De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet
toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van
zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne
schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer
op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden
man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat
de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij
verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar
alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de
poort.
Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.
»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.
»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”
»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”
Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.
»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij dan niet,
dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben
geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt
hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden.”
De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen
zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in ’t oog kregen, doch hij gaf
geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met
schrijven.
Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die
slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit
vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep wel dat het hierop uitloopen
zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts
te kiezen tusschen liegen of zwijgen.”
»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid
éen is; wij noemen hem het Al[138], het omhulsel van het Al[139] of
kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke
menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner
deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten
hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte.”
[138] De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en
den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het
duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle
koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt.
Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen
van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste
openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het
pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft
E. Naville in zijn werk „=La litanie du soleil=” grondig en
voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis
van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van
het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard
en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de
opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels
uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’
verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus’ Egyptische
mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de
menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in
dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot
ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is
oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere
godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.
[139] Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het
heelal den vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.
»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” viel
Nebsecht hem in de rede.
»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte Pentaoer
zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen
kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld
niet zeg: ‚ik spreek,’ maar: ‚mijn mond spreekt,’ wanneer ik beweer dat
uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den
Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond
mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst
aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende
velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet[140] te
danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien
Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering
vervuld, zoo vaak ik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche
goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land
uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi[141],
den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst,
of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de
eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd
met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als
zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft
gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich
beweegt is klein....”
[140] Godin van den zegen des oogstes.
[141] De Nijl.
»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens
verslinden[142], in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een
kranke met eene zwakke maag.”
[142] „De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië,
„zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve
de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en
wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op
vele plaatsen.
»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank,
die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij
dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit
den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en
symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar
haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht”[143].
[143] Zie boven, bl. 91.
»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?”
»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen
zien[144], zonder te vertwijfelen?”
[144] Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend
opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige
en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier
opgelicht.” Plutarchus, =Isis= en =Osiris=, c. 9. Het opschrift
wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato’s
Timaeus.
»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en
al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?”
riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als
zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene
of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is
wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen,
er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in
mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingen evenals ik,
maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn
onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan
het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het
indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een
dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid
zoekt.”
»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en
gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid.”
De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik
weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder
elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel,
waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te
zijn van de ware, en misschien bestaat er in ’t geheel geene.”
»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan
onze behoeften en tevens de schoonste is,” zeide Pentaoer.
»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon
noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet
geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij,
dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles
wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote
gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje
weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen
doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een
tyranniek: gij =zult=! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door
zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een
ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon.
Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!”
»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat
wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die
het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie
der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn
stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart.”
»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg Nebsecht.
»Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder
wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de
verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij
uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel
heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat
nederknielen.”
»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk
gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in
zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet
kennen als de wereldrede, noemen wij hem ‚het woord’. ‚Die zijne leden
met namen bekleedt’[145], zooals de heilige teksten zich uitdrukken,
beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige
vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De
scarabeüs-kever[146], die ‚als zijn eigen zoon in het leven treedt’,
wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur.
En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het
bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat
wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat
er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven
voorttelen”[147].
[145] Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra
te Biban el Moeloek.
[146] Naar dezelfde teksten.
[147] Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt
geboren uit het mannetje alleen.”
Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle
leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet
gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers
zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen.
Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen
mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw
‚goede God’ is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik
mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad
beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is
God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er
niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?”
»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. »Goed en
redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is,
die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid
aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende
vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het
eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf
beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich
aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg
zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen
waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen
oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die
de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne
hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen.
Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder
te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond
helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan
de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven
zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot
hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het
avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te
voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt.”
»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. »Alles, zelfs
het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe
stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts
nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om
ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet
in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven
door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is,
en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten.”
»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen?
Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige
bewondering?”
»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk
mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik
mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik
ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt[148]
noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door
de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen
van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende
richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens
maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan
zijn.”
[148] Zie boven bl. 178.
»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend,
»zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om,
zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het
worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij
meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal
u ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij
aanbidt.”
»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld
in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende
zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het
worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds,
dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig
dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren
kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch
juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer
gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is,
het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te
gaan.”
Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.
»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken.
Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de
wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst.
Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als
wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een
rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote
bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in
Thebe[149]. Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het
zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde
door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen
kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan
honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo
had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was
als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u
zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het
bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in
beweging wordt gebracht.”
[149] Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid
door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd
vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.
»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd
moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de
wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd,” zeide Pentaoer. »Gelooft gij
dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling,
dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald
wordt, zich tot wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen,
evenals de beweging der sterren?”
»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten
daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende
banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels
en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?”
»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. »Zijt gij
uw doel al wat nader gekomen?”
De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het
bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en
zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?”
»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”
»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou
aanleiding geven tot nieuw verschil.”
»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van
den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is
tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap
geweest.”
»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en
niet over daden.”
»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” riep de
dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons
levend uitvloeisel der wereldziel.”
»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij
dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner
ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een
boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde
raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls
schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen,
gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt
dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den
grooten oerma[150] Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van
ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen
onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet[151] ook de
vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt[152]. Daarop
volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is
een dierenhart te ontleden, aangezien ook dit de drager is eener ziel,
misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij
tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door
de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het
veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor
hij zijne verhandeling over het hart schreef[153], ongetwijfeld zulk een
orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem
zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk
onder de heilige schriften van Toth[154] was opgenomen, die vast stonden
en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij
verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren
geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met
openbaringen begenadigen. ― Ik was toen jong en heb mijne nachten in
gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd
doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een
hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten
en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. ’t Is waar, ik weet nu
slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen
en het hart van een mensch hebben.”
[150] Hoogepriester van Heliopolis.
[151] De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.
[152] Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier
volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het
graf van Seti I.
[153] Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van
den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.
[154] Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De
papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door
Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt
genoemd. Vrt.
»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het
onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?”
»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”
»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den
vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal
het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan,
en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft
Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont
aan ― is het niet zoo? ― hoe de verschillende zielstoestanden, als
toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het
algemeen voor zijne opvatting getuigen.”
»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij
gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft.
Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel,” en
de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag
voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden bestudeerd, daarginds
bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende
dieren[155]. ― Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden.”
[155] Het gebruik van menschenhersenen wordt in den
papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene
oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het
Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van
terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op
levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de
menschelijke hersenen de zetel was der ziel.
De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus
bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters[156]
het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt
te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig
verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op
zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand
uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het
in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder
hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling:
»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”
[156] In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars
tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het
hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete
voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd
gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste
schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de
afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om
des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke
teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste
eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch
schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl
het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige
dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens
alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd
geschreven. Zie Em. de Rougé, =Chrestomathie égyptienne=;
H. Brugsch =Hieroglyphische Grammatik=; Le Page Renouf,
=Hieroglyphicial grammar=; Ebers, =Ueber das hieroglyphische
Schriftsystem=, 2 Aufl. 1875 in de =Vorträge=, door Virchow en
Holtzendorf uitgegeven.
De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe,
en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef
ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit
de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen
vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn
vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te
komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”
Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den
heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde
als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet
boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten
ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”
»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij
goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere
angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er
huis en hof voor op te offeren?”
»Ja =eigen= huis en =eigen= hof!” riep de dichter, en voegde er daarna
bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”
»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van
het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik
met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”
»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal
zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van
den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind
daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste
ellende te storten.”
Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door
een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide
hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”
»En wie zal u beschermen?”
»Haar vader.”
»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen
zullen zenden....!”
»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij
merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het
meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo
schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”
Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een
meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, »ja, gij vindt
haar ook schoon! Zonderling! ― Gij moet niet lachen, wanneer ik erken
― ik ben immers ook een mensch als ieder ander? ― wanneer ik erken,
dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der
vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet
meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste
oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de
ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer
aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut
gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht
opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien
hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer
zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden
door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik
zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” ― en bij
deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten ― »dat is het
niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de
zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten;
zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze
hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te
zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt,
helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god
noem.”
Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den
grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol
deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer
zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide:
»Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het
heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan.
Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze
gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats
van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat
gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste
eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind
geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene
onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid
over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij
zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven,
dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”
Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde
echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief
en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw
zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar
het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt
voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de
jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten,
niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij
geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in
het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de
maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat
door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en
de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer
verlangt, eene Warda waard? ― Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw
vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij
heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst
geluk te deelen.”
Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar
langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder
te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over
den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de
Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg
met nadruk: »Waar is de oude?”
»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” luidde
het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de
schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was
als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich
gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht
dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis[157] brengen.”
[157] Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van
Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.