Terwijl Nefert daar van verontwaardiging als aan den grond genageld
stond, zoodat zij geene woorden kon vinden om hare vorstelijke vriendin
te begroeten, maakte Bent-Anat met koninklijke waardigheid aan de weduwe
haar besluit kenbaar om aan hare dochter de eereplaats op te dragen, die
door den dood van hare aanzienlijke vriendin was opengevallen. Heden
nog, zoo beval zij, moet de vrouw van Mena in het paleis haar intrek
nemen.
Zóo had de prinses nog nooit tot Katoeti gesproken, en het kon de weduwe
niet ontgaan, dat Bent-Anat met voordacht thans niet sprak op den ouden
vertrouwelijken toon. »Nefert,” zeide zij tot zichzelve, »heeft mij bij
haar aangeklaagd, en zij acht mij voortaan de vriendschap en goedheid,
waarmede zij mij vroeger bejegende, onwaardig.”
Zij gevoelde zich beleedigd en verontrust tevens. Ofschoon zij zich zeer
goed bewust was van de gevaren, waarmede zij bedreigd werd, nu de oogen
van hare dochter geopend waren, werd haar hart toch pijnlijk aangedaan
door de gedachte haar kind te zullen verliezen. De tranen die in haar
oogen welden, en de weemoed die er lag in hare bevende stem, waren
daarom oprecht gemeend, toen zij de prinses antwoordde: »Gij vordert
de betere helft van mijn leven! Doch gij hebt te bevelen en ik te
gehoorzamen.”
Bent-Anat gaf trotsch een wenk met de rechterhand, als om te bevestigen
wat de weduwe had gezegd. Maar Nefert vloog naar hare moeder toe, sloeg
de armen om haar hals en weende lang aan haar boezem. Ook in de oogen
van de prinses parelden tranen, toen Katoeti eindelijk hare dochter tot
haar leidde en nog een laatsten hartelijken kus op haar schoon voorhoofd
drukte. Bent-Anat vatte Nefert’s hand en liet haar niet weder los. Zij
verzocht de weduwe al de kleederen en sieraden harer dochter ter hand te
stellen aan de dienstmaagden en huisslaven, die zij zenden zou.
»Vergeet toch niet de doos met gedroogde bloemen, en mijn godenbeeldjes
en de amuletten,” vroeg Nefert. »Ook den Neha-boom, dien oom mij schonk,
zou ik gaarne hebben.”
Aan hare voeten speelde haar wit katje met den op den grond gevallen
bloemruiker van Paäker. Zoodra zij het beestje opmerkte, nam zij het op
en gaf het een kus.
»Neem ook dat diertje mede,” zeide de prinses. »Gij speeldet er zoo
gaarne mede.”
»Neen,” antwoordde Nefert, terwijl zij bloosde.
De prinses begreep haar, drukte hare hand en vroeg, terwijl zij op Nemoe
wees: »De dwerg is immers ook uw eigendom? Zal hij u volgen?”
»Ik geef hem mijne moeder ten geschenke,” antwoordde Nefert. Daarop liet
zij door den kleine haar kleed en hare voeten kussen, omarmde Katoeti
nog eens en verliet den tuin met hare vorstelijke vriendin.
Zoodra Katoeti alleen was, ijlde zij naar hare kapel, waarin de beelden
harer voorvaderen stonden, afgezonderd van die van Mena. Half klagend,
half dankend wierp zij zich neder voor het beeld van haar gestorven
echtgenoot. De scheiding was haar zeker moeilijk gevallen, en het gemis
harer dochter vervulde haar hart met smart, doch het verloste haar
tevens van een zwaren last, die als een berg hare borst beklemde. Sedert
gisteren was zij te moede geweest als een wandelaar, die zijne schreden
richt langs de helling van een diepen afgrond, terwijl zijn vijand hem
op de hielen volgt. Weldra kreeg het gevoel van verlost te zijn van
hetgeen haar bedreigde de overhand, en onderdrukte hare moedersmart. Het
was alsof de afgronden waren aangevuld, als lag daar voor haren voet een
effen weg, dien zij slechts te bewandelen had, om het laatste doel van
haar streven te bereiken.
De weduwe, die anders zoo statig daarheen ging, doorliep nu haastig en
in heftige beweging de paden van den tuin, toen zij uit de kapel was
teruggekeerd. Voor de eerste maal, sedert die ongeluksbode kwam uit het
leger te velde, gelukte het haar den stand der zaken duidelijk en klaar
te overzien, en na te denken over de maatregelen, die Ani in de naaste
toekomst nemen moest. Het slot van hare overwegingen was, dat alles goed
stond, en dat het tijdstip gekomen was, om snel en kloek te handelen.
Toen de boden van de prinses verschenen, was zij kalm en bestuurde zij
met overleg het inpakken van alle voorwerpen, die Nefert had verlangd
mede te nemen. Zoodra dit was afgeloopen, zond zij den dwerg tot Ani met
het verzoek, dat hij haar spoedig mocht bezoeken. Doch eer Nemoe nog
het erf van Mena verlaten had, zag hij reeds de voorloopers van den
stadhouder, en daarop zijn wagen, omgeven door de trawanten, die gewoon
waren hem te volgen. Weinige oogenblikken later wandelde Katoeti met
haar vorstelijken vriend in den tuin op en neder, vertelde hem dat
Bent-Anat hare dochter had medegenomen, en herhaalde alles, wat zij in
de laatste uren overwogen en vastgesteld had.
»Gij hebt met mannelijke kloekheid alles overlegd,” zeide Ani, »en
ditmaal zult gij mij niet tevergeefs aanzetten. Ameni is bereid te
handelen en Paäker verzamelt reeds zijne strijdbare lieden. Hij wil
morgen nog het feest van het dal bijwonen, en overmorgen trekt hij naar
Syrië.”
»Is hij dan bij u geweest?” vroeg Katoeti.
»Uit uw huis kwam hij regelrecht naar het paleis,” antwoordde Ani.
»Zijne wangen gloeiden. Hij is tot het uiterste besloten, hoewel hij nog
niet vermoedt, dat ik hem in mijne macht heb.”
Zoo voortpratende kwamen zij aan de veranda, waar Nemoe zich had
opgehouden, die zich nu om te luisteren achter de bladplanten had
verborgen. Zij zetten zich naast elkander neer aan Nefert’s
ontbijttafel. Ani vroeg zijne vriendin, of Nemoe haar het geheim zijner
moeder had toevertrouwd. Katoeti hield zich van alles onkundig, en
speelde de rol eener door schrik en ontzetting aangegrepene moeder zoo
bijzonder goed, toen zij de geschiedenis van den liefdedrank vernam, dat
de stadhouder haar tot kalmte moest brengen door te verzekeren, dat de
werking van zulke dranken maar eene inbeelding was.
»Nu versta, nu begrijp ik mijne dochter eerst,” zeide Katoeti echter.
»Paäker moet den drank in haren wijn hebben gegoten, want zoodra Nefert
heden morgen haar beker geledigd had, was zij als veranderd. Zij
richtte tot Paäker de teederste woorden, en wanneer hij straks zich
zoo blijmoedig ter uwer beschikking heeft gesteld, dan deed hij dit
ongetwijfeld, omdat hij zeker meent te zijn van de liefde mijner
dochter. De artsenij van de oude tooveres heeft waarlijk gewerkt!”
»Mogelijk zijn er toch wel zulke dranken,” zeide Ani nadenkend. »Maar
zij zullen alleen de harten van jonge mannen kunnen doen winnen. Is
dit het geval, dan maakt die oude slechte zaken, want de jeugd is op
zichzelve wel in staat door hare betoovering liefde te wekken. Ja, als
ik nog zoo jong was als Paäker! ― Gij lacht om deze mijne verzuchting?
Laat ik het maar uitspreken: ik ben een zuchtend oud man! Ja, waarlijk,
een oud man, want de middag mijns levens ligt reeds achter mij. En
toch, Katoeti, vriendin, verstandigste der vrouwen, verklaar mij dit
eene! Toen ik jong was, werd ik zeer geliefd. Ik heb ook vele vrouwen
liefgehad, maar ik beschouwde ze allen als speelgoed; zelfs mijne vroeg
gestorvene gade maakte hierop geene uitzondering. En thans steek ik
mijne hand uit naar eene jonkvrouw, wier vader ik zou kunnen zijn, niet
om mij in haar bezit te verheugen, maar om haar dienstbaar te maken aan
mijne plannen. En nu zij mij versmaadt, gevoel ik mij zoo verontrust,
zoo zwaar als... ja, het verschilt niet veel of ik gelijk Paäker, die
een liefdedrank kocht.”
»Hebt gij met Bent-Anat gesproken?” vroeg de weduwe.
»Ik was zoo onnoozel,” antwoordde Ani, »om de prinses hare afwijzing,
die zij mij door u had laten overbrengen, met eigen mond te doen
herhalen. Gij ziet het, mijn verstand heeft geleden.”
»En onder welke voorwendsels wees zij uw hand af?” vroeg de weduwe.
»Voorwendsels?” riep Ani. »Bent-Anat en voorwendsels! Dit moet erkend
worden: deze vrouw bezit koninklijken trots en de groote Ma[220] in
eigen persoon is niet waarachtiger dan zij. Ik kom er rond voor uit:
tegenover haar scheen mij alles wat wij in het schild voeren al zeer
erbarmelijk! In mijne aderen vloeien nu eenmaal vele droppels van
Thotmes’ bloed, en ofschoon het leven mij geleerd heeft den rug te
krommen, zoo doet mij het bukken toch pijn. Het blijmoedig gevoel van
tevredenheid met mijn toestand en met al mijne handelingen heb ik nooit
gekend, want ik was altijd meer dan ik zijn mocht en deed minder dan
ik had moeten doen. Om niet ten alle tijde een droefgeestig gezicht te
zetten, lachte ik maar altijd. Mijn gelaat is met niets anders bedekt
dan met de huid, waarmede mijne moeder mij ter wereld bracht, en toch
draag ik altijd een masker. Ik dien hem, wiens heer ik meen te zijn,
krachtens mijne geboorte. Ik haat Ramses, die mij, al of niet oprecht
gemeend, zijn broeder noemt, en terwijl ik mij voordoe als bevestigde
ik den grondslag zijner heerschappij, ben ik ijverig bezig om dien te
ondermijnen. Mijn geheele bestaan is een leugen!”
[220] De godin der waarheid.
»Maar het zal waarheid worden,” sprak Katoeti, »zoodra de goden u
vergunnen te worden wat gij zijt, de echte koning van het land.”
»Zonderling,” zeide de stadhouder glimlachend. »De opperpriester
Ameni bediende zich heden bijna van dezelfde woorden. De slimheid van
priesters en vrouwen heeft veel overeenkomst; gij strijdt dan ook
met gelijksoortige wapenen. In plaats van zwaarden bedient gij u van
woorden, in plaats van lansen gebruikt gij strikken, die gij ons niet om
het lichaam maar om de ziel werpt.”
»Wilt gij ons hiermede berispen of prijzen?” vroeg de weduwe. »In elk
geval zijn wij niet onmachtig, en daarom bruikbare bondgenooten, zou ik
meenen.”
»Dat zijt gij,” zeide Ani, wederom lachend. »Er vloeit toch in dit land
geen traan, hetzij uit smart hetzij uit vreugde geweend, waarvan niet
ten slotte een priester of eene vrouw de oorzaak is. In ernst, Katoeti,
van tien groote gebeurtenissen hebt gij vrouwen in negen de hand in het
spel. Gij zijt de aanleiding tot alles wat er thans wordt voorbereid. Ik
wil u oprecht belijden, dat ik voor weinige uren, niettegenstaande ons
laatste succes, mijne aanspraken op den troon zou hebben laten varen,
indien de jonkvrouw Bent-Anat in plaats van =neen=, ja had gezegd.”
»Gij wilt mij wijs maken,” hernam Katoeti, »dat het zwakker geslacht met
een krachtiger wil is begaafd dan het sterkere. Gij noemt ons dan in het
huwelijk ook: ‚de meesteressen van het huis,’ en wanneer de ouders der
burgers zwak worden, dan is het hier te lande de gewoonte, dat niet de
zonen maar de dochters hen onderhouden. Maar wij vrouwen hebben ook onze
zwakheden, en daaronder in de eerste plaats de nieuwsgierigheid. Mag ik
vragen op welke gronden Bent-Anat u afwees?”
»Gij weet zoo veel,” antwoordde Ani, »dat gij alles wel moogt weten. Zij
vergunde mij dan haar alleen te spreken. Het was nog vroeg en zij kwam
juist uit den tempel, waar haar de oude en zwakke eerste profeet de
reinheid teruggegeven had. In al hare jeugdige frischheid, schoon en
fier trad zij mij te gemoet, sterk en gezond als eene godin en vorstin.
Mij klopte het hart in den boezem, alsof ik nog een jongeling was, en
terwijl zij mij hare bloemen toonde, zeide ik tot mij zelven: Gij zijt
gekomen om door haar een nieuw recht op den troon te winnen, maar stemt
zij er in toe de uwe te worden, dan wil ik Ramses’ trouwe broeder en
stadhouder zijn, rust en geluk genieten aan hare zij en door haar, eer
het te laat is. Wijst zij mij af, dan moge het noodlot worden vervuld;
dan kies ik in plaats van liefde en vrede, de worsteling om de kroon,
die aan mijn huis werd ontroofd. ― Ik begon met mijn aanzoek, maar zij
nam mij het woord uit den mond, noemde mij een edel man, een waardig
minnaar...”
»Doch nu kwam het =maar=,” viel Katoeti in de rede.
»Het kwam,” hernam Ani bevestigend, »en wel in den vorm van een
openhartig =neen=! Ik vroeg naar de gronden dezer weigering. Zij bad,
dat ik mij met dit ‚neen’ tevreden zou stellen. Toen begon ik met meer
kracht aan te dringen, tot zij mij in de rede viel, en op trotschen
vastbesloten toon erkende, dat zij aan een ander boven mij de voorkeur
gaf. Ik wenschte den naam van dien gelukkige te weten. Zij weigerde dien
te noemen. Toen eerst begon mijn bloed te koken, mijn verlangen naar
haar nog grooter te worden. Toch moest ik haar verlaten, afgewezen
zonder hoop, en met een nieuw brandend gif in het hart.”
»Gij zijt ijverzuchtig,” zeide Katoeti. »En weet gij op wien?”
»Neen,” antwoordde Ani. »Maar ik hoop het door u te weten te komen. Wat
hier in mijn binnenste woelt, weet ik geen naam te geven. Eén ding
echter weet ik, en dat is, dat ik weifelde toen ik het paleis betrad,
maar dat ik vast besloten was toen ik het verliet. Ik storm nu
voorwaarts, om niet meer op mijne schreden terug te kunnen keeren. Van
nu aan zult ge mij niet meer behoeven voort te drijven, maar veeleer
tegen te houden. Als hadden de goden mij willen toonen, dat zij genegen
zijn mij bij te staan, vond ik bij mijne tehuiskomst den opperpriester
Ameni en den gids Paäker op mij wachten. Ameni zal voor mij in Egypte,
Paäker in Syrië handelen. Mijne zegevierend uit Ethiopië teruggekeerde
troepen, trekken morgen vroeg in triumf Thebe binnen, als had de koning
aan hun hoofd gevochten. Zij zullen ook deelnemen aan het feest van
het dal. Later zenden wij ze in het noorderland, en leggen ze in
de vestingen, die Egypte tegen de uit het oosten komende vijanden
beschermen[221], Tanis, Pelusium, Daphne, en Migdol. Ramses verlangt,
zooals gij weet, dat de onderhoorigen van de priesters geoefend, en hem
als hulptroepen nagezonden zullen worden. Welnu, ik zend hem de helft
der lijfeigenen, de andere helft zal mij dienen bij de uitvoering mijner
plannen. De bezetting van Memphis, die Ramses geheel is toegedaan, wordt
naar Nubië gezonden, en vervangen door troepen die op mijne hand zijn.
Het volk van Thebe laat zich door de priesters leiden, en morgen zal
Ameni het toonen, wie zijn ware koning is, wie aan den krijg een einde
maken en de burgers van hunne drukkende lasten bevrijden zal. Zij zullen
zien wie den goden welgevalliger is: de laatste nakomeling van het oude
koningshuis of een uitwas van het nieuwe. De kinderen van Ramses zullen
van het feest worden uitgesloten, want, ondanks hetgeen de eerste
profeet van Amon in Thebe gezegd heeft, verklaart Ameni de prinses
Bent-Anat voor onrein. De jonge Rameri heeft een misdrijf begaan, en
Ameni, die nog andere grootere dingen in den zin heeft, zal hem uit het
Seti-huis verbannen. Dat werkt op de menigte. Hoe de zaken in Syrië
staan, weet gij. Ramses heeft veel te lijden van de Cheta en de met hen
verbonden volken. De soldaten zijn bij duizenden te tellen, die dat
eeuwigdurende in ’t veld liggen moede zijn, en als het er op aankomt,
zullen zij ons aanhangen. Misschien zullen wij overwinnen, zonder dat
het tot eene worsteling komt, ten minste wanneer Paäker zijn plicht
doet. Thans is vóor alles noodig met spoed te handelen.”
[221] Over de vestinglinie, die Egypte moest verdedigen tegen
de invallen der Aziaten, is breedvoerig gehandeld in mijn boek:
=Aegypten und die Bücher Mose=. Bd. II, s, 78 ff.
»Ik herken den wikkenden en wegenden, den altijd behoedzamen talmer niet
meer,” zeide Katoeti.
»Omdat voorzichtig overleg thans onvoorzichtigheid zou zijn,” antwoordde
Ani.
»En wanneer nu de koning eens te vroeg bericht kreeg van alles wat hier
omgaat?” vroeg Katoeti.
»Ik zeide het u reeds,” hernam Ani. »Wij hebben onze rollen verwisseld.”
»Gij dwaalt,” antwoordde de weduwe. »Ik dring ook thans op handelen aan.
Maar ik mag u toch wel herinneren aan een maatregel van voorzorg, die
volstrekt dient genomen te worden. Uwe brieven alleen en geene andere
mogen in de eerste weken het leger bereiken.”
»Ook hierin stemt gij met den priester overeen,” zeide de stadhouder
lachend, »want Ameni heeft mij denzelfden raad gegeven. Alle brieven,
die de vestinglinie tusschen Pelusium en de Schelfzee willen passeeren,
zullen worden aangehouden. Mijn schrijven alleen, waarin ik klagen wil
over roovers uit de woestijn, die onze boden overvallen, mag den koning
in handen komen.”
»Wijs gehandeld!” zeide de weduwe. »Laat ook de havens van de Schelfzee
bewaken en toezicht houden op de schrijvers. Wanneer gij koning zijt,
zult gij weten wie hunner u wel, en wie u kwalijk gezind was.”
Ani schudde ontkennend het hoofd en zeide, in antwoord op deze laatste
opmerking: »Dat zou mij in groote moeielijkheden brengen, want wilde ik
hen, die thans hun koning aanhangen, bestraffen en de anderen verheffen,
zoo zou ik de trouwe dienaars moeten verstooten en met de ontrouwe
regeeren. Gij behoeft niet te blozen, mijne vriendin, want wij zijn van
éenen bloede, en uw belang is ook het mijne.”
Katoeti greep de haar toegestoken hand en zeide: »Dat is zoo. Ook
verlang ik geen ander loon, dan het huis mijner vaderen op nieuw te zien
oprichten.”
»Misschien zal het gelukken,” hernam Ani, »maar voor hoe korten tijd,
wanneer niet ― wanneer niet.... Denk eens na, Katoeti, tracht eens uit
te vorschen, waartoe gij de hulp van uwe dochter kunt inroepen. ― Wie
is hij toch dien zij ― Gij weet wien ik bedoel. ― Wien heeft Bent-Anat
lief?”
De weduwe verschrikte, want met eene heftigheid, die geheel in strijd
was met zijne gewone hoffelijkheid, had Ani de laatste woorden
uitgeroepen. Maar spoedig plooide haar gelaat zich weder tot een
glimlach, terwijl zij voor den stadhouder de weinige jonge edelen
optelde, die den koning niet in het leger gevolgd maar te Thebe gebleven
waren. »Zou het haar broeder Chamoes zijn?” vroeg zij eindelijk. »Deze
is wel-is-waar in het leger; intusschen....”
Op dit oogenblik liep Nemoe, wien geen woord van het gehouden gesprek
ontgaan was, de open zaal binnen, als kwam hij zoo juist uit den tuin,
en zeide: »Vergeef mij, meesteres, maar ik heb daar wonderlijke dingen
gehoord.”
»Spreek!” zeide Katoeti met een wenk.
»De edele prinses Bent-Anat, de goddelijke dochter van Ramses, moet
openlijk in eene liefdesbetrekking staan met een priester van het
Seti-huis.”
»Onbeschaamde!” riep Ani, en het was of zijn toornige blik den dwerg
wilde doorboren. »Bewijs wat gij zegt, of ik laat je de tong uit den
mond halen!”
»Ben ik een lasteraar en verrader van den staat, dan moogt ge mij
volgens de wet de tong laten uitsnijden,” zei de kleine onderworpen,
hoewel met een ondeugend lachje. »Maar ditmaal mag ik haar zeker
behouden, want wat ik zeg kan ik bewijzen. Gij weet dat Bent-Anat onrein
is verklaard, omdat zij een uur of langer in het huis van een Paraschiet
vertoefde. Daar had zij eene samenkomst met den priester. Bij eene
tweede in den Hathor-tempel van Hatasoe, werd zij overvallen door
Septah, den eersten Horoscoop van het Seti-huis.”
»Wie is die priester?” vroeg Ani, schijnbaar bedaard.
»Een man van lage afkomst,” antwoordde Nemoe, »dien men kosteloos in het
Seti-huis heeft laten opvoeden, en die zich thans als droomuitlegger
en verzenmaker bekend heeft gemaakt. Hij heet Pentaoer, en men moet
erkennen, dat hij er schoon en deftig uitziet. Hij gelijkt op een haar
den overleden vader van den gids Paäker. ― Hebt gij hem wel eens
gezien, mijn vorst?”
De stadhouder gaf een teeken van toestemming, fronste zijn voorhoofd en
zag naar den grond. Doch Katoeti vervolgde:
»Dwaze die ik ben! De dwerg heeft gelijk! Ik zag hoe hare wangen zich
kleurden, toen haar broeder de verzekering gaf, dat alle knapen om
zijnentwil tegen Ameni zouden opstaan. Zeker, zij denkt aan Pentaoer en
aan geen ander.”
»Het is goed,” zeide Ani, »wij zullen zien!”
Met deze woorden nam hij afscheid van de weduwe, die, terwijl hij in den
tuin verdween, in zichzelve prevelde: »Hij was heden zoo beslist en zoo
helder, als ik dat niet van hem gewoon ben. Maar de ijverzucht begint
hem reeds te verblinden en zal hem weldra doen gevoelen, dat hij mijne
scherpe oogen niet missen kan.”
Nemoe was den stadhouder nageloopen. Achter het vijgenboschje riep hij
hem aan en fluisterde snel, terwijl hij zich eerbiedig boog: »Mijne
moeder weet zeer veel, edele heer! De heilige Ibis[222] schroomt niet
het moeras te doorwaden, wanneer zij op buit uitgaat; waarom zoudt gij
ook niet eens goud in het stof gaan zoeken? Ik weet wel hoe ge de oude
ongemerkt spreken kunt.”
[222] De Ibis religiosa, thans uit Egypte verdwenen. Er waren
twee soorten van dit aan Toth geheiligde dier, waarvan men op
vele plaatsen mummiën heeft gevonden. Volgens Aelianus toonde
men in Hermopolis een onsterfelijken Ibis. „De Ibis,” zegt
Plutarchus (Isis en Osiris c. 75) „verdelgt de giftige kruipende
dieren, en heeft het eerst getoond, hoe men door middel van
inwendige reiniging kranken kan genezen, daar men zag dat hij
door inspuiting (met den snavel) zichzelf reinigde. De meest
nauwgezette onder de priesters, scheppen het reinigend wijwater
daarwaar de Ibis gedronken heeft, want hij drinkt nooit ongezond
of vergiftigd water, noch zoekt daarin zijn voedsel” enz.
»Spreek op,” bromde Ani.
»Werp haar voor éen dag in de gevangenis, verhoor haar en laat
haar dan loopen, met een geschenk, als zij u gediend heeft, in het
tegenovergesteld geval met een pak slagen. Maar gij zult iets
onuitsprekelijk gewichtigs vernemen, dat zij zelfs voor mij hardnekkig
verzwijgt.”
»Wij zullen zien,” antwoordde de stadhouder, wierp den kleinen man
eenige gouden ringen toe en besteeg zijn wagen.
In de nabijheid van zijn paleis had zich zulk eene dichte menschenmassa
verzameld, dat de stadhouder een of ander onheil duchtte. Hij beval
zijn wagenmenner de paarden wat in te houden, en eenige soldaten van de
politie, zijne voorloopers te helpen. Doch het scheen dat eene blijde
boodschap hem wachtte, want bij de poort van het slot hoorde hij
duidelijk het gejubel der menigte, en in het voorhof van het paleis vond
hij een gezantschap uit het Seti-huis, dat hem en heel het volk op last
van Ameni het bericht kwam brengen van een groot wonder. Want het hart
van den door wilde dieren verscheurden ram van Amon was teruggevonden
in de borst van den vromen, gestorven profeet Roeï.
Ani steeg dadelijk van zijn wagen, knielde neder voor het aangezicht der
menigte, die zijn voorbeeld volgde, hief biddend de handen omhoog en
dankte de goden met luider stem. Toen hij na eenige oogenblikken weder
was opgestaan en het paleis was binnengetreden, kwamen eenige slaven
naar buiten, die op last van Ani brood onder de menigte verdeelden.
»De stadhouder heeft toch eene milde hand,” zeide een schrijnwerker uit
Thebe tot eene vrouw, die bij hem stond. »Zie eens hoe wit dit brood is.
Ik steek het bij mij en breng het aan mijne kinderen.”
»Geef mij een stukje,” riep een naakte jongen, greep den schrijnwerker
het broodje uit de hand en liep weg, terwijl hij zeer behendig tusschen
de beenen der menschen doorsloop.
»Krokodillengebroed!” schreeuwde de man, die zijn deel verloren had. »De
onbeschaamdheid dier jongens wordt met den dag erger.”
»Ze zijn hongerig,” zeide de vrouw, om den knaap te verontschuldigen.
»Hun vaders zijn te velde en hunne moeders hebben niet anders voor hen
dan papyrus-merg en lotuskorrels”[223].
[223] Zie Dl. I, bl. 145.
»’t Moge hem goed bekomen,” zeide de schrijnwerker. »Dringen wij wat
naar de linker zijde. Daar komt een dienaar met nieuwe brooden.”
»De stadhouder moet zich bijzonder verblijden over dit wonder,” zeide
een schoenmaker. »Hij spaart er geen geld voor.”
»Er is ook in lang niets dergelijks gebeurd,” sprak een mandenmaker,
zich in het gesprek mengende, »en Ani verheugt het zeker uitermate, dat
juist Roeï met dat heilige hart werd begenadigd. ― Gij vraagt waarom?
Domkop, die ge zijt! Hatasoe is Ani’s grootmoeder.”
»En Roeï was profeet in den Hatasoe-tempel,” zeide de schrijnwerker.
»De priesters aan de overzijde zijn aanhangers van het oude
koningshuis,” verzekerde een bakker. »Dat weet ik.”
»Alsof dat een geheim was!” zeide de schoenmaker. »De oude tijden waren
ook beter dan de tegenwoordige. De krijg verslindt alles, en zeer
fatsoenlijke lieden loopen nu barrevoets, omdat zij het leder niet
betalen kunnen. Met den buit ziet het er ook mager uit sedert het
laatste jaar. Ramses is een groot krijgsheld en een zoon van Ra, maar
wat vermag hij zonder de goden, wien het thans in Thebe niet meer
schijnt te bevallen? Waarom anders zoekt het heilige hart van den ram
zich eene nieuwe woning in de Nekropolis, en wel in de borst van een
aanhanger van het oude....”
»Houd je mond,” waarschuwde de mandenmaker, »daar komt de
politie-wacht.”
»Ik moet ook aan mijn werk,” zeide de bakker, »want ik heb voor het
feest van morgen mijne handen vol.”
»Ik ook,” zuchtte de schoenmaker, »want wie kan den koning der goden
barrevoets in de Nekropolis volgen?”
»Gij zult mooi geld verdienen,” hernam de mandenmaker.
»Het zou nog al wat zijn,” antwoordde de schoenmaker, »als men beter
hulp had; maar de gezellen zijn allen in den krijg. Men moet zich
behelpen met onhandige jongens. En dan die vrouwen! De mijne heeft zich
voor de processie een nieuw kleed aangeschaft, en voor de kinderen,
zelfs voor de kleine, halsbanden gekocht. Men eert wel gaarne zijne
dooden, en zij vergelden het ons ook dikwijls door hun bijstand, maar
wat die offers mij kosten is niet te zeggen. Nog meer dan de helft van
mijne verdienste gaat daarmee heen.”
»In mijne eerste droefheid over mijne overledene vrouw,” zeide de
bakker, »heb ik mij verbonden elke nieuwe maan een kleiner en elk jaar
een grooter offer te brengen. De priesters schelden niets kwijt van
eene gelofte, en de tijden worden steeds slechter. Bovendien is de
afgestorvene mij kwalijk gezind, en even ondankbaar als bij haar leven.
Want verschijnt ze mij in den droom, dan heeft zij geen goed woord voor
mij en kwelt mij als altijd.”
»Zij is thans een lichtende en alwetende geest,” zeide de vrouw van den
mandenmaker, »en ge zijt haar zeker ontrouw geweest. De verheerlijkten
weten alles wat op aarde gebeurt en gebeurd is.”
De bakker kreeg toevallig eene hoestbui, doch de schoenmaker riep: »Bij
Anubis, den heer der onderwereld, ik wensch vóor mijn oudje te sterven,
want wanneer zij bij Osiris te weten komt wat ik hier op aarde al
zoo gedaan heb, en zij in staat zal zijn zich in elke gedaante te
veranderen, waarin zij maar wil, dan verschijnt ze mij zeker elken
nacht, om mij als kreeft te knijpen, of als eene zware nachtmerrie mij
te benauwen.”
»Als gij ’t eerst sterft,” hernam de vrouw, »dan komt zij toch later bij
je in de onderwereld, waar zij je ook zal doorzien.”
»Dat is minder gevaarlijk,” sprak de schoenmaker lachend, »want dan ben
ik zelf een verheerlijkte, en ligt ook haar verleden voor mij open.
Dat zal ook wel zoo voortreffelijk niet zijn. En werpt ze mij met den
schoen, dan werp ik haar met de leest.”
»Kom mede naar huis,” zeide de mandenmakersvrouw, terwijl zij haar man
met zich voorttrok. »Ge hoort hier niets goeds.”
De omstanders lachten, doch de bakker sprak: »Het is meer dan tijd om
heen te gaan; ik moet in de Nekropolis zijn vóor het donker wordt, en
mijne tafel laten opslaan voor het feest van morgen. Mijne waren staan
dicht bij den smallen ingang van het dal. Breng je kleinen maar bij mij,
schoenmaker, dan zal ik ze wat zoetigheid geven. ― Vaart gij met mij
naar de overzijde?”
»Mijn jongere broeder,” antwoordde de schoenmaker, »is reeds met de
waren aan den overkant. We hebben nog werk voor onze klanten in Thebe,
en nu sta ik hier mijn tijd te verbabbelen! ― Zoudt ge denken dat het
wonderhart van den heiligen ram morgen vertoond zal worden?”
»Wel zeker,” zeide de bakker. »Vaarwel! Daar zijn mijne kisten.”