Terwijl de beide vrienden uit het Seti-huis dit belangrijk onderhoud
hadden, liep vrouwe Katoeti in de opene galerij voor het huis van haar
schoonzoon, waar wij haar het eerst leerden kennen, onrustig op en neer.
Een sneeuwwit katje hield haar op deze wandeling gezelschap, nu eens
spelende met den sleep van haar eenvoudig lang gewaad, dan weder een
sprong doende naar een voetstuk, dat vroeger een zilveren beeld had
gedragen, voor weinige maanden verkocht, en waarop Nemoe zich thans had
neergezet. Hij was bijzonder op dat plaatsje gesteld, omdat het hem van
die hoogte alleen mogelijk was zijne meesteres en andere volwassene
menschen in de oogen te zien.
»O wanneer gij mij bedrogen, mij misleid hebt!” zeide Katoeti met
dreigende gebaren, toen zij zijn zetel voorbijkwam.
»Sla mij dan aan een haak en hengel met mij naar een krokodil. Ik voor
mij ben alleen nieuwsgierig, hoe hij u het geld zal aanbieden.”
»Wilt gij mij andermaal zweren,” ging zijne meesteres voort, met
koortsachtige gejaagdheid, »dat ge Paäker niet in mijn naam verzocht
hebt ons te redden?”
»Ik zweer u duizend eeden!” zeide de kleine man. »Moet ik u ons gesprek
van gisteren nog eens vertellen? Ik zeg u dat hij zelfs zijne landerijen
en zijn huis met de hooge poort zou geven, voor éen vriendelijken blik
uit Nefert’s oogen.”
»Indien Mena haar wilde lief hebben als hij!” zuchtte Katoeti, en
zwijgend zette zij hare wandeling voort, terwijl de dwerg naar den
ingang van den tuin zat te kijken. Plotseling bleef zij voor Nemoe
staan, en zeide op zulk een somberen toon, dat Nemoe eene koude rilling
door de leden voer: »Ik wenschte dat zij weduwe was.”
De dwerg maakte eene beweging met zijne hand, als moest hij zich
verbergen voor een boozen blik. Doch gelijktijdig liet hij zich van zijn
voetstuk op den grond zakken, roepende: »Daar houdt een wagen stil,
en ik hoor het zwaar geblaf van zijn dog. Hij is het! Zal ik Nefert
roepen?”
»Neen!” zeide Katoeti zacht, en greep de leuning van een stoel, als had
zij een steun noodig.
De dwerg haalde de schouders op en kroop achter een groep bladplanten
weg. Eenige minuten later stond Paäker voor zijne meesteres, die den
Mohar kalm en zich bewust van hare waardigheid ontving. Geen trek op
haar fijnbesneden gelaat verried de onrust van haar binnenste. Nadat de
gids haar begroet had, zeide zij met neerbuigende vriendelijkheid: »Ik
dacht wel dat gij komen zoudt. Neem plaats! Uw hart is gelijk aan dat
uws vaders. Nu gij u weder verzoend hebt met ons, toont gij geheel en al
een vriend te zijn.”
Paäker was gekomen, om zijne tante de geldsom aan te bieden, die zij
noodig had tot lossing van de mummie haars mans. Hij was lang met
zichzelf in strijd geweest, of hij dit niet liever aan zijne moeder zou
overlaten. Maar deels een inwendige vrees, deels zijne ijdelheid hadden
hem hiervan afgehouden. Hij pronkte zoo gaarne met zijn rijkdom, en
hij mocht Katoeti wel eens doen gevoelen wat hij vermocht en welk een
schoonzoon zij had afgewezen. Het liefst had hij het goud, dat hij
besloten had haar te schenken, dadelijk uit zijn schatkamer genomen en
het door zijne slaven voor zich uit laten dragen, gelijk de onderworpen
vorsten deden, als zij hunne schattingen brachten. Dat ging echter niet,
en daarom stak hij den grooten met een kostbaar edelgesteente versierden
ring, dien koning Seti eens aan zijn vader had geschonken aan den
vinger, en tooide hij zich met vele kleedergespen, borstspelden en
ringen. Toen hij zich alvorens zijn huis te verlaten, in den spiegel
beschouwde, zeide hij met bevrediging tot zichzelf, dat hij, zooals hij
daar stond en ging, wel zooveel waard was als het geheele erfgoed van
Mena. Sedert zijn onderhoud met den dwerg en diens uitlegging van zijn
droom, lagen de wegen, die hij ter bereiking van zijn doel te bewandelen
had, scherp afgebakend voor hem. Nefert’s moeder moest voor schande
bewaard, met goud gewonnen en Mena naar de andere wereld gezonden
worden. Tot zijne bondgenooten rekende hij vooreerst: zijne gewoonte om
zonder omzien met kracht door te tasten, hetgeen hij bij voorkeur zijne
onwankelbare vastberadenheid noemde, vervolgens de slimheid van den
dwerg Nemoe, en eindelijk den liefdedrank.
Thans naderde hij Katoeti, zeker van zijne overwinning, als een koopman,
die een kostbaar artikel gaat koopen, en weet dat hij rijk genoeg is om
het te betalen. Maar de waardige fiere houding van zijne tante bracht
hem in verwarring. Hij had gedacht haar anders, haar met een gebroken
hart en smeekende om hulp te zullen vinden. Hij had gehoopt na zijne
grootmoedige daad den dank van Nefert tegelijk met dien harer moeder te
zullen ontvangen. De schoone vrouw van Mena was echter afwezig, en
Katoeti liet haar niet roepen, ook niet nadat hij naar haar welstand had
gevraagd. De weduwe ging hem geen schrede te gemoet, en er verliep een
geruime tijd met onverschillige gesprekken, tot Paäker haar op eens
mededeelde: dat hij van de onverantwoordelijke daad haars zoons gehoord
en besloten had, haar en haar huis, als de naaste bloedverwanten zijner
moeder, voor eerloosheid te bewaren.
Katoeti hield deze lompheid voor oprechtheid, vergaf Paäker zijne thans
al zeer weinig gepaste pronkzucht, en dankte hem in waardige, maar toch
hartelijke woorden, meer nog om den wil harer kinderen dan om haar
zelve, want van genen begon het leven pas, gelijk zij zeide, dat voor
haar reeds was afgesloten.
»Gij zijt nog in uwe goede jaren,” zeide Paäker.
»Misschien in de beste,” antwoordde de weduwe, »ten minste voor mij, die
het leven als eene taak, eene zware taak beschouw.”
»Het besturen van een goed, met zooveel schulden bezwaard, zal u
zorgvolle uren geven, dat geloof ik wel.”
Katoeti boog toestemmend het hoofd en zeide treurig: »Dat alles zou
nog wel te dragen zijn, wanneer ik niet gedoemd ware het arme kind
jammerlijk te zien verkwijnen, zonder het te kunnen helpen of raden. Er
was een tijd, dat gij haar gaarne tot uwe vrouw zoudt hebben gehad, en
nu vraag ik u: was er in Thebe, ja in geheel Egypte een meisje, dat haar
in schoonheid evenaarde? Was zij waard bemind te worden, en is zij het
nog niet? Verdient zij, dat haar echtgenoot haar eenzaam laat gebrek
lijden, dat hij haar geheel veronachtzaamt en, als had hij haar
verstooten, eene vreemde vrouw in hare plaats in zijn tent neemt? ― Ik
lees op uw gelaat wat gij denkt. Gij schuift de schuld van al het
gebeurde op mij. Uw hart vraagt: ‚Waarom hebt gij de verloving
verbroken?’ En uw oprechte zin antwoordt: dat gij haar een beter lot
zoudt hebben bereid.”
Bij deze woorden vatte de weduwe de hand van haar neef en ging met
klimmende warmte voort: »Heden hebben wij u leeren kennen als den
grootmoedigsten man in Thebe, want het onvergeeflijk onrecht u
aangedaan, hebt gij met ongehoorde weldaden vergolden. Als knaap reeds
waart gij ons lief en waard. De wensch uws vaders, die jegens ons als
een liefderijk broeder gehandeld heeft zoolang hij leefde, is mij heilig
en dierbaar geweest, en liever had ik mijzelve dan uwe goede moeder,
mijne zuster, smarten veroorzaakt. Ik bewaarde mijn kind en voedde het
op met alle zorgvuldigheid voor den jongen held, die in het verre Azië
zijne dapperheid toonde, voor u en u alleen. Daar stierf uw vader, en ik
verloor in hem mijn raadsman, mijn beschermer.”
»Ik weet alles,” viel Paäker haar in de rede en zag somber naar den
grond.
»Wie kan het u dan verteld hebben?” vroeg de weduwe. »Want uwe moeder
heeft, nadat gebeurd was wat niemand had kunnen gelooven, mij haar huis
verboden en haar oor voor mij gesloten. De koning zelf deed aanzoek voor
Mena, die hem nader aan het hart ligt dan zijn zoon. Toen ik sprak van
uwe oudere rechten, toen =beval= hij, en wie zou het wagen zich te
verzetten tegen de bevelen van den heer van beider werelden, den zoon
van den zonnegod? Koningen vergeten zoo spoedig! Hoe dikwijls stelde uw
vader zijn leven voor hem in de waagschaal; hoevele wonden werden hem
geslagen in zijn dienst! Om den wil uws vaders had hij u zulk een smaad,
zulk een leed moeten sparen.”
»En heb ikzelf hem ook gediend, of niet?” vroeg Paäker, en zijne wangen
kleurden zich donkerrood.
»Hij kende u nog weinig,” antwoordde Katoeti op verontschuldigenden
toon. Daarop gaf zij weder eene andere buiging aan haar stem, en
vroeg deelnemend: »Waarmede hebt gij in die dagen, ― gij waart nog zoo
jong, ― toch zijne ontevredenheid gaande gemaakt, zijn afkeer, ja
zijne....”
»Wat?” vroeg de gids, en hij beefde over al zijne leden.
»Zwijgen wij daarover,” ging de weduwe voort, om het zooeven gezegde te
vergoeilijken. »De genade en ongenade eens konings zijn gelijk aan die
der godheid. Men mag er zich in verheugen of men moet er zich voor
buigen.”
»Waardoor dan toch heb ik Ramses reden gegeven tot ontevredenheid en
afkeer? Ik wil het weten!” riep Paäker, met klimmende heftigheid.
»Gij maakt mij bang,” zeide de weduwe, trachtende hem neer te zetten.
»Misschien stelde hij zich met uwe vernedering wel ten doel zijn
gunsteling in Nefert’s oogen te verheffen.”
»Wat heeft hij gezegd?” riep de gids weder, en het klamme zweet droop
hem van het bruine voorhoofd. Men zag niet anders dan het wit zijner
rollende oogen.
Katoeti week voor hem terug, maar hij achtervolgde haar, greep haar aan
en vroeg met heesche stem: »Wat heeft hij gezegd?”
»Paäker,” zeide de weduwe op klagenden en verwijtenden toon, »laat mij
los! Het is in uw eigen belang, dat ik de woorden verzwijg, waarmede
Ramses trachtte Nefert’s hart van u afkeerig te maken. Laat mij los, en
bedenkt met wie gij spreekt!”
Doch Paäker omklemde haar arm te vaster met zijn hand, en herhaalde
zijne vraag telkens dringender.
»Schaam u!” riep Katoeti. »Gij doet mij pijn. Laat mij los! ― Gij wilt
niet, voor dat gij weet wat hij zeide! Welaan uw wil zal geschieden.
Maar enkel gedwongen komen deze woorden over mijne lippen. Hij zeide
dat, indien hij niet wist dat uwe moeder Setchem eene brave vrouw was,
hij u niet voor een zoon uws vader zou houden, daar gij hem zoo weinig
gelijkt als een uil een adelaar.”
Paäker liet oogenblikkelijk de hand van de arme weduwe los, en zijne
bleeke lippen prevelden: »Zoo ― zoo ― ― ―”
»Nefert heeft u verdedigd, en ik deed het met haar, doch vruchteloos.
Weeg dat harde woord niet te zwaar. Uw vader was een man zonder wederga,
en Ramses vergeet niet, dat wij verwant zijn aan het oude koningshuis.
Zijn grootvader, zijn vader en hij zijn parvenu’s en er leeft nog
iemand, die beter aanspraak kan doen gelden op den troon der pharao’s
dan hij.”
»De stadhouder Ani!” zeide Paäker met vaste stem.
Katoeti gaf een teeken van toestemming, naderde den gids en zeide zacht:
»Ik geef mij in uwe handen, ofschoon ik weet dat gij ze tegen mij
opheffen kunt. Gij zijt echter mijn natuurlijke bondgenoot; want
dezelfde daad van Ramses, die u onteerde, heeft mij deelgenoote gemaakt
van de plannen des stadhouders. U heeft de koning eene bruid, mij eene
dochter ontstolen; uw ziel heeft hij met haat vervuld jegens den
overmoedigen medeminnaar, mij goot hij vuur in het hart over het
verloren levensgeluk van mijn kind. Ik gevoel iets van Hatasoe’s bloed
in mijne aderen en mijn geest is sterk genoeg om mannen te besturen. Ik
was het, die den nog sluimerenden wensch in de borst van den stadhouder
deed ontwaken, die zijne oogen op den troon richtte, waarvoor de goden
hem bestemd hebben. De dienaars der hemelsche goden, de priesters, zijn
ons genegen. Wij hebben...”
Op dit oogenblik kwam er beweging in den tuin. Een slaaf stoof buiten
adem den voorhof binnen en riep: »De stadhouder houdt stil voor de
poort!”
Paäker stond als bedwelmd, doch spoedig kwam hij tot bezinning en wilde
zich verwijderen. Katoeti hield hem echter terug, zeggende: »Ik ga Ani
te gemoet; hij zal zich verblijden u te zien, want hij acht u hoog en
was een vriend uws vaders.”
Nauwelijks had Katoeti de galerij verlaten, of de dwerg Nemoe trad
achter de bladplanten te voorschijn, ging vlak voor Paäker staan en
vroeg onbeschaamd: »Welnu, heb ik u gisteren goed ingelicht, of niet?”
Doch Paäker antwoordde niet; hij schoof het manneke met zijn voet op
zij, en liep peinzend op en neer.
* * * * *
Katoeti kwam den stadhouder midden in den tuin tegen. Hij hield eene
schriftrol in de eene hand en begroette haar reeds van verre met eene
beweging van de andere, waaruit genoeg bleek, dat hij eene blijde
tijding kwam brengen. De weduwe beschouwde haar vriend met bewondering;
het kwam haar voor dat hij kloeker en jeugdiger was geworden, sedert zij
hem het laatst had gezien. »Heil u,” riep zij hem half vertrouwelijk,
half eerbiedig toe, waarbij zij hare handen met ontzag voor hem ophief,
als droeg hij reeds de dubbele kroon van Opper- en Neder-Egypte. »Hebt
gij het negental goden ontmoet[158] of hebben de Hathors u in den slaap
gekust? Dit is een heldere, een geluksdag; dat lees ik in uwe trekken.”
[158] De Egyptenaars laten hunne goden gewoonlijk in groepen,
bijv. van drie (triaden) en negen, maar ook van acht, dertien
en vijftien optreden. In het sprookje van de beide broeders
verschijnen de negen goden aan den eenzamen Batoe, en scheppen
hem eene vrouw.
»Gij verstaat u op het uitleggen van schrift en teekenen!” gaf Ani
vroolijk maar tevens waardig ten antwoord. »Nu, lees dan ook deze
boodschap!”
Katoeti nam de papyrus-rol, die hij haar toereikte, doorlas den inhoud,
en gaf haar daarna terug, zeggende: »De door u uitgeruste troepen hebben
de legerscharen der verbondene Koeschiten[159] geslagen, en brengen
hunne gevangen vorsten met onmetelijke schatten en wel tienduizend
krijgsgevangenen naar Thebe! Den goden zij dank!”
[159] Ethiopiërs.
»En bovenal dank,” voegde Ani er bij, »omdat de veldheer Scheschenk,
mijn zoogbroeder en vriend, behouden en ongewond onze krijgers
terugvoert. Ik geloof, Katoeti, dat onze droombeelden heden vleesch en
bloed beginnen te krijgen.”
»Zij wassen op tot helden!” riep de weduwe. »En uzelven, mijn gebieder,
heeft de adem der godheid aangeblazen. Als een echte zoon van Ra wandelt
gij hier naast mij. De moed van Menth[160] straalt uit uwe oogen, en om
uw mond zweeft het lachje van den overwinnenden Horus[161].”
[160] De krijgsgod der Egyptenaars.
[161] Zie boven, bl. 91.
»Geduld, geduld, mijne vriendin!” sprak Ani, ten einde den ijver der
weduwe wat te matigen. »Thans is het meer dan ooit noodig vast te houden
aan mijne oude grondstelling, om de kracht van mijne tegenpartij hooger
en mijne eigene geringer te schatten, dan zij het verdienen. Nooit is
mij iets gelukt, als ik de uitkomst zeker verwachtte, veel daarentegen
wèl, waarvan ik vreesde dat het stellig mislukken zou. Wij zijn nog ter
nauwernood aan het begin van hetgeen wij hopen.”
»Maar evenals een ongeluk, zoo komt ook het goede nooit alleen,” voegde
Katoeti er bij.
»Dat ben ik volmaakt met u eens,” zeide Ani. »Ik meen opgemerkt te
hebben, dat de gebeurtenissen in het leven altijd paarsgewijze optreden.
Elk ongeluk heeft zijn metgezel, evenals elk geluk. Kunt gij mij eene
tweede overwinning berichten?”
»Vrouwen winnen geen veldslagen,” hernam de weduwe lachend, »maar zij
werven vrienden, en ik heb een machtig bondgenoot gewonnen!”
»Eene godheid of een leger?” vroeg de stadhouder.
»Iets tusschen beiden,” gaf zij ten antwoord. »Paäker, de koninklijke
gids, heeft zich aan onze zijde geschaard. Hoor!” En hierop vertelde zij
den stadhouder de geschiedenis van de liefde en den haat van haar neef.
Ani luisterde zwijgend toe en zeide toen met eene uitdrukking van onrust
en bezorgdheid: »Deze man is een dienaar van Ramses en zal weldra weder
tot hem in het leger terugkeeren. Menigeen mag onze plannen vermoeden,
maar deze nieuwe deelgenoot van ons geheim zou een verrader kunnen
worden. Gij dringt en drijft mij ontijdig voorwaarts! Duizend
weltoegeruste vijanden zijn minder gevaarlijk, dan een onzekere
bondgenoot...”
»Van Paäker kunnen wij zeker zijn,” zeide Katoeti op stelligen toon.
»Wie staat u voor hem borg?” vroeg de stadhouder.
»Hij zal geheel in uwe handen worden overgeleverd,” antwoordde Katoeti
ernstig. »Mijn slimme dwerg Nemoe weet, dat hij in het geheim een
misdaad heeft gepleegd, waarop bij de wet de doodstraf is gesteld.”
Het gelaat van den stadhouder klaarde op, nu hij op deze wijze werd
gerustgesteld. »Dat verandert de zaak,” zeide hij. »Heeft hij een moord
begaan?”
»Neen,” antwoordde Katoeti. »De dwerg heeft mij bezworen, dat hij u
en u alleen zou mededeelen wat hij weet. Gij kunt gerust op hem
staatmaken.”
»Goed goed,” zeide Ani, bedenkelijk het hoofd schuddende; »maar hij is
onvoorzichtig, veel te onvoorzichtig! Gij zijt als de ruiters, die om
eene weddenschap te winnen hun paard een sprong over lansen laten doen.
Valt het in de scherpe punten, zoo wordt dit dier het slachtoffer! Gij
laat het liggen en vervolgt uwen weg te voet.”
»Of wij worden tegelijk met het edele ros door de lansen doorboord,”
zeide Katoeti ernstig. »Gij hebt meer te winnen en daarom ook meer te
verliezen dan wij; maar ook de kleinste heeft zijn leven lief. Behoef
ik u verder te zeggen, Ani, dat ik niet voor u werk, om door u iets te
winnen, maar alleen omdat ge mij dierbaar zijt als een broeder, en
ik in u den vertegenwoordiger zie van de vertreden rechten mijner
voorvaderen?”
Ani reikte haar de hand en zeide: »Gij hebt ook met Bent-Anat als mijne
vriendin gesproken? ― Begrijp ik uw zwijgen goed?”
Katoeti boog met het hoofd, terwijl haar gelaat eene smartelijke
uitdrukking aannam. Ani zeide echter: »Gisteren zou mij dit bewogen
hebben van haar af te zien, maar heden heb ik weder moed gekregen. Als
de Hathors mij bijstaan, zal ik haar nog wel voor mij kunnen winnen!”
Na deze woorden liep hij de weduwe vooruit naar de galerij, waar Paäker
nog steeds onrustig op en neder wandelde. De gids boog zich diep
voor den stadhouder, die zijn groet met eene deels trotsche, deels
vriendelijke beweging van zijne hand beantwoordde. Toen hij zich op een
leuningstoel had nedergevleid, heette hij Paäker welkom, als den zoon
van een gestorven vriend en een bloedverwant van zijn huis. »De geheele
wereld,” zeide hij, »roemt uwe onverschrokken dapperheid. Mannen
gelijk gij zijn er niet veel, en mij ontbreken zij geheel. Ik wenschte
wel dat ge mij nader stondt. Maar Ramses zal u niet willen missen
ofschoon ― ofschoon ―. Evenwel, uw ambt is tweeledig; het vereischt
moed en vaardigheid in de schrijfkunst. Niemand betwijfelt of gij de
eerste bezit, maar wel de laatste. Het zwaard en het schrijfriet zijn
zeer verschillende wapenen; het eerste vereischt eene stevige vuist,
maar het laatste teedere vingers. De koning had vroeger op uwe berichten
nog al wat aan te merken; is hij thans beter over u tevreden?”
»Ik wil het hopen,” antwoordde de gids. »Mijn broeder Horus is een
geoefend schrijver en vergezelt mij op mijne tochten.”
»Dat is het ware!” zeide de stadhouder. »Als ik te bevelen had, dan zou
ik uwe manschappen driemaal verdubbelen: dan gaf ik u vier, vijf, zes
schrijvers mede, waarover gij onbepaald zoudt kunnen bevelen. Aan dezen
zoudt gij overvloedig stof kunnen leveren voor de berichten, die moeten
worden ingezonden. Uw ambt vordert moed en omzichtigheid, en men vindt
deze eigenschappen zelden in éen persoon vereenigd. Schrijfhelden zijn
er bij honderden in de tempels te vinden.”
»Dat denk ik ook wel,” zeide Paäker.
Ani staarde peinzend naar den grond, en zeide vervolgens: »Ramses
schijnt er bijzonder op gesteld u altijd met uw vader te vergelijken.
Dat is onbillijk, want de gezaligde was eenig in zijn soort, de
dapperste held en tegelijkertijd de fijnste schrijver. Gij wordt valsch
beoordeeld, en dat doet mij leed, ja meer dan dat, want door uwe moeder
zijt gij verwant aan mijne wel is waar arme, maar toch hoog aanzienlijke
familie. Wij zullen zien, of ik u kan stellen op de plaats, die juist
voor u het meest geschikt is. Voorloopig heeft men u in Syrië nog
noodig, later trekt gij u, omdat het niet anders zijn kan naar den wil
der eeuwige goden, op uw erfgoed terug. Gij hebt getoond een man te
zijn, die den dood niet vreest en weet te dienen, en moogt uw rijkdom
met uwe vrouw dus veilig genieten.”
»Ik heb echter geene vrouw,” zeide Paäker.
»Laat dan Katoeti,” hernam de stadhouder met een glimlach, »wanneer gij
terugkeert, het schoonste meisje in het land voor u uitzoeken. Zij ziet
dagelijks in den spiegel, en heeft dus een scherp oog voor vrouwelijke
bekoorlijkheid.”
Dit gezegd hebbende stond Ani op, groette Paäker met buitengewone
vriendelijkheid, gaf de weduwe zijne hand en zeide, terwijl hij de
galerij verliet: »Zend mij heden nog het.... ja het doek door den dwerg
Nemoe!”
Toen hij al in den tuin was, keerde hij zich nog eens om en riep Paäker
toe: »Heden avond komen eenige vrienden bij mij eten, ik noodig u uit
van de partij te zijn!”
De gids boog. Hij had een duister vermoeden, dat hij door onzichtbare
draden werd omsponnen. Tot deze ure was hij er trotsch op geweest, dat
hij zich geheel aan zijn ambt had gewijd, en als Mohar dappere daden
verricht, en nu moest hij ondervinden dat dezelfde koning, wiens
eereketen zijn hals sierde, hem minachtte, en hem misschien alleen om
zijns vaders wil in zijn moeitevol en gevaarlijk ambt duldde, hetwelk
hij vrijwillig en belangeloos op zich genomen had, in weerwil dat zijne
rijkdommen hem naar Thebe lokten. Hij wist zeer goed, dat hij met het
schrijfriet zeer onhandig omging, maar dit was geen reden om hem te
minachten. Honderdmaal had hij gewenscht zijne positie zoo te kunnen
inrichten, als Ani haar voor hem had afgeteekend. Nochtans was zijn
verzoek om schrijvers te mogen houden door Ramses afgewezen. Wat hij
wist te bespieden, was hem geantwoord, moest geheim gehouden worden; en
niemand kon instaan voor de stilzwijgendheid van een tweede. Toen zijn
broeder Horus groot was geworden, volgde deze hem als zijn gehoorzame
dienaar, ook nog nadat hij eene vrouw had genomen, die in Thebe bij
hunne moeder Setchem met haar kindje achterbleef. Op dit oogenblik
bekleedde hij in Syrië Paäkers plaats, slecht zooals de gids meende,
ofschoon hij vele bewijzen van goedkeuring ontving. Want hoe onbeduidend
overigens, wist hij gladde taal vaardig te schrijven.
De man, die zoo zeer aan de eenzaamheid gewoon was, trok zich geheel in
zichzelf terug en vergat alles om hem, ook de weduwe, die zich op een
kussen had nedergevlijd en hem zwijgend gadesloeg. Hij tuurde in de
ruimte, terwijl allerlei denkbeelden ordeloos zijn hoofd doorkruisten.
Hij gevoelde zich vreeselijk verongelijkt, en het was of de
noodzakelijkheid hem was opgelegd een schrikkelijk onheil over anderen
te brengen. Alles wat hij thans ondervond was zoo onduidelijk en
nevelachtig. Liefde en haat smolten in zijn binnenste samen. Doch met
vaste, door geen twijfel geschokte zekerheid, hoopte hij op het bezit
van Nefert. De goden stonden diep bij hem in schuld! Hoeveel opoffering
had hij zich niet voor hen getroost, en hoe luttel waren de weldaden,
die zij hem bewezen hadden! Hij kende maar éene vergoeding voor zijn
verwoest levensgeluk, en daarop meende hij zoo zeker te kunnen rekenen,
als op een kapitaal, dat hij tegen goede schuldbekentenissen had
uitgezet. In deze ure vergalden bittere ervaringen de zoete hoop,
waarmede hij zich had gevleid, en te vergeefs trachtte hij tot rust en
klaarheid te komen. Op zulke kruiswegen kon hij van geen amulet, van
geen vraag- en antwoordspel uitkomst verwachten. Het gold hier te
overleggen en plannen te smeden, en toch vermocht hij geen enkele goede
gedachte te vinden, geen aanslag te verzinnen.
Heftig bracht hij de hand aan zijn brandend voorhoofd, en dit deed hem
ontwaken uit zijn somber gepeins. Op eens herinnerde hij zich waar hij
zich bevond, en zoowel het gesprek dat hij met de moeder zijner geliefde
gevoerd, als het woord dat zij tot hem gezegd had. Zeker, zij verstond
de kunst mannen te leiden. »Zoo moge zij dan voor mij denken,” prevelde
hij in zichzelf; »de uitvoering is mijne zaak.”
Langzaam ging hij naar haar toe en zeide: »Het blijft daarbij: wij zijn
bondgenooten.”
»Tegen Ramses en voor Ani,” antwoordde zij, hem hare tengere rechterhand
toestekende.
»Binnen weinige dagen breek ik op naar Syrië; gij kunt onderwijl
overleggen welken last gij mij hebt op te dragen. Het geld voor uw zoon
zal heden nog na zonsondergang bij u nedergelegd worden. Kan ik Nefert
mijn groet brengen?”
»Op dit oogenblik niet, want zij is in den tempel om te bidden.”
»Morgen dan?”
»Gaarne, mijn lieve vriend! Het zal haar verblijden u te zien en u te
danken.”
»Vaarwel Katoeti!”
»Noem mij moeder,” zeide de weduwe, en zond den vertrekkende nog een
groet met haar sluier achterna.