De namiddagschaduwen begonnen reeds langer te worden, toen een prachtige
wagen de poort van den terrassentempel naderde. De koninklijke gids
Paäker stond er op, en bestuurde zijne vurige Syrische rossen. Zijn
oude Ethiopische slaaf stond achter hem, en zijn groote dog volgde
het harddravende tweespan, met de tong uit den bek. Niet verre van de
tempelpoort werd hij aangeroepen en hield hij zijne paarden in. Een
klein mannetje ijlde hem tegemoet, en toen hij daarin den dwerg Nemoe
herkende, riep hij onwillig: »Moet ik om uwentwil stilhouden, dreumes?
Wat wilt ge?”
»U smeeken,” zeide de kleine, terwijl hij zich deemoedig boog, »mij,
als gij uwe zaken in de doodenstad hebt afgedaan, mede te nemen naar de
overzijde van Thebe.”
»Gij zijt de dwerg van den wagenmenner Mena?” vroeg de gids.
»In het geheel niet,” antwoordde Nemoe. »Ik behoor aan zijne verlatene
vrouw, aan mijne meesteres Nefert. Ik kan met mijne kleine beenen
den weg maar langzaam verteren, terwijl de hoeven uwer paarden dien
verslinden, als een krokodil zijn buit.”
»Sta op,” beval Paäker. »Zijt gij te voet in de doodenstad gekomen?”
»Neen heer,” antwoordde Nemoe, »op een ezel, maar een demon is in dat
beest gevaren en heeft het met krankheid geslagen. Ik moest het midden
op den weg laten liggen. De dieren van Anubis[121] zullen het hedenavond
beter hebben dan wij.”
[121] Jakhalzen.
»Gaat het dan bij uwe meesteres niet altijd rijkelijk toe?” vroeg de
gids.
»Brood hebben wij nog,” antwoordde Nemoe, »en de Nijl is vol water. Voor
vrouwen en dwergen is niet veel vleesch noodig; maar ons laatste vee
begint er uit te zien, dat het voor menschentanden te hard wordt om te
vermalen.”
De gids begreep de aardigheid van den dwerg niet, en zag hem vragend
aan.
»Het wordt geld,” zeide de dwerg, »en dat laat zich niet kauwen. Weldra
zal ook dat op zijn, en dan is de vraag hoe wij een recept uitvinden,
om uit aarde, water en palmbladen voedzame koeken te bakken. ’t Kan mij
niet veel schelen, een dwerg heeft niet veel noodig; maar mijne arme,
teedere meesteres!”
Paäker zette zijne paarden aan met zulk een geweldigen zweepslag, dat
zij begonnen te steigeren en hij al zijn kracht noodig had om hun vuur
te beteugelen.
»Gij zult de kaken der paarden verbrijzelen,” waarschuwde de oude slaaf
achter den gids. »’t Zou jammer zijn van die schoone dieren.”
»Moet gij ze betalen?” vroeg Paäker op hoogen toon. Daarop wendde hij
zich weder tot Nemoe en vroeg verstoord: »Waarom laat Mena de vrouwen
gebrek lijden?”
»Hij heeft zijne gade niet meer lief,” antwoordde de dwerg, terwijl hij
de oogen droevig nedersloeg. »Bij de laatste buitverdeeling versmaadde
hij goud en zilver, en haalde in plaats daarvan vreemde vrouwen in zijne
tent. Booze geesten hebben hem verblind, want waar ter wereld leefde
eene vrouw schooner dan Nefert?”
»Gij hebt uwe meesteres lief?”
»Als mijne oogen.”
Onder dit gesprek waren zij bij den terrassentempel gekomen. Paäker
wierp zijn slaaf de teugels toe en beval hem met Nemoe te wachten. Hij
meldde zich aan bij den portier met het verzoek, dat door een handvol
geld werd ondersteund, hem bij Pentaoer, het opperhoofd van den tempel,
te brengen. Na met eene vluchtige beweging van de hand het wierookbekken
voor den gids heen en weder geslingerd te hebben, liet de deurwachter
hem in het heiligdom, zeggende: »Gij zult hem op het derde terras
vinden. Maar hij is onze overste niet.”
»Zoo noemde men hem toch in het Seti-huis, vanwaar ik kom,” antwoordde
Paäker.
De portier haalde onder een spottend lachje de schouders op, en met de
woorden: »Een palmboom beklimt men snel, maar men valt nog sneller naar
beneden,” liet hij den bezoeker door een tempeldienaar naar Pentaoer
brengen. Deze herkende den Mohar terstond, vroeg wat hij verlangde, en
vernam dat hij gekomen was om een zonderling droomgezicht door hem te
laten verklaren. Vóor hij begon te vertellen, betuigde Paäker dat hij
dezen dienst niet om niet verlangde; toen hij echter bespeurde, dat er
eene donkere wolk kwam op het aangezicht van den priester, voegde hij
er bij: »ik zal uwe godin een kostelijk offerdier zenden, als hare
uitlegging mij iets gunstigs voorspelt.”
»En in het tegenovergesteld geval?” vroeg de dichter, die in het
Seti-huis nooit zelfs het minste had te doen gehad met de betaling der
smeekelingen en de gaven der vromen.
»Dan stuur ik een hamel,” antwoordde Paäker, wien de fijne spot in ’s
dichters woorden was ontgaan, en bovendien aan de godheid de gaven, naar
de waarde die zij voor hem persoonlijk hadden, gewoon was te betalen.
Pentaoer dacht aan het oordeel, dat de oude Gagaboe een paar avonden
geleden over den Mohar had geveld, en hij gevoelde lust eens te
onderzoeken, hoever de verblinding van dezen man wel ging. Daarom vroeg
hij, zijn lachlust bedwingende: »En wanneer ik u nu eens niets wat
bepaald slecht, maar ook niets dat in alle opzichten goed is,
voorspellen kan?”
»Eene antiloop en vier ganzen,” antwoordde Paäker haastig.
»Doch gesteld dat ik u nu eens niet genegen was van dienst te zijn?”
vroeg Pentaoer. »Als ik bijvoorbeeld eens dacht, dat het beneden de
waardigheid van een priester is, de goden, elk naar den graad hunner
gunst jegens den enkelen mensch, gelijk omkoopbare beambten te laten
betalen? Als ik u ― en ik ken u van de schoolbanken ― en juist u eens
aan het verstand mocht brengen, dat er dingen zijn, die zich niet voor
geërfde rijkdommen laten koopen.”
De gids deed verrast en spijtig een paar stappen achterwaarts. Pentaoer
ging echter met dezelfde bedaardheid voort: »Ik sta hier als een dienaar
van de godheid, en toch, ik lees het op uw aangezicht, scheelt het niet
veel, of gij wilt ook tot uw eigen schade op mij de proef nemen, hoever
gij het brengen kunt door geweld. De hemelsche goden zenden ons geene
droomen toe, om ons den voorsmaak van vreugde te bezorgen of ons
voor kwaad te waarschuwen, maar om ons te vermanen, dat wij onze
zielen moeten bereiden, opdat wij in staat zullen zijn het kwade
met gelatenheid te dragen, het goede met hartelijke dankbaarheid te
ontvangen, en met beide winst te doen voor ons innerlijk leven. ― Ik
wil uw droomen niet uitleggen! Kom weder zonder gaven, maar met een
deemoedig hart en een innig verlangen naar inwendige loutering, en ik
zal de goden bidden dat zij mij verlichten, en ook den kwaden droom voor
u zóo uitleggen, dat hij u ten zegen zal zijn. ― Verlaat mij en dezen
tempel!”
Paäker knarsetandde van boosheid, doch hij bedwong zich en zeide
alleen, terwijl hij zich langzaam verwijderde: »Als men u niet reeds
van uw ambt had ontzet, dan zoudt gij het toch wellicht verbeurd hebben
door de onbeschaamdheid, waarmede ge mij afwijst. Wij ontmoeten elkander
weder, en dan zult gij ondervinden, dat geërfd geld, in de hand die het
weet te gebruiken, meer vermag dan u lief is.”
»Nog een vijand te meer!” dacht de dichter, toen hij alleen was, en hij
richtte zich op in al zijne lengte, met het blijmoedig gevoel, dat hij
het recht diende.
* * * * *
Gedurende het onderhoud van den gids met Pentaoer, had de dwerg een
praatje aangeknoopt met den deurwaarder des tempels, en van dezen
vernomen wat er was voorgevallen. Paäker besteeg bleek van woede den
wagen, en legde de zweep op zijne rossen, vóor Nemoe de treeplank had
kunnen opklauteren. Gelukkig dat de Ethiopische slaaf het manneke nog
tijdig greep en voorzichtig achter zijn meester op de been bracht.
»Die schurk! die ellendeling! Daar zal hij voor boeten. Pentaoer heet
hij, die hond!” zoo raasde de gids in zichzelf.
Den dwerg ontging geen woord, en zoodra hij den naam van den dichter
vernomen had, sprak hij Paäker aan, zeggende: »Ze hebben een gemeenen
vent tot overste van dezen tempel aangesteld. Hij heet Pentaoer. Hij is
wegens zijn zedeloos gedrag uit het Seti-huis verbannen, en nu moet hij
de leerlingen in opstand gebracht en onreine vrouwen in het heiligdom
gelokt hebben. Mijne lippen zouden het niet wagen uit te spreken, maar
de portier heeft het mij bezworen, dat de eerste Horoscoop uit het
Seti-huis hem betrapt heeft bij eene samenkomst met Bent-Anat, de
dochter des konings, en hem onmiddellijk van zijn ambt heeft ontzet.”
Paäker herhaalde vragend: »Met Bent-Anat?” en prevelde, nog vóor de
dwerg tijd kon vinden tot een antwoord: »Ja met Bent-Anat!” Want hij
dacht aan eergisteren en hoe lang de prinses met den priester in de hut
van den Paraschiet was gebleven, terwijl hij met Nefert gesproken en de
tooveres opgezocht had.
»Ik zou niet gaarne in het vel van dien priester steken,” zeide Nemoe;
»want al is Ramses ver af, de stadhouder Ani is toch nabij genoeg. Dit
is echter een heer, die zelden flink doortast. Maar zelfs de doffer laat
zich niet grijpen in zijn eigen nest.”
Paäker zag hem vragend aan.
»Ik weet het,” sprak de dwerg op stelligen toon. »De stadhouder doet
bij Ramses aanzoek om de hand zijner dochter. ― Ja hij heeft dat reeds
gedaan,” verzekerde Nemoe, toen de gids ongeloovig lachte; »en de
koning is niet ongenegen zijne toestemming te geven. Hij sluit gaarne
huwelijken, dat weet gij het best.”
»Ik?” vroeg de gids verbaasd.
»Hij heeft immers Katoeti gedwongen hare dochter Nefert aan zijn
wagenmenner tot vrouw te geven? Dat weet ik van haar zelve. Zij kan het
u bevestigen.”
Paäker schudde ontkennend het hoofd, de dwerg herhaalde echter
met nadruk: »Ja toch, zoo is het! Katoeti wilde u en u alleen tot
schoonzoon, en de koning, niet zij, heeft de verloving verbroken. Gij
waart toen zeker slecht aangeschreven bij het Groote Huis, want Ramses
moet harde woorden over u gesproken hebben. Lieden van ons slag zijn als
de muizen achter het gordijn, die ongemerkt veel te weten komen.”
Eensklaps hield Paäker zijne rossen staande, sprong van den wagen, wierp
den slaaf de teugels in de hand, riep den dwerg terzijde en sprak: »Wij
wandelen van hier tot aan den stroom en gij zegt mij wat gij weet. Doch
wanneer éen leugenachtig woord over uwe lippen komt, dan laat ik u door
mijne honden verscheuren.”
»Ik weet dat gij woord zult houden,” zuchtte de kleine. »Maar loop wat
minder hard, als het u belieft, opdat ik niet buiten adem gerake. Laat
u door Katoeti zelve verhalen, hoe alles zoo gelopen is. Ramses heeft
haar gedwongen Nefert aan den wagenmenner te geven, ik weet niet wat hij
van u gezegd heeft, maar vleiend is het zeker niet geweest. Mijne arme
meesteres! Zij liet zich door den laffen vrouwenheld verlokken, en nu
klaagt en weent zij.”
»Als ik met Katoeti de hooge poort van uw huis voorbijga, dan zucht
zij dikwijls bitter en klaagt met reden want weldra zal het met onze
heerlijkheid gedaan zijn, en zullen wij onder de Amoe[122] in het
noordelijke laagland eene bescheidene vrijplaats opzoeken, want de
edelen hier zullen ons als melaatschen vermijden. Gij moogt blijde zijn,
dat gij uw lot niet aan het onze hebt verbonden. Doch ik ben trouwhartig
en volg mijne meesteres in hare ellende.”
[122] Semieten, die in den tijd van ons verhaal het oostelijk
Delta-land bewoonden. Zie Ebers, =Aegypten und die Bücher
Mose’s=, alsmede het hoofdstuk: „Le Semitisme en Egypte” in de
2de uitgaaf van Brugsch, =Histoire d’Egypte=. Uit den ouden
Amoe-naam is later die van Bi-amiten voortgekomen.
»Gij spreekt in raadselen,” hernam Paäker. »Wat hebt gij te vreezen?”
De dwerg vertelde nu, dat Nefert’s broeder de mummie zijns vaders had
verspeeld, hoe kolossaal de verloren som was, en dat Katoeti met hare
dochter tot eerloosheid waren vervallen. »Wie zal hen redden?” jammerde
hij. »Haar schandelijke echtgenoot verbrast zijn erfgoed en zijn buit.
Katoeti is arm en het woordje =geef mij= jaagt de vrienden op de vlucht,
evenals het gekras van een havik de hoenders. Mijne arme meesteres!”
»De som is groot!” prevelde Paäker in zichzelf.
»Verschrikkelijk groot is zij,” zuchtte de dwerg, »en waar kan men haar
vinden in dezen benarden tijd? Hoe anders was het met ons gesteld, toen,
ja toen....en daarbij ― het is om dol te worden! ― daarbij geloof ik
niet, dat Nefert iets meer om dien praalhans geeft. Zij denkt althans
zooveel aan u, als aan hem!”
Paäker zag den dwerg deels ongeloovig, deels dreigend aan.
»Ja aan u,” verzekerde Nemoe. »Sedert uw tocht naar de doodenstad,
eergisteren meen ik, spreekt zij alleen over u, en prijst zij uwe
degelijkheid en uw streng mannelijk karakter. Het is alsof eene zekere
tooverkracht haar dringt aan u te denken.”
De gids begon zoo hard te stappen, dat de dwerg hem opnieuw moest
verzoeken, zijne schreden te matigen. Zwijgend kwamen zij aan den Nijl,
waar Paäkers rijke bark wachtte, die ook zijn tweespan innam. Hij vleide
zich neder in de kajuit, riep den dwerg ter zijde en sprak: »Ik ben
Katoeti’s naaste bloedverwant. Wij hebben ons verzoend, waarom wendt zij
zich in haar nood niet tot mij?”
»Omdat zij te fier is en uw bloed ook in hare aderen vloeit. Liever
wilde zij met haar kind sterven, heeft zij gezegd, dan u, tegen wien zij
gezondigd heeft, om een aalmoes te smeeken.”
»Zoo, heeft zij aan mij gedacht?”
»Voorzeker, en ook geen oogenblik getwijfeld aan uwe edelmoedigheid. Zij
acht u hoog, en wanneer Mena getroffen mocht worden door een pijl der
Cheta of de wraak der goden, dan voerde zij haar kind met blijdschap
in uwe armen. Nefert, geloof mij, heeft haar speelmakker ook nog niet
vergeten. Eergisterenavond, toen zij uit den doodenstad terugkeerde, eer
nog de brieven uit het leger ons in handen waren gekomen was zij geheel
van u vervuld[123]. Ja, zij heeft uw naam in den droom uitgeroepen, dat
weet ik van Kandake, hare zwarte kamenier.”
[123] „Vol (meh) van iemand zijn” werd ook in de Egyptische taal
gebruikt voor: verliefd zijn op iemand.
De gids keek voor zich en zeide: »Zonderling! in dien zelfden nacht
had ik ook een droomgezicht, waarin uwe meesteres mij verscheen. Die
onbeschaamde priester in den Hathor-tempel moest het mij uitleggen....”
»En hij weigerde u dit, die gek? Maar daar zijn nog wel andere lieden,
die deze kunst verstaan, en ik ben niet de minste onder hen. Vraag het
uw dienaar maar! Negen en negentig maal van de honderd komen mijne
uitleggingen uit. Wat was het voor een gezicht?”
»Ik stond aan den Nijl,” zeide Paäker, de oogen neerslaande en met zijne
zweep lijnen trekkende in de wol van het veelkleurig tapijt, dat in de
kajuit lag. »Het water was stil en ik zag Nefert aan den anderen oever
mij staan wenken. Ik riep haar, en zij wandelde op het water dat haar
droeg, als ware het dit tapijt. Zij schreed droogvoets over de golfjes
heen, als over steenen die in de woestijn liggen. Een vreemd gezicht!
Zij kwam mij al nader en nader, reeds meende ik hare hand te grijpen;
daar dook zij onder als eene zwaan. Ik daalde in het water af om haar te
ontvangen, en toen zij weder naar boven steeg, omvatte ik haar met mijne
armen. Doch wat daarop gebeurde was nog zonderlinger. Zij vervloeide;
zij smolt weg als de sneeuw in de Syrische bergen, wanneer men die in
de hand neemt. Maar toch op eene andere manier, want uit hare haren
werden waterleliën, uit hare oogen twee blanke visschen, die dartelend
wegzwommen, uit hare lippen twee koraaltakken, die dadelijk wegzonken,
en haar lichaam veranderde in een krokodil met den kop van Mena, die mij
schaterlachend aangrijnsde. Blinde woede greep mij aan. Ik stormde met
opgetogen zwaard op hem in. Hij sloeg zijne tanden in mijn vleesch; ik
stiet mijn wapen in zijn muil. De Nijl werd donder gekleurd door onze
bloedstroomen. En zóo worstelden wij met elkander, en streden voort ―
’t was of het eene eeuwigheid duurde ― tot ik ontwaakte.”
Eerst bij de laatste woorden haalde de gids diep adem, en het scheen als
beangstigde hem die wilde droom opnieuw.
De dwerg had met gespannen opmerkzaamheid geluisterd. Er verliepen
echter enkele minuten, eer hij begon te zeggen: »Een vreemde droom,
gewis! Doch de beteekenis kan niet moeilijk te gissen zijn voor wie zich
op deze kunst verstaat. Nefert komt u tegemoet, zij wil de uwe worden.
Maar al waant gij ook, dat gij haar in uwe armen houdt, zal zij zich aan
u onttrekken, uwe hoop zal als ijs versmelten en als zand verwaaien,
wanneer gij den krokodil niet uit den weg weet te ruimen.”
Op dit oogenblik kwam de boot aan de landingsbrug. De gids rees op,
zeggende: »Wij zijn er.”
»Wij zijn er!” herhaalde het manneke met nadruk. »Alleen moeten wij nog
die smalle brug daar over.”
Toen beiden op den oever stonden, zeide de dwerg: »Heb dank voor uwe
gastvrijheid, en als ik u dienen kan, hebt gij slechts te bevelen.”
»Kom hierheen,” riep de gids, en hij trok Nemoe met zich mede onder de
schaduw van eene sykomoor, die zich baadde in het schemerlicht der
ondergaande zon.
»Wat bedoeldet gij met de brug, die wij nog over moesten! Ik versta die
verbloemde taal slecht en verlang duidelijke woorden.”
De dwerg bezon zich een oogenblik en zeide toen: »Mag ik onverbloemd,
naakt en open zeggen, wat ik meen, en zult gij niet boos op mij zijn?”
»Spreek!”
»Mena is de krokodil. Maak dat hij uit de wereld komt, en gij hebt de
brug overschreden; want Nefert zal de uwe zijn ― als ge mijn raad
volgt.”
»Wat moet ik doen?”
»Zorg dat de wagenmenner uit de wereld komt!”
Paäker maakte eene beweging als wilde hij zeggen, dat dit reeds lang bij
hem besloten was. Hij wendde nu, ter wille van het goede voorteeken,
zijn aangezicht zóo, dat de opgaande maan aan zijne rechterhand stond.
»Verzeker u van Nefert,” ging de dwerg intusschen voort, »opdat zij niet
voor u vervloeie als uw droombeeld, vóor gij het doel hebt bereikt. Dat
wil zeggen: red de eer van uwe toekomstige moeder en vrouw, want gij
zult toch geene gebrandmerkte uw huis willen binnenleiden?”
Paäker bleef nadenkend staan, met de oogen naar den grond geslagen.
Nemoe vervolgde dus: »Mag ik mijne meesteres gaan melden, dat gij haar
redden wilt? Ik mag, niet waar?! Nu, dan komt alles te recht, want wie
voor zijne liefde een vermogen overheeft, die zal ook niet aarzelen voor
zijne liefde en zijn haat tegelijk een koperen spits en een rietschacht
te offeren!”