VIERDE HOOFDSTUK.

Zoodra Paäker achter de struiken verdwenen was, sloeg Katoeti op eene

metalen schijf. Dadelijk verscheen er eene slavin, aan welke zij vroeg,

of Nefert al uit den tempel was teruggekeerd.

»Haar draagstoel hield zooeven stil bij de achterpoort,” luidde het

antwoord.

»Ik wacht haar hier,” beval de weduwe.

De slavin verwijderde zich en eenige minuten later kwam Nefert de

galerij binnen.

»Gij hebt mij geroepen,” zeide zij, na hare moeder gegroet en zich op

haar rustbed nedergevlijd te hebben. »Ik ben moede. Neem den waaier,

Nemoe, en weer de vliegen van mij af!”

De dwerg zette zich voor haar op een kussen neder en begon den waaier,

gevormd door struisvederen in een halvemaan gerangschikt, op en neder te

bewegen. Doch Katoeti belette hem voort te gaan, zeggende: »Laat dat nu,

wij hebben elkaar alleen te spreken.”

Nemoe haalde de schouders op en stond weder op. Nefert zag echter hare

moeder aan met een blik, waaraan deze geen weerstand kon bieden, en

zeide op zulk een weeken toon, als hing er haar geluk of ongeluk van af:

»Laat hem begaan. De vliegen hinderen mij zoo. Nemoe kan toch zwijgen.”

Daarbij vatte zij het groote hoofd van den kleinen man tusschen hare

handen, alsof het de kop van een schoothondje was. Toen riep zij de

witte kat, die met een sierlijken sprong op haar schouder wipte, en daar

met gekromden rug bleef staan, om zich door hare zachte vingers te laten

streelen.

De dwerg zag zijne meesteres vragend aan; maar deze richtte zich tot

hare dochter en zeide met nadruk: »Ik heb hoogernstige dingen met u te

bespreken.”

»Zoo?” vroeg de vrouw van Mena. »Maar ik kan mij toch niet door de

vliegen laten steken. Nu dan, wanneer gij het verlangt....”

»Laat Nemoe dan blijven,” zeide Katoeti, en er lag in haar stem iets van

den toon, waarop eene kindermeid een ongezeglijk kind zijn zin geeft.

»Hij weet bovendien waarover wij te spreken hebben.”

»Ziet gij wel!” hernam Nefert, terwijl zij den kop van haar wit katje

kuste en den dwerg den waaier weder in de hand gaf.

De weduwe zag hare dochter met oprecht medelijden aan, kwam hare eene

schrede nader, en gevoelde zich voor de duizendste maal verrast door den

indruk van hare buitengewone bekoorlijkheid. »Arm kind,” zuchtte zij,

»hoe gaarne zou ik u het schrikkelijke besparen, dat gij toch eens

hooren, eens ondervinden moet. Laat nu dat kinderachtige spel met die

kat; ik heb u dingen mede te deelen van vreeselijken ernst.”

»Spreek het maar uit,” antwoordde Nefert; »heden vrees ik ook het ergste

niet. Mena’s gesternte, heeft de Horoscoop mij gezegd, stond midden

onder het geluksteeken. In den Besa-tempel[162] raadpleegde ik het

orakel en vernam, dat het mijn man goed ging. Mijne ziel is geheel

verruimd door mijne gebeden. Spreek slechts; ik weet het reeds: de brief

van mijn broeder uit het leger behelsde niets goeds. Eergisteren avond

hebt gij geweend, en gisteren zaagt ge er zoo slecht uit. Zelfs de

granaten in uw haar stonden u niet.”

[162] Zie boven, bl. 28.

»Uw broeder,” sprak Katoeti al zuchtend, »veroorzaakt mij bitter

verdriet, en wij zouden door hem tot eerloosheid zijn vervallen....”

»Wij? Tot eerloosheid?” vroeg Nefert en greep angstig naar haar katje.

»Uw broeder verloor bij het spel ongehoorde sommen; om ze terug te

winnen, verpandde hij de mummie zijns vaders....”

»Verschrikkelijk!” riep Nefert. »Dan zullen wij ons tot den koning

moeten wenden! Ik zelve zal hem schrijven, en om Mena’s wil zal hij mij

hooren. Ramses is groot en edel, en hij zal eene geheele familie, die

hem zoo trouw aanhangt, niet tot schande laten vervallen, door de

lichtzinnigheid van een dollen jongen. ― Ja stellig, ik schrijf hem!”

Dat alles zeide zij op een toon van het kinderlijkst vertrouwen. Alsof

deze aangelegenheid was afgedaan, beval zij Nemoe den waaier wat sneller

te bewegen.

Verbazing en ontevredenheid over de onnatuurlijke kalmte van hare

dochter, voerden strijd in het hart van Katoeti. Doch zij hield eene

berisping op hare lippen terug, en zeide gelaten: »Wij zijn reeds

geholpen, want mijn neef Paäker, zoodra hij vernomen had welk gevaar ons

dreigde, bood zijne hulp aan, vrijwillig, zonder daartoe aangezocht te

zijn, uit de goedheid van zijn hart en uit trouwe gehechtheid.”

»Die goede Paäker!” riep Nefert. »Hij had mij zoo lief, en gij weet het,

moeder, hoe ik hem altijd verdedigd heb. Ongetwijfeld heeft hij thans om

mijnentwil zoo grootmoedig gehandeld.”

De jonge vrouw zeide dit lachend, en vatte haar katje weder bij den kop.

Zij hield het koele snoetje van het beest tegen haar neus, liet zich

door zijne groene oogen aanstaren en zeide, de spraak van een kind

nadoende: »Ziet gij wel, Miauwtje[163], hoe goed men is voor uwe kleine

meesteres?”

[163] Bij de Egyptenaars heette de kat: Maoe.

Katoeti voelde zich opnieuw beleedigd door dat kinderlijk spel harer

dochter en zeide: »Ik dacht dat gij niet zoudt spelen en gekheid maken,

wanneer ik zulke ernstige dingen met u bespreek. Ik heb reeds lang

opgemerkt, dat het lot van het huis, waartoe gij van vaders- en

moederszijde behoort, u onverschillig is geworden, en toch zult gij

onder mijn dak bescherming en liefde moeten zoeken, wanneer uw

echtgenoot u....”

»Welnu, moeder?” vroeg Nefert, terwijl zij zich oprichtte en sneller

begon adem te halen.

Zoodra Katoeti bespeurde dat haar kind in beweging werd gebracht,

gevoelde zij er berouw over, dat zij hare mededeeling niet voorzichtiger

had ingeleid. Want zij had hare dochter lief en wist dat zij haar hart

zou wonden. Daarom ging zij voort, op een toon van innige deelneming:

»Al schertsend hebt ge u zoo even beroemd, dat de menschen goed voor u

waren, en dat is waar. Gij verovert de harten geheel door uw persoon,

alleen door te zijn zoo als gij zijt. Mena heeft u zeker ook hartelijk

lief gehad, maar de scheiding, zegt het spreekwoord, is de vijandin van

de trouw, en Mena heeft....”

»Wat heeft Mena?” viel Nefert andermaal hare moeder in de rede, en

daarbij trilden de vleugels van haar fijnen neus.

»Mena heeft,” ging Katoeti op vasten en verontwaardigden toon voort, »de

trouw en achting, die hij u verschuldigd was, geschonden en met voeten

getreden....”

»Mena?” vroeg de jonge vrouw met vlammende oogen. Zij wierp de kat vrij

onzacht op den grond, en sprong van haar rustbed op.

»Ja, hij!” zeide Katoeti, zonder te aarzelen. »Uw broeder schrijft,

dat hij als aandeel in den buit geen zilver of goud, maar de schoone

dochter van den vorst der Danaërs in zijne tent heeft genomen; die

eerlooze schelm!”

»Die eerlooze schelm!” riep Nefert, terwijl zij nog eens de laatste

woorden harer moeder herhaalde.

Katoeti ging met schrik een paar schreden achteruit, want haar zacht,

lijdelijk, kinderachtig dochtertje stond daar vóor haar bijkans

onkenbaar veranderd. Zij zag er uit als een wonderschoone wraakgodin.

Hare oogen fonkelden, haar adem was gejaagd, hare leden beefden, en met

buitengewone kracht en behendigheid greep zij den dwerg Nemoe bij de

hand, sleepte hem naar eene der deuren die toegang verleenden tot de

binnenvertrekken, rukte haar open, duwde den dwerg over den drempel,

wierp de deur achter hem in ’t slot, en trad daarop met doodsbleeke

lippen hare moeder tegemoet.

»Een eerloozen schelm hebt gij hem genoemd?” riep zij, buiten zichzelve

van toorn, met eene gedempte heesche stem. »Een eerlooze schelm! Neem

dat woord terug, moeder! Neem het terug, of....”

Katoeti werd al bleeker en bleeker, en zeide, om het wat goed te maken:

»Dat woord mag hard klinken, maar hij heeft toch zijne trouwbelofte

jegens u verbroken en u openlijk beschimpt.”

»En dat zal ik gelooven?” hernam Nefert met een honenden lach. »Dat zal

ik gelooven, omdat de schandelijke jongen dat geschreven heeft, die

zijns vaders mummie en de eer zijner familie verdobbelde; gelooven,

nu de ware echte schelm het vertelt, dien een oorveeg van mijn man

zou dooden? Zie mij aan, moeder! Dat zijn mijne oogen! En al ware dat

postament daar Mena’s tent, en al waart gij Mena, en al leiddet gij de

schoonste aller vrouwen aan de hand en sleeptet haar in uw verblijf, en

al zagen deze mijne oogen het een en andermaal, dan zou ik toch lachen,

gelijk ik nu lach, en zeggen: ‚Wie weet wat hij die schoone daar binnen

te geven of te berichten heeft,’ en ik zou geen oogenblik twijfelen aan

zijne trouw. Want uw zoon is valsch en Mena is oprecht. Osiris is Isis

ontrouw geworden[164], maar Mena mag de gunsteling zijn van duizend

vrouwen, in zijne tent zal hij geen andere nemen dan mij.”

[164] Plutarchus, Isis en Osiris, c. 14.

»Blijf dan bij deze uwe overtuiging, zoo gij wilt,” antwoordde Katoeti

bitter, »maar laat mij de mijne.”

»De uwe?” vroeg Nefert, en haar wangen, zooeven rood van

verontwaardiging, werden weder bleek. »Wat gelooft gij dan? Van den man,

die u met weldaden heeft overladen, hoort gij allerliefst het slechtste

en gemeenste! Hij zou een schurk zijn? Foei, moeder! Hoe kunt gij hem

een eerloozen schelm noemen, die u met zijn goed naar welgevallen laat

handelen!”

»Nefert!” riep Katoeti gejaagd. »Ik zal....”

»Doe wat gij wilt,” viel de beleedigde vrouw hare moeder in de rede,

»maar werp geen smet op den grootmoedigen man, die u niet belette zijn

erfdeel ter wille van uw zoon en uwe eerzucht met schulden te bezwaren.

Sedert eergisteren weet ik, dat wij niet rijk zijn. Ik heb er over

nagedacht en mij afgevraagd, waar dan onze koeien en runderen, onze

schapen en de inkomsten van onze pachters gebleven zijn. Het erfdeel van

dien schelm was u niet te slecht! Maar dit zeg ik u: ik zou niet waard

zijn de gade van den edelen Mena te heeten, wanneer ik duldde, dat men

zijn naam onder zijn eigen dak belastert. Blijf bij uwe overtuiging,

blijf er bij; doch weet dat dan een van ons beiden dit huis moet

verlaten, gij of ik....”

Bij deze laatste woorden barstte Nefert in hevig snikken uit. Zij wierp

zich voor haar rustbed op de knieën, verborg haar aangezicht in de

kussens en snikte zonder te kunnen ophouden.

Katoeti stond achter haar als verpletterd en radeloos. Eene huivering

voer door al hare leden. Was dat haar zacht en droomerig kind? Had ooit

eene dochter gewaagd zóo tegen hare moeder te spreken? Was zij of was

Nefert in haar recht: Deze vraag drong haar als met onweerstaanbare

kracht naar het rustbed. Zij knielde naast de jonge vrouw neder,

sloeg den arm om haar hals, drukte haar hoofd tegen dat van Nefert en

fluisterde smeekend: »Kind, wat zijt gij hard en wreed! Vergeef uwe

arme beklagenswaardige moeder, en doe de maat harer ellende niet

overvloeien.”

Nefert stond op, kuste hare hand en ging zwijgend naar haar vertrek.

Katoeti bleef alleen staan. Het was haar alsof de ijskoude vingers

van eene doode hand haar hart omklemden, en zij fluisterde zacht in

zichzelve: »Ani heeft gelijk! Alleen dat keert zich ten goede, waarvan

men zich het ergste heeft voorgesteld!”

Zij bracht de hand aan het voorhoofd, als kon zij niet gelooven, wat

zij zich onmogelijk had kunnen voorstellen. Eene stem in haar binnenste

zeide, dat zij hare dochter volgen moest. Doch in plaats van dit te doen

verzamelde zij al haar moed, om nog eens alles, wat Nefert haar voor de

voeten had geworpen, in haar geheugen terug te roepen. Geen enkel woord

liet zij zich ontgaan, en toen zij ten einde was, prevelde zij: »Zij kan

alles verijdelen. Ter wille van Mena offert zij mij en de geheele wereld

op. Mena en Ramses zijn éen, en als zij bemerkt wat wij in het schild

voeren, dan verraadt zij ons ongetwijfeld. Tot hiertoe geschiedde alles

onder haar oog, zonder dat zij er iets van gewaar werd, maar heden is

haar een licht opgegaan; een oog, een mond, een oor zijn geopend, die

tot dusverre gesloten waren. Het is haar gegaan als den stomme, wien een

hevige schrik plotseling het spraakvermogen teruggeeft. ― Mijn geliefd

kind zal mijne bewaakster worden en mijn rechter.”

Deze laatste woorden sprak zij niet uit, maar het oor in haar binnenste

vernam ze. Omdat zij de stem, die haar dit toefluisterde, vreesde en

de eenzaamheid haar beangstigde, riep zij den dwerg, en beval hem den

draagstoel gereed te laten maken, daar zij den tempel wilde bezoeken en

de gewonden, die uit Syrië herwaarts waren gezonden.

»En het doek van den stadhouder?” vroeg Nemoe.

»Was een voorwendsel” antwoordde Katoeti. »Hij verlangt u te spreken

over hetgeen gij zegt omtrent Paäker te weten gekomen te zijn. Wat is

dat?”

»Vraag het mij niet,” bad de kleine man; »ik mag het waarlijk niet

verraden. Bij Besa, die ons dwergen beschermt[165], het is beter als gij

het nog niet te weten komt.”

[165] Misschien om zijne pygmeën-gestalte.

»Ik heb heden al nieuws genoeg vernomen,” hernam Katoeti. »Ga nu tot

Ani, en wanneer het u gelukt hem Paäker geheel over te leveren, zoo....

zoo ―, maar ach wat heb ik nog weg te geven, ― zoo zal ik u dankbaar

zijn. En wanneer wij ons doel bereikt hebben, dan laat ik u vrij en maak

u rijk.”

Nemoe kuste haar gewaad en vroeg fluisterend: »En wat zal het doel

zijn?”

»Gij weet wat Ani najaagt,” antwoordde de weduwe. »Wat mij betreft, ik

heb maar éen wensch.”

»En die is?”

»Paäker in Mena’s plaats te zien.”

»Aldus ontmoeten onze wenschen elkander,” sprak de dwerg, en verliet de

galerij.

Katoeti zag hem na en prevelde: »Het moet zoo zijn! Want als alles bij

het oude blijft, en Mena terugkeert en rekenschap vraagt, dan....

dan. ― Neen de gedachte is niet uit te staan; het mag niet gebeuren!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 27 / 58 题