ACHTSTE HOOFDSTUK.

De treurmare van de jammerlijke wijze, waarop de ram van Amon was

omgekomen, alsmede dat de Apis-stier van Memphis was gestorven, had ook

reeds het Seti-huis bereikt. Zij was daar met weeklachten ontvangen,

waarin al zijne bewoners, van den eersten Horoscoop tot den kleinsten

knaap in de laagste schoolklasse instemden. Het hoofd der inrichting,

Ameni, bevond zich sedert drie dagen te Thebe, en werd eerst heden

teruggewacht. Met onrust en bezorgdheid werd zijn komst door velen

tegemoet gezien. De eerste der Horoscopen brandde van verlangen, hem de

weder opgevangen leerlingen ter bestraffing over te geven, en Pentaoer

zoowel als Bent-Anat bij hem aan te klagen. De ingewijden wisten, dat

aan gene zijde van den Nijl zeer gewichtige dingen verhandeld waren, en

de losgebroken jongelingen, dat er een streng gericht over hen gehouden

zou worden.

De oproerige bende was op water en brood in een open hof opgesloten.

Daar de gewone gevangenkamer der inrichting voor allen te klein was,

hadden zij nu twee nachten in een schuur op dunne stroomatten moeten

slapen. De jeugdige gemoederen waren zeer in spanning, maar wat er in

hun omging uitte zich bij den een anders dan bij den ander. Bent-Anat’s

broeder, de zoon van Ramses, Rameri, had zich dezelfde behandeling als

zijne makkers moeten laten welgevallen. Gisteren hadden zij met hem een

weinig den spot gedreven, en zich daarbij nog veel overmoediger getoond,

dan zij gewoonlijk waren, doch heden lieten zij het hoofd hangen. De

jonge Anana, Pentaoer’s geliefdste leerling, zat in een hoek van den hof

met de ellebogen op de knieën, en verborg zijn aangezicht in zijne

handen.

»Wij hebben deze streek nu eenmaal begaan,” zeide Rameri, terwijl hij

naar Anana toeging en zijne hand op diens schouder legde, »en wij

moeten goedschiks of kwaadschiks de gevolgen ervan dragen. Maar schaamt

ge u niet, oude jongen! Uwe oogen zijn vochtig en de druppels hier op

uwe handen komen zeker niet uit de wolken. Dat heet een zeventienjarige,

en wil binnen weinige maanden een schrijver, een volwassen man zijn!”

Anana zag tot den koningszoon op, veegde snel zijne tranen weg en zeide:

»Ik was uw aanvoerder. Ameni zal mij uit deze inrichting bannen, en dan

moet ik met schande tot mijne arme moeder terugkeeren, die in de wereld

niets anders heeft behalve mij.”

»Arme kerel!” sprak Rameri deelnemend. »Het is ook om uit je vel te

springen! En wanneer onze streek Pentaoer ten minste nog maar gebaat

had!”

»We hebben hem kwaad berokkend,” hernam Anana levendig, »en als

onzinnigen gehandeld.”

Rameri knikte toestemmend, zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich,

en sprak toen: »Weet ge wel, Anana, dat gij eigenlijk onzen aanvoerder

niet geweest zijt? In dit hoofd is het dolzinnige plan opgekomen, en

gij hebt het mij slechts helpen uitvoeren. Ik neem alles voor mijne

rekening. Ik ben de zoon van Ramses, en Ameni zal zachter met mij

handelen dan met ulieden!”

»Hij zal ons in het verhoor nemen,” zeide Anana, »en liever laat ik mij

straffen, dan dat ik liegen zou.”

Rameri kreeg eene kleur en riep: »Hebt ge mijne tong ooit hooren

zondigen tegen de lichtdochter van Ra? Heidaar! Antef, Hapi, Sent en gij

overigen, geeft antwoord! Heb ik ulieden opgehitst of niet? Wie anders

dan ik heeft u aangeraden Pentaoer te gaan opzoeken? Heb ik gedreigd,

dat ik mijn vader zou verzoeken mij uit het Seti-huis te nemen, of niet?

Heb ik u niet aangezet om hetzelfde te doen? Ja of neen? ― Daar hebt

gij ’t! Ziet ge wel, Anana, ik ben de ontwerper van deze streek; ik ben

de raddraaier, en als wij ondervraagd worden, laat ge mij het eerst

spreken. Niemand mag den naam van Anana noemen, niemand, hoort ge! Al

slaan ze ulieden met stokken en al laten ze ons honger lijden, wij

blijven er bij, dat ik van al het gebeurde oorzaak ben?”

»Gij zijt een brave jongen,” zeide de zoon van den eersten profeet van

Amon in Thebe, en drukte daarbij Rameri’s rechterhand, terwijl Anana

zijn linker schudde.

De prins maakte lachend zijne handen uit die zijner vrienden los,

zeggende: »Laat nu den oude maar komen, we zijn er op voorbereid. Maar

ik blijf er bij: ik vraag mijn vader zoo waarachtig als ik Rameri heet,

mij naar Chennoe te zenden, als zij Pentaoer niet terugroepen.”

»Hij heeft ons als schooljongens behandeld,” zeide de grootste onder de

jeugdige misdadigers.

»En met recht,” antwoordde Rameri. »Ik acht hem daarom te hooger. Gij

ziet mij aan voor een lichtzinnigen knaap; doch ik heb mijne eigene

gedachten en zal u mijne wijsheid doen kennen.”

Bij deze woorden zag hij zijne makkers aan met komischen ernst en

vervolgde, terwijl hij de stem van Ameni nabootste: »De groote mensch

onderscheidt zich hierdoor van den kleine, dat hij hetgeen zijn

ijdelheid streelt, en hem voor het oogenblik wenschelijk, zelfs nuttig

schijnt, versmaadt en onopgemerkt voorbijgaat, wanneer het niet is

overeen te brengen met door hem erkende wetten, en met een of ander

verheven doel, dat hij zich ter bereiking heeft voorgesteld, maar

misschien eerst na zijn dood kan worden verwezenlijkt. ― Deze wijsheid

heb ik deels uit den mond mijns vaders opgevangen, deels zelfs bedacht,

en nu vraag ik u: kon Pentaoer, als die grootere mensch, ons beter

behandelen?”

»Gij spreekt uit,” zeide Anana, »wat mijn hart mij reeds sedert gisteren

zeide. Wij hebben gehandeld als kleine kinderen, en in plaats van onzen

wil door te zetten, ons zelven en Pentaoer kwaad gedaan.”

Men hoorde het ratelen van een naderenden wagen. Rameri viel Anana in

de rede en riep: »Daar is hij! Moed, jongens! Ik ben de schuldige. Hij

durft mij niet met den stok te laten slaan, maar hij zal mij met zijne

oogen wel raken!”

Ameni stapte haastig van zijn wagen. De portier deelde hem mede, dat de

eerste Kolchyt en de overste der offerpriesters van den Amon-tempel te

Thebe hem verlangden te spreken.

»Zij kunnen wachten,” antwoordde de profeet kortaf. »Breng ze voorloopig

in de tuinzaal. Waar is de eerste der Horoscopen?”

Hij had nog niet uitgesproken, toen de grijsaard naar wien hij vroeg hem

rustig te gemoet kwam, om hem op de hoogte te brengen van alles wat er

in zijne afwezigheid was geschied. Doch de offerpriester had in Thebe

reeds alles vernomen, wat de oude man hem verlangde mede te deelen.

Ameni liet zich, zoo vaak hij het Seti-huis verliet, elken morgen

getrouw berichten wat er zich had voorgedaan. Toen nu de Horoscoop met

zijn verslag begon, brak hij diens hartstochtelijke aanklacht af met te

zeggen: »Ik weet alles! De leerlingen hangen Pentaoer aan en hebben om

zijnentwil eene dwaasheid begaan, en gij hebt de prinses Bent-Anat bij

hem ontmoet in den Hatasoe-tempel, tot welken hij eene geringe vrouw

toegang verleende, zonder dat zij vooraf gereinigd was. Dat zijne erge

dingen, die ernstig behandeld moeten worden, maar niet heden. Wees

dus gerust! Pentaoer zal zijn straf niet ontgaan. Toch zullen wij hem

terstond naar het Seti-huis terug moeten ontbieden, want wij kunnen hem

morgen niet missen bij het feest van het dal. Voordat hij veroordeeld

is, mag niemand hem onvriendelijk bejegenen, dat verzoek ik u dringend,

en ik draag u op dit ook aan de anderen te zeggen.”

De Horoscoop beproefde Ameni te doen gevoelen, welk een ergernis zulk

eene ontijdige toegevendheid zou veroorzaken. Maar de offerpriester

liet hem niet uitspreken; hij eischte zijn ring van hem terug, riep

een jeugdig priester, wien hij het kostbaar kleinood overhandigde, met

den last om onverwijld zijn wagen te bestijgen, die nog aan de poort

wachtte, ten einde Pentaoer in zijn naam te bevelen in het Seti-huis

terug te keeren.

Hoewel innerlijk teleurgesteld, schikte de Horoscoop zich naar den wil

van den offerpriester en vroeg alleen: »Zullen nu de misdadige knapen

ook ongestraft blijven?”

»Zoo min als Pentaoer,” antwoordde Ameni. »Doch hoe kunt gij dezen

jongensstreek eene misdaad noemen? Laat jongens toch vroolijk zijn en

overmoedig! Een opvoeder die zijne oogen altijd openhoudt en ze niet ter

rechter tijd weet te sluiten, zal hen zeker bederven. Alvorens het leven

de toewijding aan ernstige plichten van ons vordert, hebben wij te

beschikken over een verbazenden overvloed van krachten. Het kind wendt

ze aan bij zijn spel, de knaap als hij met den hamer en den beitel van

zijne fantasie luchtkasteelen bouwt en dwaasheden begaat. ― Gij schudt

het hoofd, Septah; ik zeg u echter: een dolzinnige jongensstreek is

de voorbode van mannelijke daden! Ik zal een van de knapen voor het

gebeurde laten boeten, en ook dezen zou ik zonder straf vrijlaten,

indien er niet bijzondere redenen waren, waarom ik hem van ons feest

verwijderd wil houden.”

Septah weersprak zijn meester niet, want hij wist dat, als Ameni de

oogen zoo driftig opsloeg, en zijne anders zoo afgemetene bewegingen zoo

ernstig waren als heden, er iets gewichtigs op til was.

De offerpriester, bespeurende wat er in den Horoscoop omging, zeide:

»Thans verstaat gij mij niet, maar heden avond zult gij in de

vergadering der ingewijden alles vernemen. Er zijn belangrijke dingen

aan de orde. De priesters in den Amon-tempel aan den anderen oever,

worden afvallig van hetgeen ons allen die witte kleederen dragen, het

heiligste moest zijn. Zij zullen ons tegenhouden, als de tijd tot

handelen gekomen is. Bij het feest van het dal zullen wij tegenover onze

ambtgenooten van de overzijde staan. Geheel Thebe zal het feest komen

vieren en het zal er op aankomen te toonen, wie de godheid waardiger

weet te dienen, zij of wij. Wij zullen al onze krachten hebben in te

spannen, en Pentaoer kunnen wij het minst van allen missen. Hij moet

morgen als Cherheb[216] optreden, morgen alleen; overmorgen stellen

wij hem voor onze rechtbank. Onder die ongehoorzame jongens zijn onze

beste zangers, is ook de jonge Anana, die de stemmen leidt van het

jongelingskoor. Ik zal die onbezonnen knapen terstond in het verhoor

nemen. De zoon van Ramses, Rameri, was mede onder deze weerspannigen

niet waar?”

[216] Feestredenaar. Wij kunnen ons niet vereenigen met hen, die

den naam van dezen redenaar, onder de priesters, met dien der

Kolchyten overeen willen brengen.

»Hij schijnt een der raddraaiers geweest te zijn,” antwoordde de

Horoscoop.

Ameni zag den oude aan met een lachje, waarin een diepe zin lag, en

zeide: »De naaste bloedverwanten des konings bedekken zich met eer! Zijn

oudste dochter moet, als eene verontreinigde en weerspannige, op verren

afstand worden gehouden van de vromen in den tempel, en wij zullen wel

genoodzaakt zijn, zijn zoon uit deze inrichting te verbannen. Gij ziet

mij zoo verbaasd aan? Maar ik heb u zooeven reeds gezegd: de tijd om te

handelen is gekomen. Doch hierover heden avond! Thans nog eene vraag. Is

de mare van den dood van den heiligen ram van Amon tot u gekomen? Ja?

Ramses zelf schonk het dier aan de godheid, en ze hadden het zijn naam

gegeven. Een slecht voorteeken!”

»Ook de Apis is gestorven,” zeide de Horoscoop, en hief klagend zijne

armen omhoog.

»Zijne goddelijke ziel keerde tot de godheid terug,” antwoordde Ameni.

»Wij hebben nu veel te doen, voor alles te toonen, dat wij de priesters

van de overzijde staan kunnen, en Thebe voor ons te winnen. De

panegyrie, die wij tegen morgen in gereedheid brengen, moet alles wat

men tot hiertoe gezien heeft overtreffen. De stadhouder Ani schonk mij

rijke bijdragen, en....”

»En,” viel de Horoscoop hem in de rede, »onze wonderdoeners kunnen vrij

wat beter dingen voor den dag brengen, dan die van het Amon-huis, die

zitten te slempen, als wij ons oefenen.”

Ameni knikte toestemmend, en zeide lachend: »Wij zijn voor het volk

ook onontbeerlijker dan zij. De priesters van de overzijde besturen

de levenden, maar wij effenen den doodsweg, en in het licht kan men

gemakkelijker zonder gids wandelen dan in de duisternis. Wij zijn tegen

de priesters van Amon wel opgewassen.”

»Zoolang gij ons aanvoert, zeker!” riep de Horoscoop.

»En zoolang het dit huis niet aan mannen ontbreekt van uw geest,”

voegde Ameni er bij. Hij richtte zich daarbij half tot den Horoscoop,

half tot den tweeden profeet van het Seti-huis, den ouden maar

krachtigen Gagaboe, die juist was binnengetreden. Beiden geleidden den

offerpriester in den tuin, waar de twee priesters met het wonderhart op

hem stonden te wachten.

Ameni groette den overste der offerpriesters van het Amon-huis met

waardige vriendelijkheid, den eerste der Kolchyten echter met zekere

voorname terughouding. Hij liet zich door hen van alles bericht geven,

beschouwde met den Horoscoop en Gagaboe het hart in ’t kastje, nam het

angstvallig tusschen zijne lange dunne vingers, bekeek met aandacht het

orgaan, dat met specerijen verzadigd, een aangenamen geur rondom zich

verspreidde, en zeide ernstig: »Als dit, gelijk gij beweert, Kolchyt,

geen menschenhart, maar zooals gij, mijn broeder uit het Amon-huis,

verzekert, het hart van een ram is, dat gevonden werd in de borst van

den Osiris Roeï, dan staan wij hier voor een raadsel, dat de godheid

alleen kan oplossen. Volgt mij in het groote voorhof! Laat het bekken

slaan, Gagaboe, viermaal, want ik wensch alle tempelbewoners saam te

roepen.”

In krachtige golvingen verbreidde zich het geluid van den tamtam tot aan

de uiterste deelen van de uitgestrekte groep gebouwen. De ingewijden,

de heilige vaders, tempeldienaars en scholieren stroomden in weinige

oogenblikken samen. Niemand behalve een enkele kranke, ontbrak, want

ieder bewoner van het huis was verplicht op de viermaal herhaalde

roepstem, die maar zelden werd gehoord, in het eerste groote tempelhof

te verschijnen. Ook de arts Nebsecht was gekomen, want hij vreesde toen

hij den ongewonen vierden slag vernam, dat er brand was uitgebroken.

Zoodra allen waren bijeengekomen, beval Ameni, dat zij zich in rangorde

zouden scharen. Hij deelde zijnen verbaasden hoorders mede, dat er in de

borst van den gestorven vromen overste van den Hatasoe-tempel, het hart

van een ram en niet dat van een mensch was gevonden, en verlangde dat

zij hem volgen zouden. Hij gebood allen op de knieën neder te zinken en

te bidden, terwijl hij in het Allerheiligste zou gaan, om de goden te

vragen, wat dit wonder voor hunne getrouwen te beteekenen had. Hij

ging, met het hart in de hand, aan het hoofd van den langen optocht en

verdween achter het voorhangsel van het allerheiligste. De ingewijden

baden in de door zes zuilen gedragen voorzaal, de overige priesters en

leerlingen in het ruime hof, dat aan de westzijde door den majestueusen

zuilengang met het poortgebouw werd afgesloten.

Ameni bleef wel een uur in het stille binnenste heiligdom, waaruit

dichte wierookwolken naar buiten drongen. Eindelijk vertoonde hij zich

weder, brengenden eene gouden met edelgesteenten bezette vaas. Het rijke

gewaad van den opperpriester bekleedde thans zijne hooge gestalte. Een

priester, die voor hem uitging, hield de vaas met beide handen zoo hoog,

dat zij verre boven zijn hoofd uitstak. Ameni’s oogen schenen zich niet

van dit kostbaar voorwerp te kunnen afwenden, en hij volgde het, op zijn

kromstaf leunende, in deemoedige houding. De ingewijden bogen hunne

voorhoofden tot op het steenen plaveisel van de zaal, en de priesters

en scholieren raakten met hunne aangezichten den grond, toen zij hun

trotschen meester zoo deemoedig en eerbiedig zagen naderen. De biddenden

hieven de hoofden eerst op, toen Ameni in het midden van het hof was

gekomen en de trappen van het altaar bestegen had, waarop de vaas

met het hart werd neergezet. Zij luisterden naar de woorden van den

opperpriester, die plechtig, met afgemeten woorden en zoo luide dat

allen het hooren konden, het volgende verkondigde:

»Zinkt andermaal op uwe knieën neder! Bewondert, aanbidt, en dankt!

De achtbare overste der offerpriesters uit den Amon-tempel te Thebe

heeft zich in zijne kunst niet bedrogen, want het hart van een ram

werd inderdaad gevonden in de vrome borst van onzen Roeï. In het

allerheiligste heb ik duidelijk de stem der godheid vernomen, en

wonderbare woorden drongen door tot mijn oor. Wolven verscheurden den

heiligen ram van Amon in zijn heiligdom aan den anderen oever van den

stroom; maar het hart van het goddelijk dier vond zijn weg naar de borst

van den vromen Roeï. Een groot wonder is er geschied, en de goden geven

ons een zeldzaam teeken te aanschouwen. De ziel van den Allerhoogste

gevoelde zich niet te huis in het lichaam van den niet volmaakt heiligen

ram, en zij zocht en vond een reiner verblijf in de borst van onzen

achtenswaardigen Roeï, en in deze gewijde vaas. Het hart zal daarin

bewaard blijven, tot een nieuwe ram, door eene waardige hand geschonken,

in het perk van Amon heeft plaats genomen. Dit hart wordt onder de

heiligste reliquieën gerekend; het bezit de kracht velerlei krankheden

te genezen. Ook schijnt de voorspellende spreuk, die in wierookdamp

stond geschreven, gunstig te zijn. Hoort haar van woord tot woord: ‚Wat

hoog is, stijgt hooger, en wat zich verhoogde zal weldra nederstorten.’

Op, Pastophoren! IJlt naar de heilige beelden, draagt ze naar buiten,

plaats het goddelijke hart aan het hoofd der processie, en laat ons

onder lofgezangen rondom den tempel trekken. Gij, Neokoren, neemt uwe

staven ter hand en gaat in alle deelen der stad het groote wonder

verkondigen, waarmede de godheid ons heeft begenadigd!”

Nadat de processie een tempelomgang gedaan en zich ontbonden had, nam

de overste der offerpriesters van Ameni afscheid, boog zich voor hem

diep en volgens de voorgeschreven vormen, en zeide met bijkans vijandige

koelte: »Wij zullen in den Amon-tempel weten te waardeeren, wat gij in

het Allerheiligste hebt gehoord. Het wonder is geschied; ook de koning

zal vernemen, hoe het beloop er van is geweest en met welke woorden gij

het hebt aangekondigd.”

»Met de woorden van den Allerhoogste!” antwoordde de opperpriester

met waardigheid, boog zich voor den ander en wendde zich tot eenige

priesters, die elkander over de groote gebeurtenis van dezen dag

onderhielden. Ameni deed eenige vragen betreffende het groote feest

dat morgen gevierd zal worden, en liet toen den overste der Horoscopen

roepen, terwijl hij beval de oproerige kweekelingen naar den schoolhof

te brengen. De grijsaard berichtte, dat Pentaoer teruggekeerd was en

volgde het hoofd der inrichting naar de bevrijde gevangenen. Deze waren

op het ergste voorbereid en hielden zich overtuigd, dat zij zwaar

gestraft zouden worden. Intusschen schudden zij van lachen, toen prins

Rameri voorstelde, als zij soms veroordeeld mochten worden op erwten te

knielen, deze eerst te laten koken.

»Er zijn niet alleen erwten, maar ook lange asperges”[217], zeide een

ander scholier, daarbij eene beweging makende alsof hij sloeg, en op

zijn rug wijzende.

[217] Deze waren in Egypte bekend. Volgens Plinius namen zij

wijn, waarin asperges waren afgekookt, als middel tegen tandpijn

in den mond.

Wederom barstten zij in schaterend lachen uit, dat echter verstomde,

zoodra de welbekende stap van Ameni zich hooren liet. Ieder vreesde het

ergste, en toen de opperpriester voor hen stond, was zelfs Rameri de

lust om te lachen geheel vergaan. Wel is waar zag hij hen niet verstoord

of dreigend aan, maar reeds zijn persoon dwong allen zulk een eerbied

af, dat ieder, ook zonder dat hij nog een woord sprak, in hem zijn

rechter erkende, tegen wiens uitspraak geen verzet denkbaar was. Tot

hunne verbazing sprak Ameni de onbedachtzame jongelingen vriendelijk

toe, hij prees den beweeggrond van hetgeen zij gedaan hadden, hunne

gehechtheid aan een hoogbegaafden leermeester, maar bracht hun daarna

duidelijk en bedaard aan het verstand, door welke dwaze middelen en

tegen welken prijs zij getracht hadden hun doel te bereiken. »Stel u

eens voor,” zeide hij meer bepaald tot den prins, »dat uw hooggeëerde

vader een generaal verplaatste, die naar zijn oordeel hem elders beter

zou kunnen dienen, van Syrië naar Koesch bij voorbeeld, en dat zijne

troepen daarom tot den vijand wilden overloopen! Hoe zou u dat

bevallen?”

In dezer voege ging de opperpriester eenige oogenblikken berispend en

vermanend voort. Hij besloot zijne toespraak met de verzekering, dat hij

heden buitengewoon toegevend wilde zijn, om het groote wonder, dat aan

dezen dag eene bijzondere wijding gaf. Hij mocht, naar hij zeide, ter

wille van het slechte voorbeeld, geene volkomene vrijstelling van straf

geven, en daarom vroeg hijzelf, wie hen tot deze daad had opgezet. Deze

en deze alleen moest de straf lijden.

Nauwelijks had hij uitgesproken, of prins Rameri trad op den voorgrond

en zeide met bescheidenheid: »Wij zien nu in, heilige vader, dat wij een

dommen streek hebben begaan, en ik betreur dien dubbel, omdat ik hem heb

verzonnen en de anderen heb verleid mij te volgen. Ik heb Pentaoer innig

lief, en na u is er niemand in het Seti-huis, die hem nabij komt.”

Er kwam eene wolk op het gelaat van Ameni, en onwillig antwoordde hij:

»Scholieren staat het niet vrij over hunne leermeesters te oordeelen,

ook u niet. Waart gij niet de zoon des konings, die als Ra over Egypte

heerscht, zoo zou ik uwe onbezonnenheid met slagen doen straffen.

Tegenover u zijn de handen mij gebonden, en toch moet ik ze overal en

te ieder ure kunnen uitstrekken, opdat de honderden die mij zijn

toevertrouwd geen schade lijden.”

»Straf mij dan!” riep Rameri. »Als ik eene dwaasheid bega, ben ik ook

bereid er de gevolgen van te dragen.”

Ameni zag den levendigen jongeling weder met welgevallen aan, en zou hem

gaarne de hand geschud en zijn kroeskop gestreeld hebben. Maar de straf

Rameri toegedacht, moest een groot doel helpen bevorderen, en Ameni

kende ook aan geene opwelling van zijn gemoed het recht toe, hem in de

uitvoering van een wél overwogen plan te verhinderen. Daarom antwoordde

hij den prins met strengen ernst: »Ik moet en zal u straffen, en doe het

met u te verzoeken nog heden het Seti-huis te verlaten.”

De prins verbleekte; Ameni ging echter vergoelijkend voort:

»Ik verjaag u niet met schande uit ons midden, maar zeg u vriendelijk

vaarwel. Binnen weinige weken zoudt gij deze inrichting toch verlaten,

en overeenkomstig het bevel des konings, wiens leven, heil en kracht

bloeie! het oefeningskamp der wagenstrijders betrokken hebben. Ik heb

ten uwen opzichte over geene andere straf te beschikken dan deze.

Reik mij nu de hand. Gij zult een degelijk man en misschien een groot

krijgsheld worden.”

Overbluft bleef Rameri tegenover Ameni staan, zonder zijne hem

aangebodene rechterhand aan te nemen. Toen naderde de priester hem en

zeide: »Gij zeidet mij, dat gij bereid waart de gevolgen uwer dwaasheid

op u te nemen, en het woord van een koningszoon is onwankelbaar. Vóor

zonsondergang geleiden wij u uit den tempel.”

De opperpriester keerde daarop den kweekelingen den rug toe en verliet

den schoolhof. Rameri zag hem na. Zijn anders zoo frisch gelaat was

doodelijk bleek geworden, en het bloed scheen uit zijne lippen

verdwenen. Geen zijner makkers durfde hem naderen, want ieder hunner

was overtuigd, dat de gedachten die ’s jongelings ziel vervulden, niet

lichtvaardig mochten worden verstoord. Niemand sprak een woord, maar

allen zagen op hem.

Zoodra Rameri dit bespeurde, trachtte hij zich te beheerschen en zeide

op een toon, die zijne aandoeningen verried, terwijl hij Anana en een

anderen vriend zijne handen toestak: »Ben ik dan zoo slecht, dat men mij

aldus uit uw midden verstooten en mijn vader zulk een leed berokkenen

moet?”

»Gij hebt Ameni uw hand geweigerd,” zeide Anana. »Ga heen, reik hem de

uwe, smeek hem, dat hij wat minder streng zij, mogelijk laat hij u dan

nog in deze inrichting.”

Rameri antwoordde enkel »neen!” Maar dat =neen= klonk zoo bepaald, dat

allen die hem kenden wel wisten, dat er niets aan te veranderen was.

Eer de zon onderging verliet hij de school. Ameni zegende hem, zeggende,

dat de prins, als hij zelf te bevelen zou hebben, zijne strengheid zou

begrijpen. Aan de overige leerlingen was het vergund hem tot aan den

Nijl te begeleiden. Pentaoer nam hartelijk afscheid van hem aan de

tempelpoort.

Toen Rameri met zijn hofmeester alleen was in de kajuit van zijne

vergulde bark, gevoelde hij dat zijne oogen zwommen in tranen.

»Mijn prins weent toch niet?” vroeg de beambte.

»Waarom?” gaf de koningszoon barsch ten antwoord.

»Ik meende op de wangen van mijn prins tranen te hebben opgemerkt,”

hernam de ander.

»Tranen van vreugde, omdat ik uit den val ben,” riep Rameri sprong aan

land en was weinige minuten later in het paleis der pharao’s bij zijne

zuster Bent-Anat.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 31 / 58 题