Toen Nemoe, op den terugweg van den stadhouder, bij het huis zijner
meesteres was gekomen, werd hij door een knaap aangehouden, die hem
dringend verzocht mede te gaan naar het vreemden-kwartier. De dwerg
aarzelde een oogenblik, maar de bode toonde hem den ring zijner moeder
Hekt, die voor eenige zaken in de stad was gekomen en hem begeerde te
spreken.
De kleine man was vermoeid, want gewoonlijk reed hij. Zijn ezeltje was
echter dood en Katoeti kon hem geen nieuw geven. De helft van Mena’s vee
was reeds verkocht, en het overige was bijkans onvoldoende voor den
landbouw. Aan de hoeken van de drukste straten en op de markten stonden
knapen met grauwtjes, die zij voor een geringen prijs verhuurden[166];
doch Nemoe had zijn laatsten ring aan een kleed en eene nieuwe pruik
uitgegeven, ten einde fatsoenlijk gekleed voor den stadhouder te kunnen
verschijnen. In vroeger dagen was zijne tasch nooit leeg geweest,
want Mena had hem menig stuk zilver of goud toegeworpen. Maar zijne
rustelooze en eerzuchtige ziel betreurde het verlies van zulk een
gemakkelijk leven niet. Met wrok dacht hij aan de jaren van overvloed
terug, en terwijl hij zich thans al kuchend door het stof voortsleepte,
gevoelde hij zich groot en tevreden.
[166] In de tegenwoordige Egyptische steden vindt men, in plaats
van onze huurrijtuigen, gezadelde ezels. Op de gedenkteekenen
zijn alleen vreemdelingen als op ezels rijdende, afgebeeld.
Doch bijna alle aanzienlijken tellen in hunne graven, reeds in
vroeger tijd, hun bezit aan ezels op, dat vaak zeer groot is. Er
is ook eene voorstelling uit het oude rijk bewaard gebleven,
die ons een voornaam Egyptenaar vertoond, zittende op een
draagstoel, op de ruggen van twee ezels bevestigd. Lepsius,
=Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=. Abth. II, 126.
De stadhouder had hem te woord gestaan, en het was den slimmen dwerg
weldra gelukt diens oor te boeien. Bij zijne schildering van Paäker’s
waanzinnigen hartstocht hadden Ani van lachen de tranen langs de wangen
gebiggeld. In zijne overige berichten en vorderingen had het manneke
zich zeer ernstig en hulpvaardig getoond. Nemoe had het gevoel van eene
op het land opgegroeide eend, die men voor het eerst in het water zet;
of van een vogel die in eene kooi is grootgebracht, en nu voor de eerste
maal vrijheid heeft de vleugels uit te spreiden om te vliegen. Zonder
klagen zou hij zich dood gezwommen of gevlogen hebben, wanneer de
toestand waarin hij zich bevond aan zijn ijver en zijn vurige begeerte
om te handelen, geen perken had gesteld.
Badende in zijn zweet en vol stof kwam hij aan de veelkleurige tent in
het vreemden-kwartier, waar de tooveres Hekt haar verblijf pleegde te
houden, als zij naar Thebe kwam. Terwijl hij ingewikkelde aanslagen
verzon, allerlei mogelijkheden overwoog, en slimme plannen smeedde,
telkens het al te gewaagde verwerpende, om het door iets meer
uitvoerbaars en minder gevaarlijks te vervangen, had de kleine staatsman
geen oog voor het druk gewoel dat hem omgaf[167]. Bij den tempel,
waarin de lieden uit Kaft[168] hunne Astarte[169] vereerden, en het
heiligdom van Seth, waarbij zij aan hun Baäls[170] offerden, was hij
voorbijgegaan, zonder zich te laten storen door het geroep der dansende
aanbidders, of door het luitspel en het geklank der cymbalen, dat van
achter hunne ringmuren tot zijn oor doordrong. Ook de tenten en de licht
en dicht gebouwde houten huisjes der danseressen en lichtekooien trokken
hem niet aan. De bewoneressen, die des avonds, met bonte kleederen
getooid en allerlei versiersels behangen, de jongelingen van Thebe tot
zingenot en zoo menigen dwazen streek wisten te verleiden, sliepen
bovendien zoolang de zon aan den hemel gloeide. Alleen in de speelhuizen
ging het ook over dag levendig toe, en de politie-agenten hadden moeite
den hartstocht der soldaten, die hun geheele aandeel in den buit
verloren, of de woede der matrozen, die zich bedrogen waanden, in toom
te houden en bloedige tooneelen te voorkomen. Vóor de kroegen lagen
eenige beschonkenen, terwijl anderen druk bezig waren, om onophoudelijk
de bekers te vullen en te ledigen, zich geheel overleverende aan den
geest van wijn of bier. Van de velerlei muzikanten, goochelaars,
vuurvreters, jongleurs, slangenbezweerders en paljassen, die des avonds
hier hunne kunsten vertoonden, was thans niets te bespeuren. Toch geleek
dit vreemdenkwartier wel eene jaarmarkt, die altijd voortduurde.
[167] Herodotus (II, 112) maakt gewag van een kwartier der
Tyriërs te Memphis, dat ten zuiden van den tempel van Ptah
gelegen was, en waarin de „Aphrodite der vreemdelingen” vereerd
werd. Brugsch heeft dit bericht op het kwartier „auch ta”, d. i.
de wereld des levens, van de Menes-stad toegepast.
[168] Phoenicië.
[169] De Phoenicische godin komt op Egyptische gedenkteekenen
meermalen in de plaats van Sechet voor (Vgl. blz. 61, v.). In
Edfoe wordt zij afgebeeld met een leeuwenkop, en staat zij op
een met paarden bespannen wagen. In den papyrus uit den tijd van
ons verhaal komt haar naam, dien Ramses II ook aan een zijner
lievelingspaarden en aan een hond gaf, niet zelden voor.
[170] Volgens den papyrus-Sallier I, koos de Hyksoskoning Apepi
(Apophis) „Seth tot heer, en hij diende geen anderen god, die
in Egypte was.” Later werd aan de Baäls der Semieten door de
Egyptenaars zelve de naam van Seth gegeven, gelijk blijkt uit
het te Karnak wedergevonden vredesverdrag van Ramses II met de
Cheta, waarin van de eene zijde de verschillende Seth’s der
Cheta, Astarte, enz. en van de andere zijde de Egyptische
godheden aangeroepen worden. Naast den vorm Seth komt ook die
van Soetech voor. Over Seth-Typhon raadplege men, behalve het
oude geschrift van Diestel, Pleyte, =Etudes égyptologiques=;
Chabas, =Voyage d’un Egyptien=; Ebers, =Aegypten und die
Bücher Mose=; Brugsch, =Geogr. Inschriften=; E. Meyer in zijne
dissertatie over Seth. De godsvereering der Phoeniciërs wordt
het grondigst behandeld in het beroemde werk van Movers. ―
Vgl. Tiele, Vergelijkende gesch. der Egypt. en Mesopotamische
godsdiensten, St. 3.
Deze genietingen echter, waarvan Nemoe duizendmaal ooggetuige was
geweest, hadden hem nooit aangelokt. Hij gaf niets om de liefde van
zulke deernen en de winst bij het spel. Al wat gemakkelijk en zonder
inspanning te bereiken was door maar plomp toe te grijpen, miste voor
hem alle bekoorlijkheid. Niet dat hij bang was voor den ruwen spot dier
deernen en die haar bezochten, integendeel, nu en dan ging hij uit eigen
beweging er heen omdat hij behagen schepte in woordentwist, en zich
overtuigd hield dat er niemand in Thebe leefde, die tegenover hem het
laatst aan het woord kon blijven. Vele vreemdelingen waren dit geheel
met hem eens, en nog kort geleden had Paäker’s hofmeester van Nemoe
gezegd: »Onze tongen zijn stokken, maar die van den kleine is een dolk.”
Het doel waarop de dwerg regelrecht afging was eene groote bontkleurige
tent, die echter door niets zich onderscheidde van vele gelijksoortige
in de nabijheid. De opening, die tot het binnengedeelte toegang
verleende, was breed en thans gesloten door een stuk linnen, dat de
plaats van eene deur verving. Nemoe schoof tusschen den wand van de
tent en de beweeglijke sluiting behendig door, en kwam in een bijna
cirkelvormige veelzijdige ruimte, welker kegelvormig dak op een langen
stok als op een zuil rustte. Op den stoffigen grond van dit vertrek
lagen afgedankte stukken tapijt, waarop eenige jonge vrouwen in
kleederen van allerlei kleur neergehurkt zaten, terwijl eene oude vrouw
ijverig met het toilet dier dames bezig was. Zij verfde de nagels van
vingers en teenen met oranjekleurige hennah, maakte hare wenkbrauwen en
oogleden zwart met mestem[171], ten einde haar blik des te helderder zou
uitkomen, blankette de wangen met rood en wit poeder en zalfde de haren
met welriekende olie. Het was snikheet in deze tent en geen van de
meisjes sprak een woord. Zij lieten zich door de oude stil onder handen
nemen zonder zich te verroeren. Van tijd tot tijd greep deze of gene
eene der op den grond staande poreuse aarden waterkruiken om te
drinken, of opende een doosje, om een nieuw kyphi-balletje[172] op de
lippen te leggen. Tegen de wanden lagen verschillende soorten van
muziekinstrumenten, als handtrommels, fluiten, lieren en een viertal
tamboerijnen op den grond. Op het kalfsvel van eene der laatsten,
tusschen den rand met rinkelbellen, sliep eene kat, welker aardige
jongen met het klokje van eene andere tamboerijn speelden. Door eene
kleine achterdeur van de tent ging eene oude negerin af en aan, omgeven
door een zwerm vliegen en muggen, om de schotels met overblijfselen van
spijzen, granaatappel-schillen, broodkruimels en knooflookstengels op
te ruimen, die van den reeds voor eenige uren afgeloopen maaltijd der
meisjes op een der tapijten waren blijven staan of liggen.
[171] Stibium of spiesglas. Zie boven, blz. 60.
[172] Zie boven, blz. 76.
De oude Hekt zat ver van deze deernen op eene bontbeschilderde kist. Zij
haalde een pakje uit hare tasch en riep de dienstmaagd toe: »Daar, neem
dit reukwerk en verbrand ervan zes korrels, dan zal het ongedierte” ―
zij wees op de vliegen, die om het bord in hare hand gonsden ― »wel
verdwijnen. Als gij het verlangt, verjaag ik ook muizen en lok de
slangen uit hunne gaten, veel beter dan eenig priesterlijk arts.”[173]
[173] In den papyrus-Ebers vindt men voorschriften tot het
verdrijven van al dit schadelijk gedierte.
»Houd uwe toovermiddelen voor u zelve,” zeide een der meisjes met
heesche stem. »Sedert gij de tooverwoorden over mij gesproken en
mij dien drank ingegeven hebt, om mij weder slank te doen worden en
lenig, kan ik ’s nachts niet slapen van het hoesten, en word ik door
vermoeidheid overvallen, zoo vaak ik dans.”
»Maar ge zijt toch slank geworden,” antwoordde Hekt, »en eerlang zult
gij ook niet meer hoesten.”
»Omdat zij dood zal zijn,” fluisterde de negerin de tooveres toe. »Ik
weet dat, zoo eindigen de meesten.”
Nemoe’s moeder haalde de schouders op. Zoodra zij den dwerg de tent zag
binnensluipen, verhief zij zich van haren zetel. Ook de deernen merkten
den kleine op, en maakten dat onbeschrijfelijk geluid, niet ongelijk
aan het kakelen van hoenders, dat de oostersche vrouwen bij elke
gemoedsaandoening plegen uit te stooten[174].
[174] Het zoogenaamde zagarit.
De dwerg was voor de meisjes geen onbekende, want in hare tent hield
zijne moeder zich op, zoo vaak zij in Thebe kwam. Een van de vroolijkste
riep daarom: »Ge zijt grooter geworden sedert uw laatste bezoek,
kleintje!”
»Gij ook,” haastte Nemoe zich te antwoorden, »maar alleen wat je mond
aangaat.”
»En je zijt zoo ondeugend als je klein zijt,” zeide het meisje op haar
beurt.
»Dan beteekent mijne boosheid niet veel,” hernam de dwerg lachend, »want
ik ben bijzonder klein en laag bij den grond. Heil u, meisjes! Besa
helpe u bij uw toilet! Wees gegroet, moeder. Gij hebt mij laten roepen?”
De oude knikte; de dwerg ging naast haar op de kist zitten en zij
begonnen zamen te fluisteren.
»Wat ziet ge er stoffig en vermoeid uit,” zeide Hekt. »Ik begin waarlijk
te gelooven, dat ge in de brandende zonnehitte te voet zijt uitgegaan.”
»Mijn ezel is dood,” antwoordde Nemoe, »en ik heb geen geld om zulk een
rijdier te huren.”
»Een fraai begin voor uwe toekomstige heerlijkheid,” grinnikte de oude.
»Wat hebt gij nu gedaan?”
»Paäker heeft ons gered,” antwoordde de dwerg, »en ik kom juist terug
van een lang gesprek met den stadhouder.”
»Welnu?”
»Hij zal uw vrijbrief vernieuwen, wanneer gij den gids in zijne handen
levert.”
»Goed, heel goed! Ik zou wel wenschen dat hij besloot mij op te zoeken,
natuurlijk verkleed; ik kon dan....”
»Hij is bang, en wanneer ik hem zoo iets onuitvoerbaars wilde aanraden,
zou hij het niet slim overleggen.”
»Hm,” bromde de oude, »ge kunt misschien gelijk hebben; want wie
dikwijls wat te vragen heeft, mag niet meer vorderen dan men geven kan.
Een onbeschaamd verlangen beneemt een goedgunstig gever dikwijls den
lust om een verzoek in te willigen. Nu, we zullen zien, we zullen zien.
Wat is er verder gebeurd?”
»Het leger van den stadhouder heeft de Ethiopiërs geslagen en brengt
rijke schatten naar Thebe.”
»Daar kan men de lieden mede koopen,” prevelde de oude. »Goed, goed!”
»Paäkers zwaard is geslepen. Ik geef voor het leven van mijn meester
niet meer dan ik in mijn zak heb, en ge weet waarom ik te voet door het
stof hierheen gekomen ben.”
»Nu kunt gij ten minste terugrijden,” antwoordde Hekt, terwijl ze den
kleine een zilveren ringetje gaf. »Heeft de gids uwe meesteres Nefert
wedergezien?”
»Er zijn zonderlinge dingen gebeurd,” zeide de dwerg, die hierop
aan zijne moeder vertelde, wat er tusschen Katoeti en Nefert was
voorgevallen. Nemoe was een goede luistervink, want van het gehoorde had
hij geen woord vergeten.
De oude luisterde met gespannen opmerkzaamheid. »Zie, zie!” prevelde
zij, toen Nemoe zweeg. »Dat is dan toch ook eens iets ongewoons. Wat er
soms in een mensch omgaat ziet er even walgelijk uit, hetzij hij in een
paleis of in eene hut woont. De moeders zijn allen als de apen, zij
laten zich met welgevallen ten doode kwellen door hare kinderen, die er
haar waarlijk niet dankbaar voor zijn, en de vrouwen zijn gewoon hare
oogen wijd te openen, wanneer men haar van het slechte leven harer
echtgenooten vertelt. Doch met uwe meesteressen is het iets anders!”
Hekt zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en vervolgde: »Wel
beschouwd laat zich ook dit zeer eenvoudig verklaren, en het is niet
vreemder dan het gapen der vermoeide deernen daarginds. Gij hebt mij
eens verteld, dat het zoo’n trotsch gezicht was, moeder en dochter
naast elkander op den wagen te zien staan, wanneer zij naar feesten en
panegyriën[175] rijden. Katoeti, zeidet ge, droeg dan ook zorg, dat er
overeenstemming was tusschen de kleuren van haar gewaad en de bloemen
in haar kapsel. Voor welke van beide wordt bij zulke gelegenheden de
kleeding het eerst gekozen?”
[175] Feestverzamelingen met daaraan verbonden jaarmarkten.
»Altijd voor meesteres Katoeti, die niet afgaat van zekere bepaalde
kleuren,” antwoordde Nemoe haastig.
»Ziet gij,” zeide de heks met een lachje, »dat moet zoo zijn. Deze
moeder denkt altijd het eerst aan zichzelve, en aan dingen die zij zich
ter bereiking heeft voorgesteld. Doch die hangen hoog, en dan treedt zij
op alles wat zij bij de hand heeft, zelfs op haar kind, om ze te kunnen
grijpen. Zij stuurt Paäker op den hals van Mena, zoo waarachtig als mijn
oor suist. Want die vrouw zou in staat zijn voor de oogen harer dochter
mora-spel te spelen[176], en haar aan dien lammen hazewind daar uit te
huwen, wanneer ze langs dien weg hare eerzuchtige plannen bereiken kon.”
[176] Zie boven, blz. 45.
»Maar Nefert?” vroeg de kleine. »O, gij hadt haar moeten zien. Het
duifje was eene leeuwin geworden.”
»Omdat zij Mena liefheeft, gelijk haar moeder zichzelve,” antwoordde de
oude. »De dichters zouden zeggen: ‚zij is vol van hem.’ Dat is op haar
volkomen van toepassing. Er blijft geen plaats over voor iets anders.
Zij wil maar éen ding bezitten, en wee hem die het durft aan te tasten!”
»Ik heb ook wel verliefde vrouwen gezien,” zeide Nemoe, »maar....”
»Maar,” herhaalde de oude, en lachte daarbij zoo hard, dat de deernen
zich omkeerden. »Maar die zetten een heel ander gezicht dan uwe
meesteres Nefert, niet waar? Dat wil ik wel gelooven, en onder duizenden
is er niet éene zoo door deze ziekte aangegrepen, die vlijmender smarten
veroorzaakt dan Koeschitisch pijlenvergif in eene opene wond, die
sneller om zich grijpt dan de vlam, en moeielijker te genezen is dan de
tering, waaraan dat hoestende meisje ginds sterven zal. Hij wien deze
kweldemon beheerscht is ellendiger dan een verdoemde, of ook....” en bij
deze woorden daalde haar stem ― »gelukzaliger dan de goden, zooveel er
maar zijn. Ik weet dat alles ― alles, want ook ik was eene bezetene
onder de duizend. En nu, heden....”
»Nu?” vroeg de dwerg.
»Gekheid!” mompelde de heks, en zij rekte zich uit, alsof zij uit den
slaap ontwaakte. »Onzin! Hij, op wien ik doel, is sedert lang gestorven.
En al ware het niet zoo, het is mij onverschillig. Alle mannen gelijken
op elkander, en Mena zal wel niet verschillen van de overigen.”
»De gids Paäker wordt toch zeker door den demon beheerscht, dien gij
daar geschilderd hebt?” vroeg de kleine.
»’t Kan zijn,” antwoordde de oude; »maar hij zal eigenzinnig blijven, op
gevaar af van krankzinnig te worden. Op dit oogenblik zou hij zijn leven
wagen, om te bereiken wat hem ontzegd is. Als uwe meesteres Nefert zijne
vrouw was, mogelijk zou hij dan wat tot bedaren komen. ― Maar waartoe
al die praatjes! Ik moet nog daarginds in de gouden tent zijn, waar
thans alles bijeen is wat geld in den buidel heeft, om met de waardin
te spreken....”
»Wat wilt gij van haar?” vroeg Nemoe.
»De kleine Warda aan de overzijde,” luidde het antwoord, »zal weldra
geheel hersteld zijn. Gij hebt haar ook weer gezien. Is zij niet schoon
geworden, buitengewoon schoon? Nu wil ik zien wat de waardin mij biedt,
wanneer ik haar dat kind lever. Zij is met de voeten zoo vlug als eene
gazel, en wanneer zij goed wordt geoefend, kan zij den dans in weinige
weken leeren.”
Nemoe verbleekte, en zeide zonder aarzelen: »Dat zult gij niet doen!”
»Waarom niet,” vroeg de oude; »wanneer er goed wat mede te verdienen
is?”
»Wijl ik het u verbied,” fluisterde de dwerg met heesche stem.
»Kijk nu eens aan!” sprak de tooveres lachend. »Gij moest mijne Nefert
zijn, dan zou ik voor hare moeder Katoeti spelen! Maar in ernst
gesproken; hebt gij de kleine weergezien en begeert gij haar voor
uzelven?”
»Ja,” antwoordde Nemoe. »Als wij ons doel bereiken, laat Katoeti
mij vrij en maakt ze mij rijk. Dan koop ik van buurman Pinem zijne
kleindochter en neem haar tot vrouw. Ik bouw een huisje voor ons in de
nabijheid van het gerechtshof, en sta den aanklagers en aangeklaagden
met mijn raad ter zijde, gelijk de gebochelde Sent, die thans op zijn
eigen wagen door de straten rijdt.”
»Hm,” zeide de oude. »Dat zou nog zoo kwaad niet zijn, maar misschien is
het te laat. Het meisje sprak in hare ijlende koorts van den priester
uit het Seti-huis, die haar op bevel van Ameni bezocht. Dat is een
deftig jongman, die zeker veel belang in haar stelt. Hij is de zoon van
een hovenier, zij noemen hem Pentaoer.”
»Pentaoer?” vroeg de kleine, »Pentaoer? Deze heeft geheel de trotsche
houding en het aangezicht van den gestorven Mohar en wil de hoogte in.
Maar zij zullen hem spoedig den hoogmoedigen nek breken.”
»Des te beter,” hernam de oude. »Warda zou eene beste vrouw voor je
zijn. Zij is goed en bescheiden; en men kan niet weten....”
»Wat?” vroeg de dwerg.
»Wie hare moeder is geweest. Want zij is geene van de onze. Zij is uit
den vreemde hierheen gekomen, en men heeft een edelgesteente bij haar
gevonden met zonderling schrift. Zoodra zij de uwe is, moeten wij het
aan de krijgsgevangenen laten zien, want misschien weet een hunner de
vreemdsoortige letterteekens te verklaren. Zij is van goeden huize, dat
weet ik zeker, want Warda is het sprekend evenbeeld harer moeder, en
reeds toen zij ter wereld kwam, zag zij er uit als een kind van een
aanzienlijke. ― Lacht gij daarom, gek? Duizend zuigelingen zijn door
mijne handen gegaan, en al brengt men ze in lompen gewikkeld tot mij,
zoo weet ik toch te onderscheiden, of hunne ouders tot de grooten of
tot de kleinen in den lande behooren. De bouw van den voet en andere
kenteekenen verraden het dadelijk. ― Warda mag nu blijven waar zij is,
ik zal u helpen. Zoodra er zich iets nieuws opdoet, laat het mij weten.”