VEERTIENDE HOOFDSTUK.

Ook Pentaoer had weldra de hut van den Paraschiet verlaten. Peinzend

sloeg hij het bergpad in, dat naar den tempel[109] leidde, waarover

Ameni hem het bestuur had opgedragen. Hij zag alles behalve

verkwikkelijke, ja donkere uren naderen. Het heiligdom, aan zijne zorg

toevertrouwd, was door koningin Hatasoe[110], die tot de onttroonde

dynastie behoorde, gewijd aan hare eigene nagedachtenis en aan de

godin Hathor. De priesters die het bedienden, waren in het bezit van

bijzondere, bij gezegelde oorkonden gewaarborgde privilegiën, die tot

hiertoe streng ontzien werden. Hunne waardigheid was erfelijk, en ging

dus over van den vader op den zoon; ook mochten zij uit hun eigen midden

een hoofd kiezen. Roeï, die thans deze waardigheid bekleedde, was

doodelijk ziek, en Ameni, wien het oppertoezicht over deze priesters

toekwam, had, zonder hen te raadplegen, hun den jongen Pentaoer als

plaatsvervanger toegezonden. Zij ontvingen den indringer met tegenzin

en sloten zich vast aaneen, toen hun bleek dat hij voornemens was zijne

taak ernstig op te nemen en vele onder hen bestaande misbruiken af

te schaffen. Zij hadden de begroeting van de opgaande zon aan de

tempeldienaars opgedragen; Pentaoer verlangde echter, dat ten minste de

jongeren onder hen aan het gezang van de morgenhymne zouden deelnemen,

terwijl hijzelf de koren bestuurde. Tot hiertoe hadden zij handel

gedreven met de rijke op het altaar der goden neergelegde offers, doch

hun nieuwe meester verzette zich tegen deze onbetamelijke handelwijs,

alsmede tegen de afpersingen, waaraan zij zich schuldig maakten ten

opzichte van beangstigde vrouwen, die den tempel van Hathor in grooter

getal bezochten dan eenig ander heiligdom.

[109] Deze tempel is betrekkelijk goed bewaard gebleven.

In Dümichen’s =Flotte einer aegyptischen Königin= zijn de

belangrijkste voorstellingen, die men daar gevonden heeft,

afgebeeld. De platte grond, door Lepsius gegeven in zijne

=Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien= kan aangevuld worden, na

de uitgravingen van Mariëtte.

[110] Dochter van Thotmes I, gemalin van haar broeder Thotmes

II, voogdes van haar tweeden broeder Thotmes III. Zij was een

krachtig handelende vrouw, die groote werken deed uitvoeren, en

zich liet afbeelden met den helm en den baard van een man.

De dichter, in het Seti-huis opgevoed tot zelfbeheersching, orde,

stiptheid en reinheid van zeden, diep doorgedrongen van de beteekenis

der priesterlijke waardigheid, en gewoon, met bijzonderen ijver te velde

te trekken, tegen traagheid van lichaam en geest, had een walg van dat

luie lekkere leven en de bedriegerijen dergenen, die onder hem gesteld

waren. Hij besloot daarom met te grooter ijver hier een nieuw leven te

wekken, sedert de dag van gisteren hem een diepen blik had doen slaan

in de ellende en de zorgen van het menschelijk leven. De overtuiging

dat de trage priesterschaar, die hem gehoorzamen moest, geroepen was

troostrijken balsem te gieten in duizend beknelde harten, ontelbare

tranen te drogen en aan het dorre hout der vertwijfeling het frissche

groen der hoop te doen ontspruiten, drong hem krachtig door te tasten.

Gisteren had hij gezien, hoe zijne onderhoorigen de klachten van eene

verlatene, van een bedrogen meisje, van eene vrouw, die den kinderzegen,

haar tot dusver ontzegd, kwam afbidden, van een zorgvolle moeder en

eene eenzame weduwe, met koele onverschilligheid hadden aangehoord.

Zij bleken op niets anders bedacht te zijn dan om het leed van anderen

winstgevend te maken voor de godin Hathor, of liever, om geschenken af

te persen ten behoeve van hun eigen zak en hun eigen buik.

Thans naderde hij weder het tooneel zijner nieuwe werkzaamheid. Dáar

lag het eerwaardig heiligdom, uit het dal in vier terrassen statig

oprijzende, aan de westzijde geleund tegen den halfronden hemelhoogen

wand van het steile geelachtige kalkgebergte; daar lag het zoo

regelmatig en eigenaardig afgedeeld. Op den met zorg gevoegden onderbouw

prijkten reusachtige in den steen uitgehouwen sperwers, met het teeken

des levens. Zij waren eene symbolische voorstelling van Horus, den zoon

der godin, die al wat verwelkt op nieuw doet bloeien, al het stervende

weder doet opstaan. Op elk terras verhief zich eene naar het oosten

geopende overdekte ruimte, elk met twee en twintig zuilen in ouden

stijl[111]. De schoone schilderwerken en opschriften in fijn

beeldhouwwerk op de achterwanden, verkondigde aan de nakomelingschap wat

groote dingen Hatasoe met hulp der goden van Thebe had gedaan. Dáar

zag men de schepen, die zij naar Poent[112] had gezonden, om Egypte te

verrijken met de schatten van het oosten. Dáar waren de naar Thebe

overgebrachte wonderen van Arabië te zien. Dáar kon men de afbeeldingen

vinden van de huizen[113] der bewoners van het wierookland, en alle

visschen van de Roode zee in scherpe en karakteristieke omtrekken[114].

Op het derde en vierde terras bevonden zich kleinere door Hatasoe en

hare broeders Thotmes II en III aangelegde vertrekken, die tegen de

rotsen waren aangebouwd, en waartoe poorten van graniet den toegang

verleenden. Daar moesten de reinigingen volbracht, de standbeelden der

godin vereerd, aan de schim der koningin geofferd en van bevoorrechte

smeekelingen de biecht gehoord worden. In een zijgebouw werd de heilige

koe der godin verpleegd.

[111] Het waren veelhoekige zuilen, zooals die voorkomen in

graven uit de 12e dynastie (2354 tot 2194 v. Chr.). Na de

verdrijving der Hyksos door de koningen uit de 17e en 18e

dynastie werden zij ook voor op zichzelf staande gebouwen

gebruikt, doch onder de volgende koningen komen zij niet meer

voor.

[112] Arabië, waarschijnlijk ook het kustland van Oost-Afrika

ten zuiden van Egypte, tot aan het Somali-land. Hiervoor pleiten

namelijk de onlangs door Mariëtte uitgegeven lijsten der

zuidelijke volken, die Thotmes III onderwierp, en die op de

pylonen van den tempel van Karnak waren uitgehouwen.

[113] Zij stonden op palen, en men kon er alleen inkomen met

hulp van ladders.

[114] De verschillende soorten zijn zeer goed te onderscheiden.

Het is Dr. Donitz gelukt aan vele de juiste naam te geven.

Toen Pentaoer aan den hoofdpoort van den terrassentempel was gekomen,

moest hij getuige zijn van een schouwspel, dat hem met verontwaardiging

vervulde. Eene vrouw wenschte den voorhof binnengelaten te worden, om

aan het altaar der godin te bidden voor haar man, die ernstig ziek was.

Doch de dikke portier wees haar met ruwe woorden af. »Daar staat het,”

zeide hij, wijzende op het opschrift boven de poort; »de reine alleen

mag zijn voet over dezen drempel zetten, en men kan slechts rein worden

door het bewierooken.”

»Slinger dan het wierookvat,” bad de vrouw, »en neem daarvoor dezen

zilverring. Ik heb niet meer.”

»Eén zilverring?” riep de portier verbaasd. »Zal de godin om uwentwil

armoe lijden? de anta-korrels[115], die wij voor de reiniging noodig

hebben, kosten wel tienmaal meer.”

[115] Eene zeer dikwijls voorkomende soort van wierook.

»Maar ik bezit niets meer,” herhaalde de vrouw. »Mijn man, waarvoor ik

kom bidden, is ziek. Hij kan niet werken, en mijne kinderen....”

»Die wilt gij zeker vetmesten, en daarom der godin onthouden wat haar

toekomt,” sprak de portier. »Komaan, drie ringen, of ik sluit de poort.”

»Wees barmhartig!” hernam de vrouw weenend. »Wat moet er van ons worden,

wanneer Hathor mijn man niet bijstaat?”

»Moet onze godin hem een geneesmiddel geven?” vroeg de portier.

»Waarlijk zij heeft wel wat anders te doen dan kranke hongerlijders

beter te maken. Dat behoort ook niet tot haar ambt. Ga naar

Imhotep[116], of naar Choensoe den plannenmaker[117] of tot den grooten

Techoeti zelven; zij zijn het die kranken helpen. Hier houdt men zich

niet op met kwakzalverij.”

[116] Zoon van Ptah. De Grieken noemden hem Asklepios

(Aesculapius). Memphis was de hoofdplaats zijner vereering.

Gewoonlijk wordt hij afgebeeld met een kap over het hoofd en een

boek op de knieën. Men vindt van hem zeer schoone standbeelden

te Berlijn, in het Louvre, te Boelaq en in andere museën. Een

bronzen beeldje van buitengewone schoonheid is in het bezit van

den predikant Haken te Riga.

[117] De derde god in de trias van Thebe. Choensoe, steeds met

de lok der jeugd getooid, is de zoon van Amon en Moeth; hij

wordt bovendien met Toth vereenzelvigd en aangeroepen als goeden

raad gevende bij genezing van kranken. Zijn groote tempel te

Thebe (Karnak) is goed bewaard gebleven. Onder de 20ste dynastie

(1273-1095 v. Chr.) werd, gelijk E. de Rougé heeft aangetoond

uit een voortreffelijk verklaarden papyrus op de bibliotheek van

Parijs, zijn standbeeld naar Azië gezonden, om de door demonen

bezetene zuster der vrouw van Ramses XII, eene Aziatische

vorstendochter, te genezen.

»Ik verlang niet anders dan troost in mijn kommer,” snikte de vrouw.

»Troost?” zeide de portier lachend, terwijl hij de vrouw, die er nog

jong en frisch uitzag, met zijne blikken opnam. »Die kunt gij goedkooper

krijgen!”

De vrouw werd doodsbleek en sloeg den portier, die zijn hand naar

haar uitstrekte, terug. Op dit oogenblik trad Pentaoer gloeiend van

verontwaardiging tusschen beiden. Zegenend breidde hij zijne handen uit

over het hoofd der vrouw, die zich diep voor hem boog en zeide: »Wie de

godheid uit den diepsten grond des harten aanroept, dien is zij nabij.

Gij zijt rein. Treedt den voorhof binnen!”

Zoodra zij in den tempel verdwenen was, richtte de priester zich tot den

portier en zeide: »Zóo dient gij de godheid dus; maakt gij zóo misbruik

van den nood der beklemde gemoederen? Geef over de sleutels van deze

poort! Dit ambt is u ontnomen, en morgen reeds gaat gij naar buiten op

de weide, om de ganzen van Hathor te hoeden.”

De portier wierp zich onder een vreeselijk misbaar op de knieën, maar

Pentaoer keerde hem den rug toe, trad het heiligdom binnen en ging den

trap op, die naar zijne op het hoogste terras gelegene woning leidde.

Eenige priesters, die hij tegenkwam, draaiden zich om; anderen keken

voor zich, hoorbaar smakkende en kauwende, en deden alsof zij hem niet

zagen. Zij hadden een complot gemaakt en het stellig besluit genomen,

zich tegen elken prijs van den lastigen indringer te ontslaan. Toen

Pentaoer het vertrek had bereikt, dat voor zijn zieken voorganger met

zooveel weelde was gemeubeld, deed hij zijn nieuw ambtsgewaad aan, en

kon niet nalaten onder smartelijke gewaarwordingen eene vergelijking te

maken tusschen voorheen en thans. Tot welk eene verwisseling had Ameni

hem gedoemd! Hier vond hij niet anders dan stompheid en weerzin,

waarheen hij ook de blikken richtte, terwijl honderd knapen hem tegemoet

ijlden en uit genegenheid aan zijn kleed hingen, wanneer hij door de

hoven van het Seti-huis wandelde. Door grooten en kleinen geëerd, vond

daar elk zijner woorden een plaats, en wanneer hij dag aan dag zijne

denkbeelden uitsprak, ontving hij ze in ernstige gesprekken met zijne

metgezellen en kweekelingen gelouterd terug, en legde zoo schatten op

voor zijn innerlijk leven. »Het vreemde,” zeide hij tot zichzelf, »is

vaak het aantrekkelijkste. En toch: hoe zwaar valt het te missen,

waaraan men gewoon is.”

Pentaoer doorleefde weder in de verbeelding de gebeurtenissen van de

laatste dagen. Het beeld van Bent-Anat stond hem levendig voor den

geest, en nam steeds duidelijker en bekoorlijker vormen aan. Zijn hart

begon harder te kloppen en het bloed stroomde sneller door zijne aderen.

Hij verborg zijn aangezicht in zijne handen en herdacht elk harer

blikken en ieder woord van hare lippen. »U volg ik gaarne,” had zij hem

vóor de hut van den Paraschiet gezegd. Nu vroeg hij zichzelven af, of

hij nog waardig was haar leidsman te zijn. Wel is waar was hij alle

perken te buiten gegaan, maar niet om het huis, dat hem dierbaar was, te

benadeelen, maar om nieuw licht binnen te laten in zijne sombere ruimte.

»Te doen, wat wij na ernstig nadenken als recht beschouwen,” zeide hij

tot zichzelf, »kan strafbaar schijnen voor de menschen, maar is het niet

voor God.” Hij voelde zijn borst verruimd en trad naar buiten op het

terras, met opgeheven hoofd en den vasten wil, hier niet alleen zelf te

doen wat recht is, maar ook voor recht en billijkheid een zetel op te

richten. »Wij menschen,” dacht hij, »veroorzaken reeds smart bij onze

intrede in de wereld, en wederom droefheid wanneer wij haar verlaten.

Derhalve zijn wij verplicht in den tijd die daar tusschen ligt het

lijden te onderdrukken en vreugde te zaaien. Hier zijn vele tranen te

drogen. Welaan dan, aan ’t werk.”

De dichter vond niemand van zijne onderhoorigen op de bovenste

terrassen. Alle priesters waren vereenigd in den tempelvoorhof, en

luisterden naar het verhaal van den portier, in wiens wrok zij deelden.

Hij wist op wien zij het gemunt hadden. Daarom ging hij met vasten tred

naar hen toe en zeide: »Ik heb dezen man uit ons midden gebannen, omdat

hij ons tot schande maakt. Morgen verlaat hij den tempel.”

»Ik ga dadelijk,” antwoordde de portier op hoogen toon, »en zal

overeenkomstig den last dezer heilige vaders,” ― en de blik dien hij

daarbij op de priesters sloeg, toonde duidelijk dat zij het eens waren,

»den opperpriester Ameni vragen, of het in het vervolg ook onreinen zal

vrijstaan dit heiligdom te betreden.”

Reeds naderde hij de poort; Pentaoer trad hem echter in den weg en zeide

op beslisten toon: »Gij blijft hier en zult morgen, overmorgen en altijd

de ganzen hoeden, tot het mij zal goeddunken u vergiffenis te schenken.”

De portier zag de priesters aan, maar geen hunner bewoog zich. »Ga terug

in uw vertrek!” riep de dichter op hem toetredende.

De portier gehoorzaamde. Pentaoer sloot de deur van de kleine kamer, gaf

den sleutel aan een tempeldienaar en zeide: »Gij verricht zijn dienst,

bewaakt den man, wanneer hij ontvlucht dan volgt gij hem morgen achter

de ganzen. Ziet mijne vrienden, hoevele biddende daar voor onze altaren

knielen; gaat heen en doet wat uw ambt is. Ik wacht in de biechtzaal om

klachten te vernemen en te troosten.”

De priesters gingen uit elkaar, allen naar de offeranden. Pentaoer

besteeg opnieuw de trap, en nam plaats in de smalle door een voorhangsel

afgeslotene biechtkamer, op welker wanden eene voorstelling was te

zien van Hatasoe, die uit den uier van de Hathor-koe[118] de melk des

eeuwigen levens ontving. Nauwelijks had hij zich daar neergezet, of een

Neokore[119] kondigde hem de komst aan van eene aanzienlijke gesluierde

vrouw. Ook de dragers van haar draagstoel hadden het hoofd geheel

bedekt. Zij verlangde in het biechtvertrek gebracht te worden. De

dienaars overhandigden Pentaoer een bewijs, waardoor de opperpriester

van den grooten Amon-tempel aan de overzijde van den Nijl, haar het

voorrecht toekende met de Rechioe[120] het binnenste van den tempel

te betreden en met alle priesters, ja zelfs met den hoogsten onder de

ingewijden te verkeeren.

[118] Een buitengewoon levendig, volkomen goed bewaard

relief-beeld.

[119] De Neokoren maakten de laagste priesterorde uit. Onder hen

behoorden ook de tempeldienaars.

[120] Egyptenaars, die tot de binnenste gedeelten van den tempel

en tot de hoogere graden van kennis werden toegelaten.

De dichter trok zich achter een voorhangsel terug en verwachtte de

vreemdelinge met eene onrust, die hemzelf te meer bevreemden moest,

naarmate hij zich dikwijls in dergelijke omstandigheden had bevonden.

Ameni had zelfs de voornaamste onder de grootwaardigheidsbekleeders aan

hem overgelaten, wanneer zij zich naar het Seti-huis begaven, om daar

hunne droomen te doen uitleggen. Eene hooge vrouwengestalte betrad het

stille koele steenen vertrek, zonk op de knieën neder en bad lang en

geheel in zichzelve gekeerd voor het beeld van Hathor. Ook Pentaoer

hief, zonder door iemand gezien te worden, zijne handen op, en richtte

zich met geestdrift tot den geest die het heelal vervult, met de bede om

kracht en reinheid. Toen hij zijne armen liet nederzinken, hief de vrouw

haar hoofd op. Het was alsof de gebeden van beiden zich vereenigd hadden

om gemeenschappelijk ten hemel te stijgen. Nu stond de onbekende op en

liet haar sluier vallen.

Het was Bent-Anat.

Zij had in de onrust harer ziel de godin Hathor opgezocht, die den

harteslag der vrouwen regelde en de draden weefde, die man en vrouw

verbonden. »Hooge vorstin des hemels, veelnamige en schoone van

aangezicht,” begon zij overluid te bidden, »gouden Hathor, gij die de

smart kent en de vreugde, het tegenwoordige en de toekomst, nader tot

uw kind en leid den geest uws dienaars, dat hij mij rade! ― Ik ben de

dochter eens vaders, die groot is en edel en waarachtig als een der

goden. Hij raadt mij, zonder mij te dwingen, een man te volgen, dien ik

nimmer zal kunnen liefhebben. Doch ik heb op mijn weg een man ontmoet,

eenvoudig van geboorte, maar groot van geest en gaven....”

Tot hiertoe had Pentaoer, niet in staat een woord te spreken, de prinses

aangehoord. Zou hij verborgen blijven en haar geheim afluisteren, of

zou hij te voorschijn komen en zich aan haar vertoonen? Zijn trots

riep luide in zijn binnenste: »Thans noemt zij uw naam, gij zijt de

uitverkorene boven alle schoonen en grooten.” Maar eene andere stem,

waarnaar hij zich door menige zelfbeproeving gewend had te luisteren,

verhief zich en zeide: »Laat de onwetende niets zeggen, waarover de

wetende zich zou moeten schamen.” Blozende voor die stem, schoof hij het

voorhangsel open en trad Bent-Anat te gemoet.

De prinses week verschrikt terug en vroeg: »Zijt gij Pentaoer, of een

der hemelsche goden!”

»Ik ben Pentaoer,” zeide hij met vaste stem, »een mensch met al de

zwakheden van mijn geslacht, maar met den wil om het goede te doen.

Verwijl hier en stort uw hart uit voor onze godin; mijn gansche leven

zal een gebed zijn voor u!”

Hij zag haar hierbij met heldere oogen aan, en keerde zich daarop, zoo

snel alsof hij een gevaar te ontwijken had, naar den uitgang van het

biecht vertrek.

Bent-Anat riep hem bij zijn naam, en hij stond stil. »De dochter van

Ramses,” zeide zij, »behoeft hare verschijning aan deze plaats niet

te rechtvaardigen. Maar de jonkvrouw Bent-Anat,” en bij deze woorden

bloosde zij, »vermoedde in plaats van u, den ouden Roeï hier te vinden,

en zij verlangde zijn raad. Laat mij thans bidden!”

Bent-Anat zonk op de knieën en Pentaoer trad naar buiten. Toen ook de

prinses de biechtkamer weder verlaten had, lieten zich aan de zuidzijde

van het terras waarop zij stond, luide stemmen hooren. Zij vloog naar

de borstwering. »Heil Pentaoer!” klonk het van beneden. De dichter liep

insgelijks toe en plaatste zich naast de koningsdochter. Beiden zagen

neder in het dal en werden door allen gezien.

»Heil Pentaoer!” klonk het nu nog eens zoo luide. »Heil onzen

leermeester! Keer terug in het Seti-huis. Weg met de vervolgers van

Pentaoer! Weg met onze onderdrukkers!”

Aan het hoofd der jongelieden, die, zoodra zij vernomen hadden waarheen

de dichter gebannen was, uit het Seti-huis gevlucht waren, om hem te

zeggen dat zij hem bleven aanhangen, stond de prins Rameri. Zegepralend

wuifde hij zijne zuster toe. De jonge Anana, mede een der aanvoerders,

trad vooruit, om in eene plechtige en goed bestudeerde aanspraak den

vereerden meester mede te deelen, dat zij, ingeval Ameni weigeren mocht

hem in het Seti-huis terug te roepen, besloten waren hunne vaders te

verzoeken hen naar eene andere school over te plaatsen.

De jeugdige geleerde sprak goed en Bent-Anat volgde niet zonder bijval

zijne rede. Pentaoer echter fronste al meer en meer het voorhoofd, en

eer zijn geliefkoosde leerling zijne toespraak ten einde had gebracht,

viel hij hem in de rede met ernstige woorden. Eerst wees hij den lof hem

toegebracht af, daarna sprak hij zijn ongenoegen uit over hunne daad.

Doch hoe luide hij ook zijne stem verhief, er lag in zijne taal geen

toorn maar veeleer smart. »Waarlijk,” zoo besloot hij, »ik zou mij

beklagen over elk woord, weleer tot u gesproken, wanneer het uw moed

versterkte tot zulk eene onbezonnen daad. Gij zijt in paleizen geboren;

leert gehoorzamen, opdat gij later zult kunnen bevelen. Terug naar de

school! ― Talmt gij nog? Dan treed ik u met mijne wachters tegemoet, en

drijf u, die mij en uzelven door zulke bewijzen van liefde weinig eer

aandoet, naar de school terug, waar gij tehuis behoort!”

De leerlingen waagden geen tegenspraak, maar verbluft en ontnuchterd

keerden zij zich om.

Bent-Anat sloeg de oogen neder, toen zij den blik opving van haren

schouderophalenden broeder, en zag half schuw, half met hoogachting

naar den dichter. Doch weldra werd hare aandacht weder naar de vlakte

getrokken. Want dichte stofwolken verhieven zich; het getrappel van

hoeven en het geratel van wielen liet zich hooren en op hetzelfde

oogenblik hielden de wagen van Septah, de overste der Horoscopen, en een

voertuig met zwaar gewapende veiligheidswachters van het Seti-huis bij

het terras stil. De ijverige grijsaard sprong haastig op den grond,

riep de bende ontvloden jongelingen eenige strenge woorden toe, gaf de

manschappen van de wacht bevel ze naar de school terug te brengen,

en ijlde haastig als een jonkman naar de tempelpoort. De priesters

ontvingen hem daar met diepen eerbied, en droegen hem terstond hunne

klachten voor. Hij hoorde ze met welgevallen aan, liet hen echter niet

uitspreken, maar steeg snel hoewel met inspanning de trappen op.

Daar kwam Bent-Anat hem tegemoet. De prinses voelde, dat zij zich, als

de Horoscoop haar herkende, aan berisping en verkeerde vermoedens zou

bloot stellen. Reeds strekte hare hand zich uit naar den dichten sluier,

doch zij trok dien dadelijk terug, zag den oude met kalme waardigheid

in de oogen, weerstond zijn toornigen blik en ging hem trotsch voorbij.

De Horoscoop boog, zonder haar te zegenen, en beval Pentaoer, dien hij

op het tweede terras aantrof, alle smeekelingen den tempel te doen

verlaten. Dit was in weinige minuten afgeloopen en de priesters waren

getuigen van een pijnlijk tooneel, zooals zich sedert jaren in dit

stille heiligdom niet had voorgedaan.

De eerste der Horoscopen van het Seti-huis was een der ergste

tegenstanders van den zoo vroeg in de mysteriën ingewijden dichter,

wiens vermetele geest niet zelden aan de oude inzettingen tornde,

terwijl de ijverige grijsaard van der jeugd af aan uit overtuiging had

gearbeid om ze te bevestigen. De ergerlijke gebeurtenissen, waarvan

hij in het Seti-huis en weinige oogenblikken geleden hier getuige

was geweest, hield hij voor de gevolgen van de teugelloosheid van

een verdoolden fantast, en onder harde woorden stelde hij Pentaoer

verantwoordelijk voor den opstand der kweekelingen. »Gelijk onze

knapen,” riep hij, »hebt gij ook de dochter van Ramses verleid. De

onreinheid is nog niet van haar weggenomen, en toch lokt gij haar tot

eene samenkomst, niet in het vreemdenkwartier, maar in het heilige huis

dezer reine godin!”

Onverdiende lof kan zwakken in gevaar brengen, eene onrechtvaardige

berisping ook sterken van den goeden weg afleiden. Pentaoer wees de

verwijten van den grijsaard vol toorn van zich af, noemde ze een man van

zulk een leeftijd, stand en naam onwaardig, en opdat zijne verbolgenheid

hem niet overmeesteren zou, keerde hij Septah den rug toe. Doch de

Horoscoop beval hem te blijven, en verhoorde in zijne tegenwoordigheid

de priesters, die eenstemmig den dichter beschuldigden, dat hij, behalve

Bent-Anat, nog eene andere onreine vrouw in den tempel gebracht en den

portier, die zich tegen zulk eene heiligschennis verzette, afgezet en

in de gevangenis geworpen had. De Horoscoop beval den mishandelde te

bevrijden. Doch Pentaoer verzette zich tegen dezen last, deed zijn recht

om hier te bevelen gelden, en eischte met bevende stem, dat de Horoscoop

den tempel zou verlaten. Daarop toonde Septah Ameni’s ring, waarmede

de opperpriester hem, zoolang hij zich in Thebe ophield, tot zijn

gevolmachtigde had gemaakt, ontzette den dichter van zijne waardigheid,

beval hem echter tot nader order het heiligdom niet te verlaten, en

verliet toen den Hatasoe-tempel.

Pentaoer had zich voor den ring zijns meesters zwijgend gebogen en zich

toen teruggetrokken in de biechtkamer, waarin hij Bent-Anat had ontmoet.

Hij was in zijne overtuiging geschokt; zijne gedachten kruisten, zijne

gevoelens bestreden elkander. Hij huiverde, en toen de schaterlach der

priesters en van den portier, die zich vroolijk maakten over hunne

gemakkelijke overwinning, tot zijn oor doordrong, kromp hij ineen als

een onteerde, die zijn brandmerk in den spiegel ziet. Maar langzamerhand

kwam hij weder tot zichzelf en begon het op te klaren in zijne ziel.

Toen hij het stille biechtvertrek verliet om naar het oosten te zien,

waar zich aan genen oever van den Nijl het paleis verhief, waarin

Bent-Anat haar verblijf hield, toen voelde hij eene diepe verachting

voor zijne vijanden en doortintelde hem het trotsch gevoel zijner

mannelijke kracht. Hij kon het zich niet verhelen, dat hij vijanden had,

dat een tijdperk van strijd voor hem was aangebroken. Doch hij zag dien

tegemoet als een jonge held den morgen van den dag, waarop hij voor het

eerst slag zal leveren.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 21 / 58 题