Terwijl dit onderhoud plaats had, toefde de arts Nebsecht aan de
overzijde in de doodenstad nog altijd voor de hut van den Paraschiet,
onder afwisselende aandoeningen den oude wachtende. Nu eens beefde hij
voor zijne terugkomst, dan weder vergat hij geheel en al het gevaar,
waaraan hij den oude had blootgesteld, en hoopte hij enkel op de
vervulling van zijn wensch, als hij wonderbare ontdekkingen zou doen bij
het onderzoeken van een menschenhart. In sommige oogenblikken was hij
geheel vervuld van wetenschappelijke beschouwingen, maar altijd en
altijd weder werd hij daarin gestoord door zijne bezorgdheid voor den
Paraschiet, en de nabijheid van Warda, die hem voortdurend in spanning
hield. Uren achtereen was hij met haar alleen gebleven, want haar
vader en hare grootmoeder hadden zich niet langer kunnen onttrekken
aan de werkzaamheden, die hun beroep vorderden. De eerste moest
krijgsgevangenen naar Hermonthis brengen, en de oude vrouw behoorde,
sedert hare kleindochter genoeg volwassen was om voor de kleine
huishouding zorg te dragen, tot de rouwklaagsters, die met loshangende
haren, het voorhoofd en de borst met Nijlslib bestreken, jammerende en
weeklagende de lijken moesten vergezellen op hun weg naar de Nekropolis.
Toen de zon ten avond neigde, lag Warda nog altijd voor de hut. Zij zag
er bleek en mat uit. Hare dichte haren waren los geraakt, en in het
stroo van haar leger verward. Als Nebsecht haar naderde om haar pols te
voelen, of haar toe te spreken, keerde zij opzettelijk haar aangezicht
van hem af.
Zoodra de zon achter de bergen was weggedoken, boog hij zich opnieuw
over haar heen en zeide: »Het begint koel te worden; wil ik u niet in de
hut dragen?”
»Laat mij,” zeide zij verdrietig. »Ik heb het warm genoeg; ga wat verder
van mij af! Ik ben niet meer ziek, en zou wel alleen in de hut kunnen
gaan, als ik maar wilde. Maar mijne grootouders zullen wel dadelijk
komen.”
Nebsecht stond op, zette zich op een hoenderkorf neder, die eenige
schreden van Warda afstond, en vroeg stotterend: »Moet ik nog verder
achteruit gaan?”
»Doe wat gij wilt,” gaf zij ten antwoord.
»Gij zijt onvriendelijk,” sprak hij droefgeestig.
»Gij ziet mij ook altijd door aan,” zeide Warda, »dat kan ik niet
lijden. Ik ben zeer ongerust, want grootvader was heden morgen anders
dan gewoonlijk, en sprak over allerlei vreemde dingen, over dood en den
hoogen prijs, die van hem voor mijne genezing gevorderd werd. Toen
bad hij mij, dat ik hem niet vergeten mocht, en daarbij was hij zoo
ontroerd, zoo zonderling! Waar hij nu toch blijft? Ik wenschte dat hij
weder bij mij was!”
Na deze woorden begon Warda stil te schreien. Nebsecht werd door een
nameloozen angst voor den Paraschiet aangegrepen, want het woog hem nu
zoo zwaar op het hart, dat hij voor de eenvoudige vervulling van zijn
plicht het leven van een mensch als prijs had verlangd. Hij toch kende
de wet maar al te goed en wist, dat men den oude zou dwingen op staanden
voet den giftbeker te drinken, wanneer men hem op den roof van een
menschenhart betrapte.
Het werd donker. Warda hield op te weenen en vroeg den arts: »Zou hij
misschien ook naar de stad zijn gegaan, om de groote som te borgen, die
gij of uw tempel voor de artsenijen vordert? Doch daar hebt gij den
gouden band van de prinses en den halven buit mijns vaders, en in die
kist dáar ligt, nog onaangeroerd, het loon, dat grootmoeder in twee
jaren als rouwklaagster verdiend heeft. Is dat alles u nog niet genoeg?”
Het meisje deed de laatste vraag op knorrigen en verwijtenden toon, en
de arts, die zich tot levensregel had gesteld streng aan de waarheid te
houden, zweeg omdat hij begreep geen »ja” te kunnen zeggen. Meer dan
goud en zilver had hij voor zijne hulp verlangt. Op dit oogenblik
dacht hij aan Pentaoer’s waarschuwing, en toen de jakhalzen begonnen
te blaffen, greep hij den vuurboor[187] en stak eenige voor de hand
liggende stukken pek aan. Daarbij vroeg hij zich af, wat wel het lot
van Warda zou zijn, zonder hare grootouders en hem, en een avontuurlijk
plan, dat hem reeds uren lang nevelachtig voor den geest zweefde, nam
thans in zijne ziel bepaalde omtrekken en een tastbare gedaante aan. Hij
wilde, als de oude niet terugkeerde, de Kolchyten of balsemers, die hem
om zijne bekwaamheid moeielijk konden afwijzen, verzoeken hem in hun
gilde[188] op te nemen. Vervolgens wilde hij Warda tot zijne vrouw
nemen, en met haar, afgescheiden van de wereld, voor zijn nieuw beroep,
waarin hij veel hoopte te leeren, en zijne studiën leven. Wat vroeg hij
naar het gemak en het genot des levens; wat gaf hij om eer bij zijne
medemenschen en eene bevoorrechte maatschappelijke positie! Op dit
nieuwe steenachtige pad hoopte hij sneller vooruit te komen, dan op den
ouden zoo keurig geëffenden weg. Hij gevoelde ook geen behoefte om zich
uit te spreken en de resultaten van zijn onderzoek aan anderen mede te
deelen; hij had aan het weten op zichzelf volkomen genoeg. Aan zijne
verplichtingen ten opzichte van het Seti-huis dacht hij zelfs niet meer.
Gedurende drie dagen had hij zijne kleederen niet verwisseld, was er
geen scheermes op zijn gelaat en schedel gekomen, had geen druppel water
zijne handen en voeten bevochtigd. In zijne eigene schatting was hij
reeds half verwilderd, half een balsemer en, als het zoo zijn moest, een
van de meest verachte menschen, een Paraschiet geworden. Dat afdalen
op de maatschappelijke ladder had thans voor hem iets bijzonder
aantrekkelijks, want zoo kwam hij met Warda op dezelfde lijn, en zij,
die daar met haar verwarde haren, ziekelijk en gejaagd naast hem lag,
paste juist in de toekomst, die hij zich voor zijne verbeelding
teekende.
[187] De hiëroglief „sam” schijnt zulk een voorwerp aan te
duiden.
[188] Dit gild bestond nog in den tijd der Romeinsche keizers,
en uit Grieksche papyrussen zijn wij omtrent hen veel te weten
gekomen.
»Hoordet gij niets?” vroeg het meisje op eens.
Hij luisterde met haar, of hij ook eenig geluid vernam uit het dal.
Werkelijk sloegen de honden aan, en weldra stond de Paraschiet met zijne
vrouw voor de hut. Daar namen zij afscheid van de oude Hekt, die zij op
haar terugweg uit Thebe ontmoet hadden.
»Gij zijt lang weggebleven,” riep Warda, toen de grootouders eindelijk
voor haar stonden. »Ik heb mij zoo beangst gemaakt.”
»De arts was toch bij u,” zeide de oude vrouw, en ging de hut in, om
een eenvoudig maal gereed te maken, terwijl de Paraschiet naast zijne
kleindochter nederknielde, en haar innig, maar toch met zooveel
onderscheiding liefkoosde, als ware hij niet haar bloedverwant maar
slechts haar trouwe dienaar.
Toen hij was opgestaan, overhandigde hij Nebsecht, die van spanning over
al zijne leden beefde, den groven linnen zak, dien hij gewoon was aan
een smallen draagband mede te nemen. »Daar ligt het hart in,” fluisterde
hij den arts toe: »neem het er uit en geef mij den zak terug; want
mijne messen liggen er nog in, en die heb ik noodig.”
Nebsecht greep met bevende vingers het hart uit den buidel, nam eenige
doosjes uit zijn artsenijkast en legde het er voorzichtig in. Daarop
tastte hij in zijn borstzak, ging weder tot den Paraschiet en fluisterde
hem toe: »Daar neem deze verklaring; hang hem om uw hals, en wanneer
gij sterft laat ik voor u als voor een aanzienlijke een ‚Boek van den
uitgang in den dag’[189] in de windsels wikkelen. Maar dit is mij niet
genoeg. Mijn broeder, die van zulke zaken verstand heeft, bestuurt het
vermogen, dat ik erfde, en sedert tien jaren heb ik de rente van dat
kapitaal niet aangeroerd. Ik zal ze u zenden, en gij zult met uwe vrouw
een onbekommerden ouden dag hebben.”
[189] Zie boven blz. 169.
De Paraschiet had het zakje met de papyrus-strook aangenomen, en den
arts tot het einde aangehoord. Maar na de laatste woorden keerde hij
zich van hem af, en zeide bedaard, hoewel op stelligen toon: »Behoud uw
geld: wij zijn van elkander af. Dat wil zeggen,” voegde hij er smeekend
bij, »als het meisje gezond wordt.”
»Zij is reeds half genezen,” stotterde de arts. »Waarom wilt... wilt gij
echter mijn geschenk...”
»Omdat ik tot heden nooit geborgd of gebedeld heb,” viel de Paraschiet
hem in de rede, »en ik niet voornemens ben daarmede in mijn ouderdom te
beginnen. Leven om leven! Doch wat ik heden heb gedaan, dat kan Ramses
zelf mij met al zijn schatten niet betalen!”
Nebsecht sloeg de oogen neder en wist den grijsaard niet te antwoorden.
Intusschen kwam de oude vrouw weder te voorschijn. Zij zette een schotel
met gekookte linzen, die zij haastig gewarmd had, met ramenassen en
uien[190] voor de mannen neder, geleidde Warda, die niet meer gedragen
wilde worden in de hut en noodigde den arts aan haar maal deel te nemen.
Nebsecht voldeed gaarne aan dit verzoek, want sedert gisteren avond had
hij geen bete broods geproefd.
[190] De gewone toespijs bij de Egyptische maaltijden. Ramenas,
uien en knoflook komen telkens op de monumenten voor. Volgens
Herodotus (II, 125) zouden van deze artikelen, bij het bouwen
van de Cheops-pyramide, voor 1600 talenten, ongeveer 4,320,000
gulden, verbruikt zijn.
Zoodra de grootmoeder weder in de hut was verdwenen, vroeg Nebsecht den
Paraschiet: »Wiens hart hebt gij mij gebracht, en hoe is het in uwe
handen gekomen?”
»Zeg mij eerst,” vroeg de oude op zijn beurt, »waarom liet ge mij zulk
eene groote zonde begaan!”
»Omdat ik mij van de gesteldheid van het menschelijk hart overtuigen
wil,” gaf Nebsecht ten antwoord, »opdat ik zieke harten, zoo dikwijls ik
ze ontmoet, zal kunnen genezen.”
De Paraschiet zag een poos zwijgend naar den grond en vroeg toen:
»Spreekt gij waarheid?”
»Ja,” antwoordde de arts, op zulk een overtuigenden toon, zoo dat er
geen twijfel kon overblijven.
»Dat verheugt mij,” zeide de oude, »want ook aan armen verleent gij uwe
hulp.”
»Even gaarne als aan rijken! Maar zeg mij nu wiens hart gij hebt
weggenomen.”
»Ik kwam in het huis van de balsemers,” begon de grijsaard te vertellen,
nadat hij eenige groote vuursteenen voor zich had gelegd, teneinde deze
volgens de regelen der kunst zoo af te hakken en te slijpen, tot zij
als messen konden dienen. »Ik kwam dan in het huis van de balsemers
en vond er drie lijken, waarin ik met mijne steenen messen de acht
voorgeschreven insnijdingen moest maken. Als de lijken daar zoo naakt
liggen op de houten tafel, dan gelijken ze allen op elkander, en de
bedelaar zwijgt voor mij zoo goed als de eigen zoon des konings.
»Maar ik wist wel wie daar voor mij lagen. Het stevige oude lichaam
midden op tafel was van den gestorven profeet uit den Hatasoe-tempel.
Een eind verder lagen, dicht bij elkander, de lijken van een steenhouwer
uit de Nekropolis en een meisje uit het vreemden-kwartier, dat aan de
longtering was gestorven; twee ellendige uitgeteerde gestalten. Den
profeet had ik wel gekend, want honderdmaal was ik hem tegengekomen in
zijn gouden draagstoel. Ze noemden hem altijd den rijken Roeï.
»Ik deed mijn plicht aan alle drie. Men verdreef mij met de gewone
steenworpen, en ik bracht daarna met mijne gezellen het inwendige der
lijken in orde. Het hart en de overige ingewanden van den profeet
moesten later in kostbare albasten kanopen[191] worden bewaard; die van
den steenhouwer en het meisje zouden weder in het lichaam worden gelegd.
Nu vroeg ik mij zelven af: wien zal ik het leed doen van hem zijn hart
te ontnemen? Ik ging tot de armen en trad reeds op het lijk van het
zondige meisje toe. Daar hoorde ik op eens de stem van een demon, die
mijn eigen hart toeriep: het meisje was arm, veracht en ellendig evenals
gij, zoolang zij wandelde op den rug van Seb[192]; wellicht zal zij
genade vinden en vreugde in eene andere wereld, wanneer gij ze haar niet
moedwillig ontrooft! Toen ik bij het magere lijk van den steenhouwer
kwam, en zijne handen zag, die nog meer vereelt waren dan de mijne,
fluisterde de demon mij hetzelfde toe. Nu plaatste ik mij voor het
goed doorvoede lichaam van den profeet Roeï, die aan eene beroerte was
gestorven, en ik dacht aan de eer en den rijkdom, die hij op aarde
had genoten. Hij had ten minste eens overvloed van geluk en vreugde
gesmaakt. Toen greep ik, zoodra ik alleen was, snel in mijne buidel en
verwisselde het hart van den hamel met het zijne.
[191] Zie boven blz. 168.
[192] De aarde. Plutarchus noemt Seb, die op de gedenkteekenen
dikwijls „de vader der goden” heet, Kronos. Hij is de god van
den tijd, en daar de Egyptenaars de materie voor eeuwig hielden,
zoo is het niet toevallig, dat in het hiëroglyphen-schrift voor
de eeuwigheid het teeken werd gebruikt, dat de aarde voorstelde.
»Misschien ben ik dubbel schuldig, omdat ik een zoo dolzinnig spel
heb gespeeld met het hart van een profeet. Maar zij zullen het lijk
van den rijken Roeï met honderd amuletten behangen, scarabeën[193] in
zijn lijf leggen op de plaats van het hart, en hem met heilige olie
en voortreffelijke schriften tegen alle vijanden op den weg in de
Amenti[194] beschutten, terwijl niemand aan die armen helpende talismans
zal medegeven. Bovendien, gij hebt mij gezworen in de andere wereld in
de zaal van het doodengericht, mijne schuld op u te nemen.”
[193] Afbeeldingen van den heiligen scarabeüs-kever, uit
allerlei stoffen vervaardigd, werden op de plaats van het hart
in de mummiën gelegd. Op grootere exemplaren leest men dikwijls
de hoofdstukken 26 tot 30 en 64 van het Doodenboek, die over het
hart handelen.
[194] De onderwereld.
Nebsecht stak den oude de hand toe en zeide: »Dat heb ik gedaan, en ik
zou gekozen hebben als gij. ― Neem nu dit water, verdeel het in vier
deelen en geef Warda telkens éen daarvan, vier avonden achtereen[195].
Begin heden dadelijk, en reeds overmorgen zal zij, denk ik, gezond zijn.
Ik kom weldra terug om naar haar te zien. Ga nu rusten en gun mij hier
buiten een plaatsje. Eer de Isis-ster[196] is ondergegaan, breek ik op,
want zij wachten mij reeds lang in het Seti-huis.”
[195] Een voorschrift, dat in de medische papyrus-teksten
dikwijls voorkomt.
[196] De Sirius of Sothis ster.
* * * * *
Toen de Paraschiet den volgenden morgen buiten kwam, was de arts
verdwenen, maar een bij het vuur liggende doek met een groote bloedvlek
zeide den ouden man, dat de ongeduldige Nebsecht in den afgeloopen nacht
het hart van den profeet onderzocht en waarschijnlijk geheel uit elkaar
gesneden had. Hij huiverde, en met grooten zielsangst wierp hij zich
op de knieën, toen de zonnegod in zijne gouden schuit aan den hemel
verscheen. Hij bad recht innig, eerst voor Warda en daarna voor het heil
zijner in gevaar verkeerende ziel. Bemoedigd stond hij op, overtuigde
zich dat zijne kleindochter aanmerkelijk in beterschap toenam, zeide
toen de vrouwen vaarwel, stak zijne vuursteenmessen en bronzen
haken[197] bij zich en ging weder naar het huis der balsemers, om daar
zijn treurigen arbeid te verrichten.
[197] Volgens Herodotus (II, 87) werden de hersenen der lijken
met een haak door den neus uit het hoofd gehaald. Czermak
vond, bij de ontleding van twee mummiën te Praag, het zeefbeen
verbrijzeld.
De groep gebouwen, waarin een groot deel van de inwoners van Thebe
werden gebalsemd, lag op een naakten woestijnbodem, ver van zijne hut
verwijderd, ten zuiden van het Seti-huis, aan den voet van het gebergte.
Zij vormden op zichzelve een tamelijk uitgestrekt vlek, dat door een
ruwen uit Nijltegels opgetrokken muur was omgeven. Door de hoofdpoort,
naar de zijde van den stroom gekeerd, werden de lijken bij de
Kolchyten[198] binnengebracht, terwijl de priesters, Paraschieten,
Taricheuten[199], wevers en handlangers, die hier hun dagelijksch werk
hadden te verrichten, benevens ontelbare waterdragers, die met lederen
zakken beladen van den Nijl kwamen, door eene zijpoort op dit terrein
werden toegelaten. Aan het uiterste einde ten noorden verhief zich een
deftig houten gebouw met eene eigene deur, waarin de bestellingen werden
aangenomen van de nabestaanden der afgestorvenen, dikwijls echter ook
van levende menschen, die intijds bedacht waren op eene behoorlijke
begrafenis[200].
[198] Naam van het geheele gild der balsemers.
[199] Zij, die belast waren met het inzouten der lijken.
[200] Naar de bekende plaatsen bij Herodotus (II, 85-90) en
Diodorus (I, 91), die door eenige handschriften uit het oude
Egypte aanmerkelijk worden aangevuld, bij name door den papyrus
III uit Boelaq, door Mariëtte uitgegeven, en door den papyrus
5158 van het Louvre, uitmuntend toegelicht door Maspero:
=Mémoire sur quelques papyrus du Louvre, II. Le rituel de
l’embaumement=. ― Uit dit ritueel van de balseming hebben wij
vele tot hiertoe onbekende bijzonderheden leeren kennen over het
gereed maken der mummiën en de gebruiken die daarbij werden in
acht genomen. Leerrijk zijn ook in dit opzicht de papyrus-Rind
in twee talen, en andere teksten, die op de begrafenis
betrekking hebben. Hoe wonderlijk zelfs de fijnste weefsels van
het menschelijk lichaam door de balsemers werden bewaard, weten
wij door het physiologisch onderzoek van Czermak van de twee
mummiën te Praag.
In dit huis heerschte meestal vrij wat drukte. Op dit oogenblik bewogen
zich in de verschillende vertrekken wel vijftig mannen en vrouwen uit
allerlei standen. Zij kwamen niet enkel uit Thebe, maar ook uit vele
kleine steden van Opper-Egypte, om hier inkoopen te doen, of aan de
beambten die hier bezig waren onderscheidene bestellingen op te dragen.
De doodenbazar was goed genoeg voorzien, want men vond er lijkkisten in
alle vormen, van de eenvoudigste tot de kostbaarste, die, in de gedaante
van mummiën, rijk verguld en beschilderd waren. Ze stonden alle tegen
de wanden overeind. Op houten rekken lagen ontelbare rollen van grof en
fijn lijnwaad, waarmede de ledematen der mummiën omwonden werden. Dit
lijnwaad was door het personeel van deze inrichting voor het balsemen
vervaardigd, onder de bescherming van de godinnen van het weefgetouw,
Neith, Isis en Nephtys, of men had het van elders, met name uit Saïs
ontboden.
De bezoekers van deze modelkamers mochten uit de lijkkisten en windsels
vrij hunne keuze doen. Ditzelfde gold van de halsbanden, scarabeën,
zuiltjes, Oeza-oogen, banden, hoofdsteunsels, driehoeken, rechthoeken,
gespleten ringen, trapjes en andere symbolische figuren[201], die men
gewoon was de dooden als heilige amuletten op het lichaam te hechten,
of in de windsels te wikkelen. Talrijk waren de stempels van gebakken
aarde[202], bestemd om in den grond te worden geborgen, ten einde zoo
er geschil ontstond over de grenzen van eene begraafplaats, te kunnen
uitmaken hoever het gebied van een familiegraf reikte. Voorts vond men
hier godenbeeldjes, die in het zand werden gelegd, om de zoodanigen te
reinigen en te heiligen, die Seth-Typhon toebehoorden[203]; alsmede
zoogenaamde Schebti-beeldjes, waarvan men een aantal in kleine kistjes,
of ook enkele afzonderlijk in het graf pleegde te plaatsen. Van deze
laatste verwachtte men, dat zij met hun spade, ploeg en zaadbuidel,
welke voorwerpen hun op de schouders werden gelegd, de afgestorvenen
zouden bijstaan in hun arbeid op den akker der gelukzaligen[204].
[201] Altemaal amuletten, die in groot aantal bij de mummiën
worden aangetroffen. Men kan ze in alle Egyptische museën zien.
De dikwijls zeer zonderlinge beteekenis van de meesten is ons
bekend, want bijna aan elke is een hoofdstuk van het Doodenboek
gewijd.
[202] Ze zijn kegelvormig. Exemplaren zijn in alle musea
aanwezig.
[203] Dikwijls in verbazende menigte in het zand gevonden; zoo
als bij de opdelvingen van Mariëtte.
[204] Zie boven, blz. 26.
De weduwe en de hofmeester van den overleden rijken profeet van den
Hatasoe-tempel Roeï, en een voornaam priester, die hen begeleidde,
waren thans in een levendig gesprek met de beambten van het huis der
balseming, en kozen uit de voorhanden modellen de kostbaarste kisten.
De mummie moest, besloten in een omhulsel van met stuco bedekt linnen,
in een houten kist, en deze weder in een steenen sarkophaag gelegd
worden. Verder zochten zij het fijnste lijnwaad uit, en amuletten van
malachiet, lazuursteen, bloedjaspis, carneool, en groen veldspaath[205],
alsmede albasten kanopen voor de ingewanden. Zij schreven op een
gereedliggend wastafeltje den naam van den ontslapene, van zijne ouders,
zijne vrouw en kinderen, benevens al zijne titels, en gaven de teksten
op, die op zijne lijkkist en op de papyrus-rollen, die hem zouden worden
medegegeven, moesten geschreven en op zijn naam opgesteld worden. Over
de opschriften der grafwanden van het voetstuk van zijn beeld, dat in
het graf moest worden geplaatst, en van den grafsteen[206], insgelijks
daar ter plaatse op te richten, zou nog nader worden gesproken. Het
vervaardigen van die opschriften zou worden opgedragen aan een priester
uit het Seti-huis, die tevens eene lijst moest opmaken van de rijke
doodenoffers, die de achterblijvenden zouden stichten. Deze lijst
kon echter eerst later worden opgegeven, wanneer na de deeling van
de erfenis over den omvang van het nagelaten vermogen kon worden
geoordeeld. Het balsemen alleen met de fijnste oliën en reukwerken,
daarbij gerekend de windsels, amuletten en de lijkkisten, zou, behalve
de steenen sarkophaag, een last zilver kosten[207].
[205] De zoogenaamde Victoria-steen, die slechts op grooten
afstand van Egypte wordt gevonden. Dat deze reeds in zoo vroegen
tijd voorkomt, bewijst hoe ver zich de handelswegen uitstrekten,
die de volken der oudheid aan elkander hebben verbonden.
[206] Steenen tafels, van boven afgerond, met opschriften.
[207] Volgens Diodorus (I, 91) kostte eene balseming eerste
klasse een talent zilver, ongeveer 2700 gulden; tweede klasse
twintig minen, ongeveer 720 gulden.
De weduwe droeg een lang rouwgewaad, en haar voorhoofd was met Nijlslib
bestreken. Terwijl zij bezig was te loven en te bieden met de beambten
van het huis der balsemers, ― want de prijzen vond zij zoo ongehoord
hoog, dat zij zelfs van afzetterij sprak ― barstte zij van tijd tot
tijd, gelijk het gebruik vereischte, in luide weeklachten uit. Meer
bescheidene burgers waren spoediger met hunne bestellingen gereed, doch
het was volstrekt niet ongewoon, dat zij voor het balsemen van het hoofd
eener familie, een vader of eene moeder bijvoorbeeld, de inkomsten van
een geheel jaar ten beste gaven. Het balsemen der armen was echter
goedkoop, en voor de allerarmsten moesten de Kolchyten zelve zorgen. Dat
was eene schatting, die zij verplicht waren den koning op te brengen,
evenals van het linnen uit hunne weverijen.
Dit magazijn van het huis voor de balseming was zorgvuldig gescheiden
van de overige gedeelten dezer inrichting, waarvan de toegang aan ieder,
die er niets te doen had, ten strengste was verboden. De Kolchyten
vormden een vastgesloten gild, aan het hoofd waarvan eenige priesters
stonden, uit wier midden de bestuurders der vereeniging gekozen werden,
die vele duizende leden telde. Deze bestuurders genoten alle eer. Ook
zij die met het eigenlijke werk der balseming belast waren, de
Taricheuten, mochten zich onder de andere burgers vertoonen, ofschoon
men in Thebe toch altijd eenigszins schuw voor hen uit den weg ging. Op
de Paraschieten alleen, die de lijken moesten openen, rustte de vloek
der onreinheid in al zijne zwaarte. De plaats hunner werkzaamheid zag er
inderdaad zeer akelig uit. De steenen zaal, waarin men de lijken opende,
en de hallen waarin ze gezalfd werden, waren verbonden met laboratoriën,
bewaarplaatsen van specerijen en nog verschillende andere vertrekken tot
het gereedmaken van allerlei benoodigdheden. In eene ruimte, die tegen
de zonnestralen alleen beschut was door een dak van palmtakken, vond men
een groot gemetseld bekken met eene oplossing van natron. Daarin werden
de lijken gezouten, waarna ze gedroogd werden in een steenen tunnel door
middel van een kunstmatig verhitte luchtstroom.
De weverijen, alsmede de werkplaatsen der kistenmakers en schilders,
bevonden zich in talrijke kleine houten huisjes in de nabijheid van de
modelkamers. Op zeer grooten afstand vandaar stond het grootste gebouw
van deze inrichting, namelijk een laag, maar bijkans onafzienbaar lang,
massief steenen huis met een stevig dak. Hier werden de toebereide
lijken met de windsels omwikkeld, met amuletten versierd, en voor den
tocht naar de andere wereld geheel toegerust. Wat er binnen in dit
gebouw, waar leeken slechts voor enkele oogenblikken toegelaten werden,
gebeurde, was bovenmate geschikt om bevreemding te wekken. Hier schenen
de goden zelven zich met de lichamen der stervelingen bezig te houden.
Door de vensteropeningen die naar de straat waren gekeerd, kon men bij
dag en bij nacht de woorden van voordrachten en de tonen van hymnen en
weeklachten opvangen. De priesterlijke beambten, die hier aan het werk
waren, droegen maskers van de goden der onderwereld[208]. Een anubis met
den kop van een jakhals werd vooral veelvuldig aangetroffen. Knaapjes,
met momaangezichten van zoogenaamde Horus-kinderen, stonden dezen
ter zijde, en aan het hoofd- zoowel als aan het voeteinde van elke
mummie, zag men eene vrouw, staande of neergehurkt, de laatste met de
zinnebeelden van Nephthys, de eerste met die van Isis op het hoofd.
Ieder lid van den gestorvene op zichzelf werd met behulp van heilige
oliën, amuletten en tooverspreuken aan een bepaalden god gewijd. Voor
het omwinden van elke spier was een bijzonder toebereid stuk lijnwaad
bestemd. Elke drogerij, ieder windsel moest zijn oorsprong aan eene
godheid ontleenen. Dat verward geruisch der liederen, die verkleede
gedaanten en die welriekende geuren van allerlei aard werkten inderdaad
verdoovend op de zinnen van ieder, die deze plaats bezocht. Het spreekt
vanzelf, dat het geheele gebouw waar de balseming plaats had als
doortrokken was van de geuren van krachtige hars, zachte rozenolie,
scherpe muskus en andere welriekende specerijen, die in den geheelen
omtrek, ja tot op zeer verren afstand de lucht vervulden. Als de wind
woei uit het zuidwesten, droeg hij deze geuren wel eens over den Nijl
naar Thebe. Dat werd voor een ongunstig teeken gehouden, en te recht,
want uit het zuidwesten kwam de woestijnwind, die de krachten der
menschen verlamde en voor karavanen zoo gevaarlijk was.
[208] Daarop scheen reeds veel in allerlei voorstellingen
betrekking te hebben. Men vond het onlangs bevestigd door
den papyrus III uit het museum van Boelaq. De Egyptenaars
vervaardigden zulke maskers van linnen, dat met een stuco of
lijmachtige stof bedekt werd. Aan het hoofdeinde van vele
mummie-kisten vindt men het masker van den afgestorvene.
Vert.
Op het plein van het modellenhuis stonden verschillende groepen van
burgers uit Thebe rondom enkele personen geschaard, waaraan zij hunne
deelneming betuigden. Iemand die pas was aangekomen, de overste der
offerpriesters van den tempel van Amon, die voor velen een bekende
scheen te zijn en met eerbied werd begroet, berichtte, alvorens aan de
weduwe van den profeet Roeï zijn rouwbeklag te doen, dat hij vervuld was
van eene schrikkelijke gebeurtenis. Er had zich toch aan de overzijde in
Thebe een onheilspellend teeken voorgedaan, en wel in den tempel van den
koning der goden zelven[209]. Vele nieuwsgierige hoorders verdrongen
zich om hem, toen hij vertelde, dat de stadhouder Ani, uit blijdschap
over de overwinning van zijne naar Ethiopië gezonden troepen, onder het
garnizoen van Thebe, en dus ook onder de wachters van den Amon-tempel,
wijn in overvloed had laten uitdeelen, en dat, terwijl de soldaten aan
het feestvieren waren geweest, wolven[210] waren ingebroken in den
stal van de heilige rammen[211] der godheid. Sommigen waren den dood
ontkomen, maar de heerlijke ram, dien Ramses zelf uit Mendes[212] ten
geschenke had gezonden, toen hij ten krijg toog, het edele dier, dat
Amon tot woning zijner ziel had uitverkoren[213], was door de soldaten,
die de treurmare tot aller schrik door de stad kwamen verspreiden,
geheel verscheurd gevonden. Op hetzelfde uur was uit Memphis het bericht
gekomen, dat de heilige Apis-stier gestorven was.
[209] De god Amon van Thebe.
[210] De wolven zijn thans uit Egypte verdwenen; zij behoorden
echter tot de heilige dieren en werden te Lykopolis (Wolfstad),
het tegenwoordige Sioet, vereerd en begraven. Daar heeft men ook
mummiën van wolven gevonden. Volgens Herodotus (II, 67) begroef
men de wolven, waar men ze dood vond liggen, en Aelianus (De
natura animalium IX, 18) verhaalt, dat zeker kruid, Lykoktonon,
hetwelk voor de wolven doodelijk was, niet gebracht mocht worden
in plaatsen, waar wolven werden vereerd.
[211] Amon had overigens ook zijne heilige stieren.
[212] In Mendes werden de rammen bijzonder vereerd. Niet verre
van Mansoera, in het Delta, zijn de overblijfselen wedergevonden
van de oude stad. Brugsch heeft de aldaar gevonden opschriften
uitgegeven, die uitvoerige mededeelingen behelzen over de
vereering van den ram, en die eenige berichten dienaangaande bij
de oude schrijvers bevestigen en in een nieuw licht plaatsen.
[213] De rammen heeten evenals de ziel „Ba” en de heilige
exemplaren dezer dieren hield men voor aardsche
openbaringsvormen van de ziel van Ra.
De burgers, die zich verzameld hadden rondom den overste der
offerpriesters, hieven terstond luide jammerkreten aan, die wijd en
zijd in het rond werden gehoord. De opziener zelf en de weduwe van den
profeet Roeï stemden er levendig mede in. Uit het modellenhuis kwamen
de verkoopers en beambten, uit de hallen der balsemers de Taricheuten,
Paraschieten en hunne handlangers, uit de weverijen de werklieden en
spinsters met hunne opzichters te voorschijn, en zoodra zij vernomen
hadden wat er gebeurd was, namen allen aan het weegeklaag deel. Zij
huilden en schreeuwden, bestrooiden hunne haren en bestreken hunne
voorhoofden met stof. Het was een wild en oorverdoovend geraas. Toen
het een weinig begon te bedaren en de weeklagers tot hunne bezigheden
terugkeerden, kon men duidelijk het gejammer van de bewoners der
Nekropolis, ja zelfs van de burgers van Thebe hooren, dat door den
oostenwind werd overgedragen.
»Nu zullen zich,” zeide de overste der offerpriesters, »de slechte
tijdingen omtrent den koning en het leger wel niet lang laten wachten!
De dood van den ram, waaraan wij Ramses’ naam gaven, zal door den pharao
nog meer worden betreurd, dan het sterven van den Apis. Inderdaad een
veeg, zeer veeg teeken!”
»Mijn gestorven echtgenoot, de Osiris Roeï,” zeide de weduwe, »heeft dat
alles vooruit gezien. Als ik maar durfde spreken, zou ik veel kunnen
openbaren, wat velen niet aangenaam zou zijn.”
De overste der offerpriesters glimlachte, want hij wist dat de
profeet van den Hatasoe-tempel een aanhanger was geweest van het oude
koningshuis. Daarom gaf hij ten antwoord: »Ramses’ zon kan wel voor een
oogenblik door de wolken worden bedekt, maar haar ondergang zullen noch
zij aanschouwen, die er voor vreezen, noch zij die hem vurig wenschen.”
De priester groette hierop koeltjes en ging het wevershuis binnen,
waar hij eenige zaken had te doen, en de weduwe steeg weder in haar
draagstoel, die aan de poort stond te wachten.
De oude Paraschiet Pinem had ook met zijne gezellen den dood der heilige
dieren betreurd. Hij zat nu in de snijkamer op het harde plaveisel, om
zijn eenvoudig maal te nemen; want het was middag geworden. De steenen
zaal, waarin hij zijne bete broods nuttigde, was slecht verlicht.
Zij ontving haar licht door eene kleine opening in het dak, waar de
middagzon loodrecht boven stond, zoodat een bundel schitterende stralen,
waarin de zwevende stofdeeltjes speelden, door de halfdonkere ruimte
op het grauwe plaveisel nederdaalde. Tegen alle wanden stonden
mummie-kisten, en op de glad gepolijste tafels lagen de lijken, met
grove doeken bedekt. Nu en dan schoot er een rat over den grond, en
uit de breede voegen der steenplaten, waarmede de ruimte bevloerd was,
kropen schorpioenen langzaam te voorschijn.
Het gevoel van den Paraschiet was sedert lang afgestompt voor het
huiveringwekkende van deze plaats. Hij had een grof stuk linnen voor
zich uitgespreid, waarop hij de spijzen voorzichtig neerlegde, die zijne
vrouw voor hem in den buidel had gestoken, eerst een halven broodkoek,
dan wat zout en ten laatste eene ramenas. Doch het zakje bleek nog niet
leeg te zijn. Hij greep er weder in en vond een stuk vleesch, tusschen
twee koolbladen gewikkeld. De oude Hekt had voor Warda een gazellebout
uit Thebe medegebracht, en nu bleek hem dat de vrouwen een stuk ervan in
zijn buidel hadden gestoken, om hem wat te versterken. Met ontroering
beschouwde hij dit geschenk, maar hij aarzelde er de hand aan te slaan;
want het was hem alsof hij het aan de zieke ontstal. Terwijl hij het
brood en de ramenas zat op te eten, bleven zijne oogen op dat stuk
vleesch als op een kostbaar kleinood gericht, en wanneer eene vlieg het
waagde er zich op neer te zetten, sloeg hij die haastig weg. Eindelijk
bracht hij het aan zijn mond en dacht daarbij aan vroegere middagen, en
hoe dikwijls hij in zijn spijszak eene bloem had gevonden, die Warda bij
het brood had gelegd, om hem genoegen te doen. Zijn gemoed schoot vol en
in zijne goedige oude oogen welden tranen van dankbaarheid voor zooveel
liefde. Hij hief zijn hoofd weder op en daarbij viel zijn blik op de
lijkentafel. Onwillekeurig vroeg hij zich af, hoe hij te moede zou
zijn geweest, indien daar in plaats van den profeet zonder hart, zijne
kleindochter, de zonneschijn van zijn ouden dag, roerloos had gelegen.
Een kille huivering voer door al zijne leden, en hij meende dat hij den
arts, die haar leven had behouden, zelfs voor den prijs van zijn eigen
hart niet te duur betaald zou hebben. En toch ― hij had in zijn
langdurig leven zooveel leed en smaad ondervonden, dat hij de hoop op
een beter lot aan gene zijde des grafs niet opgeven kon. Daarop greep
hij naar de verklaring, die Nebsecht voor hem had opgesteld, hield haar
met beide handen in de hoogte, als wilde hij haar aan de hemelsche goden
toonen, en tot de goden der onderwereld bad hij, inzonderheid tot de
rechters in de zaal der waarheid en gerechtigheid, dat zij hem toch
niet mochten toerekenen, wat hij voor anderen, niet voor zichzelven
had misdreven, en dat zij Roeï, hoewel van zijn hart beroofd, de
rechtvaardiging niet mochten onthouden.
Terwijl zijne ziel aldus in overpeinzing en gebed was verzonken, kwam er
beweging voor de deur van het ontledingsgebouw. Het was hem als hoorde
hij zijn naam uitspreken, en terwijl hij scherper begon te luisteren,
kwam een Taricheut binnen, die beval hem te volgen.
Voor de van harslucht en andere welriekende geuren geheel vervulde zaal,
waarin de eigenlijke balseming plaats had, stonden vele Taricheuten
zeker voorwerp opmerkzaam te beschouwen, dat in eene albasten schaal
lag. De knieën van den oude begonnen te knikken, toen hij het dierenhart
herkende, dat hij bij de overige inwendige lichaamsdeelen van den
profeet Roeï gelegd had.
De overste der Taricheuten vroeg hem, of hij den gestorven profeet had
behandeld.
Pinem stamelde een toestemmend antwoord.
Of dit dan het hart van Roeï was?
De oude knikte bevestigend.
De Taricheuten sloegen verder geen acht op hem. Na een oogenblik onder
elkander gefluisterd te hebben, verwijderde zich een hunner, om weldra
terug te keeren met den overste der offerpriesters uit den Amon-tempel
in Thebe, dien hij nog in het wevershuis had aangetroffen, en den
overste aller Kolchyten.
»Laat mij dat hart zien,” zeide de overste der offerpriesters, terwijl
hij bij de Taricheuten kwam. »Ik kan in het donker wel onderscheiden of
gij goed hebt gezien. Dagelijks onderzoek ik wel honderd dierenharten.
Geeft hier! ― Bij alle goden van hemel en onderwereld, dit is het hart
van een ram.”
»En het werd in de borst van Roeï gevonden,” luidde de stellige
verzekering van een der Taricheuten. »Gisteren werd hij in onze
tegenwoordigheid door dezen ouden Paraschiet geopend.”
»Zonderling!” zeide de Amon-priester, »en ongelooflijk! Maar misschien
heeft er eene onwillekeurige verwisseling plaats gehad. Hebt gij ook
hierboven ergens geslacht, en....”
»Wij reinigen ons,” viel de overste Kolchyt den offerpriester in de
rede, »voor het feest van het dal, en sedert tien dagen is bij ons
geen dier tot spijziging geslacht. Bovendien liggen de stallen en
slachthuizen ver van hier, aan gene zijde van de weverijen.”
»Vreemd!” herhaalde de priester. »Bewaar dit hart zeer zorgvuldig,
Kolchyt! Of nog beter: Laat het in eene bus doen. Wij zullen het naar
den eersten profeet van Amon brengen. Het schijnt inderdaad, dat hier
een wonder is geschied.”
»Het hart behoort in de Nekropolis,” bracht de overste Kolchyt hiertegen
in, »weshalve het geschikter zou zijn, als wij het aan den eersten
profeet van het Seti-huis, den grooten Ameni ter hand stelden.”
»Gij hebt hier te bevelen,” was het antwoord van den ander. »Laat ons
dan heengaan!”
Weinige oogenblikken later werden de offerpriester en de overste Kolchyt
in hunne draagstoelen het dal ingedragen, op den voet gevolgd door een
Taricheut, gezeten op een stoel, die tusschen twee ezels hing. Deze
laatste hield een elpenbeenen kastje, waarin het hamelhart lag, zeer
behoedzaam in zijne armen.
De oude Paraschiet Pinem zag de priesters achter een tamarindenboschje
verdwijnen. Hoe gaarne was hij hen achterna geijld en had hij alles
bekend. Want zijn geweten kwelde hem, deed hem allerlei pijnigende
verwijten en noemde hem een bedrieger. Ofschoon zijn geest te traag was,
om op eens al de gevolgen van zijn daad te overzien, zoo begon hij toch
wel eenigermate te vermoeden, dat hij een zaad had uitgestrooid, waaruit
allerlei misleidingen konden geboren worden. Het was hem alsof hij
geheel tot leugen en ongerechtigheid was vervallen, als keerde de godin
der waarheid, die hij levenslang had gediend, hem verwijtend den rug
toe. Na het gebeurde kon hij toch nimmer hopen door de doodenrechters
zalig gesproken te zullen worden, als »een die der waarheid getuigenis
gaf[214].” Verloren, verspeeld was het doel van een lang leven, zoo
rijk aan gebeden en ontberingen! Zijne ziel weende bloedige tranen, het
suisde zoo hevig in zijne ooren, dat zijne zinnen verbijsterd werden.
Toen hij weder aan den arbeid wilde beginnen en de voetzolen van een
lijk afnemen[215], beefde zijne handen zoo hevig, dat hij niet in staat
was het mes te gebruiken.
[214] Zie boven blz. 170.
[215] Czermak ontdekte bij zijn onderzoek van twee mummiën te
Praag, dat men de voetzolen bij eene had afgesneden en in de
borst gestoken. Het 125e hoofdstuk van het Doodenboek behelst
eene plaats, waaruit is af te leiden dat dit geschiedde, opdat
de voet van hem die voor Osiris moest verschijnen den gewijden
bodem van de gerechtzaal niet zou verontreinigen. De
mededeelingen van Czermak, waarop reeds hierboven is gewezen,
worden gevonden in de =Sitzungsberichten= der klasse van wis-
en natuurkunde van de keizerl. koninklijke Academie van
wetenschappen te Weenen, 1852.