Deze dag, zoo rijk aan gebeurtenissen, zou niet alleen vele onverwachte
dingen brengen aan de bewoners van de doodenstad, maar ook aan onze
bekenden in Thebe.
Vrouwe Katoeti was na een slapeloozen nacht vroeg opgestaan. Nefert was
laat te huis gekomen, had zich over haar lang uitblijven verontschuldigd
en hare moeder kortelijk medegedeeld, hoe Bent-Anat haar geruimen tijd
had opgehouden. Vriendelijk was zij heengegaan, nadat Katoeti haar een
nachtkus op het voorhoofd had gedrukt. Toen de weduwe zich in haar
slaapvertrek wilde terugtrekken en Nemoe de pit van hare lamp aanstak,
kwam haar het geheim weder in de gedachte, dat Paäker geheel in de
handen van den stadhouder zou overleveren. Zij beval den dwerg haar mede
te deelen wat hij wist, en de kleine vertelde haar eindelijk, hoewel met
ongeveinsden tegenzin, want hij was bang voor zijne moeder, dat de gids
zijne meesteres Nefert de helft van een liefdedrank had aangeboden,
waarvan de andere helft vermoedelijk nog in zijn bezit was.
Weinige uren geleden zou dit bericht Katoeti met weerzin, ja, met
ontzetting hebben vervuld. Thans keurde zij de daad van den Mohar ook
wel af, maar zij vroeg toch met belangstelling, of zulk een drank
werkelijk eenige uitwerking kon hebben.
»Zeker wel,” antwoordde de dwerg, »wanneer de geheele inhoud van het
fleschje wordt gebruikt; doch Nefert kreeg maar de helft te drinken.”
Laat in den avond begaf Katoeti zich naar haar slaapvertrek, geheel
vervuld met de gedachte aan Paäker’s waanzinnige liefde, Mena’s
trouwbreuk en de groote verandering, die er met Nefert had plaats
gegrepen. Toen zij op haar rustbed lag, werd zij gekweld door duizend
angsten, vermoedens en vreezen. Niet het minst verontrustte haar, dat
een gevoel, hetwelk tegen elken aanval bestand moest zijn, de liefde van
het kind voor hare moeder, bij Nefert zoo geweldig was geschokt.
Dadelijk na zonsopgang begaf zij zich naar de huiskapel, offerde daar
aan het in de gestalte van Osiris bewerkte beeld van haar gestorven
echtgenoot, reed naar den tempel en bracht daar een poos in het gebed
door. Bij haar terugkomst vond zij hare dochter echter nog niet in de
openbare galerij, die wij kennen en waar zij gewoon was haar ontbijt te
gebruiken.
Katoeti bleef in het morgenuur gaarne ongestoord, en daarom verzette
zij zich niet tegen de neiging harer dochter, die gaarne nog wat in de
kunstmatige duisternis van haar vertrek bleef slapen, als de zon reeds
aan den hemel was. Wanneer de weduwe naar den tempel reed, dronk Nefert
gewoonlijk op haar bed eene schaal melk, waarna zij zich liet kleeden.
Keerde hare moeder terug, dan vond zij haar in de ons welbekende
veranda. Heden nu moest Katoeti alleen ontbijten. Toen zij een weinig
had gegeten, bedekte zij Nefert’s ontbijt, bestaande uit een tarwekoek
en wat wijn in een zilveren bekertje, zorgvuldig met een dunnen doek
tegen stof en insecten, waarop zij zich naar het slaapvertrek harer
dochter begaf. Zij schrikte toen zij dit ledig vond, maar weldra vernam
zij, dat Nefert zich veel vroeger dan andere dagen naar den tempel had
laten dragen.
Zij haalde vrijer adem, toen zij in de veranda terugkwam, om haar neef
Paäker te ontvangen, die inmiddels gekomen was om naar de gezondheid
zijner betrekkingen te vernemen. Hij liet zich twee prachtige
bloemruikers[218] door een slaaf nadragen, en had den grooten hond bij
zich, die reeds aan zijn vader had behoord. Den eenen ruiker, zeide hij,
had hij voor Nefert, den anderen voor hare moeder laten snijden. Katoeti
stelde nog te meer belang in Paäker, sedert zij wist, dat hij zich van
den liefdedrank had bediend. Maar zelden liet een jongeling uit den
stand waartoe hij behoorde, zich zoo door hartstochtelijke liefde
voor eene vrouw beheerschen als deze man, die met taai geduld en
vaste wilskracht op zijn doel afging, en geen middel ontzag om het te
bereiken. De gids, die onder hare oogen was opgegroeid, wiens zwakheden
zij kende en op wien zij gewoon was neer te zien, stond daar opeens voor
haar als een ander vreemd mensch, een redder voor zijne vrienden, een
onbarmhartig tegenstander van zijne vijanden.
[218] De voorstellingen op de gedenkteekenen leeren ons, dat
reeds in het oude Egypte, evenals bij ons, bloemruikers als
teeken van vriendschap werden gegeven.
Maar enkele oogenblikken hadden deze gedachten haar bezig gehouden, toen
zij haar oog op de ineengedrongen gestalte van haar sterk gespierden
neef liet rusten, en het trof haar dat hij uiterlijk zoo weinig geleek
op zijn vader, die slank en schoon gebouwd was. Dikwijls had zij de
fijne handen van haar overleden zwager bewonderd, die toch ook den greep
van het zwaard zoo vast wisten te omklemmen; maar de handen van zijn
zoon waren breed en lomp. Terwijl Paäker vertelde, dat hij weldra zou
opbreken om naar Syrië te vertrekken, volgde zij onwillekeurig de
beweging van zijne hand, die telkens naar den gordel greep, als had hij
daar een zeker iets te verbergen. Dat zeker iets was niets anders dan
het langwerpige albasten fleschje met den liefdedrank. Katoeti bemerkte
het, en hare wangen verbleekten; want zij begon te vermoeden wat het
inhield.
Den gids kon de ontroering van zijne nicht niet ontgaan, en daarom
zeide hij deelnemend: »Ik kan het u aanzien, dat gij lijdt. De opzichter
van Mena’s stoeterij in Hermonthis is zeker bij u geweest. ― Niet?
Gisteren kwam hij mij vragen, of ik hem wilde vergunnen zich bij mijne
troepenafdeeling aan te sluiten. Hij is boos op u, omdat hij enkele
spannen van Mena’s geelvossen heeft moeten afgeven. Het schoonste heb
ik gekocht. Prachtige beesten! Nu wil hij naar zijn meester, om hem de
oogen te openen, zoo als hij zegt. ― Ga toch zitten, nicht; gij zijt
zoo bleek!”
Katoeti voldeed echter volstrekt niet aan dit verzoek; integendeel,
zij glimlachte en zeide half onwillig half medelijdend: »Die oude gek
gelooft waarlijk, dat ons wel en wee aan die geelvossen hangt. Zult gij
hem medenemen? ― Hij wil Mena’s oogen openen? Maar niemand heeft ze hem
nog doen sluiten!”
De laatste woorden werden zachter door haar uitgesproken, terwijl
zij hare oogen nedersloeg. Ook Paäker zag vóor zich en zweeg. Weldra
herstelde hij zich echter en zeide: »Als Nefert nog lang uitblijft, dan
ga ik heen.”
»Neen, neen! Blijf!” sprak de weduwe haastig. »Zij verlangt u te zien en
kan ieder oogenblik terugkomen. Zie, daar staat haar broodkoek en haar
wijn nog onaangeroerd.”
Bij deze woorden nam zij het doekje van de onbijttafel, hief het
zilveren bekertje even op en vervolgde toen, het doekje in de hand
houdende: »Ik moet u een oogenblik alleen laten, om te onderzoeken of
zij misschien niet reeds terug is.”
Nauwelijks had zij de veranda verlaten, of Paäker, na zich overtuigd
te hebben dat hij door niemand gezien kon worden, greep driftig
het fleschje uit zijn gordel, hield het onder aanroeping van zijn
Osirischen vader in de hoogte, en goot het ledig in het bekertje, dat
nu boordevol was.
Een oogenblik later verscheen Nefert, en onmiddellijk achter haar
Katoeti, in de veranda. Paäker greep naar den ruiker, dien zijn slaaf op
een stoel had gelegd, en naderde met aarzelende schreden de jonge vrouw,
die heden met zulk een vasten stap vooruittrad en zoo helder en fier de
oogen opsloeg, dat zelfs hare moeder haar met verbazing aanzag. Paäker
zeide tot zichzelven, dat hij haar nog nooit zoo schoon en levenslustig
had gezien. Kon zij haar echtgenoot wel liefhebben, wanneer zij zich
diens trouwbreuk zoo weinig aantrok? Behoorde haar hart nu aan een
ander? Zou de liefdedrank hem werkelijk in Mena’s plaats hebben gesteld?
Ja waarlijk! want hoe begroette zij hem! Reeds van verre reikte zij
hem de hand, en liet haar lang in de zijne rusten. Zij dankte hem in
hartelijke woorden en prees zijne trouw en grootmoedigheid. Daarna ging
zij naar de ontbijttafel, verzocht Paäker zich bij haar neder te zetten,
brak haar koek door en vroeg belangstellend naar hare tante Setchem,
zijne moeder.
Katoeti zoowel als Paäker volgden met een kloppend hart elke harer
bewegingen. Nu greep zij naar den beker, bracht dien aan de lippen, maar
zette hem terstond weder neder, toen de Mohar opmerkte, dat zij haar
ontbijt zoo laat gebruikte. Want terwijl een blosje hare wangen kleurde,
antwoordde zij: »Tot hiertoe was ik recht lui, maar heden ben ik vroeg
opgestaan, om nog in de morgenkoelte naar den tempel te gaan en te
bidden. Gij weet zeker, wat er met den heiligen ram van Amon gebeurd is.
Een vreeselijk ongeluk! De priesters waren geweldig ontsteld. Doch de
edele Bek-en-Choensoe ontving mij en verklaarde mijn droom, en nu gevoel
ik mij verlicht en recht vroolijk gestemd.”
»En dat alles zonder mij?” vroeg Katoeti, op zacht verwijtenden toon.
»Ik wilde u niet storen,” antwoordde Nefert. »En ’s morgens,” voegde zij
er bij, op nieuw blozende, »neemt ge mij toch nooit mede naar de stad en
den tempel.”
Wederom greep zij naar het bekertje, bekeek den wijn en zeide, zonder
nog te drinken: »Wilt gij hooren wat ik gedroomd heb, Paäker? Het was
een wonderbaar gezicht!”
De gids verkeerde in zulk eene spanning, dat hij bijna geen adem durfde
halen. Toch verzocht hij haar te willen vertellen.
»Verbeeld u,” begon Nefert, en zij schoof het bekertje op het gladde
voetje, dat reeds bevochtigd was door eenige overgestorte droppels,
heen en weer. »Verbeeld u, Paäker, ik droomde van den Neha-boom[219]
daarginds in die groote kuip, die uw vader voor mij, toen ik nog een
kind was, uit Poent heeft medegebracht, en die sedert zoo heerlijk is
opgegroeid. Geen boom in den tuin is mij zoo lief als deze, want hij
herinnert mij altijd aan uw onvergetelijken vader, die zooveel van mij
hield.”
[219] Wierookboom. Zie boven, bl. 220.
Paäker knikte toestemmend.
Nefert zag hem aan, brak haar verhaal af en zeide, toen zij zag dat
zijne wangen gloeiden: »Het wordt heet. Wilt gij ook een dronk wijn of
water?”
Terwijl zij dit zeide, nam zijzelve het bekertje op en dronk het half
leeg. Eene rilling voer haar door de leden, en terwijl zij haar schoon
gelaat tot een komisch lachje plooide, keerde zij zich om naar Katoeti,
die achter haar stoel stond, en reikte haar den beker toe, zeggende:
»Heden is de wijn toch wat al te zuur. Proef maar eens, moeder!”
De weduwe nam het zilveren bekertje in de hand, en bracht het werkelijk
aan hare lippen, zonder die echter te bevochtigen. Toen zij den beker
van den mond nam, zweefde er een lachje over haar gezicht, terwijl zij
hare oogen richtte op den gids, die haar verschrikt aanstaarde.
Bliksemsnel schoot de gedachte door haar brein: »Ik smachtend verliefd
op hem, en hij vol angst voor zulk eene neiging!” ― Hoe zelfzuchtig
hare ziel ook was, hoe vol listen en lagen, zij was niet ruw, en
toch had zij hartelijk in lachen kunnen uitbarsten, terwijl zij de
schandelijkste daad haars levens beging. In goede luim gaf zij Nefert
den wijn terug, en zeide: »Ik heb dien wel eens zoeter gedronken, maar
de zure verfrischt meer in de hitte.”
»Dat is ook waar,” antwoordde de vrouw van Mena, ledigde den beker tot
den bodem, en zeide, alsof het haar verkwikt had: »Nu wil ik ook mijn
droom ten einde vertellen. Ik zag dan den Neha-boom, het geschenk uws
vaders, fraai en duidelijk voor mij staan. Ja, ik meen zelfs zijn geur
te hebben opgevangen, ofschoon de droomuitlegger zeide, dat dit niet
mogelijk was, daar men in den droom niet ruiken kan. Vol bewondering
naderde ik de schoone plant. Daar vertoonden zich opeens wel honderd
bijlen in de lucht, en hieuwen, als door onzichtbare handen gedreven, op
den armen boom zoo duchtig in, dat de eene tak voor, de andere na, en
eindelijk ook de boom op den grond viel. Als gij nu meent, dat mij
dit verontrustte, dan bedriegt ge u. Ik schepte veeleer vermaak in de
blinkende bijlen en vliegende spaanders. Toen er eindelijk niets meer
over was om te vernielen, behalve de wortel in de aarde, besloot ik den
boom tot een nieuw leven te wekken. Mijne zwakke armen werden plotseling
buitengemeen sterk, mijne voeten uitermate vlug. Ik haalde veel water
uit den vijver en goot het op de wortels. Toen ik eindelijk van
inspanning niet langer kon, vertoonde zich een zacht groen, ter plaatse
waar de boom was afgehakt. Een knopje kwam te voorschijn, een groen
blaadje wikkelde er zich uit los, een saprijk stengeltje schoot in een
oogwenk naar boven, verhardde zich tot een stam, die zijne takken en
twijgjes begon uit te spreiden, waaraan groene blaadjes wiesen en witte,
roode en blauwe bloesems. Toen kwamen vele schoon gevederde vogels
aangevlogen; zij zetten zich in de kroon van den boom en begonnen te
zingen. Ach, mijn hart zong bij dit gezicht nog luider dan de vogels, en
ik zeide tot mij zelve: dat die boom zonder mij gestorven zou zijn, en
aan mij zijn leven te danken had.”
»Een schoone droom,” zeide Katoeti, »die mij den tijd herinnert, toen
gij nog een jong meisje waart, en halve nachten lang wakker kondt
liggen, terwijl gij allerlei wonderlijke sprookjes bedacht. Welke
verklaring gaf de priester u?”
»O, hij beloofde mij van alles,” zeide Nefert, »en gaf mij de
verzekering, dat het voor mij bestemde geluk, na gewelddadige
stoornissen, eindelijk als het frissche groen zou ontluiken.”
»En Paäker’s vader schonk u den Neha-boom?” vroeg Katoeti, terwijl zij
de veranda verliet, en naar buiten trad in den tuin.
»Mijn vader bracht hem voor u van de oostelijke grenzen naar Thebe,”
zeide de gids, de laatste woorden van de weduwe bevestigende.
»Dat is het juist wat mij zoo hartelijk verheugt,” hernam Nefert. »Want
ik had uw vader zoo lief; hij was mij zoo dierbaar, als ware hij mijn
eigen vader geweest. Weet gij nog hoe wij samen den vijver omzeilden,
hoe de boot toen omsloeg, en gij mij bewusteloos uit het water hebt
gedragen? Nooit zal ik den blik vergeten, waarmede de kloeke man mij
aanzag, toen ik in zijne armen weder bijkwam. Zulke verstandige en
trouwhartige oogen als hij, heeft niemand ooit gehad.”
»Hij was goed en had u innig lief,” zeide Paäker, insgelijks de ure
gedenkende, waarin hij het voor ’t eerst gewaagd had, het schoone
bewustelooze kind een kus op de lippen te drukken.
»Hoe verheug ik mij,” riep Nefert, »dat de dag eindelijk gekomen is,
waarop wij te zamen over hem kunnen spreken; dat de oude boosheid, die
mijn hart zoo bezwaarde, eindelijk vergeten is! Ik heb nu ondervonden,
hoe goed gij zijt! Mijn gemoed schiet vol, wanneer ik mij weder in mijne
kindsheid verplaats en gedenk, hoe ik al het schoone en onvergetelijke
van die jaren aan u en de uwen verschuldigd ben. Zie eens, hoe zich de
hond, de groote Descher, tegen mij aandringt. Hij wil mij toonen, dat
hij mij nog niet vergeten heeft! Al wat uit uw huis komt wekt in mij
zulke vriendelijke herinneringen!”
»Wij hadden u allen ook zoo lief,” zeide Paäker, en zag haar daarbij met
teederheid aan.
»En wat zag het er mooi uit in uw tuin!” vervolgde Nefert. »Deze
bloemen, die ge mij gebracht hebt, moeten in het water gezet en lang
bewaard worden, als een groet van de plek, waar ik zoo gelukkig en
zorgeloos spelen en droomen kon!”
Bij deze woorden drukte zij hare lippen op de veelkleurige bloemen.
Doch Paäker stond op, greep hare rechterhand en bedekte haar met vurige
kussen.
Nefert schrikte, en trok haar hand snel terug. Hij strekte echter zijn
arm uit, om haar, terwijl zij terugweek, te omvatten. Reeds raakte zijne
bevende hand haar slanke middel aan, toen er een luid geroep uit den
tuin werd vernomen. Het was Nemoe, die de galerij binnenvloog om te
berichten, dat de prinses Bent-Anat gekomen was. Op hetzelfde oogenblik
verscheen Katoeti en weinige oogenblikken later de lievelingsdochter van
Ramses.
Paäker trad terug en nam afscheid, alvorens Nefert tijd had gevonden aan
hare ontroering woorden te geven. Van vreugde dronken bereikte hij zijn
wagen. Hij hield zich zeker overtuigd, dat de vrouw van den wagenmenner
hem liefhad. Zijn hart jubelde en hij nam zich voor, de oude Hekt met
goud te beloonen. Onverwijld reed hij naar het paleis, om den stadhouder
Ani te verzoeken hem naar Syrië te laten trekken. Daar zou het gelden:
hem of Mena!.....