Terwijl dit gesprek werd gevoerd, waren voor de hut van den Paraschiet
twee mannen druk bezig met palen in den grond te bevestigen, en daarover
een gescheurden linnen lap uit te spannen. Een hunner, de oude Pinem,
dien wij als pleegvader zijner kleindochter hebben leeren kennen,
vermaande den ander van tijd tot tijd aan de kranke te denken, en wat
minder leven te maken. Toen zij hun eenvoudig werk voltooid en onder
deze tent eene ligplaats van frisch stroo gemaakt hadden, gingen beiden
op den grond zitten met het gezicht naar de hut, waarvoor de arts
Nebsecht zich had nedergezet, wachtende op het ontwaken van de
sluimerende kranke.
»Wie is die man?” vroeg de heelmeester den oude, doelende op diens
jongeren metgezel, een stevig bruinkleurig soldaat, met dikken ronden
baard.
»Mijn zoon,” antwoordde de Paraschiet, »die uit Syrië is teruggekeerd.”
»Warda’s vader?” vroeg de arts.
De soldaat knikte toestemmend en zeide met een ruwe stem, maar toch op
trouwhartigen toon: »Men kan het mij wel niet aanzien, want zij is zoo
blank en blozend. Doch hare moeder was eene vreemdelinge, en zij is ook
zoo teer geworden als deze was. Ik was schier te bevreesd haar met mijn
pink aan te raken, en daar rijdt me nu een wagen over het tengere popje,
en zij houdt het uit en blijft leven.”
»Zonder de hulp van dezen heiligen vader,” zeide de Paraschiet, terwijl
hij den arts naderde en diens gewaad kuste, »zoudt gij haar niet levend
hebben weergezien. De goden mogen u loonen voor hetgeen gij aan ons
armen gedaan hebt.”
»En wij kunnen ook betalen,” riep de soldaat, slaande op den vollen
buidel die aan zijn gordel hing. »Wij hebben in Syrië buit gemaakt, en
ik zal een kalf koopen om het uw tempel te wijden.”
»Offer liever een dier van deeg,”[105] zeide de arts, »en wanneer gij
u dankbaar wilt toonen, geeft dan uw vader het geld, opdat hij uw zwak
dochtertje volgens mijn voorschrift voede en verplege.”
[105] Bij de feesten van Selene (Egyptisch Nechebt) werden
zwijnen geofferd. Herodotus zegt (II, 47): „De onbemiddelden
bakken uit armoede zwijnen van tarwedeeg, en brengen die ten
offer.” Op de gedenkteekenen vindt men zulk gebak afgebeeld, in
allerlei gedaanten van dieren.
»Hm,” bromde de soldaat, nam den buidel van zijn gordel, woog dien met
de hand en zeide, terwijl hij hem den Paraschiet overhandigde: »Ik zou
het toch verbrassen! Daar vader, neem het geld voor de kleine en voor
moeder.”
Terwijl de oude aarzelend de hand uitstak naar het kostelijk geschenk,
bezon de soldaat zich en zeide, den buidel openende: »Laat mij er toch
eenige ringen uitnemen, want heden kan ik nog niet op een droogje
liggen. Ik heb een paar kameraden besteld in den Rooden kroeg. Dat is
ook voldoende voor morgen en overmorgen. Zoo zal het goed zijn. Daar,
neem het andere bagatel!”
Nebsecht gaf den soldaat een teeken van goedkeuring; deze riep echter,
toen de Paraschiet uit dankbaarheid den arts de hand kuste: »Maak me die
kleine gezond, heilige vader! Met geschenken en offers is het nu uit,
want ik heb niets meer, maar hier zijn een paar ijzeren vuisten en een
borst als een vestingmuur! Als gij eens hulp noodig hebt, laat mij dan
roepen, en ik zal u tegen twintig vijanden beschermen. Gij hebt mijn
kind gered. Goed! Leven om leven! Ik verklaar met mijn eigen bloed dat
ik uw schuldenaar ben. Dáar!”
Onder het uitspreken dezer woorden had hij een dolkmes uit zijn gordel
getrokken. Hij gaf zich eene snede in den arm en liet eenige droppels
van zijn bloed vallen op een steen voor de voeten van den arts.
»Ziedaar,” vervolgde hij, »dit is mijne schuldbekentenis! Kaschta heeft
zich tot uw schuldenaar verklaard en gij kunt over zijn leven beschikken
als over het uwe. Wat ik gezegd heb, dat heb ik gezegd!”
»Ik ben een man des vredes,” stamelde Nebsecht, »en mijn wit gewaad
beschermt mij. Maar ― ik geloof dat onze kranke ontwaakt is.”
De arts stond op en ging de hut binnen. Warda’s lieve hoofdje lag in
den schoot harer grootmoeder, en hare groote blauwe oogen keerden zich
rustig naar den priester.
»Zij zou nu wel mogen opstaan en buiten komen,” zeide de oude. »Zij
heeft lang en zacht geslapen.”
De arts onderzocht haar pols en de wond, waarop groene bladeren lagen,
en zeide: »Voortreffelijk! Wie heeft u toch dit kruid gegeven dat zulk
eene genezende kracht bezit?”
De Paraschiet werd verlegen en draalde met het antwoord. Warda zeide
echter zonder schroom: »De oude Hekt, die daar ginds woont in het zwarte
hol.”
»De tooveres!” prevelde de arts. »Wij zullen de bladeren toch maar laten
liggen; daar zij helpen, komt het er niet op aan vanwaar zij komen.”
»Hekt heeft ook de druppels geproefd, die gij haar geeft,” zeide de oude
vrouw, »en toegestemd dat zij goed waren.”
»Dan zijn wij over elkaar tevreden,” gaf Nebsecht met een schalksch
lachje ten antwoord. »Meisje, wij zullen u nu naar buiten dragen, want
de lucht hier binnen is zoo zwaar als lood, en uwe teedere longen hebben
lichter voedsel noodig.”
»Ja, laat mij in frisscher lucht,” smeekte de kranke. »Het is goed,
dat gij dien andere niet weder hebt medegebracht, die mij met zijne
bezweringen zoo bang maakte.”
»Gij meent den blinden Teta?” hernam Nebsecht. »Die zal niet terugkomen.
Maar de jonge priester, die uw grootvader tot bedaren bracht, toen hij
de prinses terugwees, hij zal u bezoeken. Hij is zoo vriendelijk, en gij
moest, moest....”
»Zal Pentaoer komen?” vroeg het meisje levendig.
»Voor den middag. Maar hoe kent gij zijn naam?”
»Ik ken hem,” zeide Warda op een toon die geen twijfel overliet.
De arts zag haar verwonderd aan en zeide: »Gij moogt niet meer spreken,
want uwe wangen gloeien, en de koorts mag niet wederkeeren. Wij hebben
eene tent voor u gereed gemaakt en zullen u naar buiten dragen.”
»Nog niet,” bad het meisje. »Grootmoeder, maak mijn haar wat op; het
hangt zoo zwaar.”
Dit zeggende greep zij zelve hare dikke roodblonde haren, en trachtte ze
met hare kleine handen te scheiden en te ontdoen van de stroohalmen, die
er in vast geraakt waren.
»Houd u toch stil,” vermaande de arts.
»Het is zoo zwaar,” zeide het meisje lachend, en toonde Nebsecht den
weelderigen rijkdom harer goudgele haren, als ware zij met zulk een last
verlegen. »Kom grootmoeder, help mij toch!”
De oude vrouw boog zich over het hoofd der kranke en haalde voorzichtig
een groven grijzen hoornen kam door hare lange lokken, maakte zeer
behoedzaam de stroohalmen los uit die gulden verwarring en legde
ten laatste twee dichte glanzende vlechten over de schouders harer
kleindochter. Nebsecht wist, dat iedere beweging de lijderes kwaad kon
doen, en dit drong hem beiden dit werk te verbieden. Doch zijne tong
was als verlamd. Verbaasd, onbeweeglijk en met blozende wangen stond
hij tegenover het meisje, en zijne blikken volgden met angstige
opmerkzaamheid elke beweging harer handen.
Zij gaf op hem echter geen acht. Toen de oude vrouw den kam uit de hand
legde, haalde Warda diep adem en vroeg: »Grootmoeder, de spiegel!”
De grijze pleegmoeder bracht een scherf van donker verglaasd aardewerk.
De kranke draaide de glanzige binnenzijde naar het licht, staarde een
oogenblik het onduidelijk spiegelbeeld aan en zeide: »Ik heb in zoolang
geen bloem gezien, grootmoeder!”
»Wacht, mijn kind!” zeide de oude, nam uit eene kan de roos die de
prinses Bent-Anat op de borst harer kleindochter had gelegd, en stak
haar die toe. Doch alvorens Warda haar grijpen kon, vielen de verdorde
bloemblaadjes uit elkander en op haar neder. De arts bukte, raapte ze
bij elkaar en gaf ze de kranke in de hand.
»Wat zijt ge toch goed,” zeide zij. »Ik heet Warda als deze bloem, en
ik houd zooveel van de rozen en van frissche lucht. Kom, draag mij naar
buiten.”
Zoodra Nebsecht riep, trad de Paraschiet met zijn zoon de hut binnen;
beide droegen de lijderes buiten de deur en legden haar onder de
eenvoudige door hen gespannen tent. De voeten van den soldaat knikten,
toen hij den lichten last van zijn dochtertje in zijne sterke handen
hield, en hij haalde weder adem, zoodra zij op de mat rustte.
»Wat is de hemel heerlijk blauw!” zeide Warda. »En grootvader heeft
mijne granaatstruik begoten. Ja, dat dacht ik wel! ― Ach, daar zijn
mijne duifjes ook, daar komen ze! Geef mij wat graan in de hand,
grootmoeder! ― Wat zijn ze blijde!”
De sierlijke vogeltjes, met zwarte ringen om den roodgrijzen hals,
klapwiekten zorgeloos om haar heen en pikten de graankorrels, die zij
spelende op hare lippen legde, van haar mondje weg. Nebsecht zag dit
tooneel met stille bewondering aan. Het was hem alsof eene nieuwe wereld
zich voor hem opende, als was er een nieuw orgaan, dat hem tot hiertoe
vreemd was gebleven, gewekt in zijne borst. Zwijgend zette hij zich voor
de hut neder en teekende het beeld eener roos met een door hem opgenomen
rietstaafje in het zand.
Alles bleef stil in den omtrek, ook toen de duifjes de kranke verlaten
en het dak van de hut weder opgezocht hadden. Op eens sloeg de hond van
den Paraschiet aan; men hoorde voetstappen naderen. Warda richtte zich
op en zeide: »Grootmoeder, de priester Pentaoer!”
»Wie zegt u dat?” vroeg de oude.
»Ik weet het,” antwoordde het meisje op stelligen toon. Weinige
oogenblikken later riep een heldere stem: »Heil u! Hoe gaat het uwe
kranke?”
Weldra stond Pentaoer naast Warda, zich verheugende over het gunstig
bericht van den arts Nebsecht en het vriendelijk gelaat van het meisje.
Hij had bloemen in de hand, door eene gelukkige jonkvrouw gelegd op het
altaar der godin Hathor, die hij sedert gisteren als priester diende.
Hij overhandigde ze de kranke, die ze blozend aannam en in de gevouwen
handen vasthield.
»Dat zendt u de hooge godin, die ik thans dien,” zeide Pentaoer, »en zij
zal u genezing schenken. Blijf haar gelijk! Gij zijt als zij rein en
lieflijk; moge ook verder uw handel met den haren overeenstemmen. Gelijk
de zon leven geeft aan den nevelachtigen horizont, zoo brengt gij
vreugde in deze donkere hut. Bewaar uwe onschuld, en overal waar gij uwe
schreden richt zult gij liefde wekken, evenals er bloemen ontluiken op
elke plek, die Hathors gouden voet[106] betreedt. Haar zegen rust op u!”
[106] Hathor wordt meermalen, bijv. te Dendera de „gouden”
genaamd. Deze godin heeft veel overeenkomst met de „Gouden
Aphrodite.”
Hij had de laatste woorden half tot het Paraschieten-paar, half tot
Warda gericht. Reeds maakte hij zich gereed om terug te keeren, toen
zich achter het maïs-stroo, dat dicht bij de tent van de kranke lag,
eene angstige kreet van een kind deed hooren. Spoedig daarop kwam een
knaapje te voorschijn, dat in de hoogopgeheven hand een koek hield, door
den hond, die het kind overigens wel scheen te kennen, voor de helft
afgebeten.
»Hoe komt gij hierheen, Scheraoe?” vroeg de Paraschiet aan het pruilende
ongelukkige kind, dat door de oude Hekt tot een dwerg werd misvormd.
»Ik wilde,” zeide de kleine al snikkende, »ik wilde Warda de koek
brengen. Zij is ziek en ik had zooveel....”
»Arm kind,” haastte de Paraschiet zich te zeggen, terwijl hij het haar
van den kleine streelde. »Daar, geef het aan Warda.” Scheraoe naderde
de lijderes, knielde naast haar neer en fluisterde met van blijdschap
stralende oogen: »Toe neem het! De koek is goed en zeer zoet, en wanneer
ik er weder een krijg en Hekt laat mij vrij, dan breng ik die naar u.”
»Ik dank u beste Scheraoe,” antwoordde Warda en gaf den knaap een kus.
Toen richtte zij zich tot Pentaoer en zeide: »Sedert weken heeft hij
niets gehad dan papyrus-merg[107] en lotus-brood[108], en nu brengt hij
mij den koek, die moeder gisteren de oude Hekt mede naar huis gaf.”
[107] Volgens Herodotus II, 92, Diodorus I, 80 en Plinius
XIII, 10, aten de Egyptenaars het beneden deel van den
papyrus-stengel, d. w. z. het merg dezer plant, en wel het
liefst op den oven geroosterd.
[108] „Zij stooten de kern van den lotus, die uiterlijk gelijkt
op een maankop, fijn en bakken daarvan brood” (Herodotus II,
92). Daar, zooals de gedenkteekenen ons leeren, de lotus-planten
in overgroote menigte op het water en de papyrus-struiken aan
den Nijloever wiesen, is de opteekening van Diodorus dat,
namelijk een kind, tot het volwassen is, zijne ouders niet
meer dan 20 drachmen (ongeveer 9 gulden) heeft gekost, wel te
gelooven. Het is zeker vreemd, dat ondanks de nuttigheid van
beide planten, met name van den papyrus, de eene zoowel als de
andere in Egypte niet meer vóorkomen.
Het knaapje bloosde tot over de ooren en stamelde: »Hij is nog maar
half, en toch heb ik hem niet aangeroerd; uw hond beet dit stuk hier af,
en dáar.” Het kind raakte even met zijn vinger de honig aan en bracht
dien aan zijne lippen. »Ik zat reeds lang achter het stroo te wachten,
want ik durfde niet voor die vreemde heeren daar.” Hij wees daarbij op
den arts en Pentaoer, en zeide daarop: »Maar nu moet ik naar huis.”
Toen het kind wilde heengaan, hield Pentaoer het tegen, pakte het op,
wiegde het op zijne armen en zeide, zich daarbij tot den arts wendende:
»Zij waren wel wijs, die Horus, den god die het goede doet zegepralen
over het kwade en het reine over het onreine, de gestalte van een kind
hebben gegeven. Wees gezegend, mijn kleine vriend, blijf goed en geef
maar altijd het uwe weg om anderen gelukkig te maken. Uw huis zal
daardoor niet rijk worden maar uw hart des te rijker!”
Scheraoe drong zich tegen den priester aan en onwillekeurig verhief zich
daarbij zijne kleine hand, om Pentaoers wangen te streelen. Een ongekend
gevoel van teederheid welde in hem op, en het was hem al moest hij zijne
armpjes om ’s dichters hals slaan en aan diens borst uitweenen. Pentaoer
zette hem weer op den grond en hij trippelde het dal in. Daar bleef hij
staan. De zon had bijna haar middaghoogte bereikt en vóor dien tijd
moest hij weder in het hol van de tooveres en tusschen de planken terug.
Hij had zoo gaarne verder gegaan tot aan het graf, dat voor den koning
werd aangelegd. Dicht bij de poort ervan stond een schutdak van
palmtakken, waaronder de beeldhouwer Bataoe, een hoogbejaarde grijsaard,
gewoonlijk rustte. De oude man was doof, maar hij werd te recht voor
den eersten kunstenaar van zijn tijd gehouden. Hij was de ontwerper
van de voortreffelijke afbeeldingen en de rijen hiëroglyphen op de
praalgebouwen van Seti te Abydus en te Thebe, alsmede van die in het
graf van genoemden vorst. Thans hield hij zich bezig met de versiering
van de wanden van Ramses’ groeve.
Dikwijls was Scheraoe in zijne nabijheid geslopen, had hij aandachtig
gekeken naar het werk van den beeldhouwer en dan zelf beproefd, of hij
uit een stukje klei ook dierlijke en menschelijke figuren kon maken.
Eens had de grijsaard hem opgemerkt, hem zwijgend zijn knutselwerk uit
de hand genomen, en het daarna teruggeven met een goedkeurend lachje.
Sedert was er tusschen deze twee eene eigenaardige betrekking ontstaan.
Scheraoe kreeg vergunning zich naast den beeldhouwer neer te zetten en
de door hem voltooide beeldwerken na te volgen. Geen woord werd daarbij
gewisseld, doch de doove grijsaard vernietigde nu eens het werk van den
knaap, dan weder verbeterde hij het met een enkelen vingerdruk, en niet
zelden gaf hij met een lachje zijn bijval te kennen. Zoo vaak de kleine
uitbleef, werd hij werkelijk door zijn leermeester gemist, en het waren
Scheraoe’s heerlijkste uren, die hij aan de zijde van Bataoe mocht
doorleven. Het stond hem ook vrij klei mede naar huis te nemen, waar
hij achter den rug van de oude Hekt menig beeldje vormde, dat echter na
de voltooiing terstond werd vernietigd. Als hij op zijn martelbed lag,
beproefde hij met zijne ongebonden handjes de verschillende gestalten na
te maken, die er in zijne verbeelding leefden. Onder deze scheppenden
kunstenaarsarbeid vergat hij het tegenwoordige, en zijn bitter lot kreeg
althans een bijsmaak van zoet geluk.
Heden was het zoo laat geworden, dat hij zijn bezoek aan het Ramses-graf
moest opgeven. Nog eenmaal keerde hij zich om naar de hut, en toen liep
hij op een drafje naar het zwarte hol.