VIJFDE HOOFDSTUK.

Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner

meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem

dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg

aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder

Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te

spreken.

De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was

echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena’s vee

was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den

landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden

knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden[166];

doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik

uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen

verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest,

want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne

rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een

gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed

terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte,

gevoelde hij zich groot en tevreden.

[166] In de tegenwoordige Egyptische steden vindt men, in plaats

van onze huurrijtuigen, gezadelde ezels. Op de gedenkteekenen

zijn alleen vreemdelingen als op ezels rijdende, afgebeeld.

Doch bijna alle aanzienlijken tellen in hunne graven, reeds in

vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er

is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven,

die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een

draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius,

=Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. Abth. II, 126.

De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg

weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker’s

waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen

gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke

zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene

op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet;

of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste

maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder

klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de

toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte

om te handelen, geen perken had gesteld.

Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in

het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te

houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen

verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde,

telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer

uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman

geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf[167]. Bij den tempel,

waarin de lieden uit Kaft[168] hunne Astarte[169] vereerden, en het

heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls[170] offerden, was hij

voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende

aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van

achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht

en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken

hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen

getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot

zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen

bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen

ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite

den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit

verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom

te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen

eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk

de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den

geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars,

vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds

hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek

dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde.

[167] Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der

Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah

gelegen was, en waarin de „Aphrodite der vreemdelingen” vereerd

werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier „auch ta”, d. i.

de wereld des levens, van de Menes-stad toegepast.

[168] Phoenicië.

[169] De Phoenicische godin komt op Egyptische gedenkteekenen

meermalen in de plaats van Sechet voor (Vgl. blz. 61, v.). In

Edfoe wordt zij afgebeeld met een leeuwenkop, en staat zij op

een met paarden bespannen wagen. In den papyrus uit den tijd van

ons verhaal komt haar naam, dien Ramses II ook aan een zijner

lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor.

[170] Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi

(Apophis) „Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die

in Egypte was.” Later werd aan de Baäls der Semieten door de

Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit

het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de

Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth’s der

Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische

godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die

van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het

oude geschrift van Diestel, Pleyte, =Etudes égyptologiques=;

Chabas, =Voyage d’un Egyptien=; Ebers, =Aegypten und die

Bücher Mose=; Brugsch, =Geogr. Inschriften=; E. Meyer in zijne

dissertatie over Seth. De godsvereering der Phoeniciërs wordt

het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. ―

Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische

godsdiensten, St. 3.

Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was

geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van

zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder

inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor

hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier

deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen

beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich

overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het

laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel

met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester van Nemoe

gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk.”

Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige

tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige

in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang

verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de

plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de

tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna

cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen

stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek

lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in

kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw

ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van

vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en

oogleden zwart met mestem[171], ten einde haar blik des te helderder zou

uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren

met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de

meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen

nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene

eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te

drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje[172] op de

lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van

muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal

tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten,

tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige

jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene

kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven

door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van

spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op

te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der

meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen.

[171] Stibium of spiesglas. Zie boven, blz. 60.

[172] Zie boven, blz. 76.

De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij

haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem

dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte” ―

zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden ― »wel

verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de

slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts.”[173]

[173] In den papyrus-Ebers vindt men voorschriften tot het

verdrijven van al dit schadelijk gedierte.

»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes met

heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en

mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en

lenig, kan ik ’s nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door

vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans.”

»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en eerlang zult

gij ook niet meer hoesten.”

»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik

weet dat, zoo eindigen de meesten.”

Nemoe’s moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag

binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten

den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk

aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke

gemoedsaandoening plegen uit te stooten[174].

[174] Het zoogenaamde zagarit.

De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield

zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste

riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek,

kleintje!”

»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond

aangaat.”

»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje op haar

beurt.

»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg lachend, »want

ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa

helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?”

De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij

begonnen zamen te fluisteren.

»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik begin waarlijk

te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan.”

»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een

rijdier te huren.”

»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte de oude.

»Wat hebt gij nu gedaan?”

»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug

van een lang gesprek met den stadhouder.”

»Welnu?”

»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen

levert.”

»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken,

natuurlijk verkleed; ik kon dan....”

»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden,

zou hij het niet slim overleggen.”

»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie

dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan.

Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den

lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien.

Wat is er verder gebeurd?”

»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt

rijke schatten naar Thebe.”

»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. »Goed, goed!”

»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester

niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het

stof hierheen gekomen ben.”

»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl ze den

kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert

wedergezien?”

»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die hierop

aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was

voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had

hij geen woord vergeten.

De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” prevelde

zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er

soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een

paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij

laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er

haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare

oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer

echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!”

Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel

beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet

vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij

eens verteld, dat het zoo’n trotsch gezicht was, moeder en dochter

naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en

panegyriën[175] rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er

overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen

in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de

kleeding het eerst gekozen?”

[175] Feestverzamelingen met daaraan verbonden jaarmarkten.

»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde

kleuren,” antwoordde Nemoe haastig.

»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze

moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich

ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij

op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen

grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn

oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter

mora-spel te spelen[176], en haar aan dien lammen hazewind daar uit te

huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon.”

[176] Zie boven, blz. 45.

»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het

duifje was eene leeuwin geworden.”

»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde de

oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van hem.’ Dat is op haar

volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders.

Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!”

»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, »maar....”

»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen

zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe

meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden

is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten

veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die

sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de

tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze

kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook....” en bij

deze woorden daalde haar stem ― »gelukzaliger dan de goden, zooveel er

maar zijn. Ik weet dat alles ― alles, want ook ik was eene bezetene

onder de duizend. En nu, heden....”

»Nu?” vroeg de dwerg.

»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den

slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven.

En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken

op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen.”

»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij

daar geschilderd hebt?” vroeg de kleine.

»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op

gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven

wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne

vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. ― Maar waartoe

al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar

thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin

te spreken....”

»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.

»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, »zal weldra

geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon

geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt,

wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene

gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige

weken leeren.”

Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!”

»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen

is?”

»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.

»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert

zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst

gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor

uzelven?”

»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti

mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne

kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de

nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden

met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn

eigen wagen door de straten rijdt.”

»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is

het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester

uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een

deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van

een hovenier, zij noemen hem Pentaoer.”

»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche

houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in.

Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken.”

»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je

zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten....”

»Wat?” vroeg de dwerg.

»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit

den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar

gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het

aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de

vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat

weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en

reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een

aanzienlijke. ― Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door

mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij,

zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of

tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere

kenteekenen verraden het dadelijk. ― Warda mag nu blijven waar zij is,

ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten.”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 28 / 58 题