VIJFTIENDE HOOFDSTUK.

De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige

wagen de poort van den terrassentempel naderde. De koninklijke gids

Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn

oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde

het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de

tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een

klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe

herkende, riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes?

Wat wilt ge?”

»U smeeken,” zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, »mij,

als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de

overzijde van Thebe.”

»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?” vroeg de gids.

»In het geheel niet,” antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene

vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen

den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien

verslinden, als een krokodil zijn buit.”

»Sta op,” beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?”

»Neen heer,” antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat

beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden

op den weg laten liggen. De dieren van Anubis[121] zullen het hedenavond

beter hebben dan wij.”

[121] Jakhalzen.

»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?” vroeg de

gids.

»Brood hebben wij nog,” antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor

vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee

begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te

vermalen.”

De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend

aan.

»Het wordt geld,” zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra

zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden,

om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. ’t Kan mij

niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme,

teedere meesteres!”

Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat

zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur

te beteugelen.

»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen,” waarschuwde de oude slaaf

achter den gids. »’t Zou jammer zijn van die schoone dieren.”

»Moet gij ze betalen?” vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop wendde hij

zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen

gebrek lijden?”

»Hij heeft zijne gade niet meer lief,” antwoordde de dwerg, terwijl hij

de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde

hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne

tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde

eene vrouw schooner dan Nefert?”

»Gij hebt uwe meesteres lief?”

»Als mijne oogen.”

Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. Paäker

wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij

meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol

geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel,

te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken

voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter

hem in het heiligdom, zeggende: »Gij zult hem op het derde terras

vinden. Maar hij is onze overste niet.”

»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom,” antwoordde

Paäker.

De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, en met de

woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar

beneden,” liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer

brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en

vernam dat hij gekomen was om een zonderling droomgezicht door hem te

laten verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij

dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er

eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, voegde hij

er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare

uitlegging mij iets gunstigs voorspelt.”

»En in het tegenovergesteld geval?” vroeg de dichter, die in het

Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der

smeekelingen en de gaven der vromen.

»Dan stuur ik een hamel,” antwoordde Paäker, wien de fijne spot in ’s

dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar

de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen.

Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden

geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te

onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel ging. Daarom vroeg

hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat

bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is,

voorspellen kan?”

»Eene antiloop en vier ganzen,” antwoordde Paäker haastig.

»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst te zijn?”

vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de

waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner

gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten

betalen? Als ik u ― en ik ken u van de schoolbanken ― en juist u eens

aan het verstand mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor

geërfde rijkdommen laten koopen.”

De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. Pentaoer

ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar

van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet

veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever

gij het brengen kunt door geweld. De hemelsche goden zenden ons geene

droomen toe, om ons den voorsmaak van vreugde te bezorgen of ons

voor kwaad te waarschuwen, maar om ons te vermanen, dat wij onze

zielen moeten bereiden, opdat wij in staat zullen zijn het kwade

met gelatenheid te dragen, het goede met hartelijke dankbaarheid te

ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. ― Ik

wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een

deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik

zal de goden bidden dat zij mij verlichten, en ook den kwaden droom voor

u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. ― Verlaat mij en dezen

tempel!”

Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en zeide

alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds

van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben

door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander

weder, en dan zult gij ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het

weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is.”

»Nog een vijand te meer!” dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij

richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij

het recht diende.

* * * * *

Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een

praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, en van dezen

vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den

wagen, en legde de zweep op zijne rossen, vóor Nemoe de treeplank had

kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog

tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht.

»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet

hij, die hond!” zoo raasde de gids in zichzelf.

Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van den dichter

vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen

vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is

wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij

de leerlingen in opstand gebracht en onreine vrouwen in het heiligdom

gelokt hebben. Mijne lippen zouden het niet wagen uit te spreken, maar

de portier heeft het mij bezworen, dat de eerste Horoscoop uit het

Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de

dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet.”

Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?” en prevelde, nog vóor de

dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!” Want hij

dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut

van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de

tooveres opgezocht had.

»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken,” zeide Nemoe;

»want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit

is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat

zich niet grijpen in zijn eigen nest.”

Paäker zag hem vragend aan.

»Ik weet het,” sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet

bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. ― Ja hij heeft dat reeds

gedaan,” verzekerde Nemoe, toen de gids ongeloovig lachte; »en de

koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne

huwelijken, dat weet gij het best.”

»Ik?” vroeg de gids verbaasd.

»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn

wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het

u bevestigen.”

Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde echter

met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot

schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij

waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses

moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als

de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen.”

Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp

den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg terzijde en sprak: »Wij

wandelen van hier tot aan den stroom en gij zegt mij wat gij weet. Doch

wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door

mijne honden verscheuren.”

»Ik weet dat gij woord zult houden,” zuchtte de kleine. »Maar loop wat

minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat

u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft

haar gedwongen Nefert aan den wagenmenner te geven, ik weet niet wat hij

van u gezegd heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme

meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu

klaagt en weent zij.”

»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht

zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze

heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe[122] in het

noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats opzoeken, want de

edelen hier zullen ons als melaatschen vermijden. Gij moogt blijde zijn,

dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig

en volg mijne meesteres in hare ellende.”

[122] Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk

Delta-land bewoonden. Zie Ebers, =Aegypten und die Bücher

Mose’s=, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de

2de uitgaaf van Brugsch, =Histoire d’Egypte=. Uit den ouden

Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.

»Gij spreekt in raadselen,” hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?”

De dwerg vertelde nu, dat Nefert’s broeder de mummie zijns vaders had

verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat Katoeti met hare

dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie zal hen redden?” jammerde

hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit.

Katoeti is arm en het woordje =geef mij= jaagt de vrienden op de vlucht,

evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!”

»De som is groot!” prevelde Paäker in zichzelf.

»Verschrikkelijk groot is zij,” zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar

vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen,

ja toen....en daarbij ― het is om dol te worden! ― daarbij geloof ik

niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans

zooveel aan u, als aan hem!”

Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.

»Ja aan u,” verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad,

eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe

degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere

tooverkracht haar dringt aan u te denken.”

De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest

verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen zij aan den Nijl,

waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide

zich neder in de kajuit, riep den dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben

Katoeti’s naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij

zich in haar nood niet tot mij?”

»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever

wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij

gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken.”

»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?”

»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij

acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der

Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap

in uwe armen. Nefert, geloof mij, heeft haar speelmakker ook nog niet

vergeten. Eergisterenavond, toen zij uit den doodenstad terugkeerde, eer

nog de brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel

van u vervuld[123]. Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat

weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier.”

[123] „Vol (meh) van iemand zijn” werd ook in de Egyptische taal

gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.

De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden nacht

had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die

onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen....”

»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden,

die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het

uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne

uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?”

»Ik stond aan den Nijl,” zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne

zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig tapijt, dat in de

kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever

mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar

droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes

heen, als over steenen die in de woestijn liggen. Een vreemd gezicht!

Zij kwam mij al nader en nader, reeds meende ik hare hand te grijpen;

daar dook zij onder als eene zwaan. Ik daalde in het water af om haar te

ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne

armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide;

zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in

de hand neemt. Maar toch op eene andere manier, want uit hare haren

werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend

wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken,

en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij

schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met

opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik

stiet mijn wapen in zijn muil. De Nijl werd donder gekleurd door onze

bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort ―

’t was of het eene eeuwigheid duurde ― tot ik ontwaakte.”

Eerst bij de laatste woorden haalde de gids diep adem, en het scheen als

beangstigde hem die wilde droom opnieuw.

De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er verliepen

echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom,

gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich

op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden.

Maar al waant gij ook, dat gij haar in uwe armen houdt, zal zij zich aan

u onttrekken, uwe hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien,

wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen.”

Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De gids rees op,

zeggende: »Wij zijn er.”

»Wij zijn er!” herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog

die smalle brug daar over.”

Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe

gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen.”

»Kom hierheen,” riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de

schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der

ondergaande zon.

»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die

verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden.”

De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd,

naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?”

»Spreek!”

»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de

brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn ― als ge mijn raad

volgt.”

»Wat moet ik doen?”

»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!”

Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij

hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van het goede voorteeken,

zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond.

»Verzeker u van Nefert,” ging de dwerg intusschen voort, »opdat zij niet

voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat

wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij

zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?”

Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond geslagen.

Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar

redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie

voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor

zijne liefde en zijn haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht

te offeren!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 22 / 58 题