De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der
overstrooming[236] reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de
grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het
opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor
de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de
stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen
voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich
daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van
dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de
Nekropolis.
[236] Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden
of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden
der overstrooming, van zaaiing en oogst (”Scha”, „per” en
„schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de
29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam
overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.
Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in
plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar,
zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere
wereld[237]. Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het
stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar
ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd
was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de
priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het
brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij
de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te
danken. »Breng offers,” zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw
vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den
goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan
henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor
u moge doen, wat gij voor hen doet”[238].
[237] Maspero, =Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre=, p. 75
Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.
[238] Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke
voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven,
en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op
voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door
Chabas in zijn tijdschrift =l’Egyptologie=.
Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber
karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was
integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis
van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men
verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk,
terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten,
offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij
elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en
fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken,
wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds
een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten,
die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der
aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende
op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden ’s nachts van
het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden
hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de
heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg
den oceaan des hemels bevoer.
Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel,
van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de
ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder
de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken
en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe
ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet,
waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog
altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen
dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder
de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter
van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed
vertragen.
Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die
het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien.
Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom
betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en
vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de
godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de
wierookgeuren, dat Amon naderde ― maar nog altijd vertoonde de dochter
van Ramses zich niet.
Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond
in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de
tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie;
Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar
broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk
paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren
morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe,
haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen
melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de
goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden
geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had
zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe
moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was,
wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had
toen Ani’s hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn
tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar,
om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor
zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd,
maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te
vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en
zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti
den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen
met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf
te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare
meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.
Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning
gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze
schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het
volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in
haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over
de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij
hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld
geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”
»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders
scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne
tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden
tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.
»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog
klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”
»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, »en ik zal dien
nooit vergeten.”
»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. ― »Blijf gerust, Nefert; gij zijt
immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij,
kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des
konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder
bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een
voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij
misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder
een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo
bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning:
‚Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig
recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het
gebeurd is, dan doet het mij leed!’ ― Toen vlogen wij allen naar hem
toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en
zeide: ‚Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk
gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij
weder wilt geven, wat ik u schonk.’ ― Hij herinnerde ons daarop onze
overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat
was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon
tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene
zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats
met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig
te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist
dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. ― Wij
grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter
geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”
Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men
zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”
»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag
goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.
Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan
moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”
»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. »En ook de
uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars
vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op
dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij
dit feest,’ zeide hij, ‚behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een
onbevlekt hart.’ Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni,
wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze
vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als
moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij,
broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen
staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer
geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”
»Ik ga met u,” zeide Rameri.
»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne
bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een
krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere
gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van
Mena’s moeder gelegd wordt.”
Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden,
hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene
koningin, en éen voor Mena’s moeder.
»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven
nederleggen.”
»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk
vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op,
dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”
»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen
laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het
bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”
Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare
blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe
oogen konden zij alles overzien.
»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en
armzalige optocht[239] zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig
rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers[240] en zangers.
Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe.
Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te
vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”
[239] Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk
de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest
van den trap op den tempel van Medinet Haboe.
[240] Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich
onderscheidden door twee vederen op hun hoofd. Vert.
Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden
zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in
wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden,
met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens.
Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god
zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte
onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde
schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem
beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij
scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den
stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke
bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper
goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon
langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.
Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden
broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu
priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene
heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de
geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest
waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”
»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met
de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed;
juist het tegengestelde van een sphinx[241]!”
[241] Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx
heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf
het hoofd van een man, òf den kop van een ram.
»Hoe zoo?” vroeg Nefert.
»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een
leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam
een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een
krijgsman.”
»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, »gij zoudt
onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”
»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien
als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten;
achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne
vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel
in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel
versierd met Uraeus-slangen zich welven. ― De Horoscopen en de
Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee,
schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne
feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de
teekenen op de standaarden[242]. Herkent gij de beelden der koninklijke
voorvaderen, Bent-Anat? ― Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij
toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze
grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende,
zooals het toch behoorde te zijn. ― Daar komen de krijgslieden! Het
zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht
als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen
toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. ― Denkt eens, Bent-Anat
en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd
gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig
volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne
prachtige wagens!” ―
[242] Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had
haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke
optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten
werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den
tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der
Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten,
die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele
belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het
godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en
J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de
geografische indeeling van het Nijldal.
»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”
Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en
vreemde dieren[243] zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip
van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot
vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout.
De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het
zoovele smaragden of robijnen waren[244]. De masten en de raas waren
verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip,
zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën,
doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. ― De
Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk
van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige
Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de
zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee
groote robijnen vonkelden.
[243] Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een
feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet
houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus
Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het
geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger
tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van
Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.
[244] De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid
zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van
verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling
van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn
mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit
gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.
Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan
gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die
weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte
van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier
en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.
»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep Rameri, »en laat
ik mij met de kransen overzetten.”
»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.
»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.
»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik
dan met u naar de overzijde!”
»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel
eene vermomming te vinden.”
»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de
schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”
Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en
met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u
wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het
algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van
Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne
afgestorvenen geen krans mogen brengen?”
»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” zeide
Bent-Anat blozend.
»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste.
»Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft; gij, die
altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het
schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat
de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken
hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de
reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni....”
»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij
weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem
hooren.”
»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” hernam
Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de
Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft,
het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De
wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch
dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees
verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik
leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij
zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren
de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij
tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren,
en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper
indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen
zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!”
»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.
Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem
echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare
groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de
uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de
angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”