De zon was ondergegaan en de doodenstad gehuld in nachtelijk duister. De
maan scheen helder over het dal der koningsgraven, en de rotsblokken aan
de wanden der bergkloven wierpen scherp geteekende schaduwen. Akelig
stil was het in dit verlaten oord, en toch veel levendiger dan op den
middag, want nu schoten vledermuizen als zwarte zijden draden onhoorbaar
door de nachtlucht, uilen zweefden in den dampkring met breed ontplooide
wieken, en jakhalzen slopen in kleine troepen, de een achter den ander,
langs de bergwanden heen. Van tijd tot tijd stoorde hun akelig geblaf of
het kermend gelach eener hyena, de diepe stilte van den nacht.
Het scheen dat ook de mensch nog niet tot rust was gekomen in het dal
der graven. Uit het hol der tooveres Hekt schemerde een mat licht en
vóor de hut van den Paraschiet brandde een vuur, dat Warda’s grootmoeder
nu en dan met een stukje gedroogde koemest aanhield. Daarbij zaten twee
mannen; zij tuurden zwijgend in de kwijnende vlammen, wier doffe gloed
door het schitterend maanlicht werd overtroffen, terwijl een derde,
Warda’s vader, bezig was een grooten hamel, waarvan hij den kop had
afgesneden, te ontweien.
»Wat janken de jakhalzen!” zeide de oude Paraschiet, terwijl hij den
gescheurden bruinen katoenen lap, dien hij tegen de koude en den
nachtdauw had omgeslagen, steviger om zijne naakte schouders trok.
»Ze ruiken het versche vleesch,” antwoordde de arts Nebsecht. »Werp ze
straks de ingewanden toe. De schenkels en den rug kunt gij braden. Snijd
het hart, ja het hart zeer voorzichtig uit, soldaat. Daar is het. Wat
een groot dier was het!”
Nebsecht nam het hart van den hamel in zijne hand en beschouwde het met
groote opmerkzaamheid. De oude Paraschiet zag hem daarbij angstig aan en
zeide: »Ik heb beloofd voor u alles te zullen doen wat gij verlangt, als
gij de kleine weder beter maakt. Maar gij vordert wat onmogelijk is.”
»Wat onmogelijk is?” vroeg de arts. »Waarom onmogelijk? Gij opent
lijken, en bij de balsemers loopt gij uit en in. Gij hebt juist met
de kanopen[124] te maken. Welnu, gij legt dit hart in de vaas en neemt
in de plaats ervan het menschenhart er uit. Niemand, niemand zal
het merken. Het behoeft ook niet dadelijk, morgen of overmorgen, te
gebeuren. Wacht slechts eene geschikte gelegenheid af. Uw zoon mag elken
dag voor mijn geld een hamel koopen en slachten, tot het u gelukken zal.
Uw kleindochtertje zal spoedig in kracht toenemen door het gebruik van
vleeschspijs. Houdt maar moed!”
[124] Vazen van gebakken klei, kalksteen of albast, die
gebruikt werden voor het bewaren der ingewanden van gebalsemde
Egyptenaars. Zij moesten de vier geniën van den dood
voorstellen: Amset, Hapi, Toeamoetef en Khebsennoef. In plaats
van met een deksel, werd elke kanope gesloten met den kop van
den genius, waaraan zij gewijd was. Amset (onder bescherming
van Isis) had het hoofd van een mensch, Hapi (beschermd door
Nephtys) den kop van een aap, Toeamoetef (beschermd door Neith)
van een jakhals, Khebsennoef (beschermd door Selk) van een
sperwer. In een Christelijk-Koptisch handschrift worden, in
plaats van deze vier kanopen-goden, de vier aartsengelen
aangeroepen.
»Voor het gevaar ben ik niet bang,” zeide de oude, »maar mag ik een
gestorvene het leven ontstelen aan gene zijde des grafs? En dan!.... In
ellende en schande heb ik mijne dagen doorgebracht, en gedurende zoovele
jaren ― niemand heeft ze voor mij geteld ― de geboden opgevolgd, opdat
ik in de andere wereld rechtvaardig bevonden zal worden, en in de velden
van Aäloe[125] en in de zonneschuit vergoeding mag vinden voor alles wat
ik hier ontberen moest. Gij zijt goed en vriendelijk. Hoe kunt gij aan
een luim de zaligheid van een man opofferen, die zoolang hij leefde geen
geluk gekend en u nimmer leed gedaan heeft.”
[125] Zie Dl. I, bl. 64.
»Wat ik met dat hart voorheb,” hernam de arts, »kunt gij niet
begrijpen, doch wanneer gij het mij bezorgt, dan bevordert gij eene
groote en nuttige zaak. Gij weet wel dat het geen luim van mij is, want
ik ben geen leeglooper. En wat uwe zaligheid betreft, wees daarover
allerminst bezorgd. Ik ben een priester en neem uwe daad met al hare
gevolgen voor mijne rekening, verstaat gij: voor mijne rekening. Als
priester geef ik u de verzekering, dat het goed is wat ik van u vorder.
En als de doodenrechters u later vragen mochten: ‚Waarom naamt gij
het hart van een mensch uit de kanope?’ geef.... geef hun dan ten
antwoord: ‚Wijl Nebsecht, de priester, het mij beval, en beloofde de
verantwoordelijkheid van deze daad geheel op zich te nemen.’”
De oude keek peinzend naar den grond, de arts ging echter met te meer
aandrang voort: »En wanneer gij mijn wensch vervult, dan-dan, dat
zweer ik u, dan zal ik zorg dragen, dat men bij uw dood uwe mummie
met alle amuletten bekleedt, en ikzelf zal voor u een ‚Boek van den
uitgang in den dag’[126], schrijven en dat laten wikkelen in uwe
mummiewindsels[127], alsof gij een der aanzienlijksten waart. Dat zal u
kracht geven tegen alle boozen geesten, en u zal toegang worden verleend
in den hof der beide gerechtigheden, de beloonende en de straffende, en
men zal u zalig spreken.”
[126] Dit is de titel van het eerste hoofdstuk van het
zoogenaamde Doodenboek. Het begint: Ha em re’ em per em hroe,
welke woorden de Grieken later aanleiding gaven te spreken van
een boek der Egyptenaars, „De heilige Ambres” geheeten, dat bij
Horappollo (Hiërogl. I, 38) voorkomt.
Het Doodenboek, door Champollion minder juist „Rituel
funéraire” genoemd, bevat eene reeks van opstellen of
hoofdstukken, die onder elkander niet onmiddellijk samenhangen,
of een aaneengesloten doorloopend geheel vormen. Het is eene
verzameling van heilige teksten, alle op een hoofdonderwerp: de
verrijzenis, het doodengericht en het leven aan gene zijde van
het graf, betrekkelijk, en uit verschillende tijden afkomstig.
Het behoorde tot de heilige schriften, die aan Toth of Hermes
worden toegekend, en kan zoo al niet tot de door Clemens van
Alexandrië vermelde 42 Hermetische boeken, dan toch tot de
andere geschriften van dezelfde afkomst (Jamblichus gewaagt
zelfs van 20000) gebracht worden. Het Doodenboek bevat alles
wat men weten moet, om op aarde zich reeds voor zijn dood voor
te bereiden. Het levert de beschrijving en den inhoud der
formulieren, die bij het vervaardigen der amuletten en andere
voorbehoedmiddelen aan den overledene werden medegegeven; de
gebeden en toespraken, die hij tot de goden van het doodenrijk
richt, en waardoor hij de beletselen overwint, hem door
vijandige geesten en booze machten in den weg gesteld. Zelfs
treedt hij telkens als handelende op. De inhoud heeft alleen
betrekking op hem en zijn tocht door het doodenrijk, waarbij
gezegd wordt, waarheen hij gaat, wat hij doet, hoort en ziet
en wie hij is. Eigenlijk is de overledene reeds voor de
begrafenis, of de plaatsing van zijn gebalsemd lijk in de
grafkamer, door zijn leven gerechtvaardigd, als de door Toth
tegen zijne vijanden gerechtvaardigde Osiris, in de gemeenschap
der zalige geesten en vereenzelvigd met Ra. Een volledige tekst
in hiëroglyphisch schrift is, naar het oorspronkelijke in het
Egyptisch museum te Turyn, in 1842 door Lepsius, een ander
insgelijks volledige tekst, doch in hiëratisch schrift, in het
vorige jaar naar een papyrus van het museum te Leiden door
Dr. Leemans in het licht gegeven. Laatstgemelde hield in eene
vergadering van de Afdeeling Letterkunde der Kon. Academie van
wetenschappen onlangs eene voordracht over het doodenboek,
waarvan een overzicht in de =Verslagen en Mededeelingen=
der Afdeeling werd opgenomen, en waaraan wij bovenstaande
opmerkingen ontleenden. Vert.
[127] De teksten van het Doodenboek werden onder de windsels
(bij de dij of onder den arm), dikwijls ook in de lijkkist onder
of naast de mummie gevonden.
»Maar de roof van een menschenhart zal den last mijner zonden verzwaren,
wanneer mijn eigen hart wordt gewogen,” zuchtte de oude man.
Nebsecht dacht een oogenblik na, waarop hij vervolgde: »Ik wil u een
schriftelijk bewijs geven, waarin ik verklaren zal, dat de roof van dat
hart u door mij werd bevolen. Dat moet gij in een zakje laten naaien,
altijd op uw borst dragen en met u doen begraven. Wanneer dan
Techoeti[128], de pleitbezorger der ziel, uwe rechtvaardiging voor
Osiris en de doodenrechters[129] op zich neemt, overhandig hem dan dit
geschrift. Hij zal het voorlezen en gij zult rechtvaardig bevonden
worden.”
[128] Toth. Zie Dl. I, bl. 27.
[129] De afbeeldingen bij het 125ste hoofdstuk van het
Doodenboek stellen het doodengericht der Egyptenaars voor. De
opperrechter Osiris zit op een troon onder een baldakijn, met
de twee en veertig rechters bij hem. In de zaal staat de
weegschaal; de hondskopaap, het heilige dier van Toth,
bestuurt den evenaar. Op de eene schaal staat het hart van den
afgestorvene, op de andere het beeld van de godin der waarheid,
die de ziel in de rechtszaal binnenleidt. ― Toth schrijft het
protokol. De ziel verklaart zich niet schuldig te hebben gemaakt
aan de twee en veertig doodzonden, en wordt, wanneer zij geloof
heeft gevonden, „maä cheroe,” d. i. „waarheid sprekende” genoemd
en alzoo zalig gesproken. Zij krijgt nu haar hart terug en gaat
over tot een nieuw goddelijk leven.
»Ik ben niet ervaren in het lezen en beoordeelen van geschriften,”
zeide de oude half verstaanbaar, en in den toon zijner stem lag eenig
mistrouwen.
»Doch bij de negen groote goden zweer ik u, dat ik niets op den papyrus
zal schrijven, dan wat ik u beloofde. Ik zal verklaren dat ik, de
priester Nebsecht, u geboden heb het hart te nemen, dat uwe schuld de
mijne is.”
»Nu, breng mij het schrift dan,” prevelde de oude.
De arts veegde het zweet van zijn voorhoofd, reikte den Paraschiet de
hand en zeide: »Morgen zult gij het hebben, en ik verzeker u, dat ik uwe
kleindochter niet verlaten zal, tot zij gezond is.”
De soldaat had, terwijl hij den hamel ontleedde, van dit gesprek niets
gehoord. Hij had nu den achterbout aan de punt van een houten spit
gestoken, en hield dien boven het vuur om te braden. De jakhalzen
begonnen harder te huilen, toen de reuk van het smeltende vet zich door
de lucht verbreidde. De oude man vergat den vreeselijken last, dien hij
op zich nam, zoodra hij het vleesch zag braden; sedert jaren toch had
hij in zijn huis geen vleesch geproefd. Nebsecht zat het aan te zien hoe
zij smulden, terwijl hijzelf een stukje brood at. Zij reten het vleesch
van de beenderen; de soldaat vooral verslond het ongewoon en kostelijk
maal met dierlijke vraatzucht. Men hoorde hem kauwen als een paard aan
de kribbe.
Geen wonder dat dit tooneel den priester met weerzin vervulde.
»Zinnelijke menschen,” sprak hij in zichzelf; »dieren met bewustzijn! En
toch menschen! Zonderling! Zij smachten in de banden der zinnelijkheid,
waarvan zij zich nog niet los konden maken; en toch, hoeveel vuriger
verlangen zij naar het bovenzinnelijke dan wij, hoeveel gemakkelijker
maken zij er zich gemeenzaam mede!”
»Wilt gij vleesch?” vroeg de soldaat, die had opgemerkt dat de lippen
van den arts zich bewogen. Tegelijk scheurde hij een stuk gebraad van
den bout, waaraan hij zat te kluiven, en hield het den heelmeester voor.
Deze ging onwillekeurig achteruit; de vraatzuchtige blik, de
glinsterende tanden en de ruwe donkere trekken van den man deden hem
schrikken. Daarbij dacht hij aan de teedere blanke zieke daarbinnen op
de mat, en als vanzelf kwam de vraag op zijne lippen: »Is dat meisje, is
Warda uw eigen kind?”
De soldaat sloeg zich op de borst en zeide: »Zoo waarachtig als koning
Ramses een zoon van Seti is.”
Toen de mannen met hun maal gereed en de platte broodkoeken, die de
Paraschieten-vrouw hun had gegeven en waarmede zij tevens hunne handen
van het vet gereinigd hadden, opgegeten waren, zeide de soldaat, wiens
langzaam werkende hersenen zich nog altijd met de vraag bezighielden,
diep zuchtende: »Haar moeder was een vreemde. Zij heeft het witte duifje
in het ravennest gelegd.”
»Uit welk land was uwe vrouw afkomstig?” vroeg de arts.
»Dat weet ik niet,” gaf de soldaat ten antwoord.
»Hebt gij haar dan niet gevraagd, van waar zij kwam? Zij was toch uwe
vrouw.”
»Wel zeker. Maar hoe kon zij mij een antwoord geven? ― Dat is eene
lange, vreemde geschiedenis.”
»Kom, vertel mij de geschiedenis,” vroeg Nebsecht. »De nacht is lang,
en hooren is mij liever dan spreken. Maar ik wil eerst eens naar onze
kranke gaan zien.”
Nadat de arts zich overtuigd had, dat Warda rustig sliep en regelmatig
ademhaalde, zette hij zich weder bij vader en zoon neder. De laatste
begon nu het volgende te vertellen: »Het is al heel lang geleden. Koning
Seti leefde nog, maar Ramses regeerde reeds in zijn plaats. In dien tijd
kwam ik terug uit het Noorderland. Zij hadden mij naar de werklieden
gestuurd, die de vestingwerken van Zoan, de Ramses-stad[130], moesten
bouwen. Ik was over zes man gesteld, uitsluitend Amoe[131], van den
stam der Hebreën[132], die Ramses streng onder den duim hield. Onder de
arbeiders waren de zonen van lieden, die rijke kudden bezaten. Bij de
lichting van werkvolk werd echter niet gevraagd: wat bezit gij? maar
alleen: tot welken stam behoort gij? De vestingwerken en het kanaal, dat
den Nijl met de Schelfzee verbinden zou, moesten voltooid worden, en
de koning, wien leven, heil en kracht gedijen mogen! nam de Egyptische
jongelingen mede in den krijg, en liet de Amoe, stamverwanten van zijne
vijanden in het oosten, handen aan den arbeid slaan. Het ging daar
rijkelijk toe in Gosen[133], want het land is schoon en men vindt er
overvloed van gras, groenten, visch en gevogelte. Het ontbrak mij dus
niet aan het beste wat ik verlangen kon, want onder mijne zes lieden
waren twee troetelkinderen, wier ouders mij menig stuk zilver gaven.
Ieder heeft zijne kinderen lief, maar de Hebreën beminnen ze toch
teederder dan andere menschen. Wij moesten dagelijks het bepaalde getal
tegels leveren[134]; ik hielp dan de jongens, als de zon zoo stak, en
bracht in éen uur alleen meer stuks samen, dan zij in drie. Want ik ben
sterk, en was het toen nog meer dan nu.
[130] De stad Ramses, die in den bijbel voorkomt. Exodus I, 11.
[131] Semieten.
[132] Zie over hetgeen men van het verblijf der Joden in Egypte
op de monumenten en in de papyrussen heeft gevonden: Chabas,
=Mélanges égyptologiques II=, en Ebers, =Aegypten und die Bücher
Mose’s=.
[133] Zie over Gosen, waarvan ook op de monumenten gewag wordt
gemaakt: Ebers, =Durch Gosen zum Sinai, aus dem Wanderbuche
und der Bibliothek=. In een brief van een schrijver aan zijn
opziener wordt de heerlijkheid van dit landschap zeer geprezen.
[134] Exodus I, 13, 14; V, 7, 8.
»Toen het tijdstip kwam, waarop ik door een ander werd afgelost,
moest ik naar Thebe terug, ten einde opzicht te houden over de
krijgsgevangenen, die als werklieden werden gebruikt om den grooten
Amon-tempel aan de overzijde te bouwen. Daar ik een aardigen duit geld
mede naar huis had gebracht, en de voltooiing van de groote woning van
den koning der goden nog den tijd had, begon ik er aan te denken eene
vrouw te nemen. Maar geene Egyptische. Paraschieten-meisjes waren er
genoeg, maar ik wilde geen meisje uit die gevloekte caste mijns vaders,
en de andere hier, dat wist ik al te goed, waren te bevreesd voor onze
onreinheid. Ginds in het benedenland was ik beter gevaren; menige Amoe-
en Schasoevrouw[135] kwam gaarne in mijne tent. Ik had van den beginne
reeds mijn zin op een Aziatisch meisje gezet. Telkens kwamen er
krijgsgevangen meisjes te koop, maar zij bevielen mij niet, of waren mij
te duur. Inmiddels versmolt mijn geld, want in de vrije uren, die op den
bouwtijd volgden, leefden wij er vroolijk van. Aan danseressen was in
het vreemden-kwartier zeker geen gebrek.
[135] Zie Dl. I, blz. 12.
»Op zekeren dag kwam er een nieuw transport krijgsgevangenen. Het was
juist in den tijd van het heilige feest van den trap[136]. Er waren vele
vrouwen onder, die bij de groote haven aan den meestbiedende verkocht
werden. Voor haar die er werkelijk schoon en nog jong uitzagen werden
hooge prijzen besteed, maar ook de meer bejaarden waren mij te duur.
Geheel op het laatst werd er eene blinde vrouw voorgebracht en nog eene
broodmagere, die bovendien stom was, zooals de afslager den kooplustigen
mededeelde, ofschoon hij anders de goede hoedanigheden der gevangenen
hoog ophemelde. De blinde had flinke handen aan ’t lijf; zij werd
gekocht door een kroeghouder, bij wien zij thans nog den handmolen
draait. De stomme, van welke niemand eigenlijk zeggen kon of zij jong of
oud was, hield een kind in de armen. Zij zag er uit, alsof zij reeds in
de doodkist lag, en het kind, alsof het haar in ’t graf nog voor wilde
gaan. Bovendien had zij rood, vuurrood haar, juist als de kleur van
Typhon. Maar haar sneeuwwit gezicht zag er niet kwaad uit, ook wel niet
goed, maar moede, dood moede. Rondom hare magere blanke armen liepen
blauwe aderen als donkere koorden, de handen hingen mat naar beneden, en
hielden de kleine. Als er een windvlaag opsteekt, dacht ik, waait zij
nog weg met kind en al.
[136] Een groot feest, dat gevierd werd, ter eere van Amon-Chem.
»De afslager verlangde een bod, doch alles zweeg. Natuurlijk, want die
stomme schim was voor den arbeid niet bruikbaar. Ze was reeds half dood
en eene begrafenis is duur. Zoo verliepen er eenige oogenblikken. De
afslager liep eindelijk op haar toe en gaf haar een slag met den zweep,
om haar wat opgewekter, wat minder ellendig aan de koopers te doen
voorkomen. Zij kromp ineen als iemand die de koorts heeft, drukte het
kind vaster tegen zich aan en keek rond alsof zij hulp zocht. Zij zag
mij juist in het aangezicht. Wat mij toen overkwam was als een wonder.
Haar oog was grooter dan ik er ooit een heb gezien. Daar huisde een
demon in, die macht over mij had en tot het laatst toe mijn handel en
wandel heeft bestuurd. Het was op dien dag dat die demon mij het eerst
betooverde. Want ziet: het was volstrekt niet heet, ik had niets
gedronken, en toch handelde ik tegen mijn wil, tegen beter inzichten
in, toen ik, zoodra haar blik mij getroffen had, alles wat ik bezat
bood om haar te koopen. Ik had haar veel goedkooper kunnen krijgen!
Mijne metgezellen lachten mij hartelijk uit, en de afslager streek
schouderophalend het geld op. Maar ik hielp de vrouw overeind, nam het
kind op mijn arm, bracht haar in eene boot over den Nijl, laadde mijn
jammerlijk eigendom op een steenwagen en trok zelf het schepsel als een
blok kalksteen hierheen naar den oude.
»Moeder schudde bedenkelijk het hoofd, en vader keek mij aan of ik
krankzinnig was; zij zeiden echter geen van beiden een woord. Men
spreidde haar een leger, en ik bouwde in mijne vrije nachten het
vervallen ding hiernaast, dat eens eene fatsoenlijke hut is geweest.
Moeder kreeg het kindje spoedig lief. Het was nog heel klein en wij
noemden het Pennoe[137], omdat het zoo snoesig was als een muisje. Ik
vermeed sedert het vreemden-kwartier, bespaarde wat ik verdiende en
kocht eene geit, die voor onze deur stond, toen ik de vrouw overdroeg
naar hare eigene hut. Zij was wel stom, maar niet doof. Zij verstond
onze taal niet, doch de demon in hare oogen sprak voor haar en vatte wat
ik zeide. Alles begreep zij en kon zij ook met hare blikken zeggen. Het
allerbeste wel kon zij danken. Geen opperpriester, die de goden op het
groote Nijlfeest voor hunne weldaden in lange liederen prijst, kon zoo
innig met zijne welsprekende lippen danken, als zij het kon met hare
stomme oogen. Als zij bidden wilde, dan was het of de demon in haar blik
nog machtiger was dan anders. In den beginne werd ik wel eens ongeduldig
als zij daar zoo mat en sprakeloos tegen den wand leunde, of als de
kleine schreeuwde en mij geen nachtrust liet. Zij had echter alleen de
oogen te openen, en dan onderdrukte de demon elke klacht in mijn gemoed
en bracht mij aan het verstand, dat het krijten niet anders was dan
lieflijk gezang. Pennoe schreide werkelijk lieflijker dan alle andere
kinderen, en hij had zulke kleine poezelige blanke vingertjes.
[137] Pennoe beteekent in het Oud-Egyptisch: muis.
»Eens had hij een tijd lang geschreeuwd. Toen boog ik mij over het
jongske neder en wilde hem toespreken; maar hij greep mij in den baard.
Dat was wat! Sedert moest hij mij telkens plukharen en zijne moeder
merkte dat het mij pleizier deed. Want als ik wat moois of lekkers had
medegebracht, een ei, of eene bloem, of een koekje, dan hield zij hem
in de hoogte, en stak zijne handjes in mijn baard. Ja binnen weinige
maanden had de vrouw geleerd het kind te waardeeren, want zij werd
rustiger en besteedde meer zorg aan zijne verpleging. Zij is altijd
blank en teer gebleven, maar het scheen of zij van dag tot dag jonger en
schooner werd. Zij kon ternauwernood twintig jaren geweest zijn, toen ik
haar kocht. Hoe zij heette heb ik nooit te weten kunnen komen. Wij gaven
haar ook geen naam: zij was ‚de vrouw’ en zoo spraken wij haar aan. Toen
zij acht maanden bij ons geweest was, stierf het muisje. Ik heb geweend
als zij, en terwijl ik zoo, over het kleine lijkje gebogen, aan mijne
tranen den vrijen loop liet en dacht: nu kan hij zijn vingertjes niet
meer naar je uitsteken, toen voelde ik voor het eerst de zachte hand van
de vrouw over mijne wangen. Zij streelde als een kind mijn ruwen baard,
en daarbij zag ze mij zoo dankbaar aan, dat ik te moede was alsof de
pharao mij Opper- en Neder-Egypte op eens ten geschenke had gegeven.
»Zoodra het muisje begraven was, werd zij weder zwakker, maar moeder
zorgde voor hare verpleging, zoodat zij gezond bleef. Ik leefde met haar
als een vader met zijn kind. Zij was zoo vriendelijk! Doch zoodra ik
haar naderen wilde en haar mijne liefde toonen, dan keek ze mij aan, en
de demon in hare oogen dreef mij terug en ik liet haar alleen. Zij werd
gezonder, sterker en steeds schooner, zoo schoon zelfs, dat ik haar voor
anderen verborgen hield, en het verlangen mij verteerde haar tot mijne
vrouw te maken. Eene rechte huisvrouw kon zij wel nooit worden; hare
handjes waren zoo teer, en zij wist niet eens hoe zij geiten moest
melken. Dat en al het overige deed moeder voor haar. Overdag bleef
zij in de hut en werkte, want zij was zeer bedreven in vrouwelijke
handwerken, en kon kanten vlechten zoo fijn als spinrag, die moeder
verkocht om voor de opbrengst reukwerken aan te schaffen. Daar hield zij
veel van, en ook van bloemen; dat heeft Warda daarbinnen van haar. ’s
Avonds, als de menschen van de overzijde de doodenstad hadden verlaten,
wandelde zij hier in het dal op en neer in gepeins, nu en dan eens
opziende naar de maan, die zij zeer liefhad.
»Eens, het was in den wintertijd, kwam ik naar huis. Het was reeds
donker en ik dacht haar als naar gewoonte voor de deur te vinden. Daar
hoor ik, zoowat honderd schreden achter het hol van de oude Hekt, een
troep jakhalzen zoo geweldig blaffen, dat ik dadelijk bij mijzelf zeide:
ze hebben een mensch aangevallen. Ik begreep ook wie, al had niemand het
mij gezegd. De vrouw kon immers niet schreeuwen of om hulp roepen?
Razend van angst rukte ik de paal, waaraan de geit vaststond, uit den
grond en een brandend stuk hout van den haard, vloog de ongelukkige te
hulp, verjoeg de beesten en droeg de arme vrouw geheel bewusteloos in de
hut. Moeder hielp mij en wij brachten haar gelukkig weder bij. Toen wij
alleen waren, schreide ik als een kind van vreugde, dat ik haar gered
had. Zij liet zich door mij kussen, en ― toen is zij mijne vrouw
geworden, drie jaren nadat ik haar gekocht had.
»Zij heeft mij een meisje geschonken, dat zij zelve Warda noemde. Want
zij toonde mij eene roos en wees op het kind, en wij begrepen haar, ook
al sprak zij niet. ― Niet lang daarna is zij gestorven.
»Gij zijt een priester, maar ik verzeker u, wanneer ik ooit voor Osiris
word geroepen en mij toegang wordt verleend tot de gezaligden, dan wil
ik vragen of ik die vrouw daar ook weder vinden zal. Als de portier mij
dan een ontkennend antwoord geeft, mag hij mij gerust naar de verdoemden
verwijzen, wanneer ik haar daar terugvind.”
»En heeft zij door geen enkel teeken verraden, welke hare afkomst was?”
vroeg de arts.
De soldaat bedekte zijn aangezicht met beide handen, weende luide en
hoorde hem niet. Doch de Paraschiet zeide: »Zij was de dochter van een
hooggeplaatst man, want wij vonden in haar kleed een gouden kleinood
met een edelsteen, waarop vreemde teekens zijn gegraveerd. Het is zeer
kostbaar, en mijne vrouw bewaart het zorgvuldig voor de kleine.”