Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni’s boden
het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te
wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel
bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich
uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het
hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten
uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef
ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de
duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van
den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven
sloegen als op de onrustige Zoutzee.
Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te
zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar
met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer
gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig,
zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze
pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns
aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen
oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan
de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den
verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van
zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den
portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de
matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van
het poortgebouw kloppen.
Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker.
De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd. Alleen de
vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans
begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar
hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren
angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan
zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken
heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden
jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker’s vader
grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder
en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin
af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.
Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in
jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de
onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?”
Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand
in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven,
waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet
verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij
wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming
ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe
ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een
akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan
zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.
»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde
vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en
Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik
weet wel hoe! Wacht maar, wacht!”
Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was
oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij
naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij
vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.
Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt
gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen
dan te waken.”
»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De storm huilt
ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den
dood uws vaders.”
»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter
ruste.”
»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.
»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt
mijn hart! ― Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond,
niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is
om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen
van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet
ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat
is mij door merg en been gegaan!”
Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds
razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders,
dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar
van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn
aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws
vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden
den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor
hunne oogen zien wandelen.”
»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis
heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut
van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van
den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn
strijdbijl in den slag.”
»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! ― De priester,
moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een
onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien
ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander.”
»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat!
Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief.”
»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de
hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg.
Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp
van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich
tegen mij durft verzetten!”
»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche
goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een
ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den
vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en
koning, den vriend uws vaders!”
»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere
dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal
ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich laat verachten en
mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en
schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen.”
»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en
dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar
zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt
als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik
mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de ― Ha, nu zie ik
het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen
met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die
wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!”
Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem
deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij
nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne
ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en
herhaalde haar vraag met heesche stem.
Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en
zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor
eene aardigheid. Nu weet gij ’t!”
Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder
nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm
terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik
wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!”
Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide
te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer
gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met
zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had
een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder
tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar
ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke
gedachte aan wraak varen!”
Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde
ontkennend het hoofd.
Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader
u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin
bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen
zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij
hare klachten niet verhoore”[264]. Paäker begon bij deze woorden
hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep
hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.
[264] Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven
blz. 287.
Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op
eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij:
»Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van
doen? ― Gij verroert u niet. ― Neen? ― Niet? ― Eeuwige goden, wat
zal ik doen!”
In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit
genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde
dien te breken.
Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit
de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele
donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van
het vertrek neervielen.
Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem,
die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon
zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een
doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide
zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat
gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en
moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren!
Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit
vol te houden, en zij mijn getuige!”
Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met
zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige
oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot
haar. ―
Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de
deur met kracht achter haar dicht.
Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte!
»Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”
Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd
hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den
hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de
schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te
roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van
verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van
het huis omvergeworpen!”
»Onmogelijk!” riep Paäker.
»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven
den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter zeker gedaan, wiens
sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken
nacht weggeloopen!”
»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den
ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man
die hem terug brengt!”
* * * * *
De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen
men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was
gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de
heks zat te wachten.
Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den
opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” Toen Ameni
een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de
lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt,
zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die
heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij
uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik
dit Horus-oog en dit Isis-bloed[265] bij mij, maar men kan toch niet
weten....”
[265] De amulet Thet in de gedaante van een strik, die
gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men
meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt
„bloed van Isis,” „tooversteen van Isis,” „wijsheid (Choe) van
Isis” genoemd.
»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde Ameni.
»Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken!
Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor
alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. ― Heilige vader,
laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel
hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden.”
De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje,
dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou
plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse
aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het
aangrenzende vertrek gesproken werd.
Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar
passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om
ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare
grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid, dat zij voor een
deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding,
leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar
gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind
haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit
loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij
hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten,
dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken.
Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den
vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had
ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar
opeens in, dat zij eene vrouw was.
De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan.
Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden
vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te
zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou
stellen den Mohar als was te kneden.
Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en
hurkte daar op de vloertegels neer.
Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij
langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich:
»Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd
blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in
gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht
hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de
ziedende ketels der verdoemden. ― Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik
spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en
dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg
ik.”
Ani knikte toestemmend.
»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen:
‚Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn
woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden
heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!’ ― Wees niet
onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan ‚ja’. Wat gij in deze
ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!”
»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde
omtrent de gewichtige ontdekkingen.
De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich
in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg,
terwijl zij den man die tegenover haar zat met vonkelende oogen aanzag
»Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord?
He? ― Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!”
Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van
haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over
haar afzichtelijk uiterlijk.
»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst
ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op
den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet
aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben,
niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven
duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle
mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid,
vertwijfeling en wraak. ― Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en
mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den
grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten
uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden
het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik
ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen
uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn
koord leidde.
»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk
te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied
gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! ― Nu dan: Mijn
vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste
Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer
voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht
naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders,
broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik
er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en
ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis
van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in
die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde.
Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had
mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig
smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor
zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne
ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader
van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er
schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend?
Waar ik zong, daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de
blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij
denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa,
heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. ―
»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets
uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang
gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch
geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad,
en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg
en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit
een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi
genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel
twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene
melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene
koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij
gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan
deze woorden: ‚De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,’ en in den
papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was
het antwoord?.... Een hand vol goud. ― Dat goud, ja dat goud, geloof
mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het
gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze
blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....
»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan
lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt
deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem
zeggen: ‚Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en
zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de
zangeres was gegaan’. ― Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel,
geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk
gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne
handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar
hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft
zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor
zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam
meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was,
dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde,
en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn,
wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven
niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude,
kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen
aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij
mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet
hij thans aan zijn kleinkind.”
De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder
acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde
eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en
onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.
De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij
heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden
en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn!
Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik
van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle
lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen
om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik
bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het
verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar
de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer
dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs,
nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne
voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich
hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen
namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De
kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan
voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij
zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van
Thebe, de vrome Assa!
»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik
was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren
dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor
mijne dranken ― hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht ―
een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij
verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De
vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit
hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets
laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang,
hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke
familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met
haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon
bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp
te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel,
beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra ― waar? Dat
kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa’s vader. De moeder,
die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe
Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was
volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond
de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het
Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester,
de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de
grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem
beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging
heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn
eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure,
waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte,
stond mij weder levendig voor den geest. Opeens ― nog weet ik zelve
niet hoe het zoo in mij opkwam ― gaf ik mijne slavin den pasgeboren
kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te
brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn
schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam,
schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond,
wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde
ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend
demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet,
zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en
hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren,
aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons
voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder
gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet,
of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den
hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was
weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje
gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa’s
kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier
grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis
opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den
hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”
Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord,
zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder
verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is
medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude
te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere
vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden
vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling
over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en
als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die
tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar
wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te
bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”
»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”
Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht
haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den
kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”
De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets
den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele
andere kinderen.”
»Maar hij is slim,” zeide Ani.
»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne
meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want
hij zelf heeft er ook een.”
»En dat is?”
»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen
optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”
»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen
vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven
kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen
was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”
»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw
woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden,
en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de
artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een
ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten
geliefde.”
»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de
verte in het verderf te storten?”
»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker
lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten
uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal
maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter
Pentaoer niet genegen zijt. ― Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet
uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is
geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust
hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben
kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk
ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne
trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste
dingen op elkander. Doch ik wil Assa’s kleinzoon niet liefhebben, ik mag
niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa
is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven,
zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het
leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u
beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel
van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”
* * * * *
Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.
»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.
»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in
Thebe ieders hoofd op hol bracht. ― Mag ik weten wat zij u verteld
heeft?”
Ani begreep het geheim van Pentaoer’s geboorte voor den opperpriester
geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg
Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen
in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met
eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend
was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.
De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den
opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte
te brengen van zijn ware afkomst.
»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, »en het zou
kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij
het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”
* * * * *
De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen
bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden
voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene
scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van
Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele
luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier
waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door
den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die
zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm
in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij
Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig
in zijn paleis een bezoek te brengen.
De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen
aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert
onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en
zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het
schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige
dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon
troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder
had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide
duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met
haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd
van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke
echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne
lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.
Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn
linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen
aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe
Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.
»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.
Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield,
verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken,
zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten?
De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet
waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en
de duiven!”
Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en
vroolijk voerden zij hem met zich mede.
Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te
volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen
gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den
opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van
zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van
het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil
hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed.
Schrikkelijke dingen voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen
vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand
op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”
»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem
spreken.”
»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het
gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die
na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een
gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot
sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig
maken voor dit leven en het toekomende!”
»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de rede, »dat
zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei
kronkelpaden.”
»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk
een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan!
Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die
Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen
te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige
storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”
»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. »Maar
voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van
vreugde geboren worden.”
»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t
hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan
uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot
zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men
het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide.
Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook
zulk een vreemd droomgezicht. ― Paäker had naar mijn moederlijken raad
niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon
stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken
mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo
zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem.
Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten
te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals
ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de
goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen.
De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor
zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten
des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de
pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”
»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde
droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem,
laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De
hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor
u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog
verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten
van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog
een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u
komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij
halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor
hem, en laat hem zonder afscheid heengaan.”
Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni:
»Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij
moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet
week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat
waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof
versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere
menschen.”
Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis
den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het
hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet
vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij
waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne
moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een
dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids
naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis
Ameni’s zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf
zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen,
werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne
poort had doorgezaagd, gevangen was.
»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, die hij op
zijn erfgoed sprak.
Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd
en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor
gevaren en booze daden.