ELFDE HOOFDSTUK.

Tegelijk met den bakker lieten honderde lieden, ondanks het

vergevorderde uur, zich naar de Nekropolis overzetten. Het was hun

geoorloofd daar, onder het oog der veiligheidsbeambten, in den nacht,

die aan het feest voorafging, te vertoeven. Zij toch moesten de tafels

voor hunne handelsartikelen en de schutdaken daarboven in gereedheid

brengen, hunne waren uitstallen en hunne tenten opslaan. Want zoodra de

zon zich den volgenden morgen zou vertoonen, was alle handelsverkeer op

den heiligen stroom verboden, en mochten slechts feestbarken en zulke

booten van Thebe afvaren, die de bedevaartgangers voor de groote

processie, mannen, vrouwen en kinderen, burgers en vreemdelingen naar

gindschen oever hadden over te voeren.

In de zalen en laboratoriën van het Seti-huis was insgelijks meer

drukte dan gewoonlijk. De heiligverklaring van het wonderhart had de

toebereidselen tot het feest voor korten tijd afgebroken. Thans werden

weder hier de koren geoefend, daar de repetitie gehouden van de

vertooning, die op het heilige meer[224] zou worden uitgevoerd, ginds

de godenbeelden afgestoft en bekleed[225], en de kleuren der heilige

emblemen verfrischt. Sommigen waren bezig met de pantherhuiden en

verdere kleedingstukken van het priesterlijk ornaat te luchten en in

orde te brengen, anderen poetsten de schepters, wierookpannen en overige

koperen gereedschappen, nog anderen tooiden de feestbark op[226], die

bij de processie moest worden rondgedragen. De jongere kweekelingen

vlochten, onder toezicht van de tempelhoveniers, in het heilige bosch

van het Seti-huis guirlanden en kransen, om de landingsplaats, de

sphinxen, den tempel en de godenbeelden te versieren. Aan de met koper

beslagene masten[227] vóor de pylonen werden de vanen geheschen, en

purperkleurige zeilen gespannen over het midden van het groote voorhof,

om straks de brandende zonnestralen te weren.

[224] Aan elken tempel was een heilig meer verbonden. Herodotus

(II 171) spreekt van de voorstellingen, die op het heilig meer

van Neith te Saïs, bij nacht werden gegeven. „Men noemt ze

mysteriën,” zegt hij, „maar ofschoon ik er veel van weet, zwijg

ik daarover uit eerbied.” Men stelde er de mythe van Isis,

Osiris en Seth-Typhon voor. ― Vgl. Ebers, =Eene Egyptische

koningsdochter=, B. III.

[225] De Stolisten moesten de godenbeelden bekleeden, en

bij eenige reliefs worden nog de haken gevonden, waaraan de

kleedingstukken werden bevestigd. Het uit- en aankleeden dier

godenbeelden moest bij de godsdienstoefening volgens eene

vastgestelde orde geschieden. De door A. Mariëtte uitgegeven

opschriften in de zeven sanctuariën van Abydus, zijn voor

deze handelingen, die allen eene bepaalde beteekenis hadden,

bijzonder leerrijk.

[226] De „Sam-bark” geheeten, volgens de voorstellingen, die

men nog zien kan in de overblijfselen van het Seti-huis, of den

tempel van Qoernah.

[227] Zie boven bl. 216.

Richtte men den blik naar eene der nevenpoorten, dan kon men den

opzichter der offergaven opmerken, die reeds nu het vee, het koren en de

vruchten in ontvangst nam. Dit was de schatting, die op het feest van

het dal, door burgers uit alle deelen des lands aan het Seti-huis werd

gebracht. Schrijvers die alles wat werd afgeleverd aanteekenden,

Neokoren die de gaven aannamen, en lijfeigenen, die voor den landbouw

werden gebruikt, stonden den priester bij dit werk ter zijde.

Ameni was nu eens bij de zangers, dan weder bij de wonderdoeners, die

voor het volk verrassende gedaanteverwisselingen moesten vertoonen.

Pas had hij zijne bevelen gegeven aan de Neokoren, die den troon en de

zetels voor den stadhouder, de gezanten van de andere priestercollegiën

des lands[228] en de profeten van Thebe opsloegen, of hij begaf zich

weder naar de priesters, die de reukwerken in orde brachten, en naar de

dienaars, die de duizende lampen voor den feestnacht gereed maakten

en ophingen. Kortom, hij was overal, hier een woord van goedkeuring

sprekende, daar de tragen wat aanzettende. Toen hij overtuigd was dat

alles goed ging, beval hij een der heilige vaders Pentaoer te roepen.

[228] De opschriften in den zuilengang aan de oostzijde van

den tempel van Qoernah doen ons zien, dat zelfs uit den Delta,

feestboden naar het Seti-huis werden gezonden.

De jonge priester had zich, na afscheid genomen te hebben van Rameri,

den uit het Seti-huis verbannen zoon van Ramses, met zijn vriend

Nebsecht in diens studeerkamer teruggetrokken. De arts liep onrustig

tusschen zijne flesschen en kooien op en neer. In koortsachtige spanning

nu eens een bundel planten met den voet wegschoppende, dan weder met

zijn vuist op de tafel slaande, vertelde hij Pentaoer, terwijl zijne

anders stijve ledematen in heftige beweging waren, in welk een toestand

hij zijn studeervertrek bij zijne terugkomst had gevonden. Zijne

lievelingsvogels waren verhongerd; zijne slangen hadden zich weten vrij

te maken; ook zijn aap was, misschien wel uit angst voor de gevaarlijke

dieren, losgebroken.

»Dat beest, dat monster!” riep hij toornig, »heeft de potten met kevers

omgeworpen, de kist met het meel, dat ik mijne vogels en wormen te eten

geef, opengemaakt en zich daarin rondgewenteld. Het heeft mijne messen,

naalden, tangen, mijne stiften, cirkels en rietpennen het venster

uitgeworpen. Toen ik de kamer inkwam, zat hij zoo wit als een

Ethiopische slaaf die dag en nacht den molen draait, daarboven op de

kast. Hij hield de rol, die mijne aanteekeningen bevat over den bouw van

het dierlijk lichaam, de resultaten van jarenlange studiën, in zijne

voorpooten, en zat er met zijn scheeven kop ernstig in te kijken. Ik wil

hem het geschrift afnemen, ja wel: hij springt met de rol het venster

uit, zet zich neer op den rand van den put, plukt en bijt daar woedend

den papyrus in flarden. Ik spring hem na, maar hij kruipt in den

emmer, trekt aan den ketting, en laat zich, terwijl hij mij spottend

aangrijnst, in den put naar beneden. Ik trek hem naar boven, maar hij

springt met de rest van mijn geschrift er weer in.”

»Is het arme beest verdronken?” vroeg Pentaoer.

»Ik heb hem met den emmer er weer uitgevischt en in de zon te drogen

gelegd. Maar het hielp niet; hij had ook allerlei artsenijen gedronken

en is heden middag gestorven. Mijne aanteekeningen zijn ook verloren.

Veel heb ik nog overgehouden, maar over het geheel kan ik toch weer

van voren aan beginnen. Gij ziet het, de apen hebben het zoowel als de

wijzen op mijne studiën voorzien. Daar in de lade ligt het beest!”

Pentaoer had bij het verhaal van zijn vriend eerst gelachen, en toen

zijn verlies betreurd. Thans vroeg hij met eenige bezorgdheid: »Ligt het

dier dáar? Gij vergeet toch niet, dat het in den tempel van Toth bij de

boekerij verpleegd moest worden? Het behoorde tot de heilige soort van

hondskop-apen[229] en alle goede kenteekenen werden er aan gevonden. De

bibliothecaris heeft het u toevertrouwd om zijn ziek oog te genezen.”

[229] De hondskop-apen (cynocephali) waren geheiligd aan

Toth-Hermes, den maangod. Men heeft van dit dier te Thebe en

bij het oude Hermopolis mummiën gevonden. Dikwijls werden er

treffende afbeeldingen gemaakt van zulke hondskop-apen, die met

schijnbaren ernst in een boek verdiept zijn. Ook is er een groot

aantal beelden van dit beest gevonden. In het bibliotheekvertrek

van den Isis-tempel te Philae is op den linkerwand een

relief-beeld van een cynocephalus aangebracht, dat bijzonder

goed is uitgevallen.

»Nu, dat is weer gezond geworden,” antwoordde Nebsecht losweg.

»Maar zij zullen het lijk ongeschonden van u verlangen, om het te

balsemen,” hernam Pentaoer.

»Zullen zij?” prevelde Nebsecht, en hij zag daarbij zijn vriend aan als

een knaap, van wien men een appel terugvraagt, dien hij sedert lang

heeft opgegeten.

»Ge hebt zeker weer wat heel fraais uitgevoerd!” riep Pentaoer, met een

vriendelijke bedreiging.

De arts knikte en zeide: »Ik heb het beest geopend en zijn hart

onderzocht.”

»Gij zijt toch op harten verzot, als waart gij een behaagziek meisje!”

riep de dichter. »Wat is er toch van het menschenhart geworden, dat de

oude Paraschiet u zou bezorgen?”

Nebsecht vertelde nu zonder terughouding, wat Warda’s grootvader voor

hem had gedaan; dat hij het hart van een mensch had onderzocht maar

daarin niets gevonden, wat ook niet in het hart van een dier te vinden

was. »Maar ik moet het zien werken in samenhang met de overige organen

van een mensch,” riep hij opgewekt, »en mijn besluit staat vast. Ik

verlaat het Seti-huis, en zal de Kolchyten vragen mij in hun gild op te

nemen. Als het niet anders zijn kan, verricht ik aanvankelijk den dienst

der laagste Paraschieten.”

Pentaoer deed den arts opmerken, welk een slechten ruil hij zou doen, en

zeide eindelijk, toen Nebsecht hem met vuur tegensprak: »Dat opensnijden

van harten keur ik af. Gij zelf zegt dat gij er niets door geleerd hebt.

Keurt gij het goed, schoon, of ook maar nuttig op zichzelf?”

»Wat geef ik er om,” antwoordde Nebsecht, »of dat wat ik onderzoek goed

of slecht, schoon of leelijk, nuttig of ijdel schijnt. Ik wil weten hoe

het is, verder niets!”

»Alzoo uit bloote nieuwsgierigheid,” riep Pentaoer, »wilt gij de

zaligheid van duizenden in gevaar brengen, het ellendigste handwerk bij

de hand nemen, en deze edele werkplaats verlaten, waar wij streven naar

verlichting, naar inwendige loutering en waarheid!”

De natuuronderzoeker kon een spottend lachje niet bedwingen.

Maar nu zwollen ook van verontwaardiging de aderen op het voorhoofd van

Pentaoer, en dreigend klonk zijn stem, toen hij, vroeg: »Gelooft gij

waarlijk, dat uwe vingers en oogen de waarheid hebben gevonden, waarnaar

edele geesten sedert duizende jaren zoeken, met inspanning van al hunne

krachten? Met uw onverstandig wroeten in het stof daalt gij af tot den

zinnelijken mensch, en hoe zekerder gij meent de waarheid gegrepen

te hebben, des te meer zijt gij het schandelijk slachtoffer van uwe

ellendige dwaling!”

»Zoudt gij denken dat, indien ik meende werkelijk de waarheid te

bezitten, ik nog naar haar zoeken zou?” vroeg Nebsecht. »Hoe rijker ik

word in ervaring en in wetenschap, des te dieper gevoel ik, wat er aan

ons kunnen en weten ontbreekt.”

»Dat klinkt zeer bescheiden,” hernam de dichter, »doch ik weet maar

al te wel, hoe uw onderzoek u er toe brengt, de waarde er van te

overschatten. Alles wat gij met uwe oogen zien en met uwe vingers tasten

kunt, schijnt u boven allen twijfel verheven, en met een voornaam

glimlachje noemt gij in uw hart alles onwaar, wat met uwe ervaring in

strijd is. Maar uwe ervaringen reiken niet verder dan de zinnelijke

wereld, en gij vergeet dat er dingen zijn, die tot een ander gebied

behooren.”

»Van deze dingen draag ik geen kennis,” antwoordde Nebsecht bedaard.

»Wij ingewijden,” vervolgde de dichter, »schenken ook daaraan onze

opmerkzaamheid. Voor eeuwen zijn er onder ons volk reeds vermoedens

uitgesproken over hun wezen en hunne werkzaamheid; ontelbare

geslachten hebben die vermoedens getoetst, goedgekeurd, en ze ons als

geloofsartikelen nagelaten. Al ons weten is gebrekkig: toch vermogen

bevoorrechte profeten een blik in de toekomst te slaan; toch worden aan

vele stervelingen magische krachten verleend. Dat is echter in strijd

met de wetten van de stoffelijke wereld, die gij alleen wilt erkennen,

en laat zich nochtans zoo gemakkelijk verklaren, wanneer wij eene

hoogere orde van zaken aannemen. Gods geest leeft zoowel in ons als in

de natuur. De zinnelijke mensch kan het niet verder brengen dan tot het

alledaagsche weten, maar bij de profeten werkt de goddelijke eigenschap

van het weten onvermengd; zij bezitten de alwetendheid. De wonderdoener

heeft bij de uitvoering van zijne bovennatuurlijke werken niet alleen

over menschelijke krachten te beschikken, maar ook over de geheel

onbeperkte goddelijke kracht, dat is de almacht.”

»Loop heen met uwe profeten en wonderen!” riep de arts.

»Ik dacht,” antwoordde Pentaoer, »dat toch ook de orde in de natuur, die

gij niet loochent, u dagelijks de heerlijkste wonderen doet aanschouwen.

Ja, de Eenige wijkt van tijd tot tijd opzettelijk van de gewone orde

der dingen af, ten einde dat deel van zijn wezen, hetwelk wij onze ziel

noemen, op het verheven geheel te richten, waartoe zij behoort. Heden

weder hebt gij gezien, hoe het hart van den heiligen ram....”

»Maar man!” viel Nebsecht zijn vriend opeens in de rede. »Het heilige

hart is niet anders dan het armzalige hart van een hamel, dat een

beschonken soldaat voor eene kleine som heeft gekocht van een vetweider,

en dat bij eene onreine op het erf geslacht is. Een gevloekte Paraschiet

stak het in de borst van Roeï en...en.” Bij deze woorden trok hij de

lade open, wierp den dooden aap en eenige kleedingstukken op den grond,

en haalde eindelijk een albasten schaaltje te voorschijn, dat hij den

dichter voorhield ― »en de spieren in deze zoutoplossing, dat orgaan

hier, heeft eens in de borst van den profeet Roeï geklopt. Mijn

hamelhart zullen zij morgen in processie ronddragen! ― Ik zou het u wel

dadelijk verteld hebben, indien ik mijzelven niet het stilzwijgen had

opgelegd, terwille van dien ouden man, en dan... Maar man! man, wat

scheelt er aan?”

Pentaoer had zich van zijn vriend afgewend, bedekte zijn aangezicht met

beide handen, en steunde, als ware hij overvallen door hevige hoofdpijn.

Nebsecht begon te begrijpen, wat er in den dichter omging. Hij naderde

hem als een kind, hetwelk zijne moeder iets wil afsmeeken, dat het

eigenlijk niet vragen mag. Aarzelend bleef hij achter hem staan,

en waagde het niet hem aan te spreken. Zoo verliepen er eenige

oogenblikken.

Plotseling verhief Pentaoer zich in zijn volle lengte, strekte de handen

hemelwaarts en riep: »Gij Eenige, al laat gij in den zomernacht ook

sterren van den hemel vallen, zoo houdt toch uwe eeuwige onveranderlijke

wet, in schoone harmonie, de nimmer rustenden[230] in hunne banen. Gij

heldere geest, die de wereld vervult, die u in mij openbaart als ik een

afschuw gevoel van de leugen, werk in mij voort, wanneer ik denk als

Licht, wanneer ik handel als Goedheid, wanneer ik spreek als

Waarheid, ― ja steeds als Waarheid!”

[230] Zoo worden de planeten genoemd in de heilige teksten.

De dichter ontboezemde deze woorden uit innige overtuiging. Nebsecht

hoorde ze aan, als waren het de toonen uit een verre schoone wereld.

Liefderijk naderde hij den vriend en bood hem de hand. Pentaoer greep

haar aan, drukte haar stevig en zeide: »Dat was een bange worsteling!

Gij weet niet wat Ameni voor mij geweest is, en nu, nu....”

Hij had nog niet uitgesproken, toen voetstappen werden gehoord, die de

kamer van den arts naderden. Een jong priester kwam de vrienden roepen,

om terstond te verschijnen in de vergaderzaal der ingewijden. Een

oogenblik later betraden beiden de door lampen helder verlichte zaal,

waar de zitting werd gehouden. Geen van de leidslieden uit het Seti-huis

ontbrak. Ameni zat aan eene langwerpige tafel op een hoogen troon. Aan

zijne rechterhand had Gagaboe, de tweede, aan zijne linker- de derde

profeet des tempels plaats genomen. De hoofden der afzonderlijke

priesterklassen, en onder hen de eerste der Horoscopen, waren insgelijks

aan de tafel gezeten, terwijl de overige priesters, allen in hunne

sneeuwwitte linnen kleederen, zich in een grooten dubbelen halven cirkel

hadden geschaard, in welks midden zich het beeld verhief van de

godin der waarheid en gerechtigheid. Achter Ameni’s troon stond de

bontgeschilderde gestalte van Toth met den ibis-kop, den god die de maat

en de orde der dingen bewaarde, die met wijze redenen de goden zoowel

als de menschen raad gaf, en de wetenschappen en kunsten beschermde. In

eene nis aan het uiterste einde van de zaal kon men de trias der goden

van Thebe opmerken, tot wie Ramses I en zijn zoon Seti, de grondvester

dezer inrichting, met offers naderden. De priesters waren streng volgens

hunne waardigheid en den tijd hunner opneming in het mysterie geordend.

Pentaoer zat geheel onderaan.

Tot hiertoe hadden de eigenlijke beraadslagingen in deze vergadering

nog geen aanvang genomen, want Ameni vroeg slechts, luisterde naar

de antwoorden en gaf bevelen met betrekking tot het feest, dat den

volgenden dag gevierd zou worden. Alles scheen goed te zijn voorbereid

en geordend, zoodat men verwachten mocht, dat de plechtige feestviering

zonder stoornis zou afloopen. De heilige schrijvers klaagden alleen over

de schrale ontvangst van offervee, daar de boeren gebukt gingen onder

zware krijgslasten. Zij betreurden ook, dat aan de processie ditmaal de

elementen zouden ontbreken, die daaraan den grootsten luister plegen bij

te zetten, namelijk de koning en zijne familie.

Deze laatste omstandigheid wekte het ongenoegen van eenige priesters.

Zij waren van oordeel, dat het zeer bedenkelijk was, de beide kinderen

van Ramses, die in Thebe vertoefden, van de deelneming aan de

feestviering uit te sluiten.

Toen Ameni dit hoorde, stond hij op. »Wij hebben,” zeide hij, »den

knaap Rameri uit dit huis moeten verbannen, en Bent-Anat voor onrein

verklaard. Al hebben de meer toegevende bestuurders van den Amon-tempel

te Thebe haar ook vrijgesproken, zoo mag zij voor rein gehouden worden

aan de overzijde, waar men enkel denkt aan het leven, maar niet hier.

Want op ons rust de taak de zielen op den dood voor te bereiden. De

stadhouder, de kleinzoon van den grooten koning dien men onttroond

heeft, zal bij de processie verschijnen in al den glans van zijn hoogen

rang. Ik zie, mijne vrienden, dat ge u hierover verbaast! Weet voor

heden slechts dit éene. Groote dingen worden voorbereid, en het kan

gebeuren, dat weldra eene nieuwe, lieflijk schijnende zon des vredes zal

opgaan over ons door den krijg verarmd volk. ― Er gebeuren wonderen en

ik aanschouwde in den droom een vrome, die zich gemakkelijk laat leiden,

op den troon van den vertegenwoordiger van Ra op aarde. Hij luisterde

naar onze stem; hij gaf ons wat ons toekomt; hij bracht onze naar

het leger gezondene onderhoorigen op onze akkers terug; hij wierp de

altaren der buitenlandsche goden omver en verjoeg onreine vreemdelingen

van onzen heiligen bodem.”

»Gij zinspeelt op den stadhouder Ani!” riep de eerste der Horoscopen.

Er ontstond eene levendige beweging in de vergadering. Ameni ging echter

voort: »Misschien was de persoon, dien ik in den droom zag, hem niet

ongelijk. In elk geval is dit zeker: hij had de trekken van den echten

en rechtmatigen afstammeling van Ra, dien Roeï aanhing, in wiens borst

het heilige hart van den ram een toevlucht zocht. Morgen zal dit

onderpand der goddelijke genade den volke getoond worden, en nog

een ander wonder zal het worden kenbaar gemaakt. Hoort en looft de

beschikkingen van den Allerhoogste. Een uur geleden kreeg ik het

bericht, dat onder de kudden van Ani te Hermonthis een nieuwe Apis is

ontdekt, dragende al de heilige teekenen.”

Andermaal ontstond er eene groote beroering onder de luisterende schare.

Ameni liet aan de uitingen van verrassing onder de priesters den vrijen

loop. Eindelijk sprak hij: »Gaan wij thans over tot het afdoen van de

laatste vraag! Aan den priester Pentaoer, hier tegenwoordig, werd het

ambt van feestredenaar opgedragen. Hij heeft zwaar misdreven, doch

ik meen dat wij hem eerst na het feest mogen verhooren, en hem de

vereerende vervulling van dezen plicht niet mogen ontzeggen, gedachtig

aan zijne reine bedoelingen. Deelt gij mijn wensch? Verheft niemand zijn

stem hiertegen? ― Treed dan vooruit, gij jongste van allen, wien deze

heilige vereeniging zulk eene groote taak toevertrouwt!”

Pentaoer stond op en plaatste zich eerst vóor Ameni, ten einde op diens

verlangen een schets te ontwerpen, in breede en scherpe omtrekken,

van hetgeen hij tot het volk en de aanzienlijken dacht te spreken. De

vergadering, en zelfs zijne tegenstanders, luisterden naar hem met

welgevallen. Ook Ameni prees hem en zeide daarop: »Ik mis maar éen

onderwerp, waarbij gij langer moet stilstaan en dat gij met bijzondere

warmte moet behandelen. Ik bedoel het wonder, dat heden ons zoo

getroffen heeft. Het komt er op aan te toonen, dat de goden het heilige

hart....”

»Veroorloof mij,” viel Pentaoer den opperpriester in de rede, en zag hem

ernstig in zijne doordringende, nog kort geleden door hemzelve bezongene

oogen. »Veroorloof mij u dringend te verzoeken, mij niet tot verkondiger

van het nieuwe wonder te verkiezen.”

Op het gelaat van al de hier verzamelde ingewijden was verbazing te

lezen. Menigeen zag eerst zijne buren, dan den dichter, eindelijk Ameni

vragend aan. De laatste kende Pentaoer en wist dat geen luim van het

oogenblik maar ernstige overwegingen hem hadden moeten doen weigeren.

Was het niet geweest alsof zijne heldere stem aarzelend, ja met tegenzin

de woorden: »het nieuwe wonder” had uitgesproken? Hij twijfelde derhalve

aan de echtheid van het goddelijk teeken!

De profeet nam Pentaoer bedaard en onderzoekend met zijne oogen op, en

zeide toen: »Gij hebt gelijk, mijn vriend. Alvorens het oordeel over u

is uitgesproken, en gij weder voor ons staat in dezelfde reinheid, die

wij bij u zoo hoog waardeeren, is uw mond niet waardig het goddelijk

wonder den volke te verkondigen. Tast diep in uwe eigene ziel, en toon

den vromen het afschuwelijke van het kwade, wijst hun ook den door u

thans te betreden weg van reiniging des harten. Ik zelf zal het wonder

verkondigen.”

Dit besluit van den meester werd door de in ’t wit gekleeden met

blijdschap begroet. Ameni drukte den een dit, den ander dat nog eens

op het hart. Na allen een onbepaald stilzwijgen over het verhandelde,

inzonderheid over den meegedeelden droom te hebben bevolen, sloot hij

deze bijeenkomst. Alleen den ouden Gagaboe en Pentaoer verzocht hij te

blijven.

Zoodra zij alleen waren vroeg Ameni den dichter: »Waarom hebt gij

geweigerd aan het volk het wonder te verkondigen, dat alle priesters uit

de Nekropolis met vreugde vervult?”

»Omdat gij mij geleerd hebt,” antwoordde de dichter, »dat waarheid de

hoogste trap is, die men bereiken kan, en dat er geen hoogere is.”

»Dit leer ik u andermaal in deze ure,” hernam Ameni. »En daar gij deze

leer belijdt, zoo vraag ik u, in den naam van de lichtdochter van Ra:

twijfelt gij aan de echtheid van het wonder, dat tastbaar duidelijk voor

onze oogen is geschied?”

»Ja, ik twijfel,” antwoordde Pentaoer.

»Blijf volharden op den hoogen trap der waarheid,” ging Ameni voort, »en

zeg ons verder, opdat ook wij het weten mogen, welke bedenkingen u

beletten te gelooven.”

»Ik weet,” antwoordde de dichter, somber vóor zich ziende, »dat het

hart, aan hetwelk de menigte goddelijke eer zal bewijzen, waarvoor zelfs

ingewijden zich nederbuigen, als ware het een tempel voor de ziel van

Ra, gescheurd is uit de bloedende borst van een gemeen stuk vee, en dat

het heimelijk in de kanopen is gelegd, die de ingewanden van den profeet

Roeï bevatten.”

Ameni deed van schrik eene schrede achterwaarts, en Gagaboe riep: »Wie

heeft dat gezegd? Wie kan dat bewijzen? ’t Is of men oud moet worden, om

van dag tot dag schrikkelijker dingen te hooren!”

»Ik weet het,” zeide Pentaoer op stelligen toon, »maar ik moet den naam

verzwijgen van hem, die het mij heeft medegedeeld.”

»Dan gelooven wij dat gij dwaalt, en dat een bedrieger den draak met

u stak,” zeide Ameni. »Wij zullen onderzoeken, wie zulk een leugen

uitstrooit, en hem niet ongestraft laten! Het is zondig de stem der

godheid te hoonen, en ieder die gewillig zijn oor leent aan de leugen,

is ver van de waarheid. Heilig, ja driemaal heilig, verblinde dwaas, is

het hart, dat ik morgen met deze handen aan het volk denk te toonen,

en waarvoor ook gij u, zij ’t niet gewillig, dan toch gedwongen zult

nederwerpen, aanbiddende in het stof. Ga nu heen en overdenk de woorden

waarmede gij morgen de zielen van het volk zult stichten. ― Weet nog

dit: Ook de waarheid heeft verschillende trappen, en hare gestalte

is even menigvuldig als die der godheid. Gelijk de zon zich niet

voortbeweegt langs eene effen baan en een rechten weg; gelijk ook

de sterren gebogene paden bewandelen, die wij vergelijken met de

kronkelingen van de slang Mehen[231]; zoo staat het den uitverkorenen,

die ruimte en tijd overzien en aan wie het te beurt viel over het lot

der menschen te mogen beschikken, ― dien uitverkorenen staat het vrij,

zelfs wordt hun geboden langs kronkelende wegen te wandelen, om een

hooger doel te doen zegevieren. Gij verstaat die wegen niet, en in uwe

onnoozelheid meent gij, dat zij ver afwijken van de paden der waarheid.

Gij ziet het heden alleen, maar wij zien ook de toekomst, en wat wij u

als waarheid aanbieden, dat hebt gij te gelooven! Vergeet ook vooral

niet: de leugen bevlekt, maar de twijfel vermoordt de ziel!”

[231] De slang Mehen, met hare golvende kronkelingen, die

dikwijls voorkomt in de teksten „van hetgeen zich in de diepte

(onderwereld) bevindt,” stelt symbolisch de kronkelingen voor,

die de zon op haar weg bij nacht door de onderwereld heeft af te

leggen. Slangvormige mythologische figuren hebben even dikwijls

eene gunstige als eene vijandige beteekenis. In elken tempel

werden heilige slangen onderhouden. In Thebe zijn slangenmummiën

gevonden en wel van de vipera cetastes. Plutarchus (Isis en

Osiris c. 74) zegt, dat de slang voor heilig werd gehouden,

omdat zij niet veroudert, en zich zonder ledematen al

schuifelend gemakkelijk kon voortbewegen op eene wijze als de

sterren.

Ameni had met groote gemoedsbeweging gesproken. Toen Pentaoer zich

zwijgend verwijderd had, en hij met Gagaboe alleen was, riep hij uit:

»Waar moet het nu heen? Wie bezoedelt toch den reinen kinderlijken zin

van dezen hoogbegenadigden jongeling?”

»Hij bederft zichzelven,” zeide Gagaboe. »Hij schuift de oude wet op

zij, daar hij voelt, dat er eene nieuwe wet in zijn scheppenden geest is

ontwaakt!”

»Doch wetten,” hernam Ameni, »ontstaan vanzelf en groeien als

schaduwrijke wouden; er is nooit iemand, die ze maakt! Ik had den

dichter lief, maar ik moet hem toch inbinden, anders wast hij als de

hooggezwollen Nijl, die de dammen doorbreekt. En wat hij daar zegt van

het wonder....”

»Hebt gij daar aanleiding toe gegeven?” vroeg Gagaboe.

»Bij den Eenen, neen!” zeide Ameni.

»Doch Pentaoer is waarheidlievend, en geneigd te gelooven,” hernam de

oude bedenkelijk.

»Ik begrijp het,” hernam Ameni. »Wat hij zeide zal geschied zijn. Doch

wie heeft het gedaan, en hem in deze misdaad ingewijd?”

Beide priesters zagen nadenkend vóor zich. Ameni brak het eerst het

stilzwijgen af, zeggende: »Pentaoer trad met Nebsecht hier binnen,

en beiden zijn boezemvrienden. Waar was de arts, terwijl ik in Thebe

vertoefde?”

»Hij verpleegde het door Bent-Anat verwonde kind van den Paraschiet

Pinem, en bleef daar drie dagen lang,” antwoordde Gagaboe.

»En het was Pinem,” sprak de opperpriester, »die de borst van Roeï

geopend heeft. Nu weet ik wie Pentaoer’s geloof aan het wankelen

heeft gebracht. Het was die wroetende stamelaar. Hij zal het mij

boeten. ― Denken wij nu aan het feest van morgen, maar overmorgen neem

ik dien zonderlingen kwant in ’t verhoor, en ik zal onverbiddelijk

streng zijn!”

»Laat ons liever den natuuronderzoeker rustig verhooren,” zeide Gagaboe.

»Hij is een sieraad van onzen tempel, want hij doorgrondt vele dingen,

en is een man van buitengewone bekwaamheid.”

»Dat alles kunnen wij overwegen na het feest,” viel Ameni den ouden

profeet in de rede. »Er is nu nog veel gereed te maken.”

»En later nog meer te overleggen,” hernam Gagaboe. »Wij zijn een

gevaarlijken weg ingeslagen. Gij weet het, ik blijf een stormlooper,

niettegenstaande ik, wat mijne jaren betreft een grijsaard ben. Helaas,

ik was nooit te schroomvallig! Maar Ramses is een geweldig man en mijn

plicht gebiedt mij u te vragen: Verleidt uw haat u niet tot een al te

haastig en al te onvoorzichtig optreden tegen den koning?”

»Ik gevoel geen haat tegen Ramses,” antwoordde Ameni ernstig. »Als hij

de kroon niet droeg, zou ik hem kunnen liefhebben. Ik ken hem alsof ik

zijn broeder was, en weet in hem alles wat groot is te waardeeren, wat

meer zegt: ik wil gaarne erkennen, dat hem niets ontsiert wat klein

moet heeten. Als ik niet wist hoe sterk hij was, zouden wij hem wel met

geringe middelen kunnen doen vallen! Doch gij weet zoo goed als ik, dat

hij onze vijand is. Niet de uwe noch de mijne persoonlijk, ook niet

van onzen goden, maar de vijand van de door hunne oudheid eerwaardige

inzettingen, naar welke dit volk en dit land bestuurd moeten worden.

Daarom is hij inzonderheid de vijand van hen, wier levensroeping is de

heilige leer van den voortijd te verdedigen, en een vorst den weg te

wijzen; van de priesterschap bedoel ik, die ik leiden moet en voor

welker rechten ik kamp met alle geestelijke middelen. Bij deze

worsteling bekleeden, zooals gij weet, volgens onze geheime wet, de

goden alles met den glans van het reine licht der waarheid, ook wat

anders als leugen, verraad en arglistig doemwaardig schijnt. Gelijk de

arts het mes en het vuur gebruikt om kranken te genezen, zoo mogen wij

onze toevlucht nemen tot schrikkelijke maatregelen om het geheel te

redden wanneer het bedreigd wordt. Gij ziet mij thans strijden met elk

wapen, dat mij ten dienste staat, want blijven wij rustig afwachten,

zoo zullen wij weldra van leiders der staatkundige aangelegendheden tot

slaven des konings vernederd worden.”

Gagaboe gaf een teeken van instemming. Ameni vervolgde echter met

klimmende warmte, sprekende in rhytmische volzinnen, waarin hij de

bevelen der godheid placht te verkondigen, zoo vaak hij uit het

Allerheiligste kwam: »Gij waart mijn meester, ik acht u zeer hoog,

daarom moogt gij nu alles vernemen, wat mij beweegt en vast doet

besluiten, den vreeslijken kamp te aanvaarden. Dit huis zoo gij weet,

was voor mij gelijk ook voor Ramses de kweekplaats, en het was wijs van

Seti dat hij hier zijnen zoon met andere knapen liet leeren. Slechts

de kroonprins en ik wij wonnen de prijzen, in werken en spelen. Wel

was hij mijn meester in vlugge bevatting, in stoute gedachten; mijn

nauwgezetheid was grooter en dieper mijn denken. Vaak spotte hij met

mijn moeitevol streven; doch mij scheen zijn schittrend vermogen slechts

ijdele begoochling te zijn. Ik werd een gewijde, maar hij stuurde het

roer van den staat met zijn vader; ten laatste alleen, toen Seti niet

meer was. Wij werden ouder, maar onveranderd bleef steeds de diepste

grond van ons wezen. Hij stormde naar buiten tot heerlijke daden!

volken bij volken wierp hij ter aarde; en door de stroomen bloeds

zijner burgers verhief hij den glans van d’ Egyptischen naam tot

duizelingwekkende hoogte.

»Ik sleet mijn leven in ijverig werken, ik leerde de jeugd en bewaakte

de inzetting, die het samenwonen der menschen regelt en het volk met de

godheid verbindt. Met ijver doorzocht ik de schriften der oudheid, en

menig heerlijk woord heb ik van haar wijzen vernomen. ’k Vergeleek met

elkander ’t verleden en ’t heden. Wat waren de priesters? Hoe zijn ze

geworden tot dat wat ze zijn? Wat toch, zoo wij er niet waren, wat werd

dan Egypte? Geen wetenschap bloeit er, geen kunst, geen vermogen, die

wij niet verwierven, bedachten en kweekten. Wij kroonden de vorsten,

wij noemden ze goden en leerden het volk ze als goden dienen. Want de

menigte zoekt een hand die haar leidt, waarvoor zij kan beven, als voor

de vuist van het overmachtige noodlot. Gaarne dienden wij den god op

zijn troon, die als de Eene naar eeuwige wetten, naar =onze= wet gebood

en heerschte. Uit ons midden koos hij zijn raadsliên, wat tot heil is

voor ’t land dat deden wij hem weten. Hij hoorde ons gewillig aan en

voerde het uit. De oude koningen waren de handen, wij, de priesters, wij

waren het hoofd. En nu, mijn vader! Wat zijn wij geworden? Wij worden

gebruikt om het volk bij het geloof te bewaren. Want als het ophield

de goden te eeren, hoe zou ’t zich dan voor den pharao buigen? Veel

waagde Seti, en meer nog zijn zoon, daarom begeerden zij beiden de

hulpe des hemels. Een vrome is Ramses, hij offert vlijtig en mint

het gebed. Voor hem zijn wij onmisbaar als wierookvat-slingeraars en

hecatomben-slachters, als die voor hem bidden en zijn droomen verklaren,

maar zijn raadslieden zijn wij niet meer. Mijn Osirische vader, een

waardiger opperpriester dan ik, bad den zijnen, op last van den grooten

raad der profeten, hij zou het vermetele plan laten varen, door een

bevaarbaar kanaal de noordelijke zee te verbinden met de onreine golven

der Schelfzee. Den Aziaten alleen komt zulk een werk ten goede[232].

Doch Seti sloeg onzen raad in den wind[233]. Wij wilden ’s lands oude

verdeeling bewaren, doch Ramses voerde de nieuwe in, tot schade der

priesters. Wij waarschuwden voor nieuwe bloedige oorlogen, en de koning

trok weder en weder te velde. Wij bezitten de oude geheiligde brieven,

die onze boeren van krijgsdienst ontslaan; gij weet het hoe hij ze

laatdunkend verscheurde. Sinds oude tijden mag niemand in dit land

voor vreemde goden tempels bouwen, en Ramses begunstigt de zonen der

vreemden, en bouwt in ’t Noorderland niet alleen, maar ook in het oude

eerwaardige Memphis en hier in het vreemden-kwartier in Thebe, altaren

en statige heiligdommen voor de bloedige leugengoden[234] van ’t

oosten.”

[232] De havens aan de Schelf- of Roode zee waren in handen

van Phoeniciërs, die van hier naar het zuiden zeilden om de

reukwerken uit Arabië en de schatten van Ophir te halen.

[233] Koning Necho begon ook een Suez-kanaal aan te leggen, maar

hij voltooide het niet, omdat, volgens Herodotus II 58, het

orakel hem verkondigde, dat de vreemdelingen alleen voordeel van

de onderneming zouden trekken.

[234] Door de Egyptenaars werden de menschenoffers, zooals

er nog in later tijd door de Phoeniciërs aan Moloch werden

gebracht, afgeschaft.

»Gij spreekt als een ziener,” riep de oude Gagaboe. »En wat gij zegt is

in alle opzichten waar! Wij heeten nog priesters, maar zelden wordt onze

raad gevraagd. ‚Gij hebt de menschen in eene andere wereld een heerlijke

toekomst te bereiden’, heeft Ramses gezegd, ’maar hun lot op aarde

bestuur ik alleen’!”

»Zoo sprak hij,” ging Ameni voort. »En al had hij niet anders gezegd dan

dát, hij zou reeds daardoor zijn geoordeeld! Hij en zijn huis zijn onzen

rechten vijandig, en vijanden mee, van dit ons edel land. Behoef ik u

te zeggen, wat pharao’s stamboom is? Eens noemden wij de van ’t oosten

komende scharen, die ons vaderland als sprinkhaan-zwermen overvielen,

die het hebben uitgemergeld en gekneveld, ‚pestplagen en roovers’. Tot

deze behoorden Ramses’ vaderen. Toen Ani’s vaderen de Hyksos verdreven,

verkreeg de dappere familie van ’t stamhoofd, wier nazaat thans Egypte

regeert, het voorrecht aan den Nijl te verblijven. Zij diende in het

leger, zij trad op den voorgrond, en eindelijk gelukte het den eersten

Ramses de troepen voor zich te winnen, en het oude, in ketterijen

verwarde geslacht der echte zonen van Ra van den troon te berooven.

Ongaarne erken ik ’t: de rechtgeloovige priesters ― uw grootvader was

onder hen, en de mijne ― ondersteunden den koenen roover der kroon, die

de oude leer trouwhartig aanhing. Niet minder dan honderd voorzaten van

mijn huis en niet minder van ‚t uwe en vele andere priestergeslachten,

zijn hier aan den heiligen Nijl gestorven. Van Ramses’ vaderen kennen

wij er slechts tien, en wij weten van dezen, dat zij behoorden tot

uitlandschen stam, tot de bende der Amoe! Als alle Semieten, zoo is ook

hij. Zij houden van zwerven en noemen ons ‚ploegers’[235], bespottend

de wijze afgemeten orde, waarin wij, den zwarten bodem bebouwend, in

nuttigen arbeid des geestes en des lichaams, den langen dood te gemoet

gaan. Zij dwalen rond om buit te behalen, en stuwen het zeeschip door

ziltige wateren, en kennen geen vast en dierbaar tehuis. Waar winst is

te halen, daar strijken zij neder; is er niets meer voor hen te rooven,

dan slaan zij elders hun woning weer op. Zoo nu was Seti, zoo is ook

Ramses! Een jaar verblijven zij wel in Thebe, maar trekken dan weg, de

grenzen over ten oorlog. Zich vroom te onderwerpen, naar den raad te

vernemen der wijze vermaners, zij verstaan ’t niet en zullen ’t nooit

leeren. Gelijk de vaders zoo zijn ook de kinderen! Denk aan de vermetele

daad van Bent-Anat. Pharao, zeide ik, stelt de vreemden op prijs. Hebt

gij bedacht wat dat wel beteekent? Ons doel is naar ’t hoogere en edele

te streven; wij hebben ons aan de banden der zinnen ontworsteld tot

verzorgers der zielen. Ook de armste leeft veilig, beschermd door de

wetten, en door ons neemt hij deel aan de gaven des geestes. Heerlijke

schatten van kunst en van kennis worden door ons den rijken geboden.

Zie nu naar den vreemdeling! Nomadenzwermen, in armzalige tenten,

doortrekken in ’t oost en ’t west de woestijn. In ’t zuiden bidt een

verdierlijkt gepeupel tot vederschachten en ellendige goden, die zij

slaan, als ’t geluk hun ontbreekt. In het noorden vindt men geordende

staten; maar wat zij aan kunst en aan kennis bezitten, dat danken

zij ons voor het meeste; en altijd nog bloeden op hun altaren, als

afgrijselijke offers, de lijken van menschen. Slechts afval van ’t

goede, die schenkt ons de vreemdeling, dus is het verstandig zich van

hem te keeren, dies is hij ook bij onze goden gehaat. En Ramses, de

koning, is vreemdeling, door zijn bloed en zijn neiging, zijn hart en

zijn aanschijn. Zijn geest vliegt al verder, dit land is voor hem te

bekrompen. Hoe vlug ook zijn geest zij, wat waarachtig hem goed is zal

hij nimmer begrijpen. Hij luistert naar raad niet, hij benadeelt Egypte;

dus zeg ik: naar beneden met hem van den troon!”

[235] De Bedoeïenen noemen thans nog de landbouwende bevolking

van Egypte met minachting Fellah, meerv. Fellahin, of ploegers.

»Naar beneden met hem!” herhaalde Gagaboe in geestdrift.

Ameni reikte den grijsaard zijne van opgewondenheid bevende hand, en

ging kalmer voort: »De stadhouder Ani is van vaders en moeders zijde een

echte zoon van het land. Ik ken hem door en door, en weet dat hij wel is

waar verstandig maar angstvallig voorzichtig is, en dat hij ons in ons

voormalig, ons rechtmatig toekomend erfdeel weder herstellen zal. Hier

valt de keus niet zwaar. Ik heb gekozen en ben gewoon door te zetten,

wat ik eens begonnen ben. Gij weet nu alles en zult mij helpen!”

»Met lijf en ziel!” riep Gagaboe.

»Versterk dan ook de harten onzer medepriesters,” zeide Ameni, afscheid

nemende. »Ieder ingewijde mag vermoeden wat er eigenlijk gebeurt, maar

het mag volstrekt niet uitgesproken worden.”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 34 / 58 题