TWEEDE HOOFDSTUK.

De arts Nebsecht verliet den volgenden morgen de hut van den Paraschiet

toen het begon te schemeren. Hij was tevreden over den toestand van

zijne kranke, en richtte, in ernstige gedachten verzonken, zijne

schreden naar den terrassentempel van Hatasoe, om zijn vriend Pentaoer

op te zoeken en bij hem het geschrift op te stellen, dat hij den ouden

man had toegezegd. Hij kwam bij het heiligdom, op het oogenblik dat

de zonnegod zich in zijn stralenkrans boven den horizont verhief. Hij

verwachtte natuurlijk het morgengezang van de priesters te hooren, maar

alles bleef stil. Hij klopte aan, en de portier opende slaperig de

poort.

Nebsecht vroeg naar den tempelopziener.

»Die is dezen nacht gestorven,” geeuwde de man.

»Wat zegt ge?” riep de arts, hevig ontroerd. »Wie is gestorven?”

»Onze oude opziener Roeï, die brave man.”

Nebsecht haalde vrijer adem en vroeg naar Pentaoer.

»Gij zijt uit het Seti-huis,” sprak de portier, »en weet gij dan niet,

dat men hem van zijn ambt heeft ontzet? De heilige vaders hebben

geweigerd met hem de wedergeboorte van Ra te begroeten. Misschien zingt

hij voor zich alleen boven op de wachtplaats. Daar zult gij hem vinden.”

De arts klom haastig de trappen op. Verschillende priesters gingen

zingende bij elkaar staan, zoodra zij hem in ’t oog kregen, doch hij gaf

geen acht op hen. Hij vond zijn vriend op het bovenste terras bezig met

schrijven.

Weldra wist hij wat er gebeurd was, en toornig riep hij: »Gij zijt die

slimme heeren in het Seti-huis te oprecht en te waarheidlievend, en dit

vee hier te ijverig en te rein. Ik begreep wel dat het hierop uitloopen

zou, toen zij u in de mysteriën inleidden. Wij ingewijden hebben slechts

te kiezen tusschen liegen of zwijgen.”

»Al weder de oude dwaling!” zeide Pentaoer. »Wij weten dat de godheid

éen is; wij noemen hem het Al[138], het omhulsel van het Al[139] of

kortweg Ra. Maar onder Ra verstaan wij wat anders dan de zinnelijke

menschen, want voor ons is het heelal de godheid, en in elk zijner

deelen erkennen wij een openbaringsvorm van het hoogste wezen, buiten

hetwelk er niets is in de hoogte en in de diepte.”

[138] De heilige teksten noemen God dikwijls den Eenen en

den Eenigen. De pantheïstische leer der mysteriën wordt het

duidelijkst uitgesproken in de teksten, die men in bijna alle

koningsgraven te Thebe op de wanden van de ingangszalen vindt.

Men heeft ze verzameld en bevonden, dat zij lofverheffingen

van Ra bevatten, wiens vijf en zeventig voornaamste

openbaringsvormen worden aangeroepen. Deze teksten, en het

pantheïsme in de esoterische leer van de Egyptenaars heeft

E. Naville in zijn werk „=La litanie du soleil=” grondig en

voortreffelijk behandeld. De voornaamste bronnen voor de kennis

van de geheime leer der Egyptische priesters zijn: de tekst van

het Doodenboek; de hymne aan de zon, die te Boelaq wordt bewaard

en door Stern en door Grebaut is verklaard en uitgegeven; de

opschriften op de sarkophagen en aan de wanden van de tempels

uit den tijd der Ptolemaeën; en in de tweede plaats: Plutarchus’

verhandeling over Isis en Osiris: Jamblichus’ Egyptische

mysteriën en de toespraak van Hermes Trismegistos aan de

menschelijke ziel. De meer geavanceerde beschouwingen, die in

dit gesprek voorkomen, schijnen eerst in het nieuwe rijk tot

ontwikkeling te zijn gekomen. De Egyptische godsdienst is

oorspronkelijk uitgegaan van een, in verhouding tot andere

godsdiensten nog weinig ontwikkelden, Zonne- en Nijldienst.

[139] Teb temt. Bij gelijke opvatting schrijft Eusebius aan het

heelal den vorm van een Grieksche Theta (Θ) toe.

»Dat alles moogt gij mij alleen zeggen, een mede-ingewijde,” viel

Nebsecht hem in de rede.

»Maar ik ontwikkel het ook niet geheel voor de leeken,” haastte Pentaoer

zich te zeggen: »alleen toon ik hen, die alles nog niet begrijpen

kunnen, enkele deelen. Ben ik een leugenaar, wanneer ik bijvoorbeeld

niet zeg: ‚ik spreek,’ maar: ‚mijn mond spreekt,’ wanneer ik beweer dat

uw oog ziet, hoewel gijzelf het zijt die ziet? Wanneer het licht van den

Eenen zich vertoont, dan dank ik hem in liederen uit den diepsten grond

mijns harten, en ik noem den vorm waarin hij zijn licht het glansrijkst

aan mij vertoont, Ra. Wanneer ik mijn oog laat weiden over de groenende

velden daarginds, dan roep ik de geloovigen op om Rennoet[140] te

danken, dat wil zeggen: om hulde te brengen aan de werkzaamheid van dien

Eenen, door welke het koorn in de aren rijpt. Word ik met bewondering

vervuld, zoo vaak ik denk aan de ontelbare zegeningen, die gindsche

goddelijke stroom, waarvan de oorsprong ons onbekend is, over ons land

uitstort, dan prijs ik den Eenen in de gedaanten van den god Hapi[141],

den geheimzinnige. Hetzij wij de zon aanschouwen, of den milden oogst,

of den Nijl, hetzij in de zichtbare of in de onzichtbare wereld de

eenheid en harmonie met bewondering opmerken, wij hebben toch altijd

met dien Eenen te doen, die alles omvat, tot wien ook wij behooren, als

zijnde de vormen zijner openbaring, waarin hij zijn zelfbewustzijn heeft

gelegd. De kring der voorstellingen, waarin de groote menigte zich

beweegt is klein....”

[140] Godin van den zegen des oogstes.

[141] De Nijl.

»En zoo geven wij als leeuwen het volk de beten, die wij in eens

verslinden[142], in fijn gesneden brokjes, met saus overgoten gelijk een

kranke met eene zwakke maag.”

[142] „De priesters,” zegt de kerkvader Clemens van Alexandrië,

„zorgen dat niemand in hunne mysteriën wordt ingewijd, behalve

de koningen, en de zoodanigen onder hen, die door deugd en

wijsheid uitmunten.” De gedenkteekenen leeren ons hetzelfde op

vele plaatsen.

»Neen, niet alzoo. Wij achten ons verplicht den sterk werkenden drank,

die zelfs mannen kan neerwerpen, te verzachten en te verzoeten, eer wij

dien aan kinderen, de geestelijke onmondigen toedienen. De wijzen uit

den voortijd hebben de verhevenste waarheden in allegorische beelden en

symbolen, en eindelijk in schoone en veelkleurige mythen omsluierd, maar

haar op deze wijze verstaanbaar tot de menigte gebracht”[143].

[143] Zie boven, bl. 91.

»Verstaanbaar?” vroeg de arts. »Verstaanbaar? Waartoe dan de sluier?”

»Meent gij dat het volk de naakte waarheid in het aangezicht zou kunnen

zien[144], zonder te vertwijfelen?”

[144] Te Saïs had het standbeeld van Neith het volgend

opschrift: „Ik ben het Al, het verledene, het tegenwoordige

en het toekomstige. Geen sterveling heeft nog mijn sluier

opgelicht.” Plutarchus, =Isis= en =Osiris=, c. 9. Het opschrift

wordt met dezelfde woorden medegedeeld door Proclus in Plato’s

Timaeus.

»Kan ik het dan? Kan een ander het, al ziet hij recht voor zich uit, en

al is het hem om niets en volstrekt niets anders dan waarheid te doen?”

riep de arts. »Wij beiden weten toch, dat de dingen alleen zóo zijn, als

zij zich vertoonen in den spiegel onzer ziel, al naarmate deze op eene

of andere wijze is gepolijst. Wat grijs is zie ik grijs, en wat wit is

wit, en ik heb mij gewend, wanneer ik iets tracht te weten te komen,

er niet het minste van het mijne bij te voegen, als er al zoo iets in

mijn nuchter hoofd voorhanden is. Gij beschouwt de dingen evenals ik,

maar iedere voorstelling wordt in u gewijzigd. Want in uwe ziel zijn

onzichtbare beeldhouwers werkzaam, die het scheeve rechtbuigen, aan

het alledaagsche zekere bekoorlijkheid weten bij te zetten, en het

indrukwekkende in een schoon gewaad kunnen kleeden. Gij zijt een

dichter, een kunstenaar, en ik maar eenvoudig iemand die naar waarheid

zoekt.”

»Juist,” hernam Pentaoer, »om dit uw streven alleen acht ik u hoog, en

gij weet het wel, ook ik verlang niets dan waarheid.”

De arts boog het hoofd ten teeken van toestemming en zeide weder: »Ik

weet het, ik weet het! Maar onze wegen loopen naast elkander, zonder

elkander te raken. Ons beider einddoel is de oplossing van een raadsel,

waarvan velerlei verklaringen te geven zijn. Gij meent in het bezit te

zijn van de ware, en misschien bestaat er in ’t geheel geene.”

»Dan willen wij ons tevreden stellen met die het meest beantwoordt aan

onze behoeften en tevens de schoonste is,” zeide Pentaoer.

»De schoonste!” riep Nebsecht onwillig. »Wilt gij dat wangedrocht schoon

noemen, dat gij God heet, dat reuzenlichaam, dat eeuwig zichzelf doet

geboren worden en zichzelf weder verslindt? God is het Al, zegt gij,

dat zichzelf genoeg is. Hij moet eeuwig zijn en is het ook, wijl alles

wat van hem uitgaat ook weder door hem opgeslokt wordt, en de groote

gierigaard geen zaadkorrel, geen lichtstraal, geen luchtblaasje

weggeeft, zonder ze terug te eischen voor zijne huishouding, die geen

doel heeft, die niet door rede en goedheid wordt bestuurd, maar door een

tyranniek: gij =zult=! waarvan hijzelf een slaaf is. Hij is alleen door

zichzelf te begrijpen, de bloodaard, die zich verborgen houdt achter een

ondoordringbaren sluier, dien ik hem zou willen afrukken als ik kon.

Zie, zoo beschouw ik dat ding, hetwelk gij God noemt!”

»Zeker een walgelijk beeld,” hernam Pentaoer, »omdat gij vergeet, dat

wij de rede erkend hebben als het wezen van het Al, als de kracht, die

het gansche heelal doordringt en beweegt, de rede, die in de harmonie

der samenwerking van alle deelen, en in ons zelven, gevormd uit zijn

stof en bezield met zijne ziel, zich openbaart.”

»Is er iets redelijks in dat worstelspel des levens?” vroeg Nebsecht.

»Is dat eeuwig nederwerpen om weder te laten opstaan zoo bijzonder

wijs, en heeft het zulk een verheven doel? En terwijl gij aan de

verschijnselen van het Al zulk eene rede ten grondslag legt, paait gij

uzelven met een opperheer van uw eigen maaksel, die verbazend veel

heeft van de meesters en meesteressen, waarvoor gij het volk laat

nederknielen.”

»Slechts schijnbaar,” antwoordde Pentaoer. »Het is een noodzakelijk

gevolg van de omstandigheid, dat het bovenzinnelijke alleen in

zinnelijken vorm kan worden medegedeeld. Daar God zich aan ons doet

kennen als de wereldrede, noemen wij hem ‚het woord’. ‚Die zijne leden

met namen bekleedt’[145], zooals de heilige teksten zich uitdrukken,

beteekent zooveel als de kracht, die aan de dingen hunne eigenaardige

vormen verleent, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. De

scarabeüs-kever[146], die ‚als zijn eigen zoon in het leven treedt’,

wijst ons op de zich altijd verjongende scheppingskracht in de natuur.

En wilt gij daarom onzen goeden God een wangedrocht noemen? Gij kunt het

bestaan van zulk een kracht niet loochenen, en evenmin ontkennen, dat

wij daarvoor een gelukkig beeld hebben gekozen. Immers gij weet, dat

er alleen mannelijke scarabeën zijn, en dat deze dieren zichzelven

voorttelen”[147].

[145] Volgens opschriften te Abydus en de lofverheffingen van Ra

te Biban el Moeloek.

[146] Naar dezelfde teksten.

[147] Naar Horapollo, die zegt: „De scarabeüs-kever wordt

geboren uit het mannetje alleen.”

Nebsecht kon niet nalaten te glimlachen en zeide: »Als alle

leerstellingen der mysteriën zoo waar zijn, als dit beeld gelukkig heet

gekozen te zijn, dan ziet het er met ulieden treurig uit. De mestkevers

zijn sedert jaren mijne vrienden, die met mij dezelfde kamer bewonen.

Ik ken hun familieleven en geef u de verzekering, dat er onder hen

mannetjes en wijfjes zijn, evenals onder de katten, apen en menschen. Uw

‚goede God’ is mij onbekend. Wat meer is, als ik kalm nadenk, dan kan ik

mij maar niet begrijpen, hoe gij over het geheel een goed en een kwaad

beginsel in de wereld wilt onderscheiden. Is het Al werkelijk god; is

God, zooals de schriften leeren, inderdaad de goedheid zelve, en is er

niets buiten hem, waar is dan nog plaats voor het kwade?”

»Gij spreekt als een schooljongen,” zeide Pentaoer onwillig. »Goed en

redelijk op zichzelf is al wat bestaat, maar de Eene, die oneindig is,

die zichzelf de wet voorschrijft en de wegen van zijne werkzaamheid

aanwijst, verleent aan het eindige zijn bestaan door altijddurende

vernieuwing, en gaat zonder ophouden in de wisselende vormen van het

eindige over. Wat wij kwaad, boos, duister noemen is, op zichzelf

beschouwd, goddelijk, goed, redelijk en helder. Doch het vertoont zich

aan ons beneveld verstand in een ander licht, wijl wij alleen den weg

zien en het doel niet kennen, enkel de op zichzelf staande dingen

waarnemen en het geheel niet overzien kunnen. Evenals gij berispen

oppervlakkige hoorders de muziek, waarin zij een wanklank hooren, die

de harpspeler echter opzettelijk aan zijne snaren ontlokte, om zijne

hoorders de reinheid der volgende harmonieën dieper te doen gevoelen.

Zoo bedilt een gek den schilder, die zijn paneel zwart maakt, zonder

te wachten tot het beeld voltooid is, dat juist op dien donkeren grond

helderder zal uitkomen. Zoo scheldt een kind op den edelen boom, waarvan

de vruchten rotten, zonder te begrijpen dat uit hunne kernen nieuw leven

zal ontwaken. Het schijnbaar kwade is slechts de voorbereiding tot

hooger geluk en de dood de drempel des nieuwen levens, gelijk het

avondrood door den nacht oversluierd wordt, om weldra weder te

voorschijn te komen als morgengloed, die den rijzenden dag aankondigt.”

»Inderdaad, dat klinkt zeer overtuigend,” hernam Nebsecht. »Alles, zelfs

het afschrikwekkendste, wordt bekoorlijk op uwe lippen. Doch ik zou uwe

stelling kunnen omkeeren en zeggen: het kwaad regeert de wereld, slechts

nu en dan wordt ons een enkel drupje zalig genot te proeven gegeven, om

ons de bitterheid van het leven des te harder te doen gevoelen. Gij ziet

in alles harmonie en goedheid; mijne ervaring is echter, dat het leven

door den hartstocht wordt gewekt, dat ons gansche bestaan een strijd is,

en dat het eene schepsel bestemd is het andere op te eten.”

»En bemerkt gij dan niets van de schoonheid der zichtbare dingen?

Vervult die onveranderlijke orde van het heelal u niet met deemoedige

bewondering?”

»Naar schoonheid,” antwoordde de arts, »heb ik nooit gezocht; mogelijk

mis ik ook wel het orgaan, om haar zelfstandig waar te nemen, hoewel ik

mij gaarne door u er op laat wijzen. Aan de orde in de natuur laat ik

ten volle recht wedervaren, want zij is de ware wereldziel. Temt[148]

noemt gij den Eene, dat wil zeggen: de som, de eenheid, verkregen door

de optelling van vele getallen, en dat bevalt mij. Want de bestanddeelen

van het heelal, en de krachten die bepalen, in welke verschillende

richtingen het leven zich bewegen moet, zijn nauwkeurig berekend volgens

maat en getal, maar zonder dat daarbij van goed of schoon sprake kan

zijn.”

[148] Zie boven bl. 178.

»Zulke opvattingen,” zeide Pentaoer, die bezorgd werd over zijn vriend,

»zijn de gevolgen uwer zonderlinge bezigheden. Gij doodt en vernielt om,

zooals gij dat noemt, het geheim des levens op te sporen. Beschouw het

worden der dingen in de natuur: open het orgaan, dat u ontbreekt zoo gij

meent, namelijk uwe oogen en de schoonheid van de zichtbare wereld zal

u ook zonder mijne hulp leeren, dat het een valsche god is, dien gij

aanbidt.”

»Ik bid in het geheel niet,” zeide Nebsecht, »want de wet, die de wereld

in beweging brengt, laat zich evenmin als uwe regelmatig afloopende

zandloopers door bidden vermurwen. Maar wie zegt u toch, dat ik het

worden der dingen niet op het spoor tracht te komen? Ik zeide u reeds,

dat ik beter dan gij weet, hoe de scarabeën ontstaan. Ja, ik heb menig

dier van kant gemaakt, en dat niet alleen om zijn organisme te leeren

kennen, maar ook om uit te vorschen, hoe het zich gevormd had. Doch

juist bij dezen arbeid heeft zich mijn orgaan voor het schoone eer

gesloten dan geopend. Ik verzeker u, dat het even weinig opwekkend is,

het ontstaan als de vernietiging en de verandering der dingen na te

gaan.”

Pentaoer zag den heelmeester vragend aan.

»Ik wil ook eens,” ging de laatste voort, »in beelden spreken.

Daar, zie dezen wijn! Wat is hij klaar en geurig! En toch hebben de

wijngaardeniers hem met hunne eeltachtige voeten uit de druiven geperst.

Ziehier deze volle aar! Welk eene goudgele glans! En zij zal, als

wij haar malen, sneeuwwit meel geven. Niettemin wies zij op uit een

rottenden zaadkorrel. Onlangs roemdet ge de schoonheid van de groote

bijna voltooide zuilenzaal in den tempel van Amon aan de overzijde in

Thebe[149]. Hoe zal de nakomelingschap dit werk bewonderen! Ik heb het

zien worden. Daar lagen vierkante steenblokken in de grootste wanorde

door elkaar. Hoopen stof dwarrelden op, zoodat ik bijna niet ademen

kon. Drie maanden geleden werd ik er heen gezonden, omdat men meer dan

honderd arbeiders, bij het steenslijpen in de brandende zonnehitte, zoo

had geslagen, dat zij het bijna bestierven. Als ik nu een dichter was

als gij zijt, dan zou ik u duizend zulke tafereelen ophangen, die u

zeker niet bevallen zouden. Vooreerst hebben wij genoeg te doen met het

bestaande waar te nemen, en de wetten op te sporen, waardoor alles in

beweging wordt gebracht.”

[149] Aangelegd door Ramses I, voortgezet door Seti I, voltooid

door Ramses II. De overblijfselen van deze zaal met hare honderd

vier en dertig zuilen zijn zonder wederga.

»Ik heb uw streven nooit geheel kunnen verstaan, en het heeft mij altijd

moeite gekost te begrijpen, waarom gij u toch eigenlijk niet op de

wetenschap der Horoscopen hebt toegelegd,” zeide Pentaoer. »Gelooft gij

dan, dat het leven van planten en dieren in zijne oneindige afwisseling,

dat zoo geheel afhankelijk is van zijne omgeving, waardoor het bepaald

wordt, zich tot wetten, getallen en afmetingen laat terugbrengen,

evenals de beweging der sterren?”

»Vraagt gij dit? Zou de ontzaglijk sterke reuzenhand, die de lichten

daarboven dwingt zich voort te bewegen in hun nauwkeurige afgebakende

banen, ook niet fijn genoeg ontwikkeld zijn, om aan de vlucht der vogels

en den slag van het menschelijk hart bepaalde wetten voor te schrijven?”

»Daar zijn wij weder bij de harten,” zeide de dichter lachend. »Zijt gij

uw doel al wat nader gekomen?”

De arts werd ernstig en zeide: »Misschien zal ik morgen reeds in het

bezit zijn van hetgeen ik noodig heb. Daar ligt uw palet met roode en

zwarte verf, papyrus en schrijfriet; mag ik een blad gebruiken?”

»Natuurlijk; maar vertel mij eerst.....”

»Vraag maar niets; gij zoudt mijn voornemen niet billijken, en het zou

aanleiding geven tot nieuw verschil.”

»Ik denk,” hernam de dichter, terwijl hij zijn hand op den schouder van

den arts legde, »dat wij den strijd niet behoeven te vreezen. Hij is

tot hiertoe het cement en de verfrisschende dauw van onze vriendschap

geweest.”

»Zoolang de strijd ten minste liep over meeningen en opvattingen, en

niet over daden.”

»Gij wilt u toch niet meester maken van een menschenhart?” riep de

dichter. »Bedenk wel wat gij doet! Het hart is de woning van het in ons

levend uitvloeisel der wereldziel.”

»Weet gij dat zoo zeker?” vroeg de heelmeester gevoelig. »Lever mij

dan het bewijs! Hebt gij ooit een hart onderzocht; heeft een mijner

ambtgenooten het gedaan? Zij verklaren zelfs het hart van een

boosdoener, een krijgsgevangene onaantastbaar. Wanneer wij ten einde

raad naast een kranke staan, en onze geneesmiddelen even dikwijls

schaden als baten, vanwaar komt dat? Daarvan alleen, dat wij, artsen,

gedwongen zijn om te arbeiden als de sterrenkundigen, van wien men zegt

dat zij de sterren door eene plank beschouwen. Te Heliopolis bad ik den

grooten oerma[150] Rahotep, dien inderdaad zoo geleerden oversten van

ons gild, die mij hoogschatte, het hart van een gestorven Amoe te mogen

onderzoeken. Doch hij weigerde het, omdat de groote Sechet[151] ook de

vrome Semieten in de velden der gezaligden binnenleidt[152]. Daarop

volgden weder de oude bedenkingen, namelijk: dat het zelfs zondig is

een dierenhart te ontleden, aangezien ook dit de drager is eener ziel,

misschien de bevlekte en veroordeelde ziel van een mensch, die, eer zij

tot den Eenen mag terugkeeren, den louteringsweg moet voleindigen door

de lichamen van dieren. Ik liet mij door deze tegenwerping niet uit het

veld slaan, en verklaarde hem, dat mijn overgrootvader Nebsecht, vóor

hij zijne verhandeling over het hart schreef[153], ongetwijfeld zulk een

orgaan onderzocht had. Toen gaf hij het antwoord, dat de godheid hem

zeker had geopenbaard wat hij geschreven had, waarom dan ook zijn werk

onder de heilige schriften van Toth[154] was opgenomen, die vast stonden

en onaantastbaar waren als de wereldrede. Hij wilde mij, zeide hij

verder, rust bezorgen tot stillen arbeid, want ik was een uitverkoren

geest; de hemelsche goden zouden mij wellicht insgelijks met

openbaringen begenadigen. ― Ik was toen jong en heb mijne nachten in

gebeden doorgebracht, maar ik viel met den dag af, en mijn geest werd

doffer in plaats van helderder. Toen slachtte ik in stilte eerst een

hoen, vervolgens ratten, daarna een konijntje. Ik ontleedde hunne harten

en volgde de bloedvaten, die vandaar uitgaan. ’t Is waar, ik weet nu

slechts weinig meer dan te voren, maar ik moet achter de waarheid komen

en het hart van een mensch hebben.”

[150] Hoogepriester van Heliopolis.

[151] De leeuwenkoppige godin. Vgl. bl. 61.

[152] Naar den tekst bij de beroemde voorstellingen van de vier

volken (Egyptenaars, Semieten, Libiërs en Ethiopiërs) in het

graf van Seti I.

[153] Deze verhandeling maakt het belangrijkst gedeelte uit van

den papyrus-Ebers, uitgegeven bij W. Engelmann te Leipzig.

[154] Door de Grieken „Hermetische boeken” genoemd. De

papyrus-Ebers is, volgens den uitgever, het geschrift, dat door

Clemens van Alexandrië: „Het boek van de artsenijen” wordt

genoemd. Vrt.

»Wat zal u dat geven?” vroeg Pentaoer. »Verwacht ge dan dat gij het

onzichtbare en oneindige met uwe menschelijke oogen zult waarnemen?”

»Kent gij de verhandeling van mijn grootvader?”

»Zoowat,” gaf de dichter ten antwoord. »Hij zegt dat, waar men ook den

vinger legt, hetzij op het hoofd, hetzij op de handen of de maag, overal

het hart wordt gevonden, daar zijne bloedvaten naar alle leden uitgaan,

en dat het hart het uitgangspunt is van al deze vaten. Verder geeft

Nebsecht aan, hoe de aderen over de leden verdeeld zijn, en toont

aan ― is het niet zoo? ― hoe de verschillende zielstoestanden, als

toorn, verdriet, afschuw, ja ook het gebruik van het woord hart, in het

algemeen voor zijne opvatting getuigen.”

»Juist, wij hebben daarover reeds gesproken, en ik geloof dat hij

gelijk heeft, wat het bloed en de dierlijke gewaarwordingen betreft.

Maar het rein en helder verstand in ons heeft een anderen zetel,” en

de arts sloeg bij deze woorden met de hand op zijn breed maar laag

voorhoofd. »Koppen heb ik bij honderden bestudeerd, daarginds

bij het hooggerechtshof; ook lichtte ik de hersenpan van levende

dieren[155]. ― Doch laat mij nu schrijven, voor wij gestoord worden.”

[155] Het gebruik van menschenhersenen wordt in den

papyrus-Ebers voorgeschreven, als geneesmiddel tegen eene

oogziekte. Herophilus, een der eerste geleerden van het

Alexandrijnsch museum, bestudeerde niet enkel de lijken van

terechtgestelde misdadigers, maar hij nam ook proeven op

levende boosdoeners. Hij beweerde, dat de vierde holte van de

menschelijke hersenen de zetel was der ziel.

De arts nam het schrijfriet, lengde de zwarte uit verkoolden papyrus

bereide verfkleur aan, en schreef in sierlijke hiëratische letters[156]

het document voor den Paraschiet, waarbij hij bekende voor hem geëischt

te hebben, dat hij het hart van een mensch zou stelen, en kort en bondig

verklaarde voor Osiris en de doodenrechters de schuld van den oude op

zich te willen nemen. Toen hij gereed was, strekte Pentaoer zijne hand

uit naar het geschreven stuk, maar Nebsecht vouwde het samen, stak het

in een taschje, waarin zich de amulet bevond, die zijne stervende moeder

hem om den hals had gehangen, en zeide, na eene diepe ademhaling:

»Daarmede zijn we klaar. Vaarwel Pentaoer!”

[156] In den tijd van dit verhaal hadden de Egyptenaars

tweeërlei soort van schrift: het hiëroglyphische en het

hiëratische. In het eerste bestonden de letters uit concrete

voorwerpen, mathematische of vrij uitgedachte figuren. Het werd

gewoonlijk op de gedenkteekenen gebruikt. Met het laatste

schreef men meestal op papyrus. In dit schrift zijn de

afbeeldingen der hiëroglyphen zoo gewijzigd en afgekort, om

des te sneller te kunnen schrijven, dat men de oorspronkelijke

teekens er slechts onduidelijk in herkennen kan. In de achtste

eeuw ontstond eene nog verdere verkorting van het hiëratisch

schrift, die men het demotisch of volksschrift noemde. Terwijl

het hiëroglyphen- en het hiëratisch schrift in het oude heilige

dialect werd geschreven, bezigde men de demotische letterteekens

alleen om de taal te schrijven, die door het volk werd

geschreven. Zie Em. de Rougé, =Chrestomathie égyptienne=;

H. Brugsch =Hieroglyphische Grammatik=; Le Page Renouf,

=Hieroglyphicial grammar=; Ebers, =Ueber das hieroglyphische

Schriftsystem=, 2 Aufl. 1875 in de =Vorträge=, door Virchow en

Holtzendorf uitgegeven.

De dichter hield zijn vriend staande, sprak hem met ernst en warmte toe,

en smeekte hem toch van zijn voornemen af te zien. Doch Nebsecht bleef

ongeroerd door deze beden en trachtte zijne vingers los te rukken uit

de verbazend sterke handen van Pentaoer, die ze als met ijzeren klemmen

vasthielden. De dichter vermoedde in zijne vervoering niet, dat hij zijn

vriend pijn deed, tot deze, na eene vruchtelooze poging om vrij te

komen, uitriep: »Gij verwringt mijne vingers!”

Er kwam een glimlach op het gelaat van den dichter. Hij liet den

heelmeester los en zeide, terwijl hij diens vuurroode handen streelde

als eene moeder, die de pijn van haar kind weg wil strijken: »Wees niet

boos op mij, Nebsecht; gij kent mijne ongelukkige vuisten. Heden moesten

ze u inderdaad vasthouden, want wat gij voorhebt is al te dolzinnig.”

»Dolzinnig?” vroeg de arts, terwijl hij op zijn beurt lachte. »Mij

goed, maar weet gij dan niet, dat wij Egyptenaars met bijzondere

angstvalligheid aan onze dwaasheden hangen, en zelfs ons niet ontzien er

huis en hof voor op te offeren?”

»Ja =eigen= huis en =eigen= hof!” riep de dichter, en voegde er daarna

bij: »maar niet het leven, niet het welzijn van een ander.”

»Heb ik u dan niet reeds gezegd, dat ik het hart niet voor den zetel van

het verstand kan houden? Wat mij betreft, het is mij om ’t even, of ik

met het hart van een hamel of met mijn eigen hart begraven zal worden.”

»Ik spreek niet van den doode, die van dit lichaamsdeel beroofd zal

zijn, maar van den levende,” hernam Pentaoer. »Wanneer de daad van

den Paraschiet ontdekt wordt, dan is hij verloren, en het lieve kind

daarginds in de hut zoudt gij alleen gered hebben, om het in de diepste

ellende te storten.”

Nebsecht zag zijn vriend zoo verbluft en onthutst aan, alsof hij door

een ongeluksbode opeens uit den slaap was gewekt. Na een oogenblik zeide

hij echter: »Ik zou met den oude en Warda deelen al wat ik heb.”

»En wie zal u beschermen?”

»Haar vader.”

»Die ruwe dronkaard, dien zij morgen of overmorgen wie weet waarheen

zullen zenden....!”

»Hij is een braaf man,” viel de arts zijn vriend in de rede, terwijl hij

merkbaar ontroerd was en heel erg stotterde. »Maar wie zou het wagen het

meisje iets te doen? Zij is zoo.... zoo.... Zij is zoo lieftallig, zoo

schoon en heeft zoo iets eigenaardigs!”

Bij de laatste woorden sloeg hij de oogen neder en bloosde als een

meisje. »Gij begrijpt dat beter dan ik,” ging hij voort, »ja, gij vindt

haar ook schoon! Zonderling! ― Gij moet niet lachen, wanneer ik erken

― ik ben immers ook een mensch als ieder ander? ― wanneer ik erken,

dat ik het orgaan, het mij ontbrekende orgaan voor de schoonheid der

vormen toch eindelijk ook in mij meen ontdekt te hebben; neen, niet

meen, maar werkelijk ontdekt heb. Want het heeft van het eerste

oogenblik hier niet gesproken maar geschreeuwd, geraasd, dat mij de

ooren suisden, en voor het eerst in mijn leven trok de lijdende mij meer

aan dan het leed op zichzelf. Hoe heb ik daar gezeten als aan die hut

gekluisterd, en haar haren bewonderd en hare oogen en haar ademtocht

opgevangen! Zij hebben mij lang in het Seti-huis gemist; misschien

hebben zij ook mijne preparaten ontdekt, toen ze mij in mijne kamer

zochten. Twee dagen en nachten heb ik mij van den arbeid laten afhouden

door dit kind! Dacht ik als de leeken, die gij u aantrekt, dan zou ik

zeggen: demonen hebben mij betooverd. Maar dat is het niet” ― en bij

deze woorden was het alsof zijne oogen vlammen schoten ― »dat is het

niet! Het dierlijke in mij, de lage natuurdriften, waarvan het hart de

zetel is, deze dreigden mijne borst aan haar ziekbed te doen bersten;

zij hebben de andere fijnere en reine opwellingen hier, hier in deze

hersens overmeesterd. En zoo moet ik, op het oogenblik dat ik hoop te

zullen weten als God zelf, dien gij den vorst van alle wetenschap noemt,

helaas ondervinden, dat het dier in mij sterker is dan wat ik mijn god

noem.”

Onder deze laatste woorden had de arts gejaagd en verbolgen naar den

grond gezien, en niet eens op den dichter gelet, die verbaasd en vol

deelneming naar hem luisterde. Beiden zwegen eene poos, tot Pentaoer

zijne hand op die van zijn vriend legde en met aandoening zeide:

»Waarlijk, mijne ziel is niet vreemd aan hetgeen gij thans gevoelt. Het

heeft bij mij, als ik u naspreken mag, hoofd en hart tegelijk aangedaan.

Maar ik weet dat hetgeen wij voelen wel is waar vreemd is, aan onze

gewone gewaarwordingen, dat het echter hooger en edeler is, in plaats

van daar beneden te staan. Het is niet het dierlijke, Nebsecht, dat

gij in u waarneemt, maar het goddelijke. Het goede is de schoonste

eigenschap van het hemelsche, en gij zijt altijd liefderijk gezind

geweest jegens groot en klein. Doch ik vraag u of ooit iets zulk eene

onweerstaanbare macht op u heeft uitgeoefend, om een oceaan van goedheid

over een ander wezen uit te storten; of gij aan Warda niet alles wat gij

zijt en hebt blijmoediger en met grooter zelfverloochening zoudt geven,

dan aan vader en moeder en uwe oudste vrienden?”

Nebsecht boog zijn hoofd ten teeken van toestemming; Pentaoer vervolgde

echter: »Welaan dan! Volg de nieuwe goddelijke stem in u, heb Warda lief

en offer haar niet op aan uwe ijdele wenschen. Arme vriend! Bij al uw

zoeken naar de verborgenheden van het leven, hebt gij nog nooit naar

het leven zelf omgezien, dat zich daar open en uitlokkend uitbreidt

voor onzen blik in al zijn omvang en zijne diepte. Gelooft gij dat de

jonkvrouw, die den kalmsten denker in Thebe zoo in vlam kan zetten,

niet door honderd zinnelijke menschen zal worden begeerd, wanneer zij

geen beschermer heeft? Moet ik u zeggen, dat onder de danseressen in

het vreemden-kwartier negen van de tien, dochters zijn van uit de

maatschappij gebannen ouders? Kunt gij vrede hebben met de gedachte dat

door uw toedoen de onschuld aan de misdaad zal worden prijs gegeven en

de roos in het slijk getreden? Is het menschenhart, waarnaar gij zoozeer

verlangt, eene Warda waard? ― Ga nu, en kom morgen weder bij mij, uw

vriend, die in staat is alles te gevoelen wat gij gevoelt, wien gij

heden zooveel nader zijt gekomen, omdat gij geleerd hebt in zijn reinst

geluk te deelen.”

Pentaoer stak den arts zijne hand toe, Nebsecht nam haar aan, maar

langzaam. Nadenkend en met loome schreden ging hij heen, en zonder

te letten op den brandenden gloed van de middagzon, daalde hij over

den berg af in het dal der koningsgraven, in de richting van de

Paraschieten-hut. Hier vond hij den soldaat bij zijne dochter en vroeg

met nadruk: »Waar is de oude?”

»Hij ging naar den arbeid in het huis van de balsemers,” luidde

het antwoord. »Hij laat u weten dat, als hem iets overkomt, gij de

schriftelijke verklaring niet moogt vergeten, noch het boek. Hij was

als gek, toen hij ons verliet, en heeft het hart van den hamel bij zich

gestoken en medegenomen. Blijft gij wat bij de kleine; moeder verricht

dienstwerk, en ik moet krijgsgevangenen naar Hermonthis[157] brengen.”

[157] Het tegenwoordige Erment, de naaste stad ten zuiden van

Thebe, die men in eene dagreis bereiken kan.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 25 / 58 题