ELFDE HOOFDSTUK.

Zoodra Bent-Anat Mena’s erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een

brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al

wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en

Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was,

zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat

voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen

bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten,” zeide zij,

terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.

Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den

brief, en zie of er niets in staat over hem?”

Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen

blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht

heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand.”

Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel

om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals

alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst

om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer

dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over

de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den

papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en

zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den

brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! ― Ik ga naar

mijne kamer, moeder!”

Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”

Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in

het huis.

Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met

geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld

van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten

jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van

wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met

het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon

in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne

spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij

ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene

aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de

inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. ―

Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had

ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie

regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken:

Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken

borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen

de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken

in Katoeti’s ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde

bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het

heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich

verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling,

die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat

zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad

ontviel.

Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer

bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en

been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij

naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti

zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit

den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er

toch gebeurd?”

Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken;

maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo

dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.

»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker.

»Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”

Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep

halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”

Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en

oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de

dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en

zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”

Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom

roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen

de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd

kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag

zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en

verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet

laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn

naijverig en hebben vermaak in ons leed.”

Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.

»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb

ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de

afgestorvenen.”

Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die

bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg

en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan!

Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen,

geene!”

»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en

zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en

geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de

kunst versta om te zwijgen.”

»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief

mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen

mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! ― Wat is dat?

De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling

ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans

niet! ― Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?”

De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en

terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige

overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis

is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt

Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den

krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten

gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen.”

»Welnu?” vroeg de dwerg.

»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor

de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw;

hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is

schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging

hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene

dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”

»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.

»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met

beide handen.

»En het andere?” vroeg Nemoe somber.

»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard

en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief

en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem

tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden

geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht

hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon

ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij

zette het zijne op ’t spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor

hij, alles! Eindelijk ― het is afgrijselijk, schier niet om uit te

spreken ― eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd

aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven

vader[96]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het

einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97],

en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de

samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”

[96] De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die

waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal

het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te

verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen

terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch

in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne

nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus

II, 136.

[97] De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon.

Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.

Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde

echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen zijne meesteres

wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles

nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”

Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig

Babylonische talenten”[98]!

[98] Ongeveer 81,000 gulden.

De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg:

»Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”

»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti, »die reeds in

Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”

»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep de dwerg.

»En Mena?”

»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme

kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”

»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd

schudde. »Onmogelijk!”

»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”

»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst,

»bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw

zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den

toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u

thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend

te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit

oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet

noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te

werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de

vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen.

Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te

trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in

korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij

verkeert.”

»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”

»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft

hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten,

heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van

den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven[99]; de

aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd

zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne

geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken

hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele

schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is

volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een

dankbaar betaler zijn.”

[99] Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn

verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen

al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde

bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer

135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger

voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.

Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij

kent de menschen.”

»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer

gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de

uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven.”

»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. »Maar gij

weet niet wat dat beteekent! =Eer= is een woord dat de onvrije wel kan

nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u

geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst,

verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt.

O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!”

De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als

wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar

medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant,

die uit Nefert’s schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar

vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte

op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele

gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige

voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die

niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den

verheven geest zijner meesteres niet voordoet.”

»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.

»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem

u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?”

»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”

»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene

verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene

pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is

van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart.”

»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin

komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen.”

»Was ook Paäker niet bij u?”

»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij weet, hij

haat mijn schoonzoon.”

»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch als Nefert

hem wilde verbidden....”

De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel

vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.

Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten wat ge mij

hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen

peins om uw zoon te redden?”

Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen:

»Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk

openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!”

»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.

»Neen!”

»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”

»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.

Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij

mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is

alles verloren. Wat is toch die =eer=! Alle menschen komen zonder haar

ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder

haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen

hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals

de Koeschiten[100] hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel

wordt[101], dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat

zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja

ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne

moeder, die meer weet dan twintig profeten.”

[100] Ethiopiërs.

[101] Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners

van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke

mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt

gevolgd.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 18 / 58 题