VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

Terwijl de gasten van het Seti-huis nog feestvierden, en Ameni’s boden

het dal der koningsgraven introkken, om de oude Hekt uit den slaap te

wekken, stak er uit het zuid-westen een heete storm op, die den hemel

bedekte met zwarte nevelen, en dichte bruine stofwolken voor zich

uitjoeg. Hij kromde de slanke stammen der palmen, als een schutter het

hout van zijn boog. Hij rukte op het feestterrein de pennen der tenten

uit den grond, voerde de lichte linnen zeilen hoog in de lucht en dreef

ze als ontzaglijke witte spookgestalten, met geweldige vaart door de

duisternis voort. Hij zweepte den anders zoo gladden waterspiegel van

den Nijl, tot zijne geelachtige wateren zich verhieven en de golven

sloegen als op de onrustige Zoutzee.

Paäker had zijne bevende matrozen gedwongen hem over den stroom te

zetten. De boot was meer dan eens op het punt van om te slaan, maar

met zijne ongedeerde rechterhand had hij zelf vast en zeker het roer

gestuurd, hoewel hem, bij het onophoudelijk schommelen van het vaartuig,

zijne gebrokene vingers hevig pijn deden. Na herhaalde vruchtelooze

pogingen gelukte het hem eindelijk te landen. De storm had de lantaarns

aan de mastboomen, de teekens waarnaar zijne lieden aan den anderen

oever uitzagen, gebluscht en hij vond geen dienaars of fakkeldragers aan

de landingsplaats. In den stikdonkeren nacht en worstelende tegen den

verzengenden stormwind, bereikte hij ten laatste de trotsche poort van

zijn huis. Vroeger was het eigenaardig geblaf van zijn dog voor den

portier een bewijs, dat de meester terugkeerde; heden echter moesten de

matrozen die hem vergezelden, lang te vergeefs op de vleugeldeuren van

het poortgebouw kloppen.

Toen de Mohar eindelijk zijn voorhof binnentrad, vond hij alles donker.

De storm had ook hier de fakkels en lantaarns uitgedoofd. Alleen de

vensters van het woonvertrek zijner moeder waren verlicht. Thans

begonnen de honden in hunne ongedekte perken zich te doen hooren, maar

hun geblaf klonk trillend en jankend, want het onweder maakte de dieren

angstig. Hun gehuil sneed den gids door de ziel, want hij dacht aan

zijn verslagen Descher, wiens zware stem hij miste. In zijne vertrekken

heette zijn oude Ethiopische slaaf hem welkom met een luiden

jammerkreet, die den hond gold; want de man had hem voor Paäker’s vader

grootgebracht en zeer liefgehad. De gids wierp zich in een stoel neder

en beval, dat men hem water zou brengen, om zijne pijnlijke hand daarin

af te koelen, naar het voorschrift van den arts Nebsecht.

Zoodra de oude slaaf de gebroken vingers zag, barstte hij andermaal in

jammerkreten uit. Toen Paäker hem gebood stil te zijn, vroeg hij: »Is de

onverlaat nog in leven, die dit gedaan en Descher geveld heeft?”

Paäker knikte toestemmend en staarde op den grond, terwijl zijne hand

in het koele water lag. Hij gevoelde zich ellendig en vroeg zichzelven,

waarom de storm toch zijn boot niet omgeslagen en de Nijl hem niet

verzwolgen had? Eene naamlooze verbittering vervulde zijn gemoed; hij

wenschte nog een kind te zijn en te kunnen weenen. Doch deze stemming

ging ras voorbij; weldra bewoog zijne breede borst bij eene diepe

ademhaling zich weder op en neder, en zijne oogen straalden met een

akeligen glans. Hij dacht niet meer aan zijne liefde, maar alleen aan

zijne wraak, die hem thans zoeter scheen dan gene.

»Dat Ramses-gebroed!” prevelde hij in zichzelf, terwijl hij zijn gebalde

vuist dreigend omhoog hief. »Ik offer ze allen te zamen, den koning en

Mena, ook die trotsche prinses en nog veel meer van dat geslacht. Ik

weet wel hoe! Wacht maar, wacht!”

Daar werd de deur van zijne kamer geopend. De brullende stormwind was

oorzaak, dat niemand den voetstap van vrouwe Setchem had gehoord. Zij

naderde haren wraakgierigen zoon, en riep hem bij zijn naam, toen zij

vol ontzetting de wilde trekken zag, die zijn gelaat verwrongen.

Paäker kromp van schrik ineen, maar zeide met schijnbare kalmte: »Zijt

gij het moeder? De morgen nadert, en op dit uur is het beter te slapen

dan te waken.”

»Ik had geen rust in mijn vertrek,” antwoordde Setchem. »De storm huilt

ijselijk en ik ben zoo beangst, zoo vreeselijk gejaagd, evenals vóor den

dood uws vaders.”

»Blijf dan bij mij,” zeide Paäker vriendelijk, »en leg u op mijn bed ter

ruste.”

»Ik kwam niet hierheen om te slapen,” hernam Setchem.

»Wat u aan de landingstrap overkwam is zoo verschrikkelijk en beklemt

mijn hart! ― Neen, neen, mijn zoon, het is niet om den verslagen hond,

niet omdat gij pijn lijdt; hoe innig leed mij dit ook doet, maar het is

om den koning en zijne verbolgenheid, wanneer hij bericht zal ontvangen

van uw gevecht. Hij is u minder genegen dan uw overleden vader, dat weet

ik helaas! Uw wilde lach, uw geheele uiterlijk, toen ik binnenkwam, dat

is mij door merg en been gegaan!”

Beiden zwegen een tijdlang en luisterden naar den storm, die steeds

razender woedde. Eindelijk zeide Setchem: »Daar is ook nog iets anders,

dat mij geheel en al in verwarring brengt. Ik kan den feestredenaar

van heden, den jongen Pentaoer, niet vergeten. Zijn voorkomen, zijn

aangezicht, zijne bewegingen, ja zijne stem zijn geheel als die uws

vaders in de dagen toen hij mijne hand vroeg. Het is als wilden de goden

den besten man, dien zij van hier hebben weggenomen, andermaal voor

hunne oogen zien wandelen.”

»Ja meesteres,” riep de oude Ethiopische slaaf, »zulk eene gelijkenis

heeft nog geen sterfelijk oog gezien. Ik zag hem vechten voor de hut

van den Paraschiet, en ook daar was hij het sprekend evenbeeld van

den gestorvene. Hij zwaaide met een paal, gelijk mijn heer met zijn

strijdbijl in den slag.”

»Zwijg!” riep Paäker. »Maak dat je wegkomt, domkop! ― De priester,

moeder, lijkt op mijn vader, dat geef ik toe, maar hij is een

onbeschaamde kerel, die mij schandelijk heeft beleedigd, en met wien

ik moet afrekenen, gelijk met zoo menig ander.”

»Wat zijt gij wild,” viel Setchem hem in de rede, »en vol bitteren haat!

Uw vader was zoo vriendelijk gezind en had de menschen lief.”

»Hebben zij mij lief?” vroeg de gids met een pijnlijken lach. »Zelfs de

hemelsche goden zijn mij niet genegen en werpen doornen op mijn weg.

Maar ik ruim ze op met eigene hand, en ik zal mij ook zonder de hulp

van die daarboven wel verwerven wat ik begeer, en nederwerpen, wat zich

tegen mij durft verzetten!”

»Wij kunnen geen veertje omhoog blazen, zonder de hulp der hemelsche

goden,” zeide Setchem. »Zoo sprak uw vader, die naar lichaam en ziel een

ander man was dan gij zijt! Ik gruw van u sedert dezen avond, en den

vloek dien gij hebt uitgestooten tegen de kinderen van uw heer en

koning, den vriend uws vaders!”

»Maar mijn vijand!” schreeuwde Paäker. »Gij zult nog wel andere

dingen van mij moeten hooren dan vloeken. En het Ramses-gebroed zal

ondervinden, of de zoon van uw echtgenoot zich laat verachten en

mishandelen zonder wraak. Ik zal ze in den afgrond stooten en

schaterlachen, als zij onder mij in het zand liggen te rochelen.”

»Jongen!” riep Setchem buiten zichzelve. »Ik ben maar eene vrouw, en

dikwijls hebt gij gescholden op mijne weekelijkheid en zwakheid. Maar

zoo waarachtig als ik uw gestorven vader, wien gij juist zooveel gelijkt

als een doornstruik een palmboom, trouw ben gebleven, zoo zeker ruk ik

mij de liefde voor u uit het hart, als gij de.... de ― Ha, nu zie ik

het! Nu weet ik het! Antwoord mij, moordenaar! Waar zijn de zeven pijlen

met de zondige woorden, die hier vroeger hingen? Waar zijn die

wapentuigen, waarop gij hebt gekrast: Dood aan Mena!”

Zichzelve niet meer meester en met gejaagde ademhaling, had Setchem

deze woorden uitgebracht. De gids ging voor haar achteruit als toen hij

nog een knaap was, wanneer zij hem dreigde te tuchtigen wegens zijne

ondeugendheid. Doch zij volgde hem, greep hem bij den gordel en

herhaalde haar vraag met heesche stem.

Onwillig trok Paäker zich terug, rukte haar hand van zijn gordel los en

zeide trotsch: »Ik heb ze in mijn pijlkoker gestoken, en dat niet voor

eene aardigheid. Nu weet gij ’t!”

Niet meer in staat een woord uit te brengen, hief de beleedigde moeder

nog eens hare hand op tegen den ontaarden zoon; maar hij stiet haar arm

terug, zeggende: »Ik ben geen kind meer, en meester van dit huis. Wat ik

wil dat doe ik, al trachtten honderd vrouwen mij tegen te houden!”

Bij deze woorden wees hij met de hand naar de deur. Setchem begon luide

te snikken en keerde hem den rug toe. Bij de deur van zijne kamer

gekomen, zag zij nog eenmaal naar hem om. Hij was gaan zitten en lag met

zijn voorhoofd op de tafel, waarop het koele water stond. Setchem had

een zwaren strijd te strijden. Eindelijk noemde zij nog eens onder

tranen zijn naam, breidde hare armen uit en zeide: »Daar ben ik, daar

ben ik weder! Kom hier aan mijn hart! Laat toch die afgrijselijke

gedachte aan wraak varen!”

Paäker bleef aan de tafel zitten, zag haar niet aan, zweeg en schudde

ontkennend het hoofd.

Setchem liet de handen weder zinken en sprak zacht: »Wat heeft uw vader

u geleerd uit de schriften? Uw hoogste lof, zoo luidt het, moet daarin

bestaan, dat gij uwe moeder vergeldt, wat zij voor u gedaan heeft, toen

zij u opvoedde; opdat hare handen zich niet opheffen tot God, en hij

hare klachten niet verhoore”[264]. Paäker begon bij deze woorden

hoorbaar te snikken, maar hij zag niet op naar Zijne moeder. Zij riep

hem met teederheid bij zijn naam, maar hij verroerde zich niet.

[264] Uit den te Boelaq bewaarden papyrus IV. Zie boven

blz. 287.

Opeens vielen hare oogen op den pijlkoker, die met andere wapenen op

eene rustbank lag. Haar hart kromp ineen, en met bevende hand riep zij:

»Ik verbied u deze onzinnige wraak, hoort gij? Wilt gij er afstand van

doen? ― Gij verroert u niet. ― Neen? ― Niet? ― Eeuwige goden, wat

zal ik doen!”

In vertwijfeling hief zij de handen omhoog. Doch opeens was haar besluit

genomen. Zij liep naar den koker, greep er een pijl uit en beproefde

dien te breken.

Plotseling sprong Paäker van zijn zetel op en rukte haar het wapen uit

de hand. De scherpe punt drong even in haar vleesch, zoodat enkele

donkere bloeddruppels te voorschijn kwamen en op den steenen vloer van

het vertrek neervielen.

Zoodra de Mohar dit zag, wilde hij haar gewonde hand grijpen. Setchem,

die doodsbleek was geworden, omdat zij, week van aard, geen bloed kon

zien, noch van haar zelve noch van een ander, wees hem terug. Op een

doffen toon, die vreemd was aan hare anders zoo vriendelijke stem, zeide

zij: »Deze bloedende moederhand zal de uwe niet eer omvatten, voordat

gij daarin met een duren eed hebt gezworen, alle gedachten aan wraak en

moord te zullen afwijzen en den naam uws vaders niet te zullen onteeren!

Ik heb het gezegd; de verheerlijkte geest uws vaders geve mij kracht dit

vol te houden, en zij mijn getuige!”

Paäker was op de knieën gezonken, en voerde een geweldigen strijd met

zichzelven, terwijl zij naar de deur ging. Daar bleef zij nog eenige

oogenblikken staan. Hare lippen zwegen, maar hare oogen riepen hem tot

haar. ―

Te vergeefs. Eindelijk verliet zij het vertrek. De stormwind wierp de

deur met kracht achter haar dicht.

Paäker steunde, terwijl hij met de rechterhand zijne oogen bedekte!

»Moeder! Moeder! Ik kan niet terug, ik kan niet!”

Een vreeselijke windvlaag overstemde zijne klacht. Te gelijkertijd

hoorde men twee heftige slagen, als waren er rotsblokken van den

hemel gevallen. Hij schrikte op en liep naar het venster, waardoor de

schemering grauwde van den somberen morgen, ten einde zijne slaven te

roepen. Zij kwamen weldra aanloopen, en de hofmeester riep hem reeds van

verre buiten adem toe: »De storm heeft de masten aan de hooge poort van

het huis omvergeworpen!”

»Onmogelijk!” riep Paäker.

»Toch is het zoo,” antwoordde de beambte. »Zij zijn gedeeltelijk boven

den grond afgezaagd. Dat heeft de mattenvlechter zeker gedaan, wiens

sleutelbeen gij half verbrijzeld hebt. Hij is in dezen schrikkelijken

nacht weggeloopen!”

»De honden los!” riep de Mohar woedend. »Alles wat beenen heeft jage den

ellendeling achterna. De vrijheid en vijf handen vol goud voor den man

die hem terug brengt!”

* * * * *

De gasten van het Seti-huis hadden zich reeds ter ruste begeven, toen

men den opperpriester Ameni kwam berichten, dat de tooveres Hekt was

gekomen. Hij begaf zich dadelijk naar de zaal, waar de stadhouder op de

heks zat te wachten.

Ani schrikte op uit diep gepeins, zoodra hij de voetstappen van den

opperpriester hoorde, en vroeg gejaagd: »Is zij gekomen?” Toen Ameni

een bevestigend antwoord had gegeven, vervolgde hij, terwijl hij de

lange lokken van zijn pruik, die tamelijk in verwarring waren geraakt,

zorgvuldig in orde bracht, en zijn breeden halsband recht schoof: »Die

heks moet nog al veel macht hebben. Wilt gij niet uw zegen over mij

uitspreken om mij voor betoovering te bewaren? Wel is waar draag ik

dit Horus-oog en dit Isis-bloed[265] bij mij, maar men kan toch niet

weten....”

[265] De amulet Thet in de gedaante van een strik, die

gewoonlijk uit bloedjaspis vervaardigd was, en waarop men

meestal hoofdst. 75 of 76 van het Doodenboek vindt. Zij wordt

„bloed van Isis,” „tooversteen van Isis,” „wijsheid (Choe) van

Isis” genoemd.

»Mijne tegenwoordigheid zou u kunnen beschermen,” antwoordde Ameni.

»Maar.... neen, neen, ik weet dat gij haar alleen wenscht te spreken!

Men zal u daarom in een vertrek brengen, waar heilige spreuken u voor

alle betoovering bewaren. Vaarwel, ik ga ter ruste. ― Heilige vader,

laat de heks in een der gewijde vertrekken, en nadat gij den drempel

hebt besprengd, zult gij den verheven heer Ani tot haar leiden.”

De opperpriester verwijderde zich en begaf zich naar een klein kamertje,

dat grensde aan het vertrek, waarin het onderhoud met de tooveres zou

plaats hebben. Daar kon men, met behulp van eene ter juister plaatse

aangebrachte spreekbuis, zelfs het zachtste woord opvangen, dat in het

aangrenzende vertrek gesproken werd.

Toen Ani de tooveres in het oog kreeg, ging hij van schrik een paar

passen achteruit. Haar uiterlijk was in dit uur wel geschikt om

ontzetting te wekken. De storm had hare kleederen gescheurd en hare

grijze, maar nog overvloedige haren, zoo verwaaid, dat zij voor een

deel over haar gelaat neerhingen. In ver voorover gebogene houding,

leunende op haar stokje, zag zij den stadhouder aan met een paar

gloeiende oogen, die vuurrood waren van het woestijnzand, dat de wind

haar in het aangezicht had gedreven. Zij zag er uit als eene op buit

loerende hyena, en eene koude rilling voer Ani door de leden, toen zij

hare heesche stem verhief om hem te begroeten en tegelijk te verwijten,

dat hij zulk een buitengewoon tijdstip had gekozen om haar te spreken.

Toen zij hem hierop dank had gezegd voor het vernieuwen van den

vrijbrief, en bevestigd had dat Paäker een liefdedrank van haar had

ontvangen, streek zij de haren wat uit haar gezicht. Het viel haar

opeens in, dat zij eene vrouw was.

De stadhouder zette zich op een leunstoel, terwijl zij bleef staan.

Maar die nachtelijke tocht tegen den stormwind op, had hare oude leden

vermoeid, en daarom bad zij Ani haar te willen vergunnen zich neer te

zetten. Zij had hem eene geschiedenis te vertellen, die hem in staat zou

stellen den Mohar als was te kneden.

Ani wees naar een hoek van het vertrek. Zij begreep dezen wenk, en

hurkte daar op de vloertegels neer.

Nadat hij haar bevolen had met haar verhaal te beginnen, staarde zij

langen tijd zwijgend op den grond. Eindelijk sprak zij, half voor zich:

»Ik zal het vertellen, want ik wil rust hebben. Ik mag niet ongebalsemd

blijven, als de dood komt. Men kan het niet weten, er is misschien in

gene wereld nog wat te verkrijgen, en dat wil ik niet missen. Ik mocht

hem eens wederzien aan de andere zijde des grafs, al ware het ook uit de

ziedende ketels der verdoemden. ― Hoor mij dan! Maar beloof mij, eer ik

spreek, dat gij, wat gij ook verneemt, mij in vrede zult laten wonen, en

dat gij voor mijne balseming zorg zult dragen als ik sterf. Anders zwijg

ik.”

Ani knikte toestemmend.

»Neen, neen,” zeide de oude, »zoo niet! Ik zal u den eed voorzeggen:

‚Als ik aan Hekt, wanneer zij den Mohar in mijne handen overlevert, mijn

woord niet gestand doe, dan zullen de geesten, waarover zij te gebieden

heeft, mij laten vallen vóor ik den troon bestijg!’ ― Wees niet

onwillig, heer, gij hebt niet anders te zeggen dan ‚ja’. Wat gij in deze

ure zult vernemen, is meer waard dan een armzalig woord!”

»Nu dan, ja!” riep de stadhouder, die in de grootste spanning verkeerde

omtrent de gewichtige ontdekkingen.

De oude prevelde eenige onverstaanbare woorden. Daarop zette zij zich

in postuur, rekte haar mageren hals zoo lang mogelijk uit, en vroeg,

terwijl zij den man die tegenover haar zat met vonkelende oogen aanzag

»Hebt gij ook, toen gij nog jong waart, van de zangeres Beki gehoord?

He? ― Nu, zie mij slechts aan: zij zit voor u!”

Bij deze woorden lachte zij met een heesch geluid en trok de flarden van

haar kleed over haar dorren boezem samen, als schaamde zij zich over

haar afzichtelijk uiterlijk.

»Ja,” ging zij voort, »met welgevallen beschouwt men de druiven en perst

ze uit, en als men den most gedronken heeft, werpt men de schillen op

den mesthoop. Zulk eene schil ben ik! Zie mij maar zoo medelijdend niet

aan! Eens was ik toch ook eene druif, en hoe arm en veracht ik ook ben,

niemand kan mij toch ontnemen wat ik ben geweest. Dit eene is mij boven

duizenden ten deel gevallen, namelijk: een geheel leven vol van alle

mogelijke vreugde en van elke smart, van liefde en haat, van zaligheid,

vertwijfeling en wraak. ― Verlangt gij dat ik alles vertellen zal en

mij op gindschen zetel neerzetten? Laat mij, ik ben gewoon zoo op den

grond te hurken. Ik wist wel, dat ge mij tot het einde zoudt laten

uitspreken. Ik behoorde eens tot uws gelijken! De uitersten houden

het er licht voor, dat zij aan elkander verwant zijn. Dat heb ik

ondervonden! De aanzienlijksten strekten naar de schoonsten de handen

uit, en er is een tijd geweest, waarin ik lieden van uw stand aan mijn

koord leidde.

»Zal ik van den aanvang beginnen? Nu goed! Ik ben heden zoo wonderlijk

te moede. Vijftig jaren geleden heb ik in deze zelfde stemming een lied

gezongen, ja een lied! Ik, eene zwarte kraai, en zingen! ― Nu dan: Mijn

vader was een aanzienlijk man, de gouverneur van Abydus. Toen de eerste

Ramses zich van den troon meester maakte, bleef hij het huis uwer

voorvaderen trouw. De nieuwe koning zond hem en zijne geheele geslacht

naar de Ethiopische goudmijnen, waar ze zijn omgekomen, mijne ouders,

broeders, zusters, allen. Ik alleen ontkwam als door een wonder. Daar ik

er mooi uitzag en zingen kon, nam een muzikant mij onder zijn troep en

ging met mij naar Thebe. Waar slechts een feest werd gevierd in het huis

van een aanzienlijke, daar mocht Beki niet worden gemist. Ik oogstte in

die dagen bloemen en goud en teedere blikken, zooveel ik maar wilde.

Doch ik was trotsch en ongevoelig; het ongeluk mijner betrekkingen had

mij verbitterd in de jaren, waarin anders ook een wrange drank als honig

smaakt. Geen van de jonge zonen van vorsten en grooten, die mij voor

zich begeerden, durfde ook slechts mijne hand aanraken! Maar ook mijne

ure kwam! De jonge Assa, de vader van den ouderen Mohar, de grootvader

van den dichter Pentaoer, ik wil zeggen van Paäker, den gids, zag er

schooner en statiger uit dan alle anderen. Gij hebt hem toch nog gekend?

Waar ik zong, daar zat hij tegenover mij en zag mij aan. En ik kon de

blikken niet van hem afgewend houden. Het overige moogt gij er bij

denken. Doch neen, dat kunt gij niet. Want zoo als ik blaakte voor Assa,

heeft nooit, noch vóor noch na mij, eene vrouw liefgehad. ―

»Waarom lacht gij niet? Mij dunkt het is toch nog al grappig, zoo iets

uit den tandeloozen mond van eene heks te hooren! Hij is sedert lang

gestorven. Zeker haat ik hem, maar hoe waanzinnig het ook klinkt, toch

geloof ik dat ik hem nog liefheb. En Assa heeft mij toen ook liefgehad,

en was twee jaren lang de mijne. Daarna toog hij met Seti ten krijg

en bleef zeer lang weg. Toen ik hem wederzag, had hij eene vrouw uit

een aanzienlijk en rijk huis getrouwd. Ik was in die dagen nog mooi

genoeg, maar bij de feesten zag hij mij niet meer aan. Ik trad hem wel

twintigmaal in den weg, hij ontvlood mij echter altijd, als ware ik eene

melaatsche. Ik begon van verdriet te verkwijnen; ten laatste wierp eene

koorts mij op het ziekbed neder. De artsen zeiden, dat het met mij

gedaan was. Toen zond ik hem een brief, waarin niets anders stond dan

deze woorden: ‚De stervende Beki wil Assa nog eenmaal zien,’ en in den

papyrus legde ik zijn eerste geschenk, een eenvoudigen ring. En wat was

het antwoord?.... Een hand vol goud. ― Dat goud, ja dat goud, geloof

mij, dat heeft, toen ik het zag, mijne oogen meer zeer gedaan, dan het

gloeiend staal, hetwelk men misdadigers in de oogholte stoot, om ze

blind te maken! Heden nog wanneer ik aan die ure denk, dan....

»Maar wat weet gij mannen, gij voorname heeren, van hetgeen een hart kan

lijden. Wanneer twee of drie van u bij elkander zitten, en gij vertelt

deze geschiedenis, dan zal zelfs de waardigste met eene deftige stem

zeggen: ‚Voorwaar, die man heeft braaf gehandeld. Hij was getrouwd en

zou door zijne vrouw met booze woorden zijn bejegend, wanneer hij tot de

zangeres was gegaan’. ― Heb ik gelijk of ongelijk? Ja, ik weet het wel,

geen hunner zal denken, dat andere schepsel had toch ook menschelijk

gevoel, was toch ook eene vrouw; geen hunner zal zeggen, dat zijne

handelwijze dáar, in zijn huis, eene booze ure heeft voorkomen, maar

hier eene halve eeuw van vertwijfeling heeft doen aanbreken! Assa heeft

zich gevrijwaard voor de booze woorden van zijne vrouw, maar daarvoor

zijn duizende vloeken over hem en zijn huis uitgesproken. Hoe deugdzaam

meende hij zich te gedragen, toen hij een hart dat hem zoo genegen was,

dat niet anders had misdreven dan hem lief te hebben, zoo diep wondde,

en voor altijd vergiftigde! Ja, en hij zou toch zeker gekomen zijn,

wanneer hij niet nog iets voor mij gevoeld had, wanneer hij zichzelven

niet had gewantrouwd, niet had gevreesd, dat de stervende, de oude,

kunstmatig gedoofde vlam nog eens weder tot nieuwen gloed zou kunnen

aanblazen. Ware hij gekomen, ik zou hem beklaagd hebben, maar dat hij

mij goud zond, dat goud.... zie, dat heb ik hem nooit vergeven, dat boet

hij thans aan zijn kleinkind.”

De oude vrouw had de laatste woorden gesproken, als droomde zij, zonder

acht te geven op den man, die naar haar zat te luisteren. Ani gevoelde

eene huivering, als ware hij tegenover eene waanzinnige gezeten, en

onwillekeurig schoof hij zijn stoel achteruit.

De heks merkte het op. Na een oogenblik rust ging zij voort: »Gij

heeren, die op de hoogten wandelt, weet niet hoe het er in de afgronden

en diepten uitziet, en gij wilt het ook niet weten. Laat mij kort zijn!

Ik genas, maar vermagerd en zonder mijne welluidende stem, stond ik

van het ziekbed op. Goud had ik genoeg, en daarvoor kocht ik bij alle

lieden, die zich in Thebe met magische kunsten inlieten, eerst middelen

om Assa opnieuw in liefde voor mij te doen ontvlammen; daarna liet ik

bezweringen uitspreken en toovermiddelen gereed maken, om hem in het

verderf te storten. Ik trachtte ook mijne stem terug te krijgen, maar

de dranken die ik daarvoor gebruikte, maakten mijn geluid eer rauwer

dan zachter. Een uitgeworpen priester, de beroemdste onder de magiërs,

nam mij in zijn huis op, en van hem heb ik veel geleerd. Toen zijne

voormalige standgenooten aan de overzijde hem vervolgden, trok hij zich

hier in de Nekropolis terug en ik vergezelde hem. Toen zij hem gevangen

namen en ophingen, bleef ik in zijn hol en werd zelve eene heks. De

kinderen wijzen mij met den vinger na; eerlijke mannen en vrouwen gaan

voor mij uit den weg. De menschen zijn mij een gruwel en ik veracht mij

zelve. Van dit alles is maar éen de schuld, de eerwaardigste burger van

Thebe, de vrome Assa!

»Gedurende vele jaren had ik mij met tooverij bezig gehouden, en ik

was ervaren geworden in allerlei kunsten. Toen bracht mij op zekeren

dag de hovenier Sent, van wien ik sedert lang planten kocht voor

mijne dranken ― hij had een stuk grond van het Seti-huis gepacht ―

een pasgeboren kind, dat met zes teenen ter wereld gekomen was. Hij

verlangde, dat ik het overtollige lid door mijne kunst zou wegnemen. De

vrome moeder van den kleine lag in de koorts, zij zou het anders nooit

hebben toegestaan. Ik hield het schreeuwertje bij mij, want zoo iets

laat zich wel genezen. Den volgenden morgen, kort vóor zonsopgang,

hoorde ik beweging voor mijn hol. De dienstmaagd van eene aanzienlijke

familie kwam mij roepen. Hare meesteres, zeide de maagd, had zich met

haar naar het graf van haren vader begeven, en was daar van een zoon

bevallen. Hare meesteres lag bewusteloos, ik moest dadelijk mede om hulp

te verleenen. Ik nam terstond het zesteenig knaapje in mijn mantel,

beval mijne slavin mij water na te dragen, en stond weldra ― waar? Dat

kunt gij wel raden. Ik stond voor het graf van Assa’s vader. De moeder,

die daar stuiptrekkend nederlag, was zijne schoondochter, vrouwe

Setchem. Het jongske, waaraan zij het levenslicht had geschonken, was

volmaakt gezond, maar zij zelve verkeerde in zeer groot gevaar. Ik zond

de dienstmaagd met den draagstoel, die buiten stond te wachten, naar het

Seti-huis om hulp te ontbieden. Het meisje zeide mij, dat haar meester,

de vader van het kind, de Mohar in het leger te velde was. Maar de

grootvader van het knaapje, de eerwaardige Assa, had vrouwe Setchem

beloofd haar in dit graf te ontmoeten, en zou dus weldra komen. Zij ging

heen met den draagstoel. Ik wiesch het kind en kuste het, alsof het mijn

eigen was. Daar hoorde ik in de verte voetstappen in het dal. De ure,

waarin ik doodziek het goud van Assa ontving en waarin ik hem vloekte,

stond mij weder levendig voor den geest. Opeens ― nog weet ik zelve

niet hoe het zoo in mij opkwam ― gaf ik mijne slavin den pasgeboren

kleinzoon van Assa in den arm, en beval haar het kind in mijn hol te

brengen; het zesteenig knaapje legde ik, in mijne lompen gehuld, in mijn

schoot. Terwijl ik daar zoo met dit kind zat te wachten tot Assa kwam,

schenen de minuten mij uren toe. Toen hij eindelijk voor mij stond,

wel-is-waar vergrijsd, maar nog altijd statig en ongebogen, legde

ikzelve den tuinmansjongen den zesteenigen in zijn arm, en duizend

demonen lachten daarbij vroolijk in mijn hart. Hij herkende mij niet,

zeide mij dank en gaf mij wederom een hand vol goud. Ik nam het aan, en

hoorde hoe de priesters, die inmiddels uit het Seti-huis gekomen waren,

aan het kind, dat in zulk eene gelukkige ure geboren was, veel schoons

voorspelden. Daarna ging ik naar mijn hol terug, en heb daar verder

gelachen, tot de tranen mij langs de wangen liepen. Ik weet echter niet,

of dit van het lachen kwam. Na verloop van eenige dagen gaf ik den

hovenier het kleinkind van Assa, zeggende, dat de zesde teen geheel was

weggenomen. Ik had den kleine een lichte insnijding aan het voetje

gegeven, om den domkop nog eerder te doen gelooven. Zoo werd Assa’s

kleinzoon, de zoon van den Mohar, als het kind van den hovenier

grootgebracht. Het ontving den naam van Pentaoer, werd in het Seti-huis

opgevoed, en geleek volmaakt op Assa. Het zesteenig kind van den

hovenier is niemand anders dan de gids Paäker. Ziedaar het geheim.”

Ani had de schrikkelijke mededeelingen van de tooveres aangehoord,

zonder een woord te spreken. Men gevoelt zich onwillekeurig aan ieder

verplicht, die ons iets weet te berichten, dat boeit en wel waard is

medegedeeld te worden. Het kwam niet bij hem op de euveldaad van de oude

te straffen, veeleer dacht hij aan de verrukking, waarmede zijne oudere

vrienden van de liederen en de schoonheid van de zangeres Beki konden

vertellen. Hij zag de heks aan, en wederom liep er eene koude rilling

over zijne leden. Ten laatste zeide hij: »Gij zult in vrede wonen, en

als gij sterft, zal ik voor uw balseming zorg dragen. Maar laat nu die

tooverkunsten varen. Gij moet rijk zijn, en zijt gij het niet, zeg maar

wat gij behoeft. Waarlijk, ik durf het nauwelijks wagen u goud aan te

bieden, want dat wekt uw haat, zoo ik hoorde.”

»Het uwe kan ik gebruiken. Maar laat mij nu gaan!”

Zij stond van den grond op en ging naar de deur. De stadhouder verzocht

haar echter nog te blijven, en vroeg: »Is Assa de vader van uw zoon, den

kleinen Nemoe, den dwerg van vrouwe Katoeti?”

De heks barstte uit in lachen en zeide: »Lijkt dan die dreumes in iets

den grooten Assa of de schoone Beki? Ik heb hem opgeraapt, zooals vele

andere kinderen.”

»Maar hij is slim,” zeide Ani.

»Dat is hij! Hij steekt vol plannen, en is met hart en ziel aan zijne

meesteres Katoeti gehecht. Hij zal u helpen uw doel te bereiken, want

hij zelf heeft er ook een.”

»En dat is?”

»Dat Katoeti groot moge worden door u en rijk door Paäker, die morgen

optrekt, om de vrouw, die hij voor zich begeert, tot weduwe te maken.”

»Gij weet veel,” zeide Ani nadenkend. »Eén ding zou ik nog willen

vragen, ofschoon ik, na uw verhaal, mij zelven het antwoord wel geven

kan. Maar misschien hebt gij thans geleerd, wat u in uw jeugd verborgen

was. Zijn er werkelijk liefdedranken?”

»Ik wil u niet bedriegen, omdat ik niet wenschen kan, dat ge aan mij uw

woord zult breken,” antwoordde Hekt. »Een liefdedrank werkt maar zelden,

en dan altijd bij zulke vrouwen, die nog niet lief hebben. Geeft gij de

artsenij aan eene vrouw, wier gemoed vervuld is met het beeld van een

ander man, dan verhoogt gij slechts den hartstocht voor den eersten

geliefde.”

»Dan nog iets anders,” vroeg Ani. »Zijn er middelen om een vijand uit de

verte in het verderf te storten?”

»Ongetwijfeld!” zeide Hekt. »Geringe lieden kunnen gemakkelijker

lasteren, en de groote zijn altijd bij machte anderen te laten

uitvoeren, wat zij zelve niet kunnen doen. Mijn verhaal heeft uw gal

maar weinig geprikkeld; toch komt het mij voor, dat gij den dichter

Pentaoer niet genegen zijt. ― Gij glimlacht! Nu, goed. Ik heb hem niet

uit het oog verloren, en weet dat hij zoo schoon en zoo trotsch is

geworden als Assa. Hij gelijkt hem ook sprekend, en ik zou wel lust

hebben hem te beminnen, zooals dit dwaze hart nog alleen lief hebben

kan. Het is toch wonderlijk! Bij vele vrouwen die tot mij komen, merk

ik op, dat zij gehecht zijn aan de kinderen der mannen, die hunne

trouwbelofte hebben gebroken, en wij vrouwen gelijken allen in de meeste

dingen op elkander. Doch ik wil Assa’s kleinzoon niet liefhebben, ik mag

niet. Ik wil hem benadeelen en ieder helpen die hem vervolgt, want Assa

is wel dood, maar dat wat hij mij heeft aangedaan blijft in mij leven,

zoolang ik leef. Er kome over Pentaoer wat wil! Staat gij hem naar het

leven, treed dan met Nemoe in overleg, die hem ook niet genegen is, en u

beter zal dienen dan mijne nietige bezweringen en het onzinnig brouwsel

van mijne dranken. Laat mij nu naar huis gaan.”

* * * * *

Weinige uren later noodigde Ameni den stadhouder aan het ontbijt.

»Weet gij, wie die tooveres Hekt is?” vroeg Ani.

»Hoe zou ik dat niet weten? Zij is de zangeres Beki, die vroeger in

Thebe ieders hoofd op hol bracht. ― Mag ik weten wat zij u verteld

heeft?”

Ani begreep het geheim van Pentaoer’s geboorte voor den opperpriester

geheim te moeten houden, en gaf een ontwijkend antwoord. Toen vroeg

Ameni hem vergunning om iets mede te deelen, waarbij de oude hare handen

in het spel had gehad. Hij vertelde den stadhouder daarop, hoewel met

eenige weglatingen en veranderingen, als iets wat hem sedert lang bekend

was, de geschiedenis, die hij weinige uren geleden had afgeluisterd.

De stadhouder toonde zich niet weinig verrast en was het met den

opperpriester eens, toen deze hem verzocht Paäker nog niet op de hoogte

te brengen van zijn ware afkomst.

»Hij is een man van een zonderling karakter,” zeide Ameni, »en het zou

kunnen zijn, dat hij ons leelijk in de wielen reed, als hij, vóor hij

het zijne heeft gedaan, te weten kwam, wie hij eigenlijk is.”

* * * * *

De storm was gaan liggen, en de hemel, nog vroeg in den morgen

bedekt met vaneengescheurde wolken, die met eene snelle vaart werden

voortgedreven, werd steeds helderder. Op den heeten wind volgde eene

scherpe koelte, doch weldra verhitte de gloeiende zon weder de lucht van

Thebe. In de tuinen en op de straten lag menige ontwortelde boom. Vele

luchtig opgeslagen hutten en de meeste tenten in het vreemden-kwartier

waren omvergewaaid, terwijl honderde lichte daken van palmtakken door

den wind waren medegesleurd. De stadhouder reed thans met Ameni, die

zich met eigen oogen wilde overtuigen van de verwoestingen, die de storm

in zijne tuinen had aangericht, naar Thebe. Op den Nijl ontmoetten zij

Paäker’s boot. Zij riepen dien aan, en Ani noodigde den gids hem spoedig

in zijn paleis een bezoek te brengen.

De tuinen van den opperpriester behoefden in grootte en schoonen

aanleg niet onder te doen voor die van den Mohar. Het erf, dat sedert

onheuglijke tijden aan zijn geslacht behoorde, was zeer uitgestrekt, en

zijn prachtig huis geleek wel een paleis. Hij zette zich nu onder het

schaduwrijk priëel om met zijne schoone vrouw en zijn jonge lieftallige

dochtertjes aan het ontbijt deel te nemen. Op vriendelijken toon

troostte hij zijne gemalin over menige kleine schade, die het onweder

had aangericht, beloofde de meisjes in plaats van de omgewaaide

duiventil eene veel fraaiere te laten maken, speelde en schertste met

haar. De strenge bestuurder van het Seti-huis, het ernstige opperhoofd

van de Nekropolis, was hier een gewoon mensch, een hartelijke

echtgenoot, een teedere vader, een zorgzaam vriend voor zijne

lievelingen: de bloemen en bontgevederde vogels.

Het jongste dochtertje hing aan zijn rechterarm en het oudste aan zijn

linker, toen hij van de tafel opstond om met haar een bezoek te brengen

aan den hoenderhof. Doch op weg daarheen, kwam een dienaar vrouwe

Setchem, de moeder van Paäker, bij hem aanmelden.

»Breng haar bij mijne vrouw,” beval hij.

Toen echter de slaaf, die een rijk geschenk in geld in de hand hield,

verzekerde, dat de weduwe van den Mohar hem alleen wenschte te spreken,

zeide hij onwillig: »Kan ik dan nooit als andere menschen rust genieten?

De meesteres moet haar ontvangen, zij kan bij haar op mij wachten. Niet

waar, meisjes, thans behoor ik aan u, en aan de hoenders, de eenden en

de duiven!”

Zijne jongste dochter kuste en de oudste liefkoosde hem hartelijk, en

vroolijk voerden zij hem met zich mede.

Een uur later noodigde hij vrouwe Setchem uit hem in den tuin te

volgen. De diep bedroefde en beangstigde moeder had noode tot dezen

gang besloten. Haar goedige oogen zwommen in tranen, toen zij den

opperpriester mededeelde wat haar drukte. »Gij zijt de raadsman van

zijn geweten,” zeide zij, »en gij weet ook, hoe mijn zoon de goden van

het Seti-huis eert door geschenken en offers. Naar zijne moeder wil

hij niet meer luisteren, maar gij bezit nog macht over zijn gemoed.

Schrikkelijke dingen voert hij in ’t schild, en wanneer gij hem geen

vrees aanjaagt met de straf der hemelsche goden, dan heft hij zijne hand

op tegen Mena, en mogelijk, mogelijk ook....”

»Tegen den koning,” zeide Ameni ernstig. »Ik weet het, en zal met hem

spreken.”

»Neem mijn dank aan,” riep de weduwe, diep geroerd, en greep naar het

gewaad van den priester om het te kussen. »Gij waart het toch zelf, die

na zijne geboorte mijn echtgenoot hebt aangekondigd, dat hij onder een

gelukkig teeken geboren was, en dat hij tot eer van zijn huis en tot

sieraad van zijn geslacht zou opwassen. En nu wil hij zich rampzalig

maken voor dit leven en het toekomende!”

»Wat ik uw zoon heb aangekondigd,” viel Ameni haar in de rede, »dat

zal geschieden, al voeren de goden en menschen hem ook langs allerlei

kronkelpaden.”

»Hoe doen die woorden mij goed!” riep Setchem. »O, als gij wist welk

een vreeselijke angst dit hart beklemde, toen ik besloot tot u te gaan!

Maar gij weet ook nog niet alles. De trotsche masten van cederhout, die

Paäker uit Syrië van den verren Libanon naar Egypte zond, om de vanen

te dragen en de hooge poort van ons huis te sieren, heeft de geweldige

storm tegen zonsopgang ter aarde gesmeten.”

»Zoo zal de trots van uw zoon gebroken worden,” zeide Ameni. »Maar

voor u zal, wanneer gij slechts geduldig wacht, een nieuw tijdperk van

vreugde geboren worden.”

»Nogmaals zeg ik uw dank,” hernam Setchem. »Maar ik heb nog iets op ’t

hart. Ik weet wel hoe gierig gij zijt op de uren, die gij schenkt aan

uw gezin. Ik herinner mij zeer goed, hoe gij eens aan mijn echtgenoot

zeidet, dat gij u hier in Thebe gevoeldet als een vrachtpaard, dat men

het zware tuig heeft afgenomen, en zich mag vermeien in de groene weide.

Ik wil u ook niet langer meer ophouden, maar de goden zonden mij ook

zulk een vreemd droomgezicht. ― Paäker had naar mijn moederlijken raad

niet geluisterd. Vol kommer ging ik naar mijne vertrekken terug. De zon

stond reeds aan den hemel, toen eene sluimering van eenige oogenblikken

mijne oogleden sloot. Toen zag ik den feestredenaar Pentaoer, die zoo

zonderling gelijkt op mijn gestorven echtgenoot in gedaante en stem.

Paäker trad hem tegen, hij schold hem vreeselijk en ging hem met vuisten

te lijf. De priester hief zijne armen op, als om te bidden, juist zooals

ik het gisteren op het feestterrein heb gezien. Doch het was niet om de

goden te prijzen, maar om mijn zoon te omvatten en met hem te worstelen.

De worsteling duurde maar kort, want Paäker kromp ineen, en verloor

zijne menschelijke gedaante. Het was niet mijn kind, dat aan de voeten

des dichters neerviel, maar een groot vochtig stuk klei, gelijk de

pottebakkers gebruiken, om er vazen uit te vormen.”

»Een vreemde droom!” sprak Ameni, niet zonder ontroering. »Een vreemde

droom! Maar hij verkondigt u goede dingen. De klei, vrouwe Setchem,

laat zich kneden. Let daarom wel op hetgeen de goden u aankondigen. De

hemelsche goden willen een nieuwen, een beteren zoon, uit den ouden voor

u doen geboren worden. Langs welke wegen dit geschieden zal, is mij nog

verborgen. Ga nu heen en offer, en vertrouw op de wijze raadsbesluiten

van hen, die het leven der wereld en der stervelingen besturen. Nog

een anderen raad moet ik u geven. Als Paäker soms berouwvol tot u

komt, ontvang hem dan liefderijk en deel het mij mede. Maar blijft hij

halsstarrig weigeren zijn wil te buigen, sluit dan uwe vertrekken voor

hem, en laat hem zonder afscheid heengaan.”

Toen Setchem zich met een verlicht hart verwijderd had, prevelde Ameni:

»Zij zal eene schoone vergoeding ontvangen, voor dien ruwen kerel; zij

moet ons echter het wapen, waarmede wij onzen slag willen slaan, niet

week maken. Dikwijls heb ik er aan getwijfeld, of droomen wel in staat

waren ons de toekomst te voorspellen, maar heden gevoel ik mijn geloof

versterkt. Inderdaad, een moederhart ziet meer dan dat van andere

menschen.”

Toen Setchem terugkeerde, ontmoette zij bij de poorten van het paleis

den wagen van haar zoon. Beiden merkten elkander op, maar keerden het

hoofd om; zij konden elkander niet hartelijk en wilden elkander niet

vormelijk groeten. Eerst toen de paarden de draagstoeldragers voorbij

waren gerend, zag de moeder op naar den zoon, en de zoon om naar zijne

moeder. Hunne blikken ontmoetten elkander en beiden gevoelden als een

dolksteek in het hart. Aan den avond van denzelfden dag vertrok de gids

naar Syrië, nadat hij met den stadhouder gesproken, in het Seti-huis

Ameni’s zegen over al zijne ondernemingen ontvangen, en in het graf

zijns vaders geofferd had. Juist toen hij den wagen wilde bestijgen,

werd hem bericht dat de mattenvlechter, die de mastboomen vóor zijne

poort had doorgezaagd, gevangen was.

»Laat hem de oogen uitsteken!” Dit waren de laatste woorden, die hij op

zijn erfgoed sprak.

Setchem zag hem lang achterna. Zij had hem een afscheidsgroet geweigerd

en bad nu de goden zijn hart te veranderen, en hem te behoeden voor

gevaren en booze daden.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 38 / 58 题