TWAALFDE HOOFDSTUK.

De zon was op den negen en twintigsten morgen van de tweede maand der

overstrooming[236] reeds opgegaan, en de burgers en burgeressen, de

grijsaards en de kinderen, de vrijen en de slaven in Thebe brachten het

opgaand daggesternte hunne hulde, onder de leiding der priesters, voor

de poorten van den tempel, waartoe het door hen bewoonde kwartier van de

stad behoorde. De inwoners van Thebe stonden in familie-groepen bijeen

voor de pylonen, wachtende op den optocht der priesters. Zij wilden zich

daarbij aansluiten om zoo te trekken naar den grooten rijkstempel en van

dezen uit met de feestbarken den stroom over te steken naar de

Nekropolis.

[236] Den 29sten Paophi. De Egyptenaars hadden drie jaargetijden

of Tetrameniën, elk van vier maanden. Het waren de jaargetijden

der overstrooming, van zaaiing en oogst (”Scha”, „per” en

„schemoe”). De tweede overstroomingsmaand heet Paophi en de

29ste Paophi, waarop het feest van het dal gevierd werd, kwam

overeen met den 8sten November volgens onze tijdrekening.

Heden, op het feest van het dal, werd Amon, de groote god van Thebe, in

plechtstatigen optocht overgebracht naar de doodenstad, ten einde daar,

zooals de priesters zeiden, te offeren voor zijne ouders in de andere

wereld[237]. Zijn tocht ging naar het westen, en gelijk daar het

stoffelijk overschot der menschen rust vond in de graven, zoo waren daar

ook de millioenen zonnen verdwenen, waarop dagelijks een nieuwe gevolgd

was, weder uit den nacht verrijzende. Het verjongde licht, zeiden de

priesters, vergeet het uitgebluschte niet, waaruit het geworden is; het

brengt als Amon daaraan zijne hulde, om de vromen te herinneren, dat zij

de afgestorvenen niet mogen vergeten, waaraan zij hun leven hadden te

danken. »Breng offers,” zoo luidde eene godsdienstige spreuk, »aan uw

vader en uwe moeder, die in het dal der graven rusten, want dit is den

goden welgevallig, die deze gaven willen aannemen, als waren ze aan

henzelven gebracht. Bezoek uwe ontslapenen dikwijls, opdat uw zoon voor

u moge doen, wat gij voor hen doet”[238].

[237] Maspero, =Mémoire sur quelques Papyrus de Louvre=, p. 75

Pap. 3. Boulaq, T. 3, p. 22, 23.

[238] Uit den te Boulaq bewaarden Papyrus IV, die zedelijke

voorschriften behelst. Hij werd door Mariëtte uitgegeven,

en vertaald door Brugsch, E. de Rougé, en ten laatste op

voortreffelijke wijze analytisch verklaard en toegelicht door

Chabas in zijn tijdschrift =l’Egyptologie=.

Het feest van het dal was een doodenfeest, maar het droeg geen somber

karakter; het werd niet met gejammer en weeklachten gevierd. Het was

integendeel een vroolijk feest, gewijd aan de liefdevolle nagedachtenis

van de zoodanigen, die men ook na den dood nog bleef liefhebben. Men

verhief het geluk dier gezaligden en herdacht hen vriendschappelijk,

terwijl men, gezellig in de grafkapel of vóor hunne groeve gezeten,

offers bracht en maaltijd hield. Ouders en kinderen sloten zich bij

elkander aan. De huisslaven volgden hen met voorraad van spijzen en

fakkels, om het donkere graf te verlichten, of ze ook te ontsteken,

wanneer men laat in den nacht huiswaarts keerde. Ook de armste had reeds

een dag te voren gezorgd voor een plaatsje op een der groote schuiten,

die de bedevaartgangers den stroom moesten overzetten. De barken der

aanzienlijken lagen schitterend getooid aan den oever gereed, wachtende

op de eigenaars met hun gevolg. De kinderen hadden ’s nachts van

het heilige feestschip van Amon gedroomd; want de moeders hadden

hen verteld, dat dit vaartuig in pracht weinig onderdeed voor de

heerlijkheid der gouden zonneschuit, waarin de zonnegod met zijn gevolg

den oceaan des hemels bevoer.

Reeds wemelde het van priesters op de oevertrappen van den rijkstempel,

van burgers op de kade en van booten op den vloed. Reeds overstemden de

ruischende tonen der feestmuziek het gejoel der volksmenigte, waaronder

de een den ander te midden van stofwolken verdrong, om de barken

en booten te bereiken. Reeds waren alle huizen en hutten van Thebe

ontvolkt, en zag men in gespannen verwachting het oogenblik te gemoet,

waarop de godheid uit de tempelpoort te voorschijn zou treden. Maar nog

altijd ontbraken de leden der koninklijke familie, die anders op dezen

dag gewoon waren te voet naar den grooten tempel van Amon te gaan. Onder

de menigte vroeg de een den ander, waarom Bent-Anat, de schoone dochter

van Ramses, zoo lang uitbleef, en het opbreken van de processie deed

vertragen.

Reeds hieven de priesters hunne gezangen aan achter de tempelmuren, die

het volk verhinderden de veelkleurig beschilderde voorhoven te zien.

Reeds had de stadhouder met een luisterrijk gevolg het heiligdom

betreden. Reeds werden de deuren van het feestgebouw geopend en

vertoonden zich de enkel met een schort gekleede knapen, die voor de

godheid op den weg bloemen moesten strooien. Reeds verkondigden de

wierookgeuren, dat Amon naderde ― maar nog altijd vertoonde de dochter

van Ramses zich niet.

Allerlei geruchten werden verbreid, waaronder zeer onzinnige. Dit stond

in elk geval vast, en werd ook tot teleurstelling van het volk door de

tempeldienaars bevestigd: de prinses nam geen deel aan de processie;

Bent-Anat was uitgesloten van het feest van het dal. Zij stond met haar

broeder Rameri en de vrouw van Mena op het balkon van haar vaderlijk

paleis, uitziende naar den stroom en het naderen der godheid. Gisteren

morgen had de oude opperpriester van Amon te Thebe, Bek-en-Choensoe,

haar de reinheid teruggegeven, maar aan den avond was hij haar komen

melden, dat Ameni haar verbood de Nekropolis te betreden, zoolang de

goden van het westen haar voor het misdrevene geene vergeving hadden

geschonken. Terwijl zij nog in den staat van onreinheid verkeerde, had

zij den Hatasoe-tempel betreden en dien bevlekt, en Bek-en-Choensoe

moest toestemmen, dat de overste van de doodenstad in zijn recht was,

wanneer hij het gebied van het westen voor haar sloot. Bent-Anat had

toen Ani’s hulp ingeroepen, maar ofschoon de stadhouder haar zijn

tusschenkomst beloofde, zoo kwam hij toch laat in den avond tot haar,

om haar mede te deelen, dat Ameni onvermurwbaar bleef, ook zelfs voor

zijne bede. De stadhouder had haar hierover zijn leedwezen betuigd,

maar tevens den raad gegeven, elke aanleiding tot openbare ergernis te

vermijden, de eerwaarde gestrengheid van Ameni niet te trotseeren en

zich niet op het feest te laten zien. Terzelfder ure had vrouwe Katoeti

den dwerg Nemoe tot hare dochter gezonden, om deze uit te noodigen

met haar aan den optocht deel te nemen, en in het voorvaderlijk graf

te offeren. Doch Nefert had haar doen antwoorden, dat zij van hare

meesteres en vriendin niet konde of wilde scheiden.

Bent-Anat had aan de voornaamste personen van hare hofhouding vergunning

gegeven om het feest mede te vieren, en hun verzocht harer bij deze

schoone plechtigheid te willen gedenken. Toen zij van het balkon het

volk zag samenstroomen, en de booten wemelden op den stroom, ging zij in

haar vertrek terug. Zij riep Rameri tot zich, die in woede losbrak over

de onbeschaamdheid van Ameni, vatte zijne beide handen en zeide: »Wij

hebben beiden misdreven, broeder! Laten wij de gevolgen van onze schuld

geduldig dragen, en handelen alsof onze vader bij ons was.”

»Hij zou den overmoedigen priester het panthervel van de schouders

scheuren,” riep de prins, »wanneer deze het waagde in zijne

tegenwoordigheid u zoo te vernederen.” En bij deze woorden rolden

tranen van boosheid langs zijne jeugdige wangen.

»Wees nu niet langer toornig,” antwoordde Bent-Anat. »Gij waart nog

klein, toen vader voor de laatste maal aan dit feest deelnam.”

»O, ik herinner mij dien morgen zeer goed,” riep Rameri, »en ik zal dien

nooit vergeten.”

»Ik dacht het wel,” zeide Bent-Anat. ― »Blijf gerust, Nefert; gij zijt

immers nu mijne zuster! Hoor! het was op een heerlijken morgen. Wij,

kinderen, waren feestelijk uitgedost verzameld in de groote zaal des

konings. Toen liet hij ons roepen in deze vertrekken, die onze moeder

bewoond had. Weinige maanden geleden was zij gestorven. Hij nam ons een

voor een bij de hand en zeide aan elk, dat hij hem alles vergaf wat hij

misdreven had, mits hij er ernstig berouw over had, en drukte ieder

een kus op het voorhoofd. Toen wenkte hij ons tot zich, en zeide zoo

bescheiden, alsof hij een onzer was, en niet de geduchte koning:

‚Misschien heb ik ook iemand uwer onrecht gedaan, of hem niet volledig

recht laten wedervaren. Ik ben mij daarvan niet bewust, maar als het

gebeurd is, dan doet het mij leed!’ ― Toen vlogen wij allen naar hem

toe, want ieder wilde hem kussen. Hij weerde ons echter lachend af en

zeide: ‚Van een ding heeft ieder van u een gelijk deel genoten, gelijk

gij wel weet; ik bedoel de liefde uws vaders. Nu zie ik dat gij mij

weder wilt geven, wat ik u schonk.’ ― Hij herinnerde ons daarop onze

overledene moeder en zeide, dat ook de hartelijkste vader niet in staat

was het gemis eener moeder te vergoeden. Toen hing hij ons een schoon

tafereel op van de zelfverloochenende liefde, waarmede de afgestorvene

zich geheel aan ons had gewijd, en noodigde ons uit aan hare rustplaats

met hem te bidden en te offeren. Dáar moesten wij beloven harer waardig

te leven, niet enkel in het groote, maar ook in het kleine. Want juist

dat kleine vormde het leven, gelijk de uren den dag en het jaar. ― Wij

grooteren drukten toen elkander de handen, en nooit ben ik zeker beter

geweest dan in die ure, en aan het graf mijner moeder!”

Nefert sloeg hare oogen op, waarin tranen blonken, en zeide: »Als men

zulk een vader heeft, moet het gemakkelijk vallen goed te blijven.”

»Heeft uw moeder ook niet altijd aan den morgen van dezen feestdag

goede woorden in uw hart gelegd?” vroeg Bent-Anat.

Nefert bloosde en zeide: »Het werd altijd laat met ons toilet, en dan

moesten wij ons haasten, om ter rechter tijd in den tempel te komen.”

»Kom, laat mij dan heden uwe moeder zijn!” sprak Bent-Anat. »En ook de

uwe, Rameri. Weet gij ook nog, hoe vader aan de hofbeambten en dienaars

vergeving schonk, en hoe hij hun zoowel als ons op het hart drukte, op

dien dag elke opwelling van toorn in onze borst te onderdrukken? ‚Bij

dit feest,’ zeide hij, ‚behoort niet enkel een rein kleed, maar ook een

onbevlekt hart.’ Derhalve, broeder, geen boos woord meer over Ameni,

wien zijn wet waarschijnlijk tot zulke eene gestrengheid dwingt. Onze

vader zal dit alles vernemen en richten. Het hart is mij zoo vol, als

moest het overvloeien. Kom, Nefert, geef mij een kus, en ook gij,

broeder! Ik ga thans in mijne kapel, waar de beelden der voorvaderen

staan, om aan mijne moeder te denken en aan de zalige geesten onzer

geliefden, waaraan ik heden niet offeren mag.”

»Ik ga met u,” zeide Rameri.

»Nefert,” sprak Bent-Anat, »blijf gij hier en snijd zoo vele van mijne

bloemen, als gij wilt. De schoonste moogt gij nemen! Vlecht daarvan een

krans, en wanneer die gereed is, laten wij hem door een bode met andere

gaven naar de overzijde brengen, die zorgen moet dat hij in het graf van

Mena’s moeder gelegd wordt.”

Toen broeder en zuster na een half uur tot de jonge vrouw terugkeerden,

hield Nefert twee sierlijke kransen in de hand, éen voor de gestorvene

koningin, en éen voor Mena’s moeder.

»Ik zal de kransen overbrengen,” riep Rameri, »en in de graven

nederleggen.”

»Ani meent, dat het beter zal zijn, wanneer wij ons niet aan het volk

vertoonen,” zeide Bent-Anat waarschuwend. »Men merkt ter nauwernood op,

dat gij onder de scholieren wordt gemist, maar....”

»Maar ik wil mij niet als zoon van Ramses, maar als een tuinmansjongen

laten overzetten,” viel de prins haar in de rede. »Hoort gij het

bazuingeschal? Thans dragen zij den god naar buiten!”

Rameri betrad het balkon, de beide vrouwen volgden hem en richtten hare

blikken naar de plaats, waar de stoet zou scheep gaan. Met hare scherpe

oogen konden zij alles overzien.

»Ik troost mij met de gedachte,” zeide Rameri, »dat het een magere en

armzalige optocht[239] zal zijn, zonder mijn vader en ons. Hoe statig

rollen de tonen der muziek! Nu komen de vederdragers[240] en zangers.

Daar is de eerste profeet van den rijkstempel, de oude Bek-en-Choensoe.

Wat ziet hij er eerwaardig uit! Maar het loopen begint hem moeielijk te

vallen. Nu nadert de godheid; reeds vang ik de wierookgeuren op....”

[239] Bij de beschrijving van de processie, heb ik voornamelijk

de voorstellingen gevolgd van den grooten optocht bij het feest

van den trap op den tempel van Medinet Haboe.

[240] Pterophoren, zooals de priesters heeten, omdat zij zich

onderscheidden door twee vederen op hun hoofd. Vert.

Bij deze woorden wierp de prins zich op de knieën, en de vrouwen volgden

zijn voorbeeld, toen zich ten eerste een prachtige stier vertoonde, in

wiens helder gladde huid de zon zich spiegelde. Hij droeg eene gouden,

met glanzend witte struisvederen getooide schijf tusschen de horens.

Daarachter, voorafgegaan door eenige waaierdragers, verscheen de god

zelf, nu en dan zichtbaar, maar meestal voor het oog der menigte

onzichtbaar, door de groote halfronde, aan lange staven bevestigde

schermen van zwarte en witte struisvederen, waarmede de priesters hem

beschaduwden. Geheimzinnig als zijn naam was ook zijn gang, want hij

scheen op zijn kostbaren zetel langzaam van de tempelpoort naar den

stroom te zweven. Zijn troon stond op eene tafel met kostelijke

bouquetten en bloemguirlanden getooid, bedekt met een kleed van purper

goudbrocaat, dat tevens de priesters bedekte, die den god op zijn troon

langzaam en met gelijkmatige schreden voortdroegen.

Zoodra de godheid in het feestschip eene plaats had gevonden stonden

broeder en zuster benevens Nefert van hunne knieën op. Er kwamen nu

priesters te voorschijn, die een kist droegen met de altijd groene

heilige boomen van Amon, en toen op nieuw het gezang der liederen en de

geur van den wierook ooren en oogen bereikten van hen, die van het feest

waren uitgesloten, prevelde Bent-Anat: »Nu zou mijn vader zijn gekomen.”

»En gij!” riep Rameri, »en onmiddellijk daarachter Nefert’s gemaal met

de garde. Neef Ani gaat te voet. Hoe zonderling heeft hij zich gekleed;

juist het tegengestelde van een sphinx[241]!”

[241] Er waren in Egypte geene vrouwelijke sphinxen. De sphinx

heet Neb, d. i. de heer. De liggende leeuwengestalten dragen òf

het hoofd van een man, òf den kop van een ram.

»Hoe zoo?” vroeg Nefert.

»Een sphinx,” antwoordde Rameri lachend, »heeft het lichaam van een

leeuw en het hoofd van een mensch, en neef draagt om zijn lichaam

een vreedzaam priesterlijk gewaad en op zijn hoofd den helm van een

krijgsman.”

»Ware de koning hier, de leven schenkende,” zeide Nefert, »gij zoudt

onder zijne dragers niet worden gemist, Rameri.”

»Zeker niet!” gaf de prins ten antwoord. »Het zou er ook anders uitzien

als de heldengestalte van onzen vader op zijn gouden troon was gezeten;

achter hem zou het beeld van waarheid en gerechtigheid beschermend zijne

vleugelen over hem uitspreiden, vóor hem zou zijn geweldige metgezel

in den slag, de leeuw, nederliggen, en boven hem zou een troonhemel

versierd met Uraeus-slangen zich welven. ― De Horoscopen en de

Pastophoren met de standaarden en godenbeelden en kudden van slachtvee,

schijnen geen einde te nemen! Ziet eens, ook het Noorderland heeft zijne

feestgezanten gezonden, als ware onze vader hier. Ik onderscheid de

teekenen op de standaarden[242]. Herkent gij de beelden der koninklijke

voorvaderen, Bent-Anat? ― Niet goed? Ik ook niet; maar het scheen mij

toe als was het de eerste Ahmes, de verdrijver der Hyksos, waarvan onze

grootmoeder afstamt, en niet grootvader Seti, die den stoet opende,

zooals het toch behoorde te zijn. ― Daar komen de krijgslieden! Het

zijn de regimenten die Ani heeft uitgerust, en die eerst heden nacht

als overwinnaars uit Ethiopië terugkeerden. Hoort hoe het volk hen

toejuicht! Zij hebben zich ook dapper gedragen. ― Denkt eens, Bent-Anat

en Nefert, wat dat zijn zal, als onze vader terugkeert met wel honderd

gevangen vorsten, die zijn tweespan, door uwen Mena bestuurt, deemoedig

volgen, met al onze broeders, de edelen des lands, en de garden op hunne

prachtige wagens!” ―

[242] Elke nomos of provincie van Egypte (daar waren er 44) had

haar kenteeken, een soort van wapen, dat bij feestelijke

optochten op banieren werd rondgedragen. Volledige lijsten

werden reeds in den tijd van Seti I op de muren van den

tempel te Abydus uitgebeiteld. Op de tempels uit den tijd der

Ptolemaeën, te Philae, Edfoe en Dendera, leeren de teksten,

die aan de lijsten der provinciën zijn toegevoegd, ons vele

belangrijke bijzonderheden kennen, vooral betreffende het

godsdienstig leven in elke nomos. Harris, Brugsch, Dümichen en

J. de Rougé hebben zich in het bijzonder bezig gehouden met de

geografische indeeling van het Nijldal.

»Helaas,” zuchtte Nefert, »zij denken nog niet aan hunne terugkomst!”

Terwijl telkens nieuwe regimenten van den stadhouder, muziekkoren en

vreemde dieren[243] zich in den optocht vertoonden, voer het feestschip

van Amon van de landingstrap af. Het was een voortreffelijk groot

vaartuig geheel van glanzend gepolijst en rijk met goud ingelegd hout.

De boorden prijkten met versiersels van gesmolten glas, alsof het

zoovele smaragden of robijnen waren[244]. De masten en de raas waren

verguld, en van de laatste hingen purperen zeilen af. Rondom het schip,

zijne masten en zijn touwwerk slingerden zich guirlanders van leliën,

doorvlochten met rozen. De priesters zaten op elpenbeenen zetels. ― De

Nijlboot van den stadhouder was niet minder rijk. Het houtwerk blonk

van al het verguldsel. Het kajuithuisje was bekleed met veelkleurige

Babylonische tapijten. Aan de snebbe zag men, gelijk weleer aan de

zeeschepen van Hatasoe, een gouden leeuwenkop, waarin als oogen twee

groote robijnen vonkelden.

[243] Zulke vreemde dieren namen in grooten getale aan een

feestelijken optocht deel, dien Ptolemaeus Philadelphus liet

houden, en die ons door een ooggetuige, Kallixenos, in Athenaeus

Deipnosophist, uitvoerig beschreven wordt. De vorst uit het

geslacht der Lagiden volgde hiermede de gewoonte van vroeger

tijd, gelijk ons blijkt uit voorstellingen in het graf van

Rechma-Ra (18e dynastie) en in andere groeven.

[244] De Egyptenaars wisten met groote kunstvaardigheid

zulke edelgesteenten na te maken. Er zijn exemplaren van

verschillenden vorm en kleur bewaard gebleven. In de verzameling

van Minutoli en in andere, met name die te Boelaq, zijn

mozaïek-paarlen, die onze tegenwoordige kunstenaars op dit

gebied bezwaarlijk zullen kunnen namaken.

Nadat de priesters zich hadden ingescheept en de heilige bark aan

gindschen oever was geland, stormde het volk op de booten los, die

weldra, soms tot zinkens toe geladen, den stroom langs de geheele lengte

van Thebe en in zijn gansche breedte zoo bedekten, dat de zon maar hier

en daar een plekje vond, om zich in het geelachtige water te spiegelen.

»Nu ga ik toch het pak van een hovenier leenen,” riep Rameri, »en laat

ik mij met de kransen overzetten.”

»Wilt gij ons dan alleen laten?” vroeg Bent-Anat.

»Maak het mij niet te moeielijk, zuster,” smeekte Rameri.

»Ga dan,” zeide de prinses. »Als onze vader hier was, hoe gaarne voer ik

dan met u naar de overzijde!”

»Waag het met mij!” hernam de jongeling. »Mogelijk is er voor u ook wel

eene vermomming te vinden.”

»Dwaasheid!” antwoordde Bent-Anat, en zag Nefert vragend aan, die de

schouders ophaalde, als wilde zij zeggen: »Wat gij wilt is mij goed.”

Die oogentaal der vriendinnen was den slimmen Rameri niet ontgaan, en

met levendigheid riep hij uit: »Gij zult met mij gaan, dat kon ik u

wel aanzien. Iedere bedelaarsknaap werpt heden zijne bloemen in het

algemeene graf, dat de mummie zijns vaders bevat, en de kinderen van

Ramses en de vrouw van zijn wagenmenner zouden uitgesloten zijn en hunne

afgestorvenen geen krans mogen brengen?”

»Ik zou het graf door mijne tegenwoordigheid bezoedelen,” zeide

Bent-Anat blozend.

»Gij, gij!” riep de prins terwijl hij zijne zuster omhelsde en kuste.

»Gij, het beste en grootmoedigste schepsel dat er leeft; gij, die

altijd gereed zijt om smarten te lenigen en tranen te drogen; gij het

schoone evenbeeld van onzen vader, zoudt onrein zijn! Eer geloof ik, dat

de zwanen onder ons zoo zwart zijn als de kraaien, en de rozenranken

hier aan het balkon scheerlingstruiken. Bek-en-Choensoe heeft u de

reinheid teruggegeven, en wanneer Ameni....”

»Ameni is echter in zijn recht,” zeide Bent-Anat vriendelijk, »en gij

weet, wat wij beloofd hebben. Ik wil heden geen kwaad woord over hem

hooren.”

»Goed dan! Hij heeft zich goed en genadig jegens ons betoond,” hernam

Rameri spottend, terwijl hij zich diep boog met het aangezicht naar de

Nekropolis gekeerd, »en gij zijt onrein! Betreed dan, wat mij betreft,

het graf en den tempel niet, maar blijf met ons onder het volk. De

wegen dáar aan de overzijde zijn zoo teergevoelig niet; zij worden toch

dagelijks door onreine Paraschieten en huns gelijken betreden. Wees

verstandig, Bent-Anat, en kom mede! Wij verkleeden ons, ik geleid u, ik

leg de kransen op hunne plaats, wij bidden te zamen vóor de groeve, wij

zien den heiligen optocht, en de werken der wonderdoeners, en hooren

de feestrede. Bedenkt eens dat Pentaoer, niettegenstaande alles wat zij

tegen hem hebben, haar houden mag. Het Seti-huis wil heden schitteren,

en Ameni weet zeer goed dat Pentaoer, als hij den mond opent, dieper

indruk te weeg brengt, dan alle wijze heeren, wanneer zij te zamen

zingen in het heilige koor! Kom dan mede, zuster!”

»Het zij zoo!” sprak Bent-Anat, opeens besloten.

Rameri schrikte, toen hij dit haastig gesproken woord vernam, dat hem

echter verblijdde. Nefert zag Bent-Anat vragend aan, om echter hare

groote oogen weldra weder neder te slaan. Zij toch wist wie de

uitverkorene was van hare vriendin, en in haar binnenste rees de

angstige vraag: »Waar zal dit op uitloopen?”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 35 / 58 题