengedrongen gestalte. In het leger

kon hij zich gedragen zooals hij wilde, maar dit was niet geoorloofd

in het gezelschap van lieden, die tot zijn stand behoorden. Daarom, en

omdat hij de gave miste van vlug te kunnen spreken en met gevatheid te

kunnen antwoorden, eene gave die hun eigen was, gevoelde hij zich niet

op zijn gemak en niet op zijne plaats in hun midden. Hij zou aan de

uitnoodiging van Ameni waarschijnlijk geen gevolg hebben gegeven,

wanneer zij niet zijne ijdelheid gestreeld had.

Het was reeds laat geworden, maar het maal begon eerst omstreeks

middernacht, want de gasten waren vooraf tegenwoordig bij de

voorstellingen, die op het heilige meer in het zuiden van de Nekropolis

bij lamp- en fakkellicht werden gegeven, en die betrekking hadden op de

lotgevallen van Isis en Osiris. Toen hij de feestelijk getooide zaal

betrad, waarin de tafels waren opgeslagen, vond hij alle gasten

verzameld. Ook de stadhouder Ani was tegenwoordig en gezeten ter

rechterzijde van Ameni, aan het hoofd van de voornaamste tafel in het

midden, waaraan verschillende plaatsen onbezet waren, want de profeten

en ingewijden van Amon in Thebe hadden zich laten verontschuldigen. Zij

waren trouw gehecht aan Ramses en zijn huis, en hun grijze overste

keurde de stoutmoedige handelwijze van Ameni tegen de kinderen des

konings ten strengste af. Zij hielden ook het wonder van het ramshart

voor een vijandigen streek der priesters in de Nekropolis tegen den

rijkstempel te Thebe, door den pharao zoozeer begunstigd[256].

[256] Zie boven blz. 183. Bijna alle koningen van het nieuwe

rijk zorgden, zelfs met verkwistende vrijgevigheid, voor

den tempel van Karnak. De oudste koningsnaam, die op de

overblijfselen van dit heiligdom bewaard bleef, is die van

Oesertesen I (12e dynastie). Gedurende den tijd der Hyksos werd

de arbeid gestaakt, maar de Koningen der 18e en 19e dynastie

breidden den tempel uit met gebouwen van buitengewone

afmetingen. De groote zaal, waartoe Ramses I den grondslag

legde, die Seti I deed bouwen en Ramses II versierde, had

134 zuilen en was 102 bij 51 Meters groot. Ook de met Karnak

verbonden tempel van Loeqsor, onder de 18e dynastie aangelegd,

werd door Ramses II met grootere gebouwen voltooid. Aan de

oostzijde van Karnak werden nieuwe gedeelten aangebracht, en

onnoemelijk vele koninklijke geschenken, in de schatkamers van

dit heiligdom samengebracht. Mariëtte heeft onlangs in zijn

Karnak, voortreffelijke teekeningen van alle deelen en

onderdeelen van dezen tempel in het licht gegeven.

De Mohar ging naar de tafel, aan welke de bevelhebber der als

overwinnaars uit Ethiopië teruggekeerde troepen, met andere officieren

van hoogen rang was gezeten. Naast eerstgenoemde was een plaats open.

Paäker wilde er regelrecht op afgaan; toen hij echter bemerkte, dat de

generaal zijn buurman een wenk gaf om aan te sluiten, begreep de gids

dat deze hem beletten wilde aan zijne zijde plaats te nemen. Hij keerde

dus met spijtigen blik aan de tafel der krijgslieden den rug toe. De

Mohar was hem geen welkom feestgenoot. »Het is of de wijn mij zuur

smaakt, als die lomperd er in ziet,” zeide de bevelhebber.

De oogen aller gasten richtten zich op Paäker, die naar eene plaats

uitzag. Toen niemand hem een wenk gaf om bij hem te komen, begon zijn

bloed weder te koken. Het liefst zou hij terstond met een vloek de

feestzaal verlaten hebben. Reeds keerde hij zich naar de deur, toen de

stadhouder, die met Ameni eenige woorden gefluisterd had, hem toeriep

en verzocht de plaats in te nemen, die voor hem bestemd was, daarbij

wijzende op den stoel aan zijne zijde, die voor den eersten profeet van

den rijkstempel was bestemd geweest.

Paäker zette zich onder eene diepe buiging op deze eereplaats neder,

doch hij durfde niet van de tafel op te zien, want hij vreesde

verwonderde en spottende gezichten te ontmoeten. En toch had hij zich

kunnen voorstellen, hoe zijn grootvader Assa en zijn vader in de

nabijheid waren gezeten van deze plaats, die hun ook werkelijk meermalen

was ingeruimd. Was hij niet hun opvolger en erfgenaam? Stamde zijne

moeder Setchem niet uit een koninklijk geslacht? Was het Seti-huis hem

niet grooter dank schuldig, dan alle overigen?

Een dienaar hing hem een krans over de breede schouders en een ander

bood hem wijn en spijzen aan. Nu eerst waagde hij het op te zien en

daarbij ontmoette hij de helder vonkelende oogen van den tweeden profeet

Gagaboe, die tegenover hem zat. Hij begon weder op de tafel te staren.

Toen sprak de stadhouder hem aan en vertelde, zich daarbij half wendend

tot die in zijne nabijheid waren gezeten, dat de Mohar morgen naar Syrië

dacht te trekken, ten einde zijne zware taak weder op zich te nemen.

Het klonk Paäker in de ooren, als had Ani zich bij de aanwezigen

willen verontschuldigen, dat hij hem zulk eene eereplaats had gegeven.

Eindelijk hief de stadhouder den beker op, en dronk op den goeden

uitslag der verkenningstochten en het zegenrijk einde van elken strijd,

die de Mohar te voeren zou hebben. Ook de opperpriester wijdde hem een

dronk, en dankte hem luide in naam van het Seti-huis voor het kostelijk

stuk bouwland, dat hij hedenmorgen als feestgave aan den tempel had

vereerd[257]. Een gemompel van bijval werd door de geheele zaal

vernomen, en eerst nu begon het gevoel van onzekerheid den gids te

verlaten.

[257] Het was een zeer gewoon verschijnsel, dat koningen

akkerland aan de tempels schonken. Op ontelbare gedenkteekenen

is het aandenken aan zulke schenkingen bewaard. Doch ook rijke

burgers begiftigden niet alleen de heiligdommen met stukken

grond en bouwland, maar stelden soms bovendien een kapitaal

vast tot ontginning of tot onderhoud. Zoo bijv. Amon-en-apt te

Medinet Haboe.

»Zijt gij gewond?” vroeg de stadhouder. Want Paäker had nog altijd zijne

hand, die hem hevig pijn deed, in de zwachtels, die zijne moeder er

omgelegd had.

»Het heeft niets te beteekenen,” antwoordde de gids. »Toen ik mijne

moeder naar de boot bracht, viel er....”

»Er viel,” haastte zich een zijner vroegere medescholieren, de

opperbevelhebber van de wachtsoldaten in Thebe, die zeer hoog aan tafel

geplaatst was, lachende te zeggen: »er viel een stok of roeiriem op

zijne vingers.”

»Dat is wat te zeggen,” riep de stadhouder.

»Een nog zeer jonge knaap heeft zich tegen hem durven verzetten,” ging

de bevelhebber voort. »Mijne lieden hebben mij alles haarfijn bericht.

De jongen sloeg eerst zijn hond dood....”

»Den fraaien Descher?” vroeg de grijze opperjachtmeester, met innig

leedwezen. »Uw vader stond dikwijls met dit dier mij ter zijde, wanneer

wij jacht maakten op everzwijnen.”

Paäker knikte. De bevelhebber echter, in het trotsch gevoel van zijne

positie en waardigheid, begon opnieuw, zonder erop te letten dat het

bloed den gids naar het hoofd steeg en zijne wangen kleurde: »Toen de

hond op den grond lag, sloeg de waaghals u de zweep uit de hand.”

»De strijd heeft toch geene aanleiding gegeven tot rustverstoring?”

vroeg Ameni ernstig.

»Neen,” zeide de bevelhebber. »Het feest van heden is overigens

bijzonder rustig afgeloopen. Als niet het ongelukkig interval met dien

waanzinnige Paraschiet de processie had gestoord, dan zouden wij de

volksmenigte over hare houding slechts kunnen prijzen. Behalve den

vechtlustigen priester, dien wij u hebben uitgeleverd, zijn er enkel een

paar dieven opgebracht. Zij behoorden allen tot de caste[258], daarom

ontnamen wij hun alleen het geroofde, en lieten ze verder loopen. ―

Maar zeg mij toch eens, Paäker, welke vriendelijke geesten zijn er in u

gevaren dat gij dien vlegel ongestraft de wijk liet nemen?”

[258] Volgens Diodorus (I. 80) hadden de dieven in Egypte een

eigen gild. Alle burgers moesten zich in registers van den

burgerlijken stand laten inschrijven, en opgeven waarvan zij

leefden, zoo ook de dieven. De namen werden ingeschreven bij

de dievenhoofdman, aan wien al het gestolene moest worden

uitgeleverd. De bestolene moest eene schriftelijke aanwijzing

inleveren van de hem ontvreemde voorwerpen, met opgave van dag

en uur waarop hij ze vermist had. Op deze wijze vond men het

gestolene gemakkelijk bij den hoofdman weder, die het aan

den bezitter uitleverde, tegen betaling van het vierde deel

der waarde, ten voordeele van de dieven. Eene soortgelijke

inrichting moet nog betrekkelijk kort geleden te Kaïro hebben

bestaan.

»Hebt gij dat waarlijk gedaan?” riep de oude Gagaboe. »Gewoonlijk toch

is haat uw handwerk....”

Ameni wierp den grijsaard zulk een verwijtenden blik toe, dat hij zweeg.

Hij vroeg daarop den Mohar: »Hoe ontstond deze strijd, en wie was die

jongen?”

»Onbeschaamd volk,” antwoordde Paäker, »wilde zijn schuitje met geweld

aan de landingsplaats brengen, vóor de boot waarop mijne moeder wachtte.

Ik verdedigde mijn recht. Toen viel die knaap mij aan, en sloeg mijn

hond dood. Ja, bij mijn Osirischen vader, die het dier liefhad, de

krokodillen zouden hem al lang hebben verslonden, wanneer niet eene

vrouw zich geplaatst had tusschen hem en mij, en zich had doen kennen

als Bent-Anat, de dochter van Ramses. Zij was het in eigen persoon, en

de knaap de jonge prins Rameri, dien gij gisteren uit dit huis hebt

gebannen.”

»Oho,” riep de oude jachtmeester, »oho, mijnheer de Mohar, spreekt men

zoo van de kinderen des konings?”

Ook andere beambten, die den pharao aanhingen, gaven duidelijk hun

ongenoegen te kennen. Doch Ameni fluisterde den gids toe: »Zwijg voor

het oogenblik!” Daarop zeide hij overluid: »Het wegen van woorden, mijn

vriend, was nooit uw zaak en heden spreekt gij naar ’t mij toeschijnt,

als iemand die de koorts heeft. Kom hier Gagaboe, onderzoek Paäkers

wond, waarover hij zich niet behoeft te schamen, want een koningszoon

heeft hem geslagen.”

De grijsaard maakte de zwachtels los, die de sterk gezwollen hand van

den Mohar omgaven, en riep: »Die slag is duchtig aangekomen! Drie

vingers zijn gebroken, en bovendien, zie maar, de smaragd van uw

zegelring.”

Paäker zag naar zijne pijnlijke vingers en haalde weder vrij adem, want

niet zijn orakelring met den naam van Thotmes III was verbrijzeld, maar

de kostbare ring, dien de regeerende koning eens aan zijn vader had

geschonken. In de gouden kast hingen nog maar enkele splinters van den

vlak geslepen zegelsteen. De naam des konings was met de ontbrekende

stukken op den grond gevallen en verdwenen. Paäkers bleeke lippen

bewogen zich weer en eene stem in zijn binnenste riep hem toe: »De goden

wijzen u den weg! De naam is vernietigd; hij die hem droeg moet volgen!”

»Jammer van den ring,” zeide Gagaboe; »en als de hand niet denzelfden

weg op zal gaan, ― gelukkig is het maar de linker ― raad ik u niet

meer te drinken en u naar den arts Nebsecht te laten brengen, met

verzoek de gebrokene beentjes te zetten en te verbinden.”

Paäker stond op en nam afscheid, nadat Ameni hem den volgenden dag in

het Seti-huis en de stadhouder hem in het paleis had genoodigd.

Zoodra de deur zich achter den gids had gesloten, zeide de schatmeester

van het Seti-huis: »Dat was een kwade dag voor den Mohar, die hem

misschien leeren zal, dat men er hier in Thebe niet op los kan trekken,

gelijk in het veld. Er is heden nog wat anders met hem gebeurd. Wilt gij

het hooren?”

»Vertel het ons,” riep een zijner dischgenooten.

»Gij kent den ouden Seni,” zoo begon de schatmeester. »Hij was een

rijk man, maar gaf al wat hij bezat aan de armen, toen hij zijne zeven

bloeiende zonen, den een na den ander, in den krijg of door ziekten

verloren had. Hij behield voor zich niet meer dan een klein huisje met

een tuintje en zeide, dat hij zich wilde erbarmen over de verlatenen

hier op aarde, gelijk de goden zich over zijne kinderen in de andere

wereld zouden ontfermen. Spijst de hongerigen, drenkt de dorstigen,

kleedt de naakten, zegt de wet[259], en daar Seni niets meer heeft weg

te geven, trekt hij, zoo gij weet, zelf honger en dorst lijdende en ter

nauwernood gekleed, de stad door en naar elke plaats waar feest wordt

gevierd, bedelende voor zijne aangenomen kinderen, de armen. Wij hebben

hem allen wat gegeven, want ieder weet voor wie hij zich vernedert en

de hand houdt uitgestrekt. Heden trok hij weder met zijn zakje rond, en

smeekte met zijne goedige oogen om een aalmoes. Paäker heeft ons op dit

feest een kostelijk stuk land gegeven, en meent nu, misschien te recht,

dat hij het zijne heeft gedaan.”

[259] Zie Dl. I, bl. 100.

»Toen Seni hem aansprak, beval hij hem heen te gaan. De oude man hield

echter niet op te smeeken, en volgde hem onafgebroken tot aan het graf

zijns vaders, terwijl vele lieden hen naliepen. Daar voer de gids hevig

tegen hem uit, wees hem nog eens af, en toen de bedelaar het waagde hem

bij zijn kleed te grijpen, hief hij zijne zweep op en sloeg den armen

man twee, ja, driemaal, roepende: ‚Daar heb je wat je toekomt!’ De oude

man hield zich geduldig en bedaard, en zeide, terwijl hij zijn zakje

opendeed, met betraande oogen: ‚Mijn deel heb ik dus ontvangen; maar nu

mijne armen!’”

»Ik stond er bij, toen dit plaats had, en zag hoe Paäker zich ijlings

in het graf terugtrok, en hoe zijne moeder Setchem aan Seni haar vollen

buidel toewierp. Haar voorbeeld werd door anderen gevolgd, en de oude

heeft nooit zoo’n rijken oogst gehad als heden. De armen mogen den Mohar

wel dankbaar zijn! Eene groote massa volk vatte post voor zijne groeve,

en het zou slecht met hem zijn afgeloopen, als de politie-wacht de

menigte niet uit elkaar had gedreven.”

Dit verhaal werd natuurlijk met grooten bijval aangehoord. Want niemand

is zoo zeker van de algemeene instemming, als hij die de nederlaag

kan vertellen van een overmoedige, dien men niet liefheeft. Intusschen

hadden de stadhouder en de opperpriester druk met elkander gefluisterd.

»Het is derhalve aan geen twijfel onderhevig,” zeide Ameni, »dat

Bent-Anat het feest heeft bijgewoond.”

»En zij liet zich opnieuw in met den priester, dien gij altijd zoo warm

verdedigt,” fluisterde de ander.

»Pentaoer zal nog dezen nacht verhoord worden,” antwoordde de

opperpriester. »Reeds worden de schotels weggenomen en het drinkgelag

begint. Laten wij opbreken en den dichter een bezoek brengen.”

»Wij missen thans getuigen,” hernam Ani.

»Die hebben wij niet noodig,” verzekerde Ameni. »Hij kan niet liegen.”

»Nu, breek dan op,” zeide de stadhouder lachend, »want ik ben waarlijk

ook nieuwsgierig naar dezen blanken neger, en wil wel eens weten hoe hij

met de waarheid zal omspringen. Gij vergeet echter, dat hier eene vrouw

in het spel is.”

»Dat is altijd het geval,” antwoordde Ameni. Hij riep Gagaboe bij zich,

droeg zijn zetel aan hem over, en verzocht hem om aan het gesprek eene

vroolijke wending te geven, de gasten aan te moedigen om duchtig te

drinken, en elk onderhoud over den koning, den staat en den krijg af

te snijden. »Gij weet,” zoo besloot hij, »dat wij heden niet onder

ons zijn. Wat heeft de wijn niet reeds doen verraden! Wees daaraan

indachtig! Zich aan anderen te spiegelen, leert voorzichtigheid!”

De stadhouder Ani klopte den oude op den schouder en zeide: »Er zal

heden een bres gemaakt worden in uwe wijnschuren. Men zegt van u, dat

gij nooit een leeg glas, en ook geen vol kunt zien! Welnu, vier heden

aan uw tegenzin tegen beiden den vrijen teugel, en wanneer gij meent

dat het tijd is, wenk dan mijn hofmeester, die daar in den hoek zit.

Hij heeft eene kruik van het edelst druivennat van Byblos[260] van de

overzijde medegebracht en zal u daarvan schenken. Ik kom nog weder om u

goeden nacht te zeggen.”

[260] Gebal-Byblos in Phoenicië. Daar wies eene wijnsoort, die

ook onder de Grieken zeer beroemd was.

Ameni was gewoon bij het begin van drinkgelagen zich te verwijderen.

Toen de deur achter hem en den stadhouder gesloten was, werden nieuwe

rozenkransen om den hals der gasten gelegd, lotusbloemen boven op

hun hoofd gestoken en de bekers opnieuw gevuld. Er verschenen eenige

muzikanten, die op harpen, luiten, fluiten en handtrommels, vroolijke

deuntjes speelden. De directeur gaf de maat aan met in de handen te

klappen en naarmate de gasten opgewondener werden, hielpen zij door

gelijkmatige slagen mede. De levendige Gagaboe handhaafde zijn roem

als lustig drinker en leider van eene drinkpartij. Weldra straalden de

ernstige priestergezichten van uitgelaten vreugde, en krijgslieden,

zoowel als hofbeambten deden hun best elkander de loef af te steken in

dartele scherts.

Nu wenkte de grijsaard, en dadelijk verscheen een jeugdig, met kransen

getooid tempeldienaar, die een rijk verguld mummiebeeldje bracht. Hij

gaf het rond in den kring en riep: »Ziet dit beeld! Weest vroolijk en

drinkt, zoolang gij op aarde wandelt, want eerlang zult gij aan deze

mummie gelijk zijn”[261].

[261] Eene gewoonte, waarvan Herodotus (II 78) gewag maakt.

Lucianus was ooggetuige dat zulke mummiën bij een gastmaal

werden rondgegeven. De Grieken namen deze zede over, maar gewoon

om aan alles zekere bekoorlijkheid bij te zetten, stelden zij

een gevleugelden genius des doods in de plaats van de mummie.

Men herinnere zich hierbij ook de „larva” der Romeinen.

Gagaboe wenkte nog eens, en nu bracht de hofmeester van den stadhouder

den edelen wijn van Byblos. Men prees den milden gever, Ani, en roemde

den geurigen smaak van dezen kostelijken drank.

»Zulke wijn,” riep de anders zoo bijzonder ernstige overste der

Pastophoren, »is als de zeep”[262].

[262] Deze vergelijking is zuiver Oostersch. Kisrâ noemde

den wijn „de zeep der zorg.” Ofschoon den Mohamedanen de

wijn verboden was, hebben zij toch de heerlijkheid van het

druivennat, niet minder dan de gasten van het Seti-huis,

geroemd. Zoo zegt Abdelmâlik ibn Sâlih Hâschimî: „Het

uitnemendste waarmede de wereld zich verheugt, is de wijn.”

Gâhiz zegt: „De wijn, wanneer hij in uwe beenderen dringt en

door uwe leden vloeit, verleent u de waarheid van het gevoel en

de volmaking der ziel; hij maakt uw geest buigzaam, neemt alle

beklemdheid weg, veredelt uwe stemming;” enz. Toen men Ibn

Aischah van iemand vertelde, dat hij geen wijn dronk, zeide hij:

„De wereld heeft dien man reeds driemaal verstooten.” Ibn el Moe

tazz zong:

„Zorg niet of de tijd blijft dralen,

of wel rusteloos verder gaat!

Klaag alleen den wijn uw kommer,

als hij schuimend voor u staat.

Hebt gij driemaal reeds gedronken,

zoo behoed vooral uw hart,

Zal de vreugd het niet ontvlieden

en u blijven alle smart.

Dit is de een’ge welbeproefde

aller zorgen artsenij;

Daarom hoor toch wat ik rade,

wetend wat u dienstig zij.

Zorg niet, want hoe menig wenschte

d’armen, droeven menschengeest

Van zijn zwaren last te ontheffen ―

’t Is al vruchteloos geweest!”

»Welk eene wonderlijke vergelijking!” zeide Gagaboe, hartelijk lachende.

»Dat moet gij nader verklaren!”

»Wel,” hernam de ander, »hij wascht de zorgen der ziel weg.”

»Bravo, mijn vriend!” riep de oude. »Nu moet ook ieder den roem van dit

heerlijk druivensap met een woord prijzen. Kom gij, eerste profeet van

den Amenophis-tempel, maak maar een begin.”

»De zorg is vergif,” sprak hij, »en de wijn is het tegengif tegen het

gif der zorg.”

»Heel goed! Nu verder! De beurt is aan u, geheimraad des konings!”

»Elk ding heeft zijn geheim,” sprak de beambte, »en het geheim van dezen

wijn is de vreugde.”

»Nu aan u, zegelbewaarder!”

»De wijn grendelt de deuren der droefheid, en sluit de poorten der

zorgen!”

»Ja, dat doet hij, dat doet hij zeker! Nu gij, eerwaarde gouverneur van

Hermonthis, die van ons allen de oudste zijt!”

»De wijn rijpt eigenlijk alleen voor ons oudjes, en niet voor u, jong

volk!”

»Dat zult ge ons nader verklaren,” klonk een stem van de tafel der

krijgslieden.

»Hij maakt,” zeide de tachtigjarige lachend, »van grijsaards

jongelingen, maar van jongelingen kinderen.”

»Die kaatst moet den bal verwachten, gij jongens!” riep Gagaboe. »Uw

spreuk, overste der Horoscopen!”

»De wijn is vergif,” sprak de knorrige priester, »want hij maakt wijzen

tot gekken.”

»Dan hebt gij, helaas, weinig van hem te vreezen,” antwoordde Gagaboe

ondeugend. »Verder, jachtmeester!”

»De rand van den beker,” sprak deze, »is als de lippen onzer geliefde.

Raakt men hem aan, en bevochtigt de wijn onze tong, dan kust ons de

bruid.”

»Veldoverste, de beurt is thans aan u!”

»Ik wenschte dat de Nijl in plaats van water zulk een wijn inhield,”

riep de krijgsman, »en dat ik zoo groot was als de kolos van Amenophis,

en dat Hatasoe’s grootste obelisk[263] mijn drinkglas was, en dat ik

drinken mocht zooveel ik maar wilde. Laat ons nu, eerwaarde Gagaboe, ook

uw spreuk hooren tot lof van den wijn.”

[263] Deze staat nog heden overeind in den tempel van Karnak, en

is 33 meter hoog. De obelisk, die de Franschen van Loeqsor naar

Parijs overbrachten, en thans de Place de la Concorde versiert,

is 11 meter kleiner.

De tweede profeet hief zijn beker omhoog, bekeek met welgevallen het

gulden vocht, slurpte het langzaam op, en zeide toen met ten hemel

geslagene oogen: »Ik vrees dat ik te nietig ben om de verheven goden

voor zulk eene weldaad te danken.”

»Goed gesproken!” riep de stadhouder Ani, die tot de gasten was

teruggekeerd, zonder dat ze hem opgemerkt hadden. »Wanneer mijn wijn

spreken kon, dan zou hij u danken, voor hetgeen gij van hem gezegd

hebt.”

»Heil den stadhouder Ani!” riepen de drinkers, en hieven hunne schalen

omhoog, die met zijn edel vocht gevuld waren.

Hij beantwoordde dien dronk, stond daarna op en riep: »Wie uwer deze

wijn heeft geproefd, dien noodig ik morgen aan mijne tafel. Dáar zal hij

hem wedervinden, en blijft dit druivennat hem dan nog altijd smaken, zoo

zal hij mij als gast elken avond recht welkom zijn! Goeden nacht thans

mijne vrienden!”

Een daverend gejuich klonk hem achterna.

De morgen begon reeds te schemeren, toen de gasten de zaal verlieten.

Daar waren maar weinigen, die hun weg alleen konden vinden. De meesten

werden gewoonlijk opgenomen door hunne slaven, die hen stonden te

wachten, ze als balken op hunne hoofden droegen en zoo naar de

draagstoelen brachten, om ze naar huis te voeren. Doch heden werden hun

slaapplaatsen in het Seti-huis ingeruimd, want er was een schrikkelijk

onweder losgebroken.

* * * * *

Terwijl de gasten de bekers omhoog hieven en hunne vreugde steeds hooger

klom, was Pentaoer, weinige uren te voren als gevangene opgebracht, in

tegenwoordigheid van den stadhouder verhoord. Ameni’s boden hadden den

priester geknield gevonden en zoo diep in gedachten verzonken, dat hij

hen zelfs niet hoorde naderen. Zijne zielsrust was geweken; zijn gemoed

was in oproer en het wilde hem maar niet gelukken kalm over alles na te

denken, en tot klaarheid te komen omtrent dat nieuw onstuimig leven in

zijn binnenste. Tot dusver had hij zich nooit ter ruste gelegd, zonder

zich rekenschap te geven van den afgeloopen dag, en het was hem

gemakkelijk gevallen in zijn doen en laten nauwkeurig het goede van

het kwade te onderscheiden. Maar heden vertoonden zich voor zijne

terugziende oogen niet anders dan verwarde beelden. Als hij moeite deed

ze van elkander te scheiden en te ordenen, zag hij de gestalte van

Bent-Anat, die zijn hart en zijne zinnen aan banden legde.

Zijne vreedzame hand had zich tegen zijne medemenschen opgeheven en

bloed vergoten. Hij wilde zich overtuigen dat hij slecht had gehandeld

en berouw gevoelen; doch het was hem niet mogelijk, want zoo vaak hij

zichzelven verwijten deed en veroordeelde, zag hij de hand van den

soldaat in het haar van het meisje, en het oog van de prinses, dat zijne

handelwijze billijkte, ja van bewondering sprak. En hij moest voor

zichzelven erkennen, dat hij goed had gehandeld, en morgen in gelijke

omstandigheden weder hetzelfde zou doen. Tegelijk begreep hij echter,

dat hij de hem door de beschikking der goden gestelde grenzen aan alle

zijden had overschreden, en het scheen hem toe, als zou het hem nimmer

weder gelukken zich te huis te gevoelen in het stille, beperkte en

vreedzame leven van weleer.

Hij bad tot den Eenen, en tot den verheerlijkten geest van de eenvoudige

vrome vrouw, die hij zijne moeder had genoemd, om zielsrust en

tevredenheid met zijn lot. Maar te vergeefs; want hoe langer hij op de

knieën lag, en de armen smeekend omhoog hief, des te stouter werden

zijne wenschen, des te minder gelukte het hem zijn schuld te erkennen

en berouw te gevoelen. De roepstem van Ameni scheen hem daarom eene

verlossing toe, en hij volgde den bode, overtuigd dat hij streng

gestraft zou worden, maar zonder vrees, ja zelfs blijmoedig.

Pentaoer gehoorzaamde terstond het bevel van den opperpriester, die hem

hoog ernstig aanzag, en gaf van alles bericht. Hij vertelde hoe hij,

daar geen der artsen tehuis was, de oude Paraschietenvrouw was gevolgd

naar haar man, die door demonen bezeten was, en hoe hij om een meisje

te redden, dat het volk mishandelen wilde, zijne hand had opgeheven en

daarbij harde slagen had uitgedeeld.

»Gij hebt vier menschen gedood en wel tweemaal zoovelen zwaar gewond,”

zeide Ameni. »Waarom deedt ge u niet als priester kennen, en als de de

feestredenaar van dezen dag? Waarom hebt gij geene poging gedaan om het

volk, in plaats van door geweld, door vermanende woorden tot rust te

brengen?”

»Ik droeg geen priesterlijk gewaad,” antwoordde Pentaoer.

»Ook daarin hebt gij misdreven,” zeide Ameni, »want gij weet dat de wet

ieder onzer verbiedt zonder het witte kleed dit huis te verlaten. En

gij zoudt de macht van uwe stem niet kennen? Durft ge mij tegenspreken,

wanneer ik beweer, dat gij ook in het eenvoudig arbeiderskleed in

staat geweest zoudt zijn met woorden hetzelfde uit te werken als met

doodelijke slagen?”

»Het zou mij misschien gelukt zijn,” gaf Pentaoer ten antwoord. »Maar

eene dierlijke woede had zich van de menigte meester gemaakt. Ik

vond geen tijd tot kalm overleg, en toen ik den booswicht, die

het onschuldige kind bij de haren sleurde, als een gifslang had

weggeslingerd, werd er een strijdlustige geest in mij wakker. Mijn leven

was mij niets meer waard, en ik zou duizenden hebben verslagen, om dat

arme kind te redden.”

»Uwe oogen vonkelen,” zeide Ameni, »als hadt gij een heldendaad

verricht. Toch hebt gij slechts weerlooze en vrome burgers verslagen,

die vol ontzetting waren over eene schandelijke misdaad. Ik begrijp

niet hoe in den tuinmanszoon, den dienaar der godheid, de geest van een

krijgsman is gevaren.”

»Ja,” hernam Pentaoer, »toen de menigte op mij indrong, en ik haar met

inspanning van al mijne krachten van mij afweerde, toen heb ik iets

gevoeld van den wellust van den krijgsman, die het hem toevertrouwde

krijgsteeken verdedigt tegen het geweld van den aandringenden vijand. In

een priester is dit zeker zondig, en ik wil er voor boeten, maar het is

niet anders, ik heb het gevoeld.”

»Gij hebt het gevoeld en gij zult er voor boeten,” sprak Ameni ernstig.

»Bovendien was uw bericht niet geheel overeenkomstig de waarheid. Waarom

hebt gij verzwegen, dat Bent-Anat, de dochter van Ramses, zich in den

strijd gemengd en u gered heeft, door zich aan de menigte te doen kennen

en haar te bevelen u met vrede te laten? Hebt gij haar dit voor het volk

heeten liegen, omdat gij haar niet voor Bent-Anat hield? Nu man, die zoo

vast staat op den hoogen trap, gij die de banier der waarheid altijd

omhoog heft, geef antwoord!”

Pentaoer was onder deze woorden zijns meesters al bleeker en bleeker

geworden, Zijn antwoord luidde, terwijl hij met zijn oog op den

stadhouder: »Wij zijn niet alleen.”

»Daar is maar éene waarheid,” zeide Ameni koeltjes. »Wat gij geneigd

zijt mij toe te vertrouwen, dat mag deze hoogverheven heer, de

vertegenwoordiger des konings, ook vernemen. Nu dan, hebt gij Bent-Anat

herkend, ja of neen?”

»Zij die mij redde geleek haar, en zij geleek haar toch niet,”

antwoordde de dichter, wien de fijne spot in de woorden des meesters

opnieuw het bloed deed koken. »En al had ik ook even zeker geweten dat

zij de prinses was, als ik weet dat gij, die mij eerst zoo hoog hebt

gewaardeerd, mij nu tracht te vernederen, dan zou ik toch gehandeld

hebben gelijk ik deed, om eene jonkvrouw booze uren te besparen, die

meer godin is dan vrouw, en die om mij ongelukkige te redden, van den

troon steeg in het stof.”

»Altijd nog de feestredenaar,” zeide Ameni spottend. Daarop vervolgde

hij streng: »Ik bid u mij korte en duidelijke antwoorden te geven. Wij

weten zeker dat Bent-Anat ― zij heeft zich aan den koninklijken gids

kenbaar gemaakt ― in het gewaad van eene burgervrouw aan het feest

heeft deel genomen; dat niemand anders dan zij u gered heeft. Wist gij,

dat zij den Nijl zou over steken?”

»Hoe zou ik het geweten hebben?” was Pentaoer’s wedervraag.

»Gij geloofdet toch Bent-Anat voor u te zien, toen zij zich op de

kampplaats waagde?”

»Ik geloofde het,” antwoordde Pentaoer aarzelend, met neergeslagen

oogen.

»Dan was het zeer stout van u, de dochter des konings als eene

bedriegster weg te jagen.”

»Dat was het ook,” gaf Pentaoer ten antwoord, »maar om mijnentwil

bracht zij de eer van haar naam en die van haar voortreffelijken vader

in gevaar, en zou ik dan niet mijne vrijheid en mijn leven hebben

gewaagd om....”

»Wij hebben genoeg gehoord,” viel Ameni hem in de rede.

»Nog niet,” zoo begon nu de stadhouder te spreken. »Wat is er geworden

van het meisje, dat gij gered hebt?”

»Eene oude tooveres, Hekt geheeten, die in de nabijheid van den

Paraschiet woont, nam haar met hare grootmoeder bij zich in haar hol,”

antwoordde de dichter. ― Hierna werd hij op bevel van den opperpriester

in de gevangenis van het Seti-huis teruggebracht.

Nauwelijks was hij verdwenen, of de stadhouder riep uit: »Een gevaarlijk

mensch! Een dweeper! Een vurig vereerder van Ramses!”

»En van zijne dochter,” zeide Ameni lachend. »Maar ook slechts een

vereerder. Gij hebt niets van hem te vreezen, want ik sta u borg voor de

reinheid zijner bedoelingen.”

»Maar hij is schoon, en vermag veel door zijne groote welsprekendheid,”

hernam Ani. »Ik verlang hem als mijn gevangene, want hij heeft een

soldaat van mijne troepen gedood.”

Ameni’s voorhoofd rimpelde zich, zijn gelaat nam eene sombere

uitdrukking aan, en met hoogen ernst sprak hij: »Het komt, volgens

onzen vrijbrief, enkel den raad onzer priesters toe, over de leden van

dit huis te richten. Gij zelf, de toekomstige koning, hebt ons, de

verdedigers van uw eigen oud en heilig recht, vrijwillig toegezegd, dat

ook onze rechten geëerbiedigd zouden worden.”

»Dat zal ook geschieden,” zeide Ani, met een lachje, dat den toorn van

den opperpriester moest bezweren. »Maar deze man is gevaarlijk, en gij

zult hem toch niet ongestraft willen laten?”

»Hij zal streng gevonnist worden,” zeide Ameni, »maar door ons en in dit

huis.”

»Hij heeft een, ja meer dan éen moord begaan,” hernam Ani, »Hij is des

doods schuldig!”

»Hij handelde door den nood gedrongen, om zich te verdedigen,”

antwoordde Ameni, »en een door de godheid begenadigd man als deze geeft

men niet op, al verleidde ook eene zeer ontijdige edelmoedigheid hem

tot ergerlijke daden. Ik weet, ik zie het u bovendien aan, dat gij hem

kwalijk zijt gezind. Zoo ge mij als bondgenoot waardeert, beloof mij dan

hem niet naar het leven te zullen staan.”

»Gaarne!” antwoordde Ani met zijn gewone lachje, terwijl hij den

opperpriester zijne hand reikte.

»Wees overtuigd van mijn dank,” zeide Ameni. »Pentaoer was de meest

belovende van mijne kweekelingen, en ondanks menige afdwaling is hij

mij nog altijd dierbaar. Toen hij van den strijdlust gewaagde, die hem

heden overviel, zag hij er toen niet uit als de groote Assa, of zijn

zoon, de ontslapen Mohar, de Osirische vader van den gids Paäker?”

»Deze gelijkenis is inderdaad treffend,” gaf de ander ten antwoord. »En

toch moet hij van lage afkomst zijn. Wie was zijne moeder?”

»De dochter van onzen poortwachter, eene stille en vrome ziel, maar die

niet door schoonheid uitmuntte.”

»Ik keer nu tot het drinkgelag terug,” zeide de stadhouder, na zich een

oogenblik bezonnen te hebben. »Doch ik zou u nog wel een verzoek willen

doen. Ik vertelde u van het geheim, dat den gids Paäker geheel tot ons

werktuig kan maken. De tooveres Hekt, die de Paraschieten-vrouw tot zich

nam, moet er van weten. Zend politie-wachters tot haar, en laat haar

gevangen hierheen brengen. Ikzelf neem haar in het verhoor, en kan haar

op deze wijze uitvragen, zonder opzien te wekken.”

Ameni zond dadelijk eenige gewapenden uit, en beval daarop in stilte een

zijner meest vertrouwde dienaars, het zoogenaamde gehoor-vertrek te

verlichten, en in de ruimte daarnaast een zetel voor hem te plaatsen.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 37 / 58 题