TWAALFDE HOOFDSTUK.

Voordat de zon den volgenden dag was opgegaan, liet Nemoe zich met den

kleinen witten ezel, dien de overleden vader van den wagenmenner Mena

hem jaren geleden geschonken had, over den Nijl zetten. Voor zijn rit

door de Nekropolis maakte hij wijselijk gebruik van de morgenkoelte, die

de verschijning der dagvorstin voorafgaat. Goed bekend met alle wegen en

paden, vermeed hij met opzet de straat, die naar de plaats voerde waar

hij zijn wilde. Hij draafde voort in de richting van den berg, die

het dal der koningsgraven van de Nijlvlakte scheidt. Vóór zich zag

hij hemelhooge kalkrotsen indrukwekkend in een halfrond oprijzen; zij

maakten den achtergrond uit van den statigen op terrassen gebouwden

tempel, die de groote Hatasoe, de trotsche voogdes van twee pharao’s uit

het gevallen koningshuis, tot haar eigen aandenken en ter eere van de

godin Hathor had opgericht. Nemoe liet het heiligdom links liggen en

reed het steile bergpad op, den naasten weg van de vlakte naar het dal

der koningsgraven. Weldra kon hij den terrasvormigen Hatasoe-tempel in

alle zijne onderdeelen beneden zich zien; en vóor zich de Nekropolis

met hare gebouwen, tempels en kolossen, nog sluimerende in de koele

ochtendschemering; en daarachter den breeden zilveren stroom, half

gesluierd door de witte zeilen en de langzaam optrekkende morgennevelen;

en nog verder de woonstad Thebe met hare reuzentempels, duidelijk

uitkomende tegen de oosterkim, door de opgaande zon gloeiend rood

gekleurd.

Doch de dwerg zag niets van dit heerlijk tafereel aan zijne voeten.

In gedachten verzonken, ver over den hals van zijn beest gebogen,

liet hij den hijgenden ezel naar welgevallen nu eens klimmen dan weder

stilstaan. Toen hij zoowat ter halver hoogte was gekomen, hoorde hij de

voetstappen kraken van een wandelaar, die hem langzamerhand naderde. De

man, die bedaard naar boven klom, had hem weldra ingehaald, en bracht

hem een morgengroet. Het bergpad was smal, en zoodra de dwerg had

opgemerkt, dat de persoon die achter hem liep een priester was, hield

hij op een minder steil gedeelte van den weg zijn ezeltje stil en zeide

eerbiedig: »Wandel voorbij, heilige vader, want uw beide voeten loopen

harder dan mijne vier hoeven.”

»Eene lijdende heeft mijne hulp noodig,” antwoordde de arts Nebsecht,

Pentaoer’s vriend, dien wij in het Seti-huis en bij het gewonde

Paraschieten-meisje hebben leeren kennen; en hij versnelde zijn stap, om

den tragen ruiter vooruit te komen.

Juist verscheen in het oosten aan den purperen horizont de vurige

zonneschijf, en uit het heiligdom beneden hen klommen de tonen op van

een godsdienstig lied, door een veelstemmig mannenkoor aangeheven. Nemoe

liet zich van zijn ezel glijden en nam de houding van een biddende aan.

De priester volgde zijn voorbeeld, doch terwijl de dwerg aandachtig

zijne oogen richtte op de wedergeboorte van den zonnegod achter de

oostelijke bergketen, staarden de zijnen naar den grond, en een zijner

ten hemel geheven handen daalde onopgemerkt neder, en greep naar eene

zeldzame versteende schelp die op den weg lag. Eenige oogenblikken later

stond Nebsecht op, door Nemoe gevolgd.

»Een schoone morgen,” zeide de dwerg. »De heilige vaders daar beneden

zijn heden vroeger op dan gewoonlijk.”

De arts lachte toestemmend en vroeg: »Behoort gij in de Nekropolis te

huis? Wie houdt er hier dwergen op na?”

»Niemand,” antwoordde het manneke. »Maar vergun mij eene wedervraag.

Welk aanzienlijk persoon woont er hier achter de bergen, dat een

priester uit het Seti-huis zijne nachtrust voor hem opoffert.”

»Mijn bezoek geldt iemand uit den geringeren stand. Maar zij lijdt

veel,” zeide Nebsecht.

Nemoe zag hem verwonderd aan en zeide: »Dat is edel, dat is....” Maar

hij voltooide den volzin niet, hij sloeg zich opeens tegen het voorhoofd

en zeide: »Gij gaat, ingevolge eene last van de prinses Bent-Anat,

naar het overreden Paraschieten-kind; ja, ik begreep het wel. De spijs

waarvoor de heeren zoo vroeg opstaan, moet toch een voornamen bijsmaak

hebben. Hoe gaat het met het arme kind?”

In de laatste woorden lag zooveel warme deelneming, dat de arts, die

de opmerking van den dwerg niet zoo onnatuurlijk vond, vriendelijk

antwoordde: »Niet slecht; zij kan behouden worden.”

»Den goden zij dank!” riep Nemoe, terwijl de priester hem voorbijging.

Met verdubbelde snelheid steeg Nebsecht den berg op en weder af, en

hij had reeds lang in de hut van den Paraschiet naast het leger van de

gewonde Warda plaats genomen, toen Nemoe de woning naderde van zijne

moeder Hekt, de tooveres, van wie Paäker den liefdedrank had ontvangen.

De oude vrouw zat weder voor de deur van haar hol. Naast haar lag eene

plank met dwarshouten, waartusschen een kleine knaap lag uitgestrekt,

zoodat de houten juist zijn hoofd en zijne voetzolen raakten. Hekt

verstond de kunst om dwergen te maken. Dit soort van speelgoed in de

gedaante van een mensch werd goed betaald, en het kind op de

martelplank, met zijn aardig gezichtje, beloofde een kostbaar artikel te

worden.

Zoodra de tooveres bemerkte dat er iemand naderde, boog zij zich over

het knaapje, nam het met plank en al in de armen, droeg het in haar hol

en zeide streng: »Verroer je niet jongen, anders krijg je slagen! Laat

je nu binden.”

»Niet binden!” smeekte het kind. »Ik zal stil zijn en rustig blijven

liggen.”

»Strek je uit!” beval de oude, en sjorde het schreiende kind met

een touw aan de plank vast. »Als je stil bent, geef ik je later een

honigkoek en mag je met de jonge hoenders spelen.”

Het jongske kwam tot bedaren; een lachje speelde om zijn mond en zijne

lieve oogjes straalden van vreugde en hoop. Het greep met beide handen

het kleed van de oude en zeide op dien zoet vleienden toon, dien de

godheid in eene aanvallige kinderstem heeft gelegd. »Ik zal als een

muisje zoo stil zijn, en niemand zal weten dat ik er ben. Doch als ge

mij een honigkoek geeft, toe, laat mij dan vrij en naar Warda gaan

hierover.”

»Warda is ziek; wat wilt ge hierover doen?” vroeg de oude.

»Ik zou haar den koek willen brengen,” zeide het knaapje zacht, en

tranen glinsterden in zijne oogen.

De oude streelde het kind met den vinger om zijn kin, en eene

geheimzinnige macht trok haar naar omlaag, om het te kussen. Doch vóor

hare lippen zijn gezichtje vonden, keerde zij zich af en zeide streng:

»Blijf rustig. Straks zullen wij zien!” Zij raapte een bruinen zak van

den grond op en wierp dien over den knaap. Daarop ging zij weder naar

buiten begroette Nemoe, zette hem melk, brood en honig voor, gaf hem op

zijn verlangen inlichtingen aangaande het overreden meisje, wier ongeluk

hem zeer ter harte scheen te gaan, en vroeg eindelijk: »Wat voert u

hierheen? De Nijl stond nog laag, toen ge mij de laatste maal een bezoek

hebt gebracht, en thans is hij reeds lang beginnen te vallen[102].

Zendt uwe meesteres u hierheen, of begeert gij zelf mijne hulp? Al dat

gespuis blijft zich toch gelijk. Niemand gaat tot een ander, als hij hem

niet noodig heeft. Wat zal ik je geven?”

[102] Wij zijn in de eerste dagen van November. Bij het begin

van Juni begint de Nijl langzaam te wassen, tusschen den

15den en 20sten Juli zwellen zijne wateren op eens zeer

hoog, en in de eerste helft van October (niet op het eind van

September, gelijk men vroeger meende) bereikt de overstrooming

haar hoogsten stand. Heinrich Barth heeft dit stellig

uitgemaakt. Nadat het water in September is begonnen te dalen,

tracht het in October zijn hoogste punt nog eens te bereiken,

ja zelfs daarboven te stijgen. Spoedig daarop neemt het, eerst

langzaam, vervolgens steeds sneller af.

»Ik heb niets noodig,” antwoordde de dwerg, »maar....”

»Maar gij komt op last van een derde,” sprak de heks lachend. »’t Is

alles één en ’t zelfde! Wie iets voor een ander verlangt, denkt toch aan

zichzelf alleen.”

»’t Kan zijn,” hernam de kleine man. »Uwe woorden bewijzen in elk geval,

dat gij, sedert ik u het laatst zag, niet minder wijs zijt geworden, en

dat doet mij genoegen, want ik heb uw raad noodig.”

»Die is goedkoop te krijgen. Wat is er dan gaande aan de overzijde?”

Nemoe vertelde zijne moeder kort, duidelijk en zonder terughouding, van

welke gedachten men zwanger ging in het huis zijner meesteres, en van de

verschrikkelijke schande, waarmede zij door haar zoon werd bedreigd. De

oude schudde bij herhaling bedenkelijk het grijze hoofd, maar zij liet

den dwerg uitspreken, zonder hem in de rede te vallen. Daarop vroeg zij,

met bliksemende oogen: »En gelooft gij werkelijk, dat het u gelukken

zal een adelaar door een musch te vervangen, een Ani te plaatsen op den

troon van een Ramses?”

»De troepen die in Ethiopië strijden zijn aan onze zijde,” riep Nemoe;

»de priesters verklaren zich tegen den koning en erkennen in Ani het

echte bloed van Ra.”

»Dat zegt veel,” hernam de oude.

»En vele honden zijn de dood eener gazel,” voegde Nemoe er lachend bij.

»Doch Ramses is geen vluchtend wild, maar een leeuw,” sprak de heks

weder ernstig. »Inderdaad, gijlieden speelt hoog spel.”

»Dat weten we,” antwoordde Nemoe, »maar daar is ook iets groots mede te

winnen.”

»Of alles mede te verliezen,” mompelde de oude, terwijl zij met de

vingers over de dikke spieren van haar hals wreef. »Doe echter wat ge

wilt; mij kan ’t niet schelen wie het jonger geslacht naar het slagveld

stuurt, en het vee der ouderen van het veld laat drijven. Wat wilt ge

van mij?”

»Mij zendt niemand,” antwoordde de dwerg. »Ik kom uit eigen beweging,

om u te vragen wat Katoeti doen moet ten einde haar zoon en haar huis

voor eerloosheid te bewaren.”

»Hm,” bromde de heks, en zij zag Nemoe met beide oogen vragend aan,

terwijl zij zich aan het stokje in haar hand zoo hoog mogelijk

oprichtte. »Wat is er dan toch met je gebeurd dat ge het lot der grooten

zóo ter harte neemt, alsof het je eigen was?”

De dwerg kreeg een kleur en antwoordde aarzelend: »Katoeti is eene goede

meesteres, en als het haar welgaat, kan er voor u en voor mij nog al wat

afvallen.”

De heks schudde ongeloovig het hoofd en zeide met schamperen lach:

»Misschien een brood voor u en voor mij een kruimel! ― Gij voert ook

nog iets anders in het schild, en ik lees in uw hart alsof ge deze

opengesneden raaf waart. Gij behoort tot het soort van lieden, die hunne

vingers niet stil kunnen houden en dag aan dag elk deeg kneden, overal

schuiven, wrijven, iets maken moeten. Elke rok is u te eng. Waart ge

drie hoofden grooter en het kind van een priester dan hadt ge het

misschien ver gebracht. Hoog wilt ge vliegen en hoog zult ge ook

eindigen, als vriend van een koning of ― aan de galg!”

De oude lachte weder, maar Nemoe beet zich op de lippen en zeide: »Hadt

ge mij naar de school gezonden, ware ik niet de zoon van een heks en

geen dwerg, dan speelde ik met de menschen, gelijk gij met mij hebt

gespeeld. Want ik ben slimmer dan zij allen, en geen hunner drijfveeren

blijft mij verborgen. Honderd wegen liggen voor mij open, als zij heg

noch steg weten, en waar zij zorgeloos voortjagen, zie ik den afgrond

waarin zij onvermijdelijk zullen nederstorten.”

»En toch komt ge bij mij?” hernam de oude spottend.

»Ik verlang uw raad,” antwoordde Nemoe ernstig, »omdat vier oogen meer

opmerken dan twee; omdat de belangelooze toeschouwer helderder ziet dan

de speler, en omdat gij verplicht zijt mij te helpen.”

De heks keek verwonderd op en vroeg: »Ik? Verplicht? En waartoe dan?”

»Mij te helpen,” herhaalde de dwerg half smeekend. »Gij hebt mijn groei

belemmerd en mij tot een wangedrocht gemaakt.”

»Eenvoudig omdat niemand het in de wereld beter heeft dan gij dwergen,”

haastte de oude zich te zeggen.

Nemoe schudde het hoofd en vervolgde droefgeestig: »Dat hebt ge mij

reeds zoo dikwijls verteld. Ten aanzien van menig ander, die als ik in

ellende werd geboren, moogt gij gelijk hebben. Doch gij hebt mij het

leven bedorven; ge hebt mij niet alleen naar het lichaam, maar ook naar

de ziel verminkt. Mij hebt gij tot een nameloos lijden gedoemd, dat met

geen woorden is te beschrijven.”

Het groote hoofd van den dwerg zonk neder op zijn borst, en hij drukte

zijne linkerhand tegen zijn snelkloppend hart. De oude naderde hem

daarop en vroeg wat vriendelijker: »Wat hebt gij dan toch? Ik dacht dat

het u goed ging in Mena’s huis.”

»Dat denkt ge,” sprak de kleine, »gij, die mij zooeven als in een

spiegelbeeld toondet, wie ik ben, en hoe geheimzinnige krachten mij

dringen en drijven! Kunstmatig hebt ge mij gemaakt tot hetgeen ik ben.

Gij hebt mij verkocht aan den schatmeester van Ramses, en deze schonk

mij aan Mena’s vader, zijn zwager. Dat is nu vijftien jaren geleden! Ik

was toen nog een jongeling, een knaap als zoovele anderen, alleen wat

levendiger van geest, wat onrustiger en driftiger dan zij. Men gaf mij

als speelgoed aan den kleinen Mena, en hij spande mij voor zijn wagentje

en schikte mij op met linten en vederen, en sloeg mij met de zweep, als

ik hem niet hard genoeg voorttrok. Wat heeft dat meisje, waarvoor ik

mijn leven zou hebben gegeven, dat dochtertje van den portier, om

mij gelachen, als ik in mijn maskeradetuig hijgend voor het wagentje

huppelde, en de geeselstriemen van het jongeheertje mij om de ooren

suisten, het zweet mij van het voorhoofd gutste en mijn diep gewond hart

bloedde! Toen stierf Mena’s vader; de knaap kwam in het Seti-huis, en

van toen aan diende ik de vrouw van zijn hofmeester, dien Katoeti later

naar het erfgoed in Hermonthis verbande. Dat waren jaren! De dochtertjes

van den huize speelden met mij als met eene pop[103], legden mij in de

wieg en dwongen mij de oogen te sluiten en mij te houden alsof ik sliep,

terwijl liefde en haat strijd voerden in mijne ziel en groote ontwerpen

mijn brein vervulden. Zoodra ik poogde mij te verzetten, sloegen ze mij

met roeden, en toen ik eens in boosheid mijzelf had vergeten, de kleine

Mertitefs geslagen en gewond had, hing Mena, die er ongelukkig juist

opaan kwam, mij met mijn gordel aan een spijker in de schuur, en liet

mij daar eenvoudig bengelen, later zeggende, dat hij vergeten had mij af

te nemen. De ratten vielen mij op ’t lijf! Daar zijn nog de litteekens,

de kleine witte puntjes hier. Zie maar! Misschien zullen zij eens geheel

vergroeien, maar de wonden, die mijn hart in die ure geslagen zijn,

zullen niet ophouden te bloeden! Daarna huwde Mena met Nefert, en met

deze vrouw kwam ook zijne schoonmoeder Katoeti in huis. Zij verloste mij

van den hofmeester. Ik werd voor haar onontbeerlijk. Zij behandelt mij

als een man. Zij weet de gaven mijns geestes te schatten en luistert

naar mijn raad. Daarom wil ik haar groot maken, met haar en door haar

machtig worden. Als Ani den troon bestijgt, dan zullen wij hem besturen,

gij en ik en zij! Ramses moet vallen en met hem Mena, die mijn lichaam

onteerd en mijne ziel vergiftigd heeft.”

[103] Poppen worden in verschillende museën bewaard, o.a. een

ledepop te Leiden.

De oude had onder deze woorden zwijgend tegenover den dwerg gestaan. Zij

zette zich thans op haar ruwen houten zetel neer en zeide, terwijl zij

eene hoppe begon te plukken: »Nu begrijp ik u. Gij verlangt u te wreken.

Gij wenscht hoog te stijgen, en ik zal uw mes wetten en de ladder voor

u vasthouden. Arme kleine! Kom, zet je neder; drink om tot bedaren te

komen nog een slok melk en hoor mijn raad. Katoeti heeft veel geld

noodig om eerloosheid te voorkomen. Welnu, zij heeft het maar op te

nemen, want het ligt voor haar deur.”

De dwerg zag de heks met verbazing aan.

»De Mohar Paäker,” vervolgde zij, »is de zoon van hare zuster Setchem,

niet waar?”

»Zoo als gij zegt.”

»Katoeti’s dochter Nefert is de vrouw van uw meester Mena en ik geloof

dat een ander dit verlaten hoentje gaarne in zijn hof zou lokken.”

»Gij doelt op Paäker, die met Nefert verloofd was, voor zij Mena

volgde.”

»Paäker was eergisteren bij mij.”

»Bij u?”

»Ja, bij mij, de oude Hekt, en wel om een liefdedrank te koopen. Ik gaf

hem zoo iets, en daar ik nieuwsgierig ben, liep ik hem achterna, zag hoe

hij het vrouwtje het water aanbood, en vorschte uit hoe zij heette.”

»En Nefert dronk den tooverdrank?” vroeg de dwerg met ontzetting.

»Azijn en wortelsap!” spotte de oude. »Een groot heer, die tot mij komt

om eene vrouw te winnen, is tot alles in staat. Laat Nefert Paäker om

het geld smeeken, en de schulden van den lichtzinnigen jonkman zijn

betaald.”

»Katoeti is trotsch en heeft mij streng afgewezen, toen ik zoo iets

durfde voorslaan.”

»Dan moet Paäker zelf haar het geld aanbieden. Ga tot hem, wek in hem de

hoop op Nefert’s genegenheid, vertel hem wat de vrouwen beangstigt, en

laat hem, als hij weigert, maar ook dan eerst, merken dat gij iets van

het drankje weet.”

De dwerg zag eenige oogenblikken nadenkend voor zich en sprak toen,

terwijl hij de oude vol bewondering aanstaarde: »Juist, dat is de rechte

weg.”

»Den verkeerden vindt ge ook wel zonder mij,” prevelde de heks. »Uw

zaak is misschien toch nog zoo slecht niet, als ze mij in den beginne

wel toescheen. Katoeti mag den deugniet, die zijns vaders mummie

verspeelde, danken. ― Begrijpt ge mij niet! Nu, als gij van allen

daarginds de slimste heet, wat moeten de anderen dan wel zijn?!”

»Gij meent dat men mijne meesteres roemen zal,” zeide de dwerg, »dat zij

er zulk eene groote som voor overheeft, om den naam....”

»Wat naam, wat roemen!” riep de oude ongeduldig. »Wij hebben met andere,

met werkelijke dingen te doen! Dáar staat Paäker, dàar de vrouw van

Mena. Wanneer de Mohar voor de jonge vrouw een geheel vermogen weggeeft,

dan wil hij haar bezitten, en Katoeti zal hem niet in den weg staan. Zij

weet toch, waarvoor hij haar schuld betaalt. Maar een ander verspert

haar den weg, en dat is Mena. Hij moet uit den weg geruimd! De

wagenmenner staat dicht bij den pharao, en de strik dien men naar den

een werpt kan ook licht om den hals van den ander heenslaan. Maak den

Mohar tot uw bondgenoot; gebruik hem met verstand. En dan zou het wel

eens kunnen gebeuren, dat uwe rattenbeten en doodswonden vergolden

werden; dat Ramses, die u omver blaast, wanneer gij openlijk tegen hem

optreedt, getroffen werd door eene lans uit eene hinderlaag geslingerd.

Is de troon eens ledig, dan zullen de zwakke beenen van den stadhouder

misschien er op kunnen klimmen, wanneer de priesters hem een handje

helpen. ― Zie, daar zit ge nu met open mond te luisteren, en ik heb u

toch niets geraden, wat gij zelf niet hadt kunnen vinden.”

»Gij zijt een vat vol wijsheid!” riep Nemoe.

»En nu zult gij heengaan,” vervolgde Hekt, »en uwe meesteres en den

stadhouder uwe plannen onthullen, opdat zij uwe slimheid bewonderen.

Heden weet gij nog, wat ik u aan het verstand hebt gebracht en wat u

te doen staat; morgen zult gij het weder vergeten zijn, en overmorgen

beeldt ge u in, dat de geest der negen groote goden u bezielt. Ik ken

dat. Maar ik kan niets geven om niet. Gij leeft van uwe kleinheid; een

ander voedt zich door zijne sterke handen; ik verdien mijn schamel brood

door wat hier in mijn hoofd omgaat. Hoor! Als gij Paäker half gewonnen

hebt en Ani blijkt genegen te zijn om zich te laten gebruiken, dan kunt

ge den stadhouder zeggen, dat ik een geheim weet ― en ik weet er een,

ik alleen! ― een geheim, dat den Mohar tot zijn speelbal maakt. Ik ben

bereid mij dit geheim te laten afkoopen.”

»Dat zal geschieden! ja stellig moeder!” riep de dwerg. »Wat verlangt

gij?”

»Weinig,” zeide de oude. »Alleen een vrijbrief, die mij waarborgt

ongehinderd, ook van de zijde der priesters, te mogen doen en laten

wat mij lust, en die mij verzekert, dat ik na mijn dood eene eerlijke

begrafenis zal hebben.”

»De stadhouder zal zich daar niet gemakkelijk toe laten overhalen, want

hij moet alles vermijden, wat de dienaars der godheid kwetsen kan.”

»En alles doen,” ging de oude voort, »wat Ramses in hunne oogen

vernedert. Ani, hoort ge, behoeft mij geen nieuwen vrijbrief te

schrijven, hij kan volstaan met den ouden te hernieuwen, dien Ramses mij

verleende, nadat ik zijn ziek lievelingspaard had genezen. Zij hebben

dien met al mijne overige bezittingen verbrand, toen zij mijne hut

plunderden, mij voor eene tooveres en al mijn huisraad typhonisch

verklaarden. Wat de begrafenis aangaat, dat heeft voorloopig nog den

tijd. Ik verlang den vrijbrief van Ramses, meer niet.”

»Gij zult dien hebben,” zeide de dwerg. »Vaarwel! Ik heb in last in het

familiegraf mijner meesteres te onderzoeken, of de doodenoffers naar

behooren geplaatst zijn, verder nieuwe reukwerken te plengen, en nog

andere dingen te laten vernieuwen. Als Sechet niet meer woedt[104] en

het koeler wordt, kom ik hier nog eens voorbij, want ik zou den

Paraschiet Pinem wel willen spreken en zien hoe het die arme Warda

gaat.”

[104] Zie boven blz. 61.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 19 / 58 题