ZESDE HOOFDSTUK.

Toen Nemoe, ditmaal op den rug van een ezel, terugkeerde, vond hij noch

zijne meesteres, noch Nefert te huis. De eerste had zich naar den tempel

en vervolgens naar de stad begeven, terwijl Nefert, den onweerstaanbaren

drang van haar hart volgende, tot hare vorstelijke vriendin Bent-Anat

was gegaan.

Het koninklijk paleis geleek meer op eene kleine stad dan op een

huis[177]. De vleugel waarin de stadhouder zijne residentie hield, en

dien wij reeds betreden hebben, lag naar de landzijde; de gebouwen

daarentegen, die de koning met zijne familie bewoonde, waren naar de

zijden van den stroom gekeerd. Voor den schipper, die de woonplaats der

pharao’s voorbij voer, zag zij er schitterend en tegelijk vriendelijk

uit, want het gebouw verhief zich niet als éen ontzaglijk lichaam midden

uit groote tuinen, maar het bestond uit velerlei geledingen van allerlei

vormen. Aan het grootste gebouw, waarin zich de pronk- en feestzalen

bevonden, sloten zich onder dezelfde afmetingen aan beide zijden drie

rijen paviljoenen aan van verschillende grootte. Zij waren onderling

verbonden door zuilengangen of bruggen, waaronder de waterleidingen

liepen, die de tuinen besproeiden, en het paleis het aanzien gaven van

eene stad op een eiland. Alle deelen van het slot waren uit lichte

Nijltegels en sierlijk gebeeldhouwd houtwerk opgetrokken. Van dezelfde

steensoort was ook de ringmuur gebouwd, welks toegangen waren afgesloten

door hooge poortgebouwen, waarvoor zwaar gewapende soldaten op wacht

stonden. De muren en pijlers, de balkons en zuilengalerijen, ja zelfs

de daken waren met veelkleurig schilderwerk bedekt. Bij alle poorten

stonden lange masten, waaraan roode en blauwe vanen wapperden, als de

koning hier verblijf hield. Thans stonden zij met hunne ijzeren punten,

die voor bliksemafleiders moesten dienen[178], kaal in de lucht. Ter

rechterzijde van het hoofdgebouw lagen de verblijven der koninklijke

vrouwen, geheel door dicht plantsoen omringd. Sommige woningen

spiegelden zich in het water, dat haar op korter of verder afstand

omgaf. Bij dit gedeelte van het paleis werden de koninklijke

voorraadschuren gevonden in onafzienbare rijen, terwijl achter het

middengebouw, waar de pharao woonde, de kazernen van de lijfwachten en

de schatkamers stonden. De linkervleugel eindelijk van het slot, was

voor de hofbeambten, de ontelbare bedienden, de paarden en de wagens van

den monarch ingeruimd.

[177] De meening, die in vele boeken wordt weergevonden, dat

namelijk de tempels tegelijk de paleizen der vorsten zijn

geweest, is onjuist. Van goed onderhouden tempels, zooals die

van Dendera en Edfoe, kennen wij de bestemming van alle zalen,

die alle tot godsdienstige doeleinden gebruikt werden. De

gedenkteekenen leeren, dat ook de koningen in uitgebreide, door

tuinen omgeven en uit lichte materialen opgetrokken gebouwen

woonden. De paleizen geleken op de huizen der aanzienlijken,

maar waren grooter dan deze. Zie boven blz. 90.

[178] Volgens een, voor het eerst door Dümichen medegedeeld

opschrift te Dendera.

Niettegenstaande ’s konings afwezigheid, heerschte er leven en

bedrijvigheid in het paleis van Ramses, want honderden tuinlieden

begoten de grasperken, de bloemranden, de heesters en de boomen.

Soldaten van de wacht marcheerden af en aan, paarden werden opgetuigd en

afgereden, en in den vleugel der vorstelijke vrouwen bewogen zich als in

eene bijenkorf dienstmaagden en slaven, hofbeambten en priesters her- en

derwaarts.

Nefert was in dit gedeelte van het slot goed bekend. De koninklijke

garden en deurwachters lieten haar draagstoel, onder eerbiedige

buigingen met het bovenlichaam, onaangeroepen voorbijgaan. In den

tuin werd zij ontvangen door een kamerheer, die haar naar den

ceremoniemeester bracht. Deze geleidde haar, na haar even te hebben

aangemeld, in het vertrek van Ramses’ lievelingsdochter.

Bent-Anat’s woning lag op de eerste verdieping van het paviljoen, dat

het naastgelegen was bij het huis van den pharao. Hare overledene

moeder had dit vriendelijk vertrek bewoond, doch nadat de prinses eene

volwassene jonkvrouw was geworden, wenschte de koning niets liever dan

haar in zijne nabijheid te hebben. Hij schonk haar dus het schoone

verblijf der te vroeg ontslapene, en tevens, want zij was de oudste

zijner dochters, menig voorrecht, dat anders alleen aan koninginnen werd

toegestaan.

Het ruime vertrek, waarin Nefert Bent-Anat aantrof, was naar den stroom

gekeerd. Eene deuropening, die enkel door een dun voorhangsel was

gesloten, gaf toegang tot een lang balkon met eene kunstig uit verguld

koper vervaardigde balustrade, omslingerd door leirozen met bleekroode

bloemen. Even vóor de vrouw van Mena den drempel overschreed, liet de

prinses door eenige slavinnen het ruischend gordijn openschuiven. Want

de zon neigde naar het westen; het begon koeler te worden, en Bent-Anat

zat gaarne in dit uur op haar balkon, ten einde met eerbiedig gevoel het

scheiden van Ra te aanschouwen, die elken avond als grijze Toem[179]

achter de Nekropolis onder den westelijken horizon wegdook, om in de

onderwereld de gezaligden te verlichten.

[179] Zie boven, blz. 4.

Nefert’s woonvertrek was oneindig sierlijker gemeubeld dan dat der

prinses. Hare moeder en Mena hadden haar met duizenden fraaie voorwerpen

omgeven. Hare tapijten waren van hemelsblauw met zilverdraad doorwerkt

brocaat van Damascus; hare stoelen en het rustbed waren overtrokken met

eene stof, door Ethiopische vrouwen uit vederen vervaardigd, zoodat zij

er uitzagen als de borst van een veelkleurigen vogel. Het beeld van de

godin Hathor op haar huisaltaar bestond uit nagemaakt smaragd, dat

men mafkat noemde, en de overige kleine godenbeeldjes, die naast hare

patrones stonden, uit lazuursteen, malachiet, agaat en met goud ingelegd

brons. Op haar toilettafel stond eene verzameling van zalfdoozen en

schalen van ebbenhout en elpenbeen, uitmuntende door het fijnste

snijwerk. Alles was daar even keurig geordend en paste geheel bij

Nefert’s persoon.

Ook de woning van Bent-Anat was overeenkomstig haar karakter. De

vertrekken waren hoog en luchtig, en het huisraad dat men er in aantrof

was kostbaar maar eenvoudig. Het benedendeel der wanden was met koele

tegeltjes van fijn wit en violet porselein belegd, van welke elk eene

ster voorstelde, en die te zamen smaakvolle figuren vormden. Verder naar

boven waren de muren met dezelfde schoone donkergroene stof van Saïs

behangen, waaruit ook de overtrekken der lange divans aan de wanden

bestonden. Midden in dit vertrek stonden rieten stoelen en tabouretten

rondom eene zeer groote tafel. De verschillende andere kamers, die zich

bij dit middenvertrek aansloten, zagen er allen even deftig, aanzienlijk

en harmonisch uit; zij lieten dadelijk bespeuren, dat de bewoonster

weinig liefhebberij had in onbeduidende sieraden, maar des te meer in

fraai ontwikkelde planten, waarvan men bij uitnemendheid schoone en

zeldzame exemplaren, trapsgewijze met zekere kunstvaardigheid geordend,

in de hoeken van meer dan eene kamer kon zien. In andere vertrekken

waren de hoeken aangevuld door hooge ebbenhouten voetstukken in den vorm

van obelisken, die kostbare reukschalen droegen, want alle Egyptenaars

hielden bijzonder van reukwerken; bovendien schreven de artsen voor

daarmede de woningen te berooken. Haar eenvoudig slaapvertrek zou een

koningszoon, die veel hield van bloemen te kweeken, als verblijf zeker

evenzeer hebben aangestaan als eene vorstelijke jonkvrouw. Bent-Anat

verlangde vóor alles lucht en licht. Alleen als de stand van de zon het

dringend vorderde, werden de voorhangsels van venster- en deuropeningen

gesloten, terwijl Nefert’s woning van ’s morgens vroeg tot ’s avonds

laat in een schemerachtig halfdonker verkeeren moest.

De prinses ging de vrouw van Mena, die aan den drempel der kamer diep

voor haar boog, met hartelijkheid te gemoet, nam haar met de rechterhand

bij de kin, drukte eene kus op haar fijn smal voorhoofd en zeide: »Komt

gij, mijne beste, nu eindelijk eens ongenoodigd tot mij in mijne

eenzaamheid? Dat is waarlijk voor het eerst, sedert de mannen weder ten

krijg trokken. Als de dochter van Ramses u laat roepen, en gij niet

weigeren moogt, ja dan verschijnt gij; maar vrijwillig....”

Nefert sloeg hare groote, door tranen bevochtigde oogen smeekend op, en

haar blik was zoo onweerstaanbaar, dat Bent-Anat hare toespraak afbrak,

en terwijl zij Nefert’s beide handen greep, uitriep: »Weet gij, wie

juist zulke oogen moet gehad hebben als gij? De godheid, naar ik meen,

uit wier op aarde nedergevallen tranen de bloemen zijn ontstaan.”

De vrouw van Mena sloeg de oogen weder neder, zag blozend naar den grond

en lispelde: »Ik wenschte wel, dat ik deze oogen voor altijd sluiten

kon, want ik voel mij recht ongelukkig.” Onder deze woorden biggelden

twee groote tranen over hare wangen.

»Wat is u toch overkomen, mijne liefste?” vroeg de prinses met

deelneming, terwijl zij haar als een ziek kind met de rechterhand nader

tot zich trok.

Nefert zag angstig om naar den ceremoniemeester en de vrouwen van den

hofstoet, die het vertrek met haar betreden hadden. Bent-Anat begreep

dezen wenk, en verzocht allen, die op hare bevelen stonden te wachten,

haar te verlaten. Toen zij met hare vriendin alleen was, zeide zij:

»Spreek nu vrij! Wat maakt uw hart zoo bekommerd? Hoe komt deze

smartelijke trek op uw lief kinderlijk gelaat? Zeg het mij en ik wil u

troosten, en gij zult weder mijn vroolijk zorgeloos popje worden!”

»Uw popje!” herhaalde Nefert, en er was onwil in hare oogen te lezen.

»Maar gij hebt recht mij zoo vernederend te noemen, want ik verdien geen

beteren naam. Zoolang ik toch leef heb ik mij laten welgevallen, niet

anders dan een speelgoed van de mijnen te zijn.”

»Maar Nefert, ik herken u niet meer!” riep Bent-Anat. »Is dat mijne

zachte vriendelijke droomster?”

»Dat is het woord wat ik zocht,” zeide Nefert zacht. »Ik heb geslapen

en gedroomd, en altijd maar voortgedroomd, tot Mena mij wekte, en toen

hij mij verliet ben ik weder ingeslapen. Nu lag ik reeds twee jaren te

droomen, doch ik ben uit den slaap wakker geschrikt, zoo hard en ruw,

dat ik nergens meer rust kan vinden.”

Onder het uitspreken dezer woorden welden onophoudelijk groote tranen in

hare oogen. Bent-Anat werd zoo diep bewogen door alles wat zij zag en

hoorde, als ware de vrouw van Mena haar eigen lijdend kind. Met zachte

hand trok zij de jonge vrouw op den divan neer, zette zich naast haar en

hield niet op, voordat Nefert haar vergunde een blik in haar gemoed te

slaan en de diepte harer ellende te peilen.

Het was Katoeti’s dochter in de laatste uren gegaan als een blinde,

die op eens het vermogen om te zien terug ontvangt. Hij aanschouwt het

glanzend licht der zon en rondom hem de velerlei gestalten van het

geschapene, maar de stralen der dagvorstin verblinden zijn oog, en de

nieuwe vormen, die hij als bij voorgevoel met zijne ziel had gezocht en

zich nu in al hunne ruwe werkelijkheid aan hem opdringen, beangstigen en

pijnigen hem. Heden voor het eerst had zij zich afgevraagd, waarom toch

het bestuur van het huis, waarvan zij de meesteres heette[180], aan hare

moeder en niet aan haar was opgedragen. Het antwoord luidde: »Omdat Mena

u niet in staat acht te denken en te handelen.” Menigmaal had hij haar

zijn roosje genoemd, en nu gevoelde zij, dat zij niet meer en niet beter

was dan eene bloem, die bloeit en verwelkt, en alleen door hare bonte

blaadjes de oogen verkwikt.

[180] Meesteres des huizes is de gewone titel der vrouwen van

aanzienlijke Egyptenaars.

»Mijne moeder,” zeide zij tot Bent-Anat, »heeft mij ongetwijfeld lief,

maar zij heeft het goed van mijn echtgenoot slecht bestuurd, zeer slecht

zelfs, en ik ellendige sliep en droomde van Mena, en zag noch hoorde wat

er met zijn, met ons erfdeel geschiedde. Thans wordt mijne moeder bang

voor mijn gemaal, en wien men vreest, zoo zeide mijn oom, dien kan men

niet liefhebben. Heeft men iemand niet lief, dan is men gaarne bereid

het kwade van hem te gelooven. Zoo komt het, dat zij het oor leent aan

praatjes van lieden, die Mena belasteren en van hem berichten, dat hij

mij uit zijn hart verstooten en eene vreemde vrouw in zijne tent genomen

heeft. Maar dat is valsch, dat is gelogen, en ik kan, ik wil het

gelaat van mijne eigene moeder niet zien, wanneer zij het eenige wat

mij overblijft, wat mij staande houdt, den adem en het bloed mijns

levens, de liefde, de vurige liefde van mijn echtgenoot beleedigt en

schandvlekt.”

Bent-Anat had haar aangehoord, zonder haar in de rede te vallen. Een

tijd lang bleef zij zwijgend naast haar zitten. Eindelijk sprak zij:

»Kom buiten op het balkon: daar wil ik u zeggen, hoe ik erover denk, en

misschien geeft Toth mij een raad in het hart, die u helpen kan. Ik heb

u lief en ken u door en door. Ben ik al niet wijs, zoo heb ik toch opene

oogen en eene krachtige hand. Neem haar aan, en volg mij nu op het

balkon.”

Een verkwikkende luchtstroom kwam over den vloed de vrouwen tegen, toen

zij naar buiten traden. Het was reeds avond geworden, en eene aangename

koelte volgde op de hitte van den dag. Reeds wierpen de groote gebouwen

en de huizen langere schaduwen, en werd de Nijl, die met majesteit zijne

hooggezwollen wateren naar het noorden stuwde, bevolkt door tallooze

booten, die de uit de Nekropolis terugkeerenden overbrachten. Rondom

lag de groene tuin, waaruit geurige rozentakken opklommen tot aan het

traliewerk van het balkon. Een beroemd kunstenaar had dien hof reeds

aangelegd in de dagen van Hatasoe, en het tafereel, dat hij in zijne

verbeelding had aanschouwd, toen hij de zaden in den grond strooide en

de jonge twijgjes plantte, was nu, vele tientallen jaren na zijn dood,

tot werkelijkheid geworden. Hij had zich zijn aanleg als een tapijt

voorgesteld, waarop de talrijke gebouwen van het paleis moesten rusten.

Wateraderen, in velerlei bochten geslingerd en waarin witte zwanen

zwommen, vormden tegelijk de omtrekken der verschillende partijen, en de

figuren die zij begrensden waren als geschaduwd met planten van allerlei

grootte, vorm en kleur. De grond van het weefsel bestond overal uit

schoone oppervlakten van zachtgroene grasperken, waarop de volle

bontkleurige bloembedden en heestergroepen in gelijkmatige orde waren

aangebracht, terwijl de oude hooge en vreemde boomen, van welke

Hatasoe’s schepen er vele uit Arabië naar Egypte hadden gebracht[181],

aan het geheel een zekeren ernst en deftigheid gaven. Op de bladeren der

boomen, de bloesems en grashalmen vonkelden thans heldere druppels, want

even te voren had men den geheelen aanleg met frisch water begoten.

[181] In den tempel van Hatasoe te Der el Bahri, vindt men de

afbeelding van in kuipen naar Egypte gebrachte Neha-boomen.

Van Bent-Anat’s balkon kon men aan gene zijde een eiland opmerken, door

een arm van den Nijl gevormd, met het goed onderhouden heilige bosch van

Amon. Ook de Nekropolis was juist van hier goed te overzien. Daar waren

de sphinxen-lanen, die van de landingsplaats der feestbarken, naar

de reusachtige bouwwerken van Amenophis III met hunne kolossen, de

grootsten van Thebe, het Seti-huis en den tempel van Hatasoe, leidden.

Ginds lagen de uitgestrekte werkplaatsen van de balsemers en de dicht

met huizen bezette straten van de doodenstad. In het verre westen rezen

de Libysche bergen omhoog, met hunne tallooze groeven, en daarachter,

hoewel voor het oog verborgen, breidde zich in een grooten boog het dal

der koningsgraven uit.

Zwijgend staarden de vrouwen naar het westen. De zon begon reeds

den horizon te naderen; nu bereikte zij dien; daar zonk zij

achter het gebergte weg. Terwijl de hemel schitterde met allerlei

kleurschakeeringen van helder goud, van vonkelende robijnen, aan

gesmolten granaten en amethisten gelijk, weerklonken uit alle tempels

weldra de avondliederen. De beide vriendinnen zonken op hare knieën,

verborgen haar aangezicht in de rozenguirlandes, die zich door de

balustrade slingerden, en baden uit den diepsten grond harer harten.

Toen zij weder opstonden, breidde de nacht reeds zijne vleugelen uit.

Want in Thebe duurt de schemering kort. Slechts hier en daar dreef nog

een roodachtig wolkje aan den al donkerder wordenden hemel, dat geheel

verbleekte toen de avondster opging.

»Ik ben wel te moede,” zeide Bent-Anat, diep ademhalende. »Is ook in uwe

ziel de vrede teruggekeerd?”

Nefert schudde ontkennend het hoofd.

De prinses deed haar op een rustbank plaats nemen, vlijde zich naast

haar neder en begon opnieuw: »Uw arm hart is gewond. Men heeft uw

verleden verbitterd, en met angst ziet gij de toekomst tegen. Laat mij

openhartig zijn, ook wanneer hetgeen ik u zeggen zal u leed doet. Gij

zijt ziek en ik wil trachten u te genezen. Wilt gij naar mij luisteren?”

»Spreek vrij,” zeide Nefert.

»Het spreken,” hernam Bent-Anat, »is niet mijne zaak, maar het handelen.

Ik geloof dat ik weet wat u ontbreekt, en dat ik u helpen kan. Gij hebt

uw man lief; zijn plicht riep hem van u weg en gij gevoelt u eenzaam en

verlaten. Dat is natuurlijk! Doch mijn vader en mijn broeder, die ik ook

liefheb, zijn insgelijks naar het oorlogsveld vertrokken; mijne moeder

is sedert lang gestorven; de aanzienlijke vrouw, die de koning mij tot

gezelschap achterliet, is nu weinige weken geleden aan eene ziekte

bezweken. Ziehier deze halfverlaten stad, die mijne woning is. Wie van

ons beiden kan men eenzamer noemen, u of mij?”

»Mij,” zeide Nefert. »Want niemand is zoo verlaten als de vrouw, die

gescheiden van haar echtgenoot verkwijnt van heimwee.”

»Maar gij gelooft in Mena’s liefde?” vroeg Bent-Anat.

Nefert knikte toestemmend, terwijl zij de hand tegen haar hart drukte.

»En hij zal terugkeeren, en met hem uw geluk!”

»Ik hoop het,” antwoordde Nefert met zachte stem.

»En wie hoopt,” vervolgde Bent-Anat, »bezit het geluk der toekomst.

Zeg mij, zoudt gij met de goden hebben willen ruilen, zoo lang Mena

bij u was? Neen! Welnu, dan zijt gij dubbel rijk, want de zaligste

herinnering, het geluk van het verleden, is evenzeer uw eigendom. Wat

is dan het tegenwoordige? Terwijl ik spreek is het reeds niet meer! Nu

vraag ik u, aan welke zaligheid kan =ik= denken, en op welk zeker geluk

mag =ik= met grond hopen?”

»Gij hebt niet lief,” zeide Nefert. »Gij gaat als de maan koel en

onbeweeglijk daarheen op uwe baan. Het hoogste geluk is u tot hiertoe

vreemd gebleven, maar daarom kent gij dan ook niet het bitterste leed.”

»Welk leed?” vroeg Bent-Anat.

»De smart van het heimwee, van een door de vlammen van Sechet verteerd

hart,” antwoordde Nefert.

De prinses staarde een poos nadenkend op den grond; eindelijk sloeg zij

de oogen op tot hare vriendin en zeide: »Gij dwaalt! Ik ken de liefde

en het heimwee. Maar wanneer gij op den hoogen feestdag wacht, om het

sieraad, dat uw eigendom is, weder te dragen, dan heb ik even weinig

recht om mijn kleinood het mijne te noemen, als de parel die ik op den

bodem der diepe zee zie glinsteren.”

»Gij hebt lief?” riep Nefert vol vreugde. »O, zoo dank ik Hathor, dat

zij eindelijk uw hart heeft getroffen. De dochter van Ramses behoeft

niet eerst de duikers te roepen, om het kleinood voor zich uit zee te

visschen. Zij wenkt, en de parel stijgt tot haar op, en legt zich in het

zand aan hare slanke voeten neder.”

Bent-Anat kuste lachend Nefert’s voorhoofd en zeide: »Treft u dit zoo,

dat het op eens uw geest en uwe tong in beweging brengt? Wanneer twee

snaren gelijk gestemd zijn en men slaat de eene aan, dan klinkt de

andere noodzakelijk mede, zegt mijn meester in de muziek. Ik geloof dat

gij tot aan den morgen naar mij zoudt luisteren, wanneer ik u meer van

mijne liefde vertelde. Daarvoor zijn wij hier echter niet op het balkon

gekomen. Hoor mij nu aan! Ik ben alleen even als gij. Ik heb ook lief,

maar onder nog minder gelukkige omstandigheden. Mij dreigen uit

het Seti-huis bange uren, en toch ontzinkt mij het vertrouwen, de

levensmoed niet; toch verheug ik mij in mijn bestaan. Hoe kunt gij dat

verklaren?”

»Gij zijt van eene zoo geheel andere natuur,” zeide Nefert.

»Toegegeven,” antwoordde Bent-Anat; »maar we zijn beiden jong, wij

zijn vrouwen en willen het goede. Mij is reeds zoo vroeg eene moeder

ontvallen en niemand heeft mijne jeugdige schreden gericht; want men

gehoorzaamde mij reeds, toen ik nog zoozeer behoefte had aan leiding. U

voedde eene moeder op, die zich veel aan u gelegen liet zijn, die, toen

gij nog een kind waart, gaarne met haar schoon dochtertje pronkte, en

het droomen en spelen liet, wat der kleine zoo goed stond, zonder het

kwaad te vreezen dat in de toekomst dreigde. Toen kwam Mena uwe hand

te vragen. Gij hadt hem innig lief, maar in vier lange jaren was hij

slechts weinige maanden bij u. Uwe moeder bleef bij u, en gij merktet

het nauwelijks op, dat zij in uwe plaats uw eigen huis bestuurde en de

zorgen der huishouding op zich nam. Gij waart in het bezit van een

soort van speelgoed, waaraan gij u elken dag kondet wijden, namelijk

de gedachte aan Mena, en de ver van u verwijderde geliefde was het

middelpunt van uw duizenden droomen. O ik weet het, Nefert, al wat gij

sedert twintig maanden hebt gezien, gehoord, ondervonden, had betrekking

op hem en hem alleen. Op zichzelf beschouwd steekt hier geen kwaad in.

Deze rozenstruik, die met zijne takken mijne balustrade heeft omwonden,

aanschouwen wij beide met welgevallen; doch wanneer de hovenier hem niet

telkens snoeide, en hier en daar met palmbast opbond, dan zou hij in

deze vruchtbaren grond, waar alles zoo verbazend snel wast, weldra zoo

hoog opschieten, dat hij mijne deur en vensters bedekte, zoodat ik in

het donker zou zitten.

»Sla dezen doek om uwe schouders, want met de koelte valt ook de dauw

neer. ― Hoor mij nu verder! Het heerlijk gevoel van liefde en trouw is

in uw droomerig gemoed onbeteugeld en onbelemmerd als in het wilde

opgeschoten, en verduistert thans uw hart en uw verstand. Waarachtige

liefde kan, naar ik meen, niet anders zijn dan een edele vruchtboom, en

geenszins zulk een woekerplant. Ik zeg dat niet om u te berispen, want

zij, die uwe hoveniers hadden moeten zijn, merkten niet op wat er met

u gebeurde, of wilde het niet opmerken. Zie Nefert, toen ik nog de

kinderlok droeg, heb ik ook gedaan wat mij het meest naar den zin was.

Aan droomen heb ik mij nimmer overgegeven, maar ik had lust in het wilde

spel met mijne broeders, in paarden en valken[182]. Men heeft dikwijls

gezegd, dat ik een jongenshart had. O, ik zou ook zoo gaarne een jongen

zijn geweest.”

[182] In verschillende papyrussen uit den tijd van dit verhaal

wordt gesproken van het africhten van valken.

»Ik nooit,” lispelde Nefert.

»Gij, mijne liefste, zijt gelijk aan het roosje,” ging Bent-Anat voort.

»Hoe dikwijls was ik, als vijftienjarig meisje, verdrietig, ontevreden

bij al mijne wildheid, onvergenoegd, niettegenstaande men mij overlaadde

met bewijzen van liefde en hartelijkheid. Toen gebeurde het eens, vier

jaren geleden, juist kort na uw huwelijk met Mena, dat vader mij riep

om met hem te dammen[183]. Gij weet met hoeveel zekerheid hij zelfs den

meest geoefenden tegenstander overwint; maar dien dag was hij verstrooid

en tweemaal achtereen won ik het spel. Uitgelaten van vreugde sprong

ik in mijn overmoed naar hem toe, gaf hem een kus op zijn schoon breed

voorhoofd en riep: ‚De verheven god, de held, onder wiens voetzolen de

vreemde volken zich krommen[184], die door de priesters en het volk

wordt aangebeden, heeft zich door een meisje laten overwinnen!’ Met een

gullen lach gaf hij mij ten antwoord: ‚Dikwijls zijn ook de hemelsche

vrouwen de heeren des hemels te slim, en Necheb[185], onze godin der

overwinning, is eene vrouw.’ Daarop werd hij weder ernstig en sprak:

‚Gij noemt mij een god, mijn kind, maar slechts in éen opzicht gevoel ik

waarlijk iets goddelijks in mij, namelijk: dat ik in staat ben te ieder

ure met mijn arbeid het meest mogelijk nut te stichten, door hier iets

goeds te bevorderen, daar het kwade tegen te houden[186]. Ik ben alleen

aan de godheid gelijk wanneer ik iets groots uitdenk en voortbreng.’

[183] Te Medinet Haboe is eene afbeelding bewaard gebleven,

waarop Ramses III ― niet Ramses II ― voorkomt met zijn dochter

dit spel spelende.

[184] Eene formule, die in de overwinningsberichten telkens

wederkeert.

[185] De Eileithyia der Grieken. De godin van het zuiden, die

tegenover Boeto, de godin van het noorden, staat. Dikwijls wordt

zij voorgesteld in de gedaante van een gier, als godin der

overwinning zwevende boven het hoofd van den pharao, die ten

krijg trekt.

[186] De beide emblema’s, die in de handen der pharao’s en van

vele goden zelden ontbreken, de haakvormige kromstaf en de

zweep, wijzen misschien op den plicht des konings om tegen te

houden en aan te drijven.

»Deze woorden, Nefert, vielen als zaadkorrels in mijne ziel. Ik wist op

eenmaal wat mij ontbrak; en toen de koning, weinige weken later, met uw

echtgenoot en honderdduizend krijgers ten strijd trok, besloot ik mijn

goddelijken vader waardig te worden en ook in mijn kring nuttig te zijn.

Gij weet niet wat er al zoo in die huizen daarachter onder mijn leiding

geschiedt. Wel driehonderd meisjes spinnen daar het zuivere vlas en

vervaardigen linnen windsels voor de wonden der soldaten. Vele kinderen

en oude vrouwen zoeken planten op de bergen en weder anderen sorteeren

ze, volgens het voorschrift der artsen. In de keukens worden geene

gastmalen gereed gemaakt, maar vruchten in suiker gekookt, tot eene

lekkernij voor de geliefden en kranken te velde. Daar worden stukken

vleesch gezouten, gedroogd en gerookt voor het leger, als het op marsch

gaat door de woestijn. De keldermeester heeft thans niet meer voor

drinkgelagen te zorgen, maar hij brengt mij den wijn in groote kruiken

van aardewerk, en zij gieten dien over in goed gesloten lederen

zakken voor de soldaten, en met de fijnere soorten vullen wij stevige

flesschen, die zorgvuldig met pek worden dicht gemaakt, opdat zij op

reis niet zullen bederven, maar straks het hart onzer helden verkwikken.

Dit alles en nog veel meer heb ik te regelen en te besturen, en zoo

vliegen mij de dagen om in moeitevollen arbeid. De goden zenden mij ’s

nachts geen droomgezicht, want na zulk een zware inspanning val ik

altijd in een diepen slaap. Doch ik weet dat ik nuttig ben, en fier durf

ik mijn hoofd verheffen, omdat ik nu mijn grooten vader eenigermate

gelijk. Als de koning om mij denkt, dan, dit weet ik, verheugt hij zich

over hetgeen zijn kind verricht.”

»Nu ben ik echter aan het einde, Nefert. Het eenige wat ik u nog te

zeggen heb is: Sluit u bij mij aan; wees werkzaam evenals ik; toon dat

gij nuttig zijt, en dwing Mena, niet alleen met liefde maar ook met

zekeren trots aan zijn vrouwtje te denken.”

Nefert liet haar hoofd langzaam op Bent-Anat’s borst zinken, sloeg hare

beide armen om den hals der prinses, en weende als een kind. Eindelijk

verzamelde zij hare krachten en zeide smeekend: »Neem mij in de school

en leer mij nuttig te zijn.”

»Ik wist wel,” zeide Bent-Anat met een glimlach, »dat gij slechts eene

hand noodig had om u te leiden. Geloof mij, weldra zult ook gij aan uw

heimwee tevredenheid weten te paren. Laat ik u dit nog zeggen. Keer nu

terug naar uwe moeder, want het is reeds laat. Bejegen haar liefderijk,

dat is toch de wil der goden. Zoodra de morgen weder zal zijn

aangebroken, wil ik u een bezoek brengen en vrouwe Katoeti vragen, of

zij u aan mij wil toevertrouwen, in de plaats mijner gestorven vriendin.

Overmorgen neemt gij uw intrek in mijn paleis. Gij zult de vertrekken

van de ontslapene bewonen en begint, gelijk zij deed, mij bij mijn

arbeid te helpen. Moge deze ure gezegend zijn geweest!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 29 / 58 题