Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene
metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg,
of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.
»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het
antwoord.
»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.
De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de
galerij binnen.
»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op
haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier,
Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”
De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier,
gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te
bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu,
wij hebben elkaar alleen te spreken.”
Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare
moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en
zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af:
»Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.”
Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare
handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de
witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar
met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten
streelen.
De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot
hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te
bespreken.”
»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de
vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”
»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van
den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft.
»Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”
»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje
kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.
De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene
schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den
indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind,” zuchtte zij,
»hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens
hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die
kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”
»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste
niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden
onder het geluksteeken. In den Besa-tempel[162] raadpleegde ik het
orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel
verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief
van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond
hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de
granaten in uw haar stonden u niet.”
[162] Zie boven, bl. 28.
»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter
verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”
»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.
»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te
winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”
»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning
moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij
hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die
hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de
lichtzinnigheid van een dollen jongen. ― Ja stellig, ik schrijf hem!”
Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof
deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller
te bewegen.
Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare
dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene
berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds
geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons
dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te
zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”
»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het,
moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om
mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”
De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop.
Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich
door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind
nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje[163], hoe goed men is voor uwe kleine
meesteres?”
[163] Bij de Egyptenaars heette de kat: Maoe.
Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer
dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken,
wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang
opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en
moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij
onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw
echtgenoot u....”
»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller
begon adem te halen.
Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht,
gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger
had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart
zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming:
»Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u
waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon,
alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk
lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van
de trouw, en Mena heeft....”
»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en
daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.
»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de
trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten
getreden....”
»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij
onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.
»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft,
dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone
dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die
eerlooze schelm!”
»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste
woorden harer moeder herhaalde.
Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht,
lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans
onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin.
Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met
buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de
hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de
binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel,
wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke
lippen hare moeder tegemoet.
»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten zichzelve
van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem
dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”
Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken:
»Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte
jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”
»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal
ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die
zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven,
nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man
zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat
postament daar Mena’s tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de
schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en
al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen,
gelijk ik nu lach, en zeggen: ‚Wie weet wat hij die schoone daar binnen
te geven of te berichten heeft,’ en ik zou geen oogenblik twijfelen aan
zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis
ontrouw geworden[164], maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend
vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”
[164] Plutarchus, Isis en Osiris, c. 14.
»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde Katoeti
bitter, »maar laat mij de mijne.”
»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van
verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man,
die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste
en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem
een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat
handelen!”
»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”
»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede,
»maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn
erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren.
Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over
nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze
schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van
dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard
zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men
zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging,
blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet
verlaten, gij of ik....”
Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp
zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de
kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.
Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering
voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit
eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was
Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare
kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder,
sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en
fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe
arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet
overvloeien.”
Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek.
Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers
van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in
zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan
men zich het ergste heeft voorgesteld!”
Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat
zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste
zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen
verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de
voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord
liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan
alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld
op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild
voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles
onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is
haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die
tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een
hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. ― Mijn geliefd
kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter.”
Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste
vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en
de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den
draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en
de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.
»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.
»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken
over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is
dat?”
»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet
verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt[165], het is beter als gij
het nog niet te weten komt.”
[165] Misschien om zijne pygmeën-gestalte.
»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. »Ga nu tot
Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo....
zoo ―, maar ach wat heb ik nog weg te geven, ― zoo zal ik u dankbaar
zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak
u rijk.”
Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel
zijn?”
»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik
heb maar éen wensch.”
»En die is?”
»Paäker in Mena’s plaats te zien.”
»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de
galerij.
Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij
het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan....
dan. ― Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”