ZEVENDE HOOFDSTUK.

Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de

overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet,

onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij

voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar,

waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de

vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij

het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij

geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en

altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den

Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning

hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar

vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken

aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest

krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde,

sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine

huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende

haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en

weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis.

Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag

er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het

stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te

voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht

van hem af.

Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw

over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de

hut dragen?”

»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder

van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen

gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk

komen.”

Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige

schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder

achteruit gaan?”

»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.

»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.

»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik niet

lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders

dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den

hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen

bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo

ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij

weder bij mij was!”

Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een

nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu

zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn

plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende

de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden

voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een

menschenhart betrapte.

Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij

misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die

gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den

gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die

kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee

jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?”

Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en

de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te

houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” te kunnen zeggen. Meer dan

goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik

dacht hij aan Pentaoer’s waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen

te blaffen, greep hij den vuurboor[187] en stak eenige voor de hand

liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot

van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk

plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde, nam

thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij

wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem

om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun

gilde[188] op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw

nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep,

waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij

naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne

medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit

nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den

ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich

uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te

deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne

verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer.

Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er

geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water

zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij

reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een

van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen

op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder

aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij,

die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag,

paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding

teekende.

[187] De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te

duiden.

[188] Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers,

en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten

gekomen.

»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.

Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal.

Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne

vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op

haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.

»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders eindelijk

voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”

»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om

een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne

kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel

onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar

slechts haar trouwe dienaar.

Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over

al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan

een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in,” fluisterde

hij den arts toe: »neem het er uit en geef mij den zak terug; want

mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig.”

Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige

doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop

tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde

hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer

gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een ‚Boek van den

uitgang in den dag’[189] in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet

genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het

vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat

kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw

een onbekommerden ouden dag hebben.”

[189] Zie boven blz. 169.

De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den

arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij

zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw

geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend

bij, »als het meisje gezond wordt.”

»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij

echter mijn geschenk...”

»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de Paraschiet

hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te

beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses

zelf mij met al zijn schatten niet betalen!”

Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden.

Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel

met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en

uien[190] voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen

wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen.

Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had

hij geen bete broods geproefd.

[190] De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas,

uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens

Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen

van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000

gulden, verbruikt zijn.

Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den

Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe

handen gekomen?”

»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk

eene groote zonde begaan!”

»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen

wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik

ze ontmoet, zal kunnen genezen.”

De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen:

»Spreekt gij waarheid?”

»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er

geen twijfel kon overblijven.

»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe

hulp.”

»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt

weggenomen.”

»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard te vertellen,

nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze

volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij

als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers

en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht

voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt

liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de

bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.

»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam

midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel.

Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer

uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de

longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den

profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in

zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.

»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone

steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der

lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet

moesten later in kostbare albasten kanopen[191] worden bewaard; die van

den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd.

Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart

te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het

zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die

mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals

gij, zoolang zij wandelde op den rug van Seb[192]; wellicht zal zij

genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet

moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer

kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne,

fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het

goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was

gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde

had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde

gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en

verwisselde het hart van den hamel met het zijne.

[191] Zie boven blz. 168.

[192] De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen

dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van

den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden,

zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor

de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.

»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel

heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk

van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën[193] in

zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie

en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de

Amenti[194] beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans

zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in

de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen.”

[193] Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit

allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart

in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls

de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het

hart handelen.

[194] De onderwereld.

Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik

zou gekozen hebben als gij. ― Neem nu dit water, verdeel het in vier

deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen[195].

Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn.

Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier

buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster[196] is ondergegaan, breek ik op,

want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis.”

[195] Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten

dikwijls voorkomt.

[196] De Sirius of Sothis ster.

* * * * *

Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts

verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met een groote bloedvlek

zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht

het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar

gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich

op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel

verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil

zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde

zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide

toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen

haken[197] bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar

zijn treurigen arbeid te verrichten.

[197] Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken

met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak

vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen

verbrijzeld.

De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe

werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut

verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte.

Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een

ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort,

naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de

Kolchyten[198] binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten,

Taricheuten[199], wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk

hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen

zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein

werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een

deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden

aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook

van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke

begrafenis[200].

[198] Naam van het geheele gild der balsemers.

[199] Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.

[200] Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en

Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude

Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus

III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus

5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:

=Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de

l’embaumement=. ― Uit dit ritueel van de balseming hebben wij

vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het

gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in

acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind

in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis

betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van

het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten

wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee

mummiën te Praag.

In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblik bewogen

zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit

allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele

kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de

beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen.

De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in

alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante

van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen

de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en

fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit

lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen

vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw,

Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs

ontboden.

De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels

vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën,

zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken,

gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren[201], die men

gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten,

of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken

aarde[202], bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo

er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen

uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men

hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te

reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden[203]; alsmede

zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes,

of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze

laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel,

welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen

zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen[204].

[201] Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën

worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien.

De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons

bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek

gewijd.

[202] Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea

aanwezig.

[203] Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo

als bij de opdelvingen van Mariëtte.

[204] Zie boven, blz. 26.

De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den

Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde,

waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der

balseming, en kozen uit de voorhanden modellen de kostbaarste kisten.

De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen,

in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd

worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van

malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath[205],

alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een

gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders,

zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten

op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden

medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over

de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in

het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen[206], insgelijks

daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het

vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester

uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke

doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst

kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van

de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden

geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken,

daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve

de steenen sarkophaag, een last zilver kosten[207].

[205] De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten

afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen

tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten,

die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.

[206] Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.

[207] Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste

klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse

twintig minen, ongeveer 720 gulden.

De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib

bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten

van het huis der balsemers, ― want de prijzen vond zij zoo ongehoord

hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak ― barstte zij van tijd tot

tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer

bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch

het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd

eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van

een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter

goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat

was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen,

evenals van het linnen uit hunne weverijen.

Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden

van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder,

die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten

vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters

stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden,

die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook

zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de

Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon

men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op

de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek

der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er

inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende,

en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën,

bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot

het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen

de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men

een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden

de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door

middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom.

De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders,

bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de

modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw

van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang,

massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide

lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den

tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit

gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden,

gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen

de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden.

Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij

dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en

weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk

waren, droegen maskers van de goden der onderwereld[208]. Een anubis met

den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes,

met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen

ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke

mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de

zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd.

Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige

oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor

het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad

bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene

godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede

gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad

verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt

vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als

doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie,

scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen

omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind

woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl

naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht,

want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der

menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.

[208] Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen

betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door

den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars

vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of

lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele

mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.

Vert.

Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van

burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne

deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der

offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende

scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de

weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was

van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in

Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den

koning der goden zelven[209]. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen

zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap

over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het

garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel,

wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan

het feestvieren waren geweest, wolven[210] waren ingebroken in den

stal van de heilige rammen[211] der godheid. Sommigen waren den dood

ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes[212] ten

geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat

Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren[213], was door de soldaten,

die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden,

geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht

gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.

[209] De god Amon van Thebe.

[210] De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden

echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad),

het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook

mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef

men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De

natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon,

hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden

in plaatsen, waar wolven werden vereerd.

[211] Amon had overigens ook zijne heilige stieren.

[212] In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre

van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden

van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften

uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de

vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij

de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.

[213] De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige

exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche

openbaringsvormen van de ziel van Ra.

De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der

offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en

zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den

profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen

de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten,

Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en

spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen

hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij

huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne

voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen

het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden

terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der

Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den

oostenwind werd overgedragen.

»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte

tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten!

De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao

nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een

veeg, zeer veeg teeken!”

»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, »heeft dat

alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen

openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”

De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de

profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude

koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een

oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch

zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”

De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen,

waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar

draagstoel, die aan de poort stond te wachten.

De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige

dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om

zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen

zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht.

Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de

middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen,

waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte

op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden

mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met

grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en

uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was,

kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.

Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het

huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor

zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne

vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek,

dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet

leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen

twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout

uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in

zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering

beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan;

want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het

brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk

vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het

waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk

bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en

hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij

het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en

in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel

liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de

lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou

zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne

kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen.

Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den

arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen

hart niet te duur betaald zou hebben. En toch ― hij had in zijn

langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op

een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep

hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar

met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden

toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de

rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch

niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven

had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de

rechtvaardiging niet mochten onthouden.

Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er

beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde

hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren,

kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.

Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal,

waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten

zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal

lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart

herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den

profeet Roeï gelegd had.

De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had

behandeld.

Pinem stamelde een toestemmend antwoord.

Of dit dan het hart van Roeï was?

De oude knikte bevestigend.

De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder

elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra

terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel

in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den

overste aller Kolchyten.

»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, terwijl

hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of

gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten.

Geeft hier! ― Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart

van een ram.”

»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de stellige

verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze

tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”

»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien

heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook

hierboven ergens geslacht, en....”

»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester in de

rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons

geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en

slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”

»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig,

Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar

den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier

een wonder is geschied.”

»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt hiertegen

in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten

profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”

»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. »Laat ons

dan heengaan!”

Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt

in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een

Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze

laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer

behoedzaam in zijne armen.

De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje

verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles

bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende

verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was,

om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch

wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit

allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij

geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin

der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug

toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters

zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis

gaf[214].” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo

rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het

suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden.

Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een

lijk afnemen[215], beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat

was het mes te gebruiken.

[214] Zie boven blz. 170.

[215] Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te

Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de

borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst

eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat

de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden

bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De

mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen,

worden gevonden in de =Sitzungsberichten= der klasse van wis-

en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van

wetenschappen te Weenen, 1852.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 30 / 58 题