NEGENDE HOOFDSTUK.

Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte

dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze

bekenden in Thebe.

Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was

laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd

en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd

had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een

nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar

slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak,

kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de

handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede

te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met

ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids

zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden,

waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.

Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met

ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook

wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank

werkelijk eenige uitwerking kon hebben.

»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het

fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”

Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel

vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s

trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats

gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend

angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat

een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van

het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt.

Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar

aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven

echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed

door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de

openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te

gebruiken.

Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette

zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de

kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds

aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert

gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden.

Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende

veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig

had gegeten, bedekte zij Nefert’s ontbijt, bestaande uit een tarwekoek

en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek

tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer

dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam

zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had

laten dragen.

Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef

Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid

zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige

bloemruikers[218] door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij

zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij,

had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti

stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van

den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den

stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde

voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en

vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te

bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden

zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor

haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een

onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.

[218] De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat

reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als

teeken van vriendschap werden gegeven.

Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen

zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden

neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek

op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de

fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep

van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn

zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou

opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de

beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij

daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan

het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte

het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het

inhield.

Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom

zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter

van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. ― Niet?

Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne

troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele

spannen van Mena’s geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb

ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de

oogen te openen, zoo als hij zegt. ― Ga toch zitten, nicht; gij zijt

zoo bleek!”

Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel,

zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek

gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij

hem medenemen? ― Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem

nog doen sluiten!”

De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl

zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra

herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan

ga ik heen.”

»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en

kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar

wijn nog onaangeroerd.”

Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het

zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand

houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of

zij misschien niet reeds terug is.”

Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd

te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig

het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn

Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat

nu boordevol was.

Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar

Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op

een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw,

die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de

oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker

zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig

had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich

diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een

ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena’s plaats hebben gesteld?

Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij

hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in

hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging

zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten,

brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem,

zijne moeder.

Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer

bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar

zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar

ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde,

antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg

opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te

bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is.

Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de

edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel

ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd.”

»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.

»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” voegde zij

er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en

den tempel.”

Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder

nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was

een wonderbaar gezicht!”

De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde

halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.

»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde

voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels,

heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van den Neha-boom[219]

daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een

kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is

opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij

herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij

hield.”

[219] Wierookboom. Zie boven, bl. 220.

Paäker knikte toestemmend.

Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat

zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of

water?”

Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half

leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon

gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti,

die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende:

»Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!”

De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk

aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker

van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij

hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde.

Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd

op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!” ― Hoe zelfzuchtig

hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en

toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de

schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert

den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar

de zure verfrischt meer in de hitte.”

»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot

den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn

droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws

vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur

te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet

mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering

naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd

bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op

den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en

eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij

dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de

blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer

over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik den

boom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling

buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water

uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van

inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse

waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen

blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een

oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en

twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte,

roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels

aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te

zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en

ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en

aan mij zijn leven te danken had.”

»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen

gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt

liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke

verklaring gaf de priester u?”

»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de

verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige

stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken.”

»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, terwijl zij

de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.

»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,”

zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.

»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam Nefert. »Want

ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn

eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden,

hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt

gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij

aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en

trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad.”

»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks de ure

gedenkende, waarin hij het voor ’t eerst gewaagd had, het schoone

bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.

»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is,

waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die

mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden,

hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne

kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke

van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de

hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat

hij mij nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij

zulke vriendelijke herinneringen!”

»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar daarbij met

teederheid aan.

»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. »Deze

bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang

bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en

zorgeloos spelen en droomen kon!”

Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen.

Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige

kussen.

Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn

arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne

bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den

tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te

berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik

verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van

Ramses.

Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan

hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn

wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner

hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met

goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder

Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden:

hem of Mena!.....

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 32 / 58 题