Een uur later voer eene slanke, zeer eenvoudig gekleede burgervrouw,
bij welker jeugdig gelaat eenige donkere plooien op voorhoofd en wangen
slecht wilden passen, over den Nijl, vergezeld van een donker gekleurden
opgeschoten jongen en een tenger knaapje. Het was moeielijk in dit
drietal de fiere Bent-Anat, den lichtkleurigen Rameri en de schoone
Nefert te herkennen. Deze laatste maakte, in het lange witte kleed van
de kweekelingen eener priesterschool, alles behalve een slecht figuur.
Toen zij aan wal waren gestapt, werden zij gevolgd door de beide sterke
en trouwe opzichters van de draagstoeldragers der prinses. Zij had
hun bevolen, dat zij den schijn moesten aannemen, als stonden zij in
geenerlei betrekking tot hunne meesteres en die haar vergezelden.
De vaart over den Nijl had lang geduurd. De vorstelijke broeder en
zuster hadden daarbij ondervonden, met hoeveel tegenspoeden gewone
stervelingen te worstelen hebben om tot een doel te geraken, dat zij
die een kroon dragen als vanzelf bereiken. Want niemand baande hun den
weg; geen boot week voor hun uit. Ieder was er op uit hun den voorrang
te betwisten, en eerder dan zij aan genen oever te landen. Toen zij
eindelijk bij de landingstrap uitstegen, was de processie reeds aan
het Seti-huis genaderd. Ameni was haar tegemoet gegaan, met zijne
zangerskoren, en had aan den Nijloever den god ontvangen. De profeten
van de Nekropolis plaatsten hem met eigene handen in de heilige van
cederhout en verguld zilver kunstig vervaardigde Sam-bark[245] van het
Seti-huis, die overal met edelgesteenten was bezet. Dertig Pastophoren
namen het kostbaar vaartuig op hunne schouders en droegen het door de
sphinxenlaan, die de haven met den tempel verbond, in het allerheiligste
van het Seti-huis, waar Amon vertoefde, terwijl de feestgezanten uit
alle provinciën des lands hunne offergaven in het voorhof van het
heiligdom nederlegden. Op weg naar den tempel liepen Kolchyten vooruit,
om naar oud gebruik zand voor den god te strooien[246].
[245] Zie boven bl. 272.
[246] Peyron, =Papyri Graeci regii Taurinensis=, T. I, p. 41,
42, 85-88.
Na verloop van een uur trad de processie weder naar buiten. Zij bewoog
zich in eene zuidelijke richting voorwaarts, rustte het eerst in den
reuzentempel van Amenophis III, voor welken de twee grootste kolossen
van het Nijldal als wachters stonden, en daarna in den tempel van den
grooten Thotmes, die nog zuidelijker was gelegen[247]. Daar keerde zij
om, ging vlak langs de oostelijke helling van het Libysch gebergte,
waarin tal van graven waren[248], besteeg vervolgens de terrassen van
den tempel van Hatasoe, dien wij kennen, hield zich in de nabij dit
heiligdom gelegen graven der oudere koningen[249] eenige oogenblikken
op, en bereikte tegen zonsondergang het eigenlijke feestterrein, aan den
ingang van het dal, waarin het graf van Seti was aangelegd[250], terwijl
zich in de naar het westen loopende dwarsdalen eenige groeven bevonden
van pharao’s uit het onttroonde koningshuis. Men was gewoon dit gedeelte
van de Nekropolis bij het licht der lampen en het schijnsel der fakkels
te bezoeken, voordat de god terugkeerde, en vóor de tegen middernacht
aanvangende feestspelen op het heilige meer in het zuidelijkste gedeelte
van de doodenstad. Achter den god werd in eene vaas van doorzichtig
kristal, die op een hoogen staak bevestigd was, opdat iedereen het zou
kunnen zien, het heilige hart van den ram rondgedragen.
[247] Het goed onderhouden oudste deel des tempels van Medinet
Haboe.
[248] Het tegenwoordige Qoernet Moerraï Ald el Qoernah.
[249] Het tegenwoordige el Assassif en Drah aboe’l Negga.
[250] Het tegenwoordige Biban el Moeloek.
Onze vrienden sloten zich, nadat zij, zonder door iemand herkend te
zijn, hun krans op het rijke offeraltaar hunner koninklijke voorvaderen
gelegd hadden, eerst laat in den middag aan bij de volksmenigte, die de
processie volgde. Bij de groeve van Mena’s voorvaderen bestegen zij de
oostelijke helling der Libysche bergen. De stamvader van Mena,
Neferhotep, een profeet van Amon, had dat graf laten aanleggen, welks
enge ingang door een groote volksmassa als belegerd was. Want in de
eerste in de rots uitgehouwen grafkamer zat, bij elk feest, een
harpspeler het doodenlied te zingen van den sedert lang ontslapen
profeet, en van zijne gemalin en zuster. Zijn huiszanger had het
gedicht. Het was in de tweede grafkamer in den wand gebeiteld, en
Neferhotep had aan het bestuur van de doodenstad een stuk grond
vermaakt, met de verplichting, dat de inkomsten ervan gebruikt moesten
worden tot bezoldiging van een harpspeler, die verplicht was zijn lied
bij elk doodenfeest, onder begeleiding van snarenspel te zingen. De
wagenmenner Mena kende dit doodenlied van zijn stamvader zeer goed,
en had het Nefert dikwijls voorgezongen, terwijl zij hem met de luit
begeleidde. Want ook in de uren van vreugde, ja, bij voorkeur in deze,
gedachten de Egyptenaars aan hunne dooden. Zij luisterde nu met die haar
vergezelden naar den harpspeler, die zong[251]:
»Ruste in vrede deze groote!
Schenker van de schoonste gaven!
Sinds de heerschappij der goden,
Moet het kroost der menschen sterven.
Ouden wijken voor de jongen.
Schitterend rijst de nieuwe zongod
Elken morgen, nadat de oude
Rust vond in den schoot van ’t westen[252].
* * * * *
Vier nu, mijn profeet, den feestdag!
Geur’ge zalven, specerijen
Bieden wij, en bloemenkransen
Slingren wij om borst en armen
Uwer veelgeliefde zuster,
Die daar neerzit aan uw zijde.
Laat ons voor uw vriendelijk aanschijn
Lied’ren zingen, snaren tokk’len:
Laat toch achter u de zorgen,
Wees gedachtig aan de vreugde,
Tot de dag der reize nadert,
Als men landend rust mag vinden
In het rijk, waar allen zwijgen.”
[251] Het graf van Neferhotep bleef voortreffelijk bewaard,
alsmede de tekst van het lied, dat het eerst door Dümichen
(=Historische Inschriften=, II) werd uitgegeven, daarna door L.
Stern (=Zeitschr. für ägyptische Sprache=, 1873) werd verklaard.
De volgende regels zijn daaruit vertaald.
[252] Manoen, =Doodenboek= 15 z. 44; 110, z. 11.
Toen de zanger zweeg, drongen eenige lieden de eenvoudige grafkapel
binnen, om hun dank voor dit lied uit te spreken in het nederleggen van
eenige bloemen op het offeraltaar van den profeet. Nefert en Rameri
traden insgelijks het graf binnen, en de eerste legde, nadat zij in
een lang en stil gebed den verheerlijkten geest van den gestorvene had
aangeroepen, om Mena te beschermen, haar krans naast de mummie-groeve,
waarin de moeder van haar gemaal rustte.
Vele leden van het hofgezin gingen zelfs rakelings de koningskinderen
voorbij zonder hen te herkennen. Zij haastten zich nu om op het
feestterrein te komen, maar het gedrang was zoo groot, dat de vrouwen
zich nu en dan genoodzaakt zagen in een graf uit te wijken. In alle
grafkapellen vonden zij de offeraltaren met gaven overladen, en in de
meeste de familiebetrekkingen gezellig bijeen, die onder het genot van
vleesch en vruchten, bier en wijn, hunne afgestorvenen gedachten, alsof
het reizigers gold, die ver van den geboortegrond hun geluk hadden
gevonden, en die men vroeger of later hoopte weer te zien. De zon neigde
reeds ten ondergang, toen zij op het eigenlijk feestterrein aankwamen.
Welk een levendig tooneel deed zich hier aan hen voor. Overal stonden
tafels en tenten met eetwaren, voornamelijk met zoet gebak voor de
kinderen, en verder met dadels, vijgen, granaatappelen en andere
vruchten. Onder lichte afdaken, die echter voldoende waren om de
zonnestralen te weren, zag men sandalen te koop, en goed voor
kleedingstukken in alle stoffen en kleuren. Daar vond men snuisterijen,
amuletten, waaiers en zonneschermen, geurige reukwerken van allerlei
soort, kortom al wat men verlangen kon voor het offeraltaar zoowel als
voor de toilettafel. De korven der hoveniers en bloemenverkoopster waren
reeds ledig, maar de wisselaars hadden nog handen vol werk, en aan
de schenk- en dobbeltafels ging het reeds levendig toe. Vrienden en
bekenden begroetten elkander met vrome spreuken, terwijl kinderen
elkander hunne nieuwe sandalen, en de koeken die zij met dobbelspel
gewonnen hadden, of de koperen ringetjes die zij hadden gekregen en nog
heden besteed moesten worden, lieten kijken. Het meeste succes hadden
wel de wonderdoeners van het Seti-huis. Eene menigte toeschouwers
zat, op den grond neergehurkt, rondom hen geschaard; men had echter
vrijwillig voor de kinderen de eerste rijen ingeruimd.
Toen onze wandelaars deze plek betraden, was het godsdienstige feest
reeds afgeloopen. Nog stond er de troonhemel, waaronder de koninklijke
familie de feestrede pleegde te hooren en in welks schaduw heden de
stadhouder Ani had gezeten. Men zag nog de zitplaatsen der aanzienlijken
staan en de staketsels, die het volk verwijderd hielden van den adel, de
priesters en de leden der koninklijke familie. Hier had Ameni met eigen
mond het wonder van het ramshart aan het jubelende volk medegedeeld,
en kenbaar gemaakt, dat er een nieuwe Apis onder de kudden van den
stadhouder gevonden was. Zijne verklaring dezer goddelijke teekenen ging
van mond tot mond. Zij voorspelden het land vrede en geluk, door een
lieveling der goden. Al sprak de opperpriester het niet uit, zoo kon
het zelfs den onnoozelste niet ontgaan, dat met dien lieveling niemand
anders werd bedoeld dan Ani, de afstammeling van de groote Hatasoe,
welker profeet met het hart van den heiligen ram begenadigd was
geworden. Ieder zag bij Ameni’s woorden op Ani, en deze offerde voor het
oog van het volk onder het heilige hart en ontving den zegen van den
opperpriester.
Ook Pentaoer had zijne rede reeds uitgesproken, toen Bent-Anat met die
haar vergezelden op het feestterrein kwam. Zij hoorde hoe een grijsaard
tot zijn zoon zeide: »Het leven is niet gemakkelijk. Dikwijls kwam het
mij voor als een last, die onbarmhartige goden ons op de schouders
leggen. Maar toen ik den jongen priester uit het Seti-huis hoorde,
gevoelde ik toch dat de hemelsche goden goed zijn, en dat wij hen voor
veel te danken hebben.”
Elders zeide de vrouw van een priester tot haar jongske: »Hebt ge dien
Pentaoer wel eens goed in ’t aangezicht gezien, Hor-oeza? Hij is van
lage afkomst, maar hij overtreft de grootsten in geest en gaven, en zal
het ver brengen.”
Twee meisjes stonden ginds met elkander te praten. »Die feestredenaar
is de schoonste man, dien ik ooit gezien heb,” zeide de eene tegen de
andere; »en zijne stem klonk als welluidend gezang.”
»En hoe vol vuur waren zijne oogen, toen hij de waarheid prees als de
hoogste deugd,” antwoordde het andere meisje. »Ik zou denken dat alle
goden in hem woonden.”
Bent-Anat bloosde, toen zij deze woorden opving. Zij wilde terugkeeren,
want de duisternis begon te vallen, doch Rameri wenschte ook de
processie te volgen, die nu met lampen en fakkels door het westelijk
dal zou trekken, ten einde dan tevens het graf van hun grootvader Seti
een bezoek te brengen. De prinses gaf ongaarne toe. Het was echter op
dit tijdstip uiterst moeielijk den Nijl te bereiken, want de dichte
volksmenigte bewoog zich juist in de tegenovergestelde richting. De
prins en zijne zuster lieten zich dus met Nefert door den stroom
medesleepen en kwamen, toen de zon reeds was ondergegaan, in het
westelijk dal. Geen roofdier vertoonde zich daar in dezen nacht, want
jakhalzen en hyena’s hadden de wijk genomen naar de woestijn, zoodra
zij het licht zagen der ontelbare fakkels en uit gekleurd papyrus
samengestelde lantaarns, die de bezoekers van de Nekropolis in de handen
droegen. De rook van fakkels en andere lichten, en de stof die werd
opgedreven door de beweging van zulk een menschenmassa, waren oorzaak,
dat men den sterrenhemel niet kon zien en de processie met de daarop
volgende menigte in eene wolk was gehuld.
Bent-Anat, Nefert en Rameri hadden zich een weg gebaand tot bij de hut
van den Paraschiet Pinem. Hier waren zij echter gedwongen te blijven
staan, want veiligheidswachters drongen het volk met hunne staven
rechts en links uit den weg te gaan, ten einde ruimte te maken voor de
naderende processie.
»Zie, Rameri,” zeide Bent-Anat, terwijl zij wees naar den tuin van den
Paraschiet, die slechts enkele schreden van haar verwijderd was, »daar
woont het blanke meisje, dat ik overreden heb. Zij wordt toch beter.
Keer u eens om: dáar, achter de doornheg bij het kleine vuurtje, dat
haar juist in het gezicht schijnt, zit zij naast haar grootvader.”
De prins ging op de teenen staan, wierp een blik in den armoedigen hof,
en zeide daarop met zachte stem: »Is dat nu zulk een mooi meisje? ―
Maar wat doet zij toch met den oude? Die schijnt te bidden, en zij houdt
hem het eene oogenblik een doek voor den mond, en dan weder wrijft zij
zijne slapen. En wat ziet zij er angstig uit!”
»De Paraschiet zal ziek zijn,” antwoordde Bent-Anat.
»Misschien heeft hij op het feestterrein wel een kan wijn te veel
gedronken,” zeide de prins lachend. »O zeker! Zie eens hoe krampachtig
zijne lippen zich bewegen, hoe zijne oogen rollen. Akelig! Hij ziet er
uit als een bezetene.”
»Hij is een onreine,” zeide Nefert.
»Maar toch een goed en braaf man, met een teergevoelig hart,” antwoordde
de prinses levendig. »Ik heb naar hem onderzoek gedaan. Hij moet zeer
rechtschapen zijn en altijd nuchter. Hij is dus zeker ziek en niet
dronken.”
»Nu staat het meisje op,” riep Rameri, terwijl hij de papieren lantaarn,
die hij op het feestterrein gekocht had, wat lager hield. »Ga wat opzij,
Bent-Anat; zij schijnt iemand te wachten. Hebt ge ooit zulk een blank
menschenkind gezien, en zulk een aanvallig kopje? Zelfs die typhonische
haren staan haar buitengewoon schoon. Maar zij zelve waggelt. Zij moet
zeker nog heel zwak zijn! ― Daar zit zij weer bij den oude en wrijft
hem het voorhoofd. Het arme schepsel! Zie eens hoe zij snikt. Ik wil
haar mijn beurs toewerpen!”
»Doe het niet,” zeide Bent-Anat. »Ik heb haar een rijk geschenk gegeven,
en de tranen die daar worden gestort schijnen van dien aard, dat zij met
geen goud kunnen worden gedroogd. Ik zal morgen de oude Anath hierheen
zenden en laten vragen, of ik ook ergens mee helpen kan. ― Zie nu vóór
u, Nefert, daar komt de processie. Foei, hoe onfatsoenlijk dringt dat
volk! ― Als de god voorbij is, gaan wij naar huis!”
»Ach,” zeide Nefert, »ik ben zoo beangst!” Bij deze woorden klemde zij
bevend zich zoo vast mogelijk aan de prinses.
»Ik wenschte ook wel, dat wij te huis waren,” antwoordde Bent-Anat.
»Zie toch eens,” riep Rameri. »Daar zijn zij! Niet waar, dat is
heerlijk. Ziet hoe dat hart licht, alsof het eene ster was!”
Al het volk en ook onze vrienden wierpen zich op de knieën.
Vlak voor hen hield de processie een oogenblik stil. Dit geschiedde
telkens, wanneer men duizend schreden had afgelegd. Een heraut trad
vooruit en prees met eene ver klinkende stem het groote wonder, waarbij
kort geleden nog een nieuw was gekomen. Want het heilige hart van den
ram was, toen de duisternis aanbrak, begonnen te lichten.
* * * * *
Sedert zijn terugkeer uit het huis der balsemers had de Paraschiet Pinem
geen voedsel willen gebruiken. Op alle vragen der zijnen, die zich
doodelijk ongerust maakten, had hij niet willen antwoorden. Strak voor
zich uit ziende, prevelde hij allerlei onverstaanbare woorden, terwijl
hij de hand gedurig aan zijn voorhoofd bracht. Eenige uren geleden had
hij het plotseling uitgeschaterd van lachen. Zijne vrouw hierdoor nog
ongeruster geworden, was dadelijk naar het Seti-huis gegaan om den arts
Nebsecht te roepen. Gedurende hare afwezigheid moest Warda grootvaders
slapen wrijven met de bladeren, die de tooveres Hekt op hare borst had
gelegd. Deze hadden eens zoo goed gewerkt, en zouden ook nu voor de
tweede maal den demon der krankheid wel kunnen verjagen.
Toen de door duizende fakkels en lampions verlichte processie stilhield
voor de hut van den Paraschiet, die echter geheel in de duisternis was
weggedoken, en een burger zijn buurman toeriep: »Het heilige ramshart
komt!” verschrikte de oude en richtte hij zich op. Zijne oogen staarden
onafgebroken op het flikkerende wonderhart in zijne kristallen vaas.
Langzaam rees hij overeind, met uitgerekten hals en bevende over zijn
gansche lichaam. ― De heraut verkondigde den lof van het wonder. Daar
vloog, vóor hij nog geëindigd had, terwijl het volk eerbiedig geknield
lag en onder diepe stilte luisterde naar de woorden van den spreker,
de Paraschiet de deur van zijn huis uit, sloeg met vuisten tegen zijn
voorhoofd en brak weder vlak tegenover het heilige hart in een
waanzinnig schaterlachen, uit, zoo luide, dat het wijd en zijd langs de
naakte rotsen van het dal weerkaatste.
Vol ontzetting rees de menigte van de knieën op. Ook Ameni, die dicht
achter het hart liep, verschrikte, en zag rond naar de persoon, die zoo
afgrijselijk had gelachen. Hij had den Paraschiet nooit gezien, maar
hij ontwaarde door stof en duisternis heen de doffe schemering van het
kleine vuur in den hof. Hij wist dat de opensnijder van de lijken op
deze hoogte woonde. Dadelijk was zijn besluit genomen. Hij fluisterde
een der officieren, die met hunne soldaten aan beide zijden van den
trein marcheerden, eenige woorden in het oor, die deze alleen verstond,
gaf daarop een teeken, en de processie zette zich weder in beweging,
alsof er niets gebeurd was.
De oude spande al zijne krachten in om, steeds luider en akeliger
lachende, op het hart los te stormen, maar het volk wierp hem terug.
Terwijl de laatste groepen van den feesttrein hem voorbij trokken,
sleepte hij zich, vreeslijk mishandeld, weder naar de deur van zijn hut.
Daar zonk hij ineen, en Warda wierp zich op den grijsaard, die onkenbaar
op den grond lag te midden van stof en duisternis.
»Vertrapt den spotter!”
»Scheurt hem in stukken!”
»Verbrandt dat onreine nest!”
»Werpt hem met de deerne in de vlammen!”
Zoo brulde het in zijne aanbidding gestoorde volk in dolle woede. Twee
oude vrouwen rukten de lantaarnen van hare stokken, en sloegen op den
ongelukkige los, terwijl een Ethiopisch soldaat, Warda bij de haren
greep en van haar grootvader wegsleepte.
Op dit oogenblik verscheen de vrouw van den Paraschiet en met haar
Pentaoer. De oude vrouw had Nebsecht niet gevonden maar wel den
dichter, die na het uitspreken van zijne rede naar het Seti-huis was
teruggekeerd. Zij vertelde hem van de demonen[253], die haar man hadden
aangegrepen, en smeekte hem met haar mede te gaan. Pentaoer volgde haar
onverwijld in zijn huiskleed, zooals hij ging en stond, zonder het witte
gewaad aan te trekken, dat hem bij dit bezoek niet wenschelijk voorkwam.
Toen hij in de nabijheid van de Paraschietenhut was gekomen, vernam
hij het getier der menigte en boven allen uit den schrillen angstkreet
van Warda. Hij vloog vooruit en zag bij het flauwe schijnsel van het
smeulend haardvuur en het gekleurde doffe licht der lantaarns, de hand
van den zwarten soldaat in de haren van het hulpelooze kind. Dadelijk
was zijn besluit genomen, en op hetzelfde oogenblik hadden reeds zijne
ijzeren handen den soldaat bij de keel gegrepen. Daarop vatte hij den
kerel om zijn middel, tilde hem op en wierp hem als een rotsblok in
den tuin van den Paraschiet. Dit deed de woede der menigte opnieuw
ontvlammen, en zij stormden op hem los. Pentaoer gevoelde zich door een
tot hiertoe ongekenden vechtlust aangegrepen. Met een enkelen ruk
haalde hij den paal van zwaar Ethiopisch hout uit den grond, die de
tent steunde, door grootvaders zorgzame hand voor zijne kleindochter
opgericht. Hij slingerde dit wapen alsof het een rietstaf was, met
onbegrijpelijke snelheid rondom zijn hoofd, joeg de menigte terug, en
riep Warda toe, dat zij zich aan hem moest vastklemmen.
[253] Men geloofde dat waanzinnigen door demonen bezeten waren.
De beroemde stêle in de bibliotheek van Parijs, die door E. de
Rougé uitnemend is verklaard, verhaalt ons van de door demonen
bezetene schoonzuster van Ramses XII, dat de booze geesten,
waardoor zij bevangen was, uitgedreven waren door het beeld van
Choensoe, dat naar haar Aziatisch vaderland was gezonden.
»Die dat meisje durft aanraken,” schreeuwde hij, »is een kind des doods.
Is het geen schande dat gij een zwakken grijsaard en een hulpeloos kind
dus aanvalt op dit heilige feest!”
De menigte zweeg een oogenblik, maar om dadelijk weder op te dringen, en
nog wilder dan zoo even te brullen: »Verscheurt die onreinen! Steekt het
nest in brand!”
Eenige handwerkslieden uit Thebe gingen op den dichter af, in wien
niemand den priester kon herkennen. Maar deze slingerde zijn paal, die
hen ter aarde wierp, eer hunne vuisten en stokken hem konden raken. Waar
het zware stuk hout trof, daar viel een man. Maar lang kon de worsteling
niet duren, want eenige van het gepeupel waren over de omheining
gesprongen, om hem in den rug aan te vallen. Pentaoer stond nu opeens in
het volle licht. Men had vuur geworpen in de hut achter hem, de droge
palmtakken van het dak waren dadelijk in brand geraakt, en knetterende
vlammen stegen op naar den nachtelijken hemel. De dichter hoorde het
razen van het volk achter zich. Met zijne linkerhand omvatte hij
het hoofd van het bevende meisje, dat zich steeds dichter aan hem
vastklemde, terwijl hij met de rechter den paal bleef slingeren,
overtuigd dat zij beiden verloren waren, maar dat hij de onschuld en
het leven van dit lieve schepsel tot zijn laatsten ademtocht moest
verdedigen.
Doch het wapen snorde voor het laatst, door de lucht. Het gelukte twee
mannen het vreeselijk hout te grijpen; anderen ijlden ter hulp en
wrongen het den worstelaar uit de hand. Van beide zijden naderden
woedende vijanden, die echter ongewapend waren, en door vrees voor de
ontembare kracht van zulk een tegenstander op zekeren afstand werden
gehouden. Hijgend naar adem en bevende over al hare leden, als een
opgejaagde antilope, hield Warda zich aan haar beschermer vast.
Pentaoer liet niet anders hooren dan een somber gesteun, toen hij zich
ontwapend zag. Daar sprong, alsof hij uit den grond was opgekomen,
een jongeling aan zijne zijde, duwde hem het zwaard van den gevallen
soldaat, dat voor zijne voeten had gelegen, in de hand, en plaatste zich
achter den dichter, rug aan rug. Terstond richtte Pentaoer zich weder
op in zijne volle lengte, met den wapenkreet van een held op de laatste
vrije schans van zijne bestormde vesting, en zwaaide zijn nieuwe wapen.
Met de vlammende oogen van een leeuw, dien de jachthonden van het wild
dat hij velde, willen verjagen, stond hij daar, en een oogenblik weken
zijne tegenstanders terug. Want ook zijn bondgenoot, de jonge Rameri,
had dreigend zijn bijl opgeheven.
»Die laffe moordenaars werpen met vuur,” riep de prins. »Kom hier,
meisje! Laat ik het brandend pek op uw kleedje uitdooven.”
Bij deze woorden greep hij Warda’s hand, trok haar naar zich toe, en
bluschte de vlam op haar kleedje, terwijl Pentaoer hen met zijn zwaard
beschermde.
Eenige oogenblikken hadden de prins en de dichter rug aan rug gestaan,
toen een steen het hoofd van den laatsten trof. Pentaoer wankelde, en
reeds drong de tierende menigte naar voren, toen de omheining van den
kleinen tuin door krachtige handen werd omvergehaald, en eene vrouw lang
van gestalte, op het tooneel van de worsteling verscheen. »Laat dezen
met rust!” riep zij het verbaasde volk toe. »Ik beveel het! Ik ben
Bent-Anat, de dochter van Ramses!”
Als door den bliksem getroffen, week de woedende menigte terug.
De dichter kreeg zijn bewustzijn terug, en toch geloofde hij dat alles
maar zinsbegoocheling was. Hij zag en hoorde, en toch meende hij een
hemelschen droom te droomen. Het kwam hem voor, dat hij zich moest
nederwerpen voor den dochter van Ramses. Maar met de vlugheid van geest,
die hij in de school van Ameni had geleerd, overzag hij op eens
Bent-Anat’s toestand. In plaats van de knie te buigen, riep hij:
»Menschen, wie deze vrouw ook zijn mag, al gelijkt zij misschien ook op
de dochter van Ramses, zij is Bent-Anat niet. Maar ik ben, al draag ik
het witte kleed niet, een priester uit het Seti-huis. Ik ben Pentaoer,
de Cherheb[254] van het feest van heden. ― Vrouw, verlaat deze plaats!
Ik beveel het u in naam van mijn heilig ambt!”
[254] Feestredenaar.
Bent-Anat gehoorzaamde.
Pentaoer was gered. Want toen het volk van zijn verbazing begon te
bekomen; toen zij, die door hem verwond waren, en hunne metgezellen zich
opnieuw tegen hem verhieven; toen een opgeschoten jongen, wiens hand hij
verbrijzeld had, in woede schreeuwde: »Hij is een vechter, maar geen
heilige vader! Verscheurt den bedrieger!” riep eene stem uit het volk:
»Maak plaats voor mijn wit gewaad, en blijft met uwe handen van den
feestredenaar Pentaoer, die mijn vriend is. ― Velen uwer zullen mij
kennen!”
»Gij zijt de arts Nebsecht, die mijn gebroken been hebt genezen,” riep
een matroos.
»En mijn ziek oog,” zeide een wever.
»Die schoone groote man is de redenaar. Ja, ik herken hem wel,” riep een
der meisjes, wier oordeel over Pentaoer, Bent-Anat op het feestterrein
had opgevangen.
»Redenaar of niet!” schreeuwde de jongen en drong naar voren. ― Maar
het volk hield hem tegen en ging eerbiedig op zij, toen Nebsecht
verzocht plaats voor hem te maken, om naar de gewonden onderzoek te
doen.
Allereerst boog hij zich heen over den ouden Paraschiet, en riep vol
ontzetting: »Schande over u; gij hebt den ouden man doodgeslagen!”
»En ik,” zeide Pentaoer »moest mijne vreedzame handen met bloed
bevlekken, om zijn onschuldig ziek kleinkind voor hetzelfde lot te
bewaren.”
»Gij giftharten, addergebroed, schorpioenen, uitvaagsel van het
menschdom!” schreeuwde Nebsecht de menigte toe, en sprong driftig
overeind om Warda met zijne oogen te zoeken. Toen hij haar behouden
zag zitten aan de voeten van de tooveres Hekt, die den tuin was
binnengedrongen, haalde hij weder vrij adem, en begon zich met de
gewonden bezig te houden.
»Hebt gij deze allen, die hier rondom liggen, in het stof doen bijten?”
vroeg hij zijn vriend fluisterend.
Pentaoer knikte toestemmend en lachte: doch niet zegevierend, maar
beschaamd als een knaap, die het vogeltje dat hij ving, tegen zijn wil,
in zijne hand verstikte.
Nebsecht zag hem aan met verwondering en bezorgdheid, en vroeg: »Waarom
hebt gij u niet dadelijk kenbaar gemaakt?”
»Omdat de geest van den krijgsgod Menth mij had aangegrepen,” antwoordde
Pentaoer, »toen ik zag hoe die verwenschte schurk dáar het meisje bij de
haren sleurde. Ik zag, ik hoorde niets meer; ik.....”
»Gij hebt recht gehandeld,” viel Nebsecht hem in de rede. »Maar waar
moet dit op uitloopen?”
Op dit oogenblik klonk het geschetter van trompetten. De hoofdman, die
door Ameni was afgezonden om den Paraschiet gevangen te nemen, naderde
met zijne soldaten. Alvorens den tuin binnen te rukken beval hij het
volk uiteen te gaan. De weerspannigen werden met geweld uit elkaar
gedreven. In weinige oogenblikken was de huilende en razende menigte uit
het dal weggeveegd en het brandende huis omsingeld. Ook de kinderen van
Ramses met Nefert werden gedwongen hun plaats bij de heining van den
hof te verlaten. Rameri was zijne zuster gevolgd, zoodra hij zag dat
Warda gered was. Nefert was op het punt van ineen te zijgen. Angst
en deelneming hadden haar te sterk aangegrepen. De oversten der
draagstoeldragers gaven elkaar de handen, tilden haar op en droegen
haar voor de prinses en haar broeder uit. Geen van het drietal sprak
een woord, zelfs Rameri niet, want hij kon Warda niet vergeten, noch
den dankbaren blik, waarmede zij hem had nageoogd. Maar opeens brak
Bent-Anat het zwijgen af, om te zeggen: »De Paraschieten-hut brandt nog
altijd. Waar zullen de armen nu slapen?”
Nadat het dal van volk gezuiverd was, verscheen de officier in den hof
en vond hier, behalve de tooveres Hekt en Warda, ook den dichter en
Nebsecht, die bezig was met het verbinden der gewonden. Pentaoer lichtte
den hoofdman kortelijk omtrent het gebeurde in, en noemde hem zijn naam.
Deze reikte hem de hand en zeide: »Waren er vele krijgers van uw slag,
heilige vader, in het leger van Ramses, de Cheta-oorlog zou spoedig
geëindigd zijn! Maar gij hebt geen Aziaten, gij hebt burgers uit Thebe
geveld, en hoeveel leed het mij ook doet, ik moet u als mijn gevangene
voor Ameni brengen.”
»Doe wat uw plicht vordert,” antwoordde Pentaoer, zich buigende voor den
hoofdman, die zijne lieden intusschen beval het lijk van den Paraschiet
op te nemen en naar het Seti-huis te dragen.
»Ik moet het meisje ook gevangen nemen,” zeide de officier zich tot
Pentaoer richtende.
»Zij is krank,” antwoordde de dichter.
»En wanneer zij niet spoedig tot rust komt,” voegde de arts er bij, „dan
is het met haar gedaan. Laat haar; zij is de bijzondere beschermeling
van de prinses Bent-Anat, die haar onlangs heeft overreden.”
»Ik zal haar in mijn verblijf nemen,” zeide de tooveres, »en wil voor
haar zorgen. Dáar ligt haar grootmoeder reeds; zij is half gestikt in de
vlammen, maar komt weer bij. Ik heb plaats voor beiden.”
»Tot morgen dan,” antwoordde de arts, »dan zal ik haar een ander tehuis
bezorgen.”
De oude lachte hem onopgemerkt uit, prevelende: »Daar zullen ook nog wel
anderen voor haar willen zorgen!”
De soldaten volgden het bevel van hun aanvoerder, namen de verwonden op,
en verwijderde zich met Pentaoer en het lijk van den Paraschiet.
* * * * *
Intusschen was Bent-Anat met haar broeder en Nefert, na veel
oponthoud, gekomen aan de landingsplaats van de Nijlschepen. Een der
draagstoeldragers werd uitgezonden om de boot te halen, die hen zou
wachten. Hij moest zich bijzonder haasten, want reeds zag men de lichten
van de processie naderen, die den god naar den Amontempel te Thebe
terugbracht. Gelukte het hun thans niet onverwijld in hunne boot plaats
te nemen, dan hadden zij het vooruitzicht uren lang te kunnen wachten.
Wanneer de processie in den nacht den stroom werd overgezet, dan mocht
geen vaartuig, dat niet voor dit doel werd gebruikt, ja, zelfs geen bark
van een der aanzienlijksten van land afsteken. Ongeduldig en in groote
spanning zagen broeder en zuster uit naar het teeken van hun boot, want
Nefert zonk van uitputting bijna ineen, en Bent-Anat, op wier arm zij
steunde, gevoelde dat al hare leden begonnen te beven. Eindelijk
wenkte de draagstoeldrager. Het snelle maar onaanzienlijke bootje,
dat gewoonlijk alleen bij het jagen op vogels werd gebruikt, schoot
naderbij. Rameri liet een der matrozen zijn roeispaan toesteken, en
trok zoo het vaartuig dichter bij de landingstrap.
Juist op dit oogenblik verscheen de overste der veiligheidswachten,
en riep: »Deze boot is de laatste die van wal mag steken, vóor den
overtocht van den god.”
Zoo haastig als de zwakke Nefert zulks toeliet, die zoo zwaar aan haar
arm hing, liep Bent-Anat de trappen af, die nog maar spaarzaam verlicht
waren door het matte schijnsel van enkele lantaarns. Straks als de
godheid naderde, en de pekpannen en fakkels ontstoken zouden worden,
zou het hier daghelder zijn. Maar eer zij de laatste trede bereikt had,
voelde zij eene harde hand op haar schouder, en de ruwe stem van den
gids Paäker riep: »Terug vee! Wij eerst!”
De veiligheidswachten hielden hem niet tegen, want zij kenden den gids
en zijne onbesuisde manier van handelen. Paäker stak dadelijk de vingers
in den mond en floot, zóo schel, dat het door de lucht suisde. Terstond
daarop hoorde men riemslagen.
»Stoot die boot hier op zij! Dat volk kan wachten!” riep de Mohar zijn
scheepsvolk toe.
Het vaartuig van den gids was grooter en sterker bemand, dan dat der
koningskinderen.
»Snel in de boot!” riep echter Rameri.
Bent-Anat ging weder zwijgend vooruit, want zij durfde zich hier om
der wille van het volk en van Nefert niet andermaal kenbaar maken.
Doch Paäker trad haar in den weg, en riep: »Heb je ’t niet gehoord,
schorremorrie, dat je wachten zult tot wij weg zijn? Mannen, haalt de
boot van dat volk in den stroom terug!”
Het was Bent-Anat alsof haar bloed verstijfde, toen zij terstond hierop
eene luide woordenwisseling beneden aan de landingstrap vernam. Rameri’s
stem werd boven alle anderen uitgehoord.
»Die schooiers durven weerstand bieden!” riep de gids. »Ik zal ze
leeren! Hola, hier, Descher! Pak dat wijf en dien jongen!”
Op dien stem sprong de groote roodharige dog, die reeds aan zijn vader
had toebehoord, en hem altijd vergezelde wanneer hij als heden met zijne
moeder het graf van den gestorven Mohar bezocht, blaffend op het tweetal
los. Nefert gaf een gil van angst. Doch de hond herkende haar terstond,
drong tegen haar aan, en scheen met zijn gewoon gehuil zijne blijdschap
te kennen te geven.
Paäker, die de booten reeds genaderd was, keerde zich verbaasd om,
zag hoe het dier kwispelstaartend rondom Nefert liep, die in haar
jongensgewaad voor hem onherkenbaar was, sprong terug en riep: »Ik zal
je leeren, vlegel, mijn hond door gif of tooverij te bederven.” Daarbij
hief hij zijn zweep op en sloeg naar de schouders van Mena’s vrouw, die
met een gillenden angstkreet bewusteloos ineenzonk.
De snoeren van de zweep waren vlak langs de wangen der teedere vrouw
gegaan, dank zij Bent-Anat’s tegenwoordigheid van geest. Want zij had
met een krachtigen greep Paäkers arm tegengehouden. Ontzetting, afschuw
en toorn beletten haar een woord te spreken. Doch Rameri had Nefert’s
gil gehoord en was met een paar sprongen bij de vrouwen.
»Laffe schurk!” riep hij, terwijl hij den roeiriem ophief, dien hij in
de hand hield. Paäker, aan den strijd gewoon, behield zijne bedaardheid,
en riep alleen zijn hond met een eigenaardig gesis van zijne lippen toe:
»Pak hem beet, Descher!”
De hond sprong op den prins los. Rameri echter, die zijn vader reeds
als kind op menige jacht vergezelde, gaf het woedende dier met den
zwaren riem zulk een geweldigen slag op zijn kop, dat hij rochelend
neerstortte.
Paäker meende in de gansche wereld geen warmer vriend te bezitten dan
dit dier, zijn trouwen metgezel op al zijne tochten door de woestijn
en door vijandige landstreken. Toen hij het daar stuiptrekkend zag
neerzinken, geraakte hij buiten zichzelven van woede. Met de zweep
in zijn opgeheven arm stormde hij op den jongeling los. Maar deze,
uitermate opgewonden door alles wat hij in dezen nacht had doorleefd,
geheel vervuld van den krijgszuchtigen geest zijner vaderen, ten hoogste
verbolgen op den ruwen beleediger der vrouwen, als welker beschermer hij
zich beschouwde, gevoelde zich tegen dien man opgewassen, en sloeg den
gids met de roeispaan zoo hevig op zijne linkerhand, dat de zweep hem
ontviel, en hij huilend van pijn met de rechter naar den dolk in zijn
gordel greep.
Op dit oogenblik wierp Bent-Anat zich tusschen den man en den jongeling,
die nauwelijks den kinderleeftijd was ontwassen, noemde andermaal haar
eigen en ook haars broeders naam, beval Paäker zijne matrozen tot
bedaren te brengen, geleidde Nefert, die onbekend was gebleven, naar het
bootje, steeg erin met die haar geleidden, en landde in weinig tijd aan
het paleis.
Paäker en zijne moeder Setchem, voor welke hij zijne Nijlboot had
voorgeroepen, en die boven aan de landingstrap uit haar draagstoel den
strijd had gezien, zonder echter de oorzaak te begrijpen en de personen
te herkennen, moesten nog eenigen tijd op de trap blijven wachten. Zijn
hond was dood, zijne hand deed hem gevoelig pijn en in zijn gemoed
kookte het van nieuwe woede. »Dat Ramses-gebroed!” bromde hij in
zichzelf; »die gelukzoekers! Zij zullen mij leeren kennen! Mena en
Ramses staan dicht genoeg bij elkaar! Ik offer hen beiden op!”