Zoodra Bent-Anat Mena’s erf verlaten had, kwam de dwerg Nemoe met een
brief in den tuin, en vertelde kort maar op zulk eene komische manier al
wat hem was wedervaren, dat de beide vrouwen wel moesten lachen, en
Katoeti met zekere uitgelatene vroolijkheid, die haar anders vreemd was,
zijne bekwaamheid prees, hoewel zij hem tevens waarschuwde wat
voorzichtiger te zijn. »Dat was een kostelijke dag, die groote dingen
bracht en nog grootere in de toekomst doet verwachten,” zeide zij,
terwijl zij het zegel van den brief beschouwde.
Nefert ging zoo dicht mogelijk naast haar staan en vroeg: »Open toch den
brief, en zie of er niets in staat over hem?”
Katoeti maakte het was los, doorliep het schrijven met een vluchtigen
blik, streelde de wangen harer dochter en zeide troostend: »Wellicht
heeft uw broeder voor hem geschreven; ik zie geen regel van zijne hand.”
Nefert keek nu ook eens in den brief, niet zoozeer om te lezen, als wel
om naar het haar welbekende handschrift van haar man te zoeken. Evenals
alle Egyptische vrouwen van goeden huize, zoo verstond ook zij de kunst
om te lezen, en zij had in de beide eerste jaren van haar huwelijk zeer
dikwijls gelegenheid gehad zich te verwonderen en toch te verheugen over
de gebrekkige letters, die de ijzeren hand van den wagenmenner op den
papyrus had gekrabbeld voor haar, die met hare teedere vingers vast en
zeker het schrijfriet wist te hanteeren. Opmerkzaam gluurde zij in den
brief en zeide eindelijk, met tranen in de oogen: »Niets! ― Ik ga naar
mijne kamer, moeder!”
Katoeti kuste haar en zeide: »Hoor toch eens wat uw broeder schrijft.”
Maar Nefert schudde het hoofd, wendde zich zwijgend af en verdween in
het huis.
Katoeti was haar schoonzoon niet bijzonder genegen, maar zij hing met
geheel haar hart aan haren schoonen lichtzinnigen zoon, het evenbeeld
van haar gestorven gemaal, den lieveling der vrouwen, den vroolijksten
jongeling onder de jonge edelen, die de koninklijke garde van
wagenstrijders uitmaakten. Hoe uitvoerig had hij, die zoo moeielijk met
het schrijfriet kon omgaan, ditmaal geschreven! Anders was hij gewoon
in korte woorden te vragen om nieuwe middelen tot bevrediging van zijne
spilzucht, maar dit was nu eens een degelijke brief. Heden mocht zij
ook eene dankzegging verwachten, want nog kort geleden had hij eene
aanzienlijke toelage ontvangen, die zij weder had afgezonderd van de
inkomsten der goederen, die haar schoonzoon haar had toevertrouwd. ―
Zij begon nu te lezen. De blijdschap waarmede zij den dwerg had
ontvangen was geveinsd geweest, en niet ongelijk aan de fraaie
regenboog-kleuren, die de sombere oppervlakte van een moeras bedekken:
Werp een steen in den poel, de glans zal verdwijnen; troebele wolken
borrelen op en verven het water met onreine donkere tinten. Zoo vielen
de berichten, die de brief van haar zoon inhield, als zware rotsblokken
in Katoeti’s ziel. De diepste smart welt voor ons altijd op uit dezelfde
bron, die ons met vreugde kan verzadigen, en die wonden branden het
heetst, die eene geliefde hand ons slaat. Hoe meer Katoeti zich
verdiepte in de moeilijk te ontcijferen volzinnen van haar lieveling,
die jammerlijk vol fouten waren, des te bleeker werd haar gelaat, dat
zij telkens bedekte met de bevende handen, waaraan ten laatste het blad
ontviel.
Nemoe zat tegenover haar neergehurkt op den grond en volgde elke harer
bewegingen. Toen zij eindelijk opsprong met een gil, die door merg en
been drong, en haar voorhoofd drukte tegen een ruwen palmstam, kroop hij
naar haar toe, kuste hare voeten, en riep zoo hartelijk, dat het Katoeti
zelfs verraste, zij die enkel gewoon was jolige of scherpe woorden uit
den mond van haar dwerg te vernemen: »Meesteres, meesteres! Wat is er
toch gebeurd?”
Katoeti kwam weer tot zich zelve, keerde zich om en trachtte te spreken;
maar haar doodsbleeke lippen bleven gesloten, en hare oogen staarden zoo
dof in de ruimte, als ware zij door doodskramp overvallen.
»Meesteres, meesteres!” sprak de dwerg op nieuw, en steeds hartelijker.
»Wat deert u toch? Zal ik uwe dochter roepen?”
Katoeti maakte eene ontkennende beweging met de hand en riep
halffluisterend uit: »Die ellendigen, die laaghartigen!”
Haar adem begon sneller te gaan; het bloed steeg haar naar wangen en
oogen. Zij vertrapte den brief, en snikte zoo luid en hevig, dat de
dwerg, die nog nooit tranen in hare oogen had gezien, angstig opstond en
zacht berispend durfde zeggen: »Katoeti!”
Zij begon hierop bitter te lachen en sprak met bevende stem: »Waarom
roept gij dezen naam zoo luid? Hij is onteerd, geschandvlekt. Hoe zullen
de heeren en vrouwen zich nu verheugen! Nu kan de nijd zijn geliefd
kind, den spot, tegen ons in ’t harnas jagen. En ik heb dezen dag
zooeven nog geprezen! Men zegt: vertoon uw geluk op de straten en
verberg uw ongeluk. Omgekeerd! omgekeerd! Den goden mag men zelfs niet
laten blijken, dat men zich verblijdt en hoopt, want ook zij zijn
naijverig en hebben vermaak in ons leed.”
Andermaal liet zij haar hoofd tegen den palmboom rusten.
»Gij spreekt van schande en niet van dood,” zeide Nemoe, »en toch heb
ik van u geleerd, dat men niets verloren moet achten, behalve de
afgestorvenen.”
Deze woorden misten hare krachtige uitwerking niet op de vrouw, die
bijna vertwijfelde. Driftig en onstuimig wendde zij zich tot den dwerg
en sprak: »Gij zijt verstandig en zeker wel te vertrouwen. Hoor dan!
Doch al waart gij Amon zelf, er is geene redding meer mogelijk; neen,
geene!”
»Toch moet men een middel trachten uit te denken,” hernam Nemoe, en
zijne slimme oogen ontmoetten die van zijne meesteres. »Spreek toch! en
geef mij uw vertrouwen. Mogelijk kan ik u helpen. Gij weet dat ik de
kunst versta om te zwijgen.”
»Weldra zullen de kinderen elkaar op straat vertellen, wat deze brief
mij heeft gemeld,” zeide Katoeti met bittere ironie. »Nefert alleen
mag van het gebeurde niets weten, niets, hoort gij! ― Wat is dat?
De stadhouder komt! Ga dadelijk tot hem! Zeg hem dat ik plotseling
ongesteld ben geworden, zeer erg! Ik kan hem niet zien, nu althans
niet! ― Niemand mag toegelaten worden, niemand! Verstaat ge?”
De dwerg verdween terstond. Toen hij zijn last had volbracht en
terugkwam, vond hij zijne meesteres nog altijd in koortsachtige
overspanning. »Hoor dan,” zeide zij. »Eerst wat van minder beteekenis
is, dan het verschrikkelijke, het onuitsprekelijke. Ramses overlaadt
Mena met gunstbewijzen. Men is overgegaan tot de verdeeling van den
krijgsbuit van dit jaar. Voor elken aanvoerder lagen groote schatten
gereed, en de wagenmenner mocht vóor allen kiezen.”
»Welnu?” vroeg de dwerg.
»Welnu?” herhaalde Katoeti. »Welnu? Hoe zorgde de waardige huisheer voor
de zijnen in het vaderland; hoe eerde hij zijne arme verlatene vrouw;
hoe zocht hij zijn bezwaard erfdeel van schulden te ontheffen? Het is
schandelijk, afschuwelijk! Het zilver, het goud, de edelgesteenten ging
hij met een glimlach voorbij, en hij nam de schoone krijgsgevangene
dochter van den vorst der Danaërs en voerde haar naar zijne tent.”
»’t Is schandelijk!” prevelde de dwerg.
»Arme, arme Nefert!” riep Katoeti, en zij verborg haar aangezicht met
beide handen.
»En het andere?” vroeg Nemoe somber.
»Dat,” zeide Katoeti, »dat is... Maar ik wil kalm blijven, dood bedaard
en koel. Gij kent mijn zoon. Hij is lichtzinnig, maar hij heeft mij lief
en zijne zuster meer dan alles in de wereld. Dwaze die ik was! Om hem
tot spaarzaamheid te bewegen, had ik hem onze benarde omstandigheden
geschilderd. Toen nu die schandelijke daad door Mena was bedreven, dacht
hij aan ons en onze zorgen. Zijn aandeel in den buit was gering en kon
ons niet helpen. Zijne kameraden dobbelden om de gewonnen deelen; hij
zette het zijne op ’t spel, om meer voor ons te winnen. Alles verloor
hij, alles! Eindelijk ― het is afgrijselijk, schier niet om uit te
spreken ― eindelijk zette hij tegenover eene ongehoorde som, altijd
aan ons denkende en aan ons alleen, de mummie van zijn afgestorven
vader[96]. Hij verloor! Lost hij dit heilig onderpand niet in vóor het
einde van de derde nieuwe maan, dan wordt hij eerloos verklaard[97],
en de mummie valt den winner ten deel. Verachting en verbanning uit de
samenleving zullen dan zijn en mijn deel zijn.”
[96] De koning, dien Herodotus Asychis noemt, en die
waarschijnlijk tot de 4e dynastie gebracht moet worden, zal
het eerst hebben toegelaten de mummiën der voorvaderen te
verpanden. „Wie dit onderpand gaf, en de schuld niet had willen
terugbetalen, dien zou na zijn dood noch in zijn vaderlijk, noch
in eenig ander graf eene plaats worden ingeruimd. Ook aan zijne
nakomelingen zou de begrafenis worden geweigerd.” Herodotus
II, 136.
[97] De zwaarste straf, die een Egyptisch soldaat treffen kon.
Het schijnt dat deze straf ook alleen voor krijgslieden bestond.
Katoeti drukte de handen stijf tegen het gelaat. De dwerg prevelde
echter bij zichzelf: »Die speler en huichelaar!” Toen zijne meesteres
wat bedaarde, zeide hij overluid: »Dat is ontzettend; maar toch is alles
nog niet verloren. Hoeveel bedraagt de schuld?”
Het klonk als een zware vloek, toen Katoeti antwoordde: »Dertig
Babylonische talenten”[98]!
[98] Ongeveer 81,000 gulden.
De dwerg sprong op met een gil, als had hem een adder gebeten, en vroeg:
»Wie waagde het tegen zulk een waanzinnigen inzet?”
»Antef, de zoon van vrouw Hathor,” antwoordde Katoeti, »die reeds in
Thebe het erfgoed zijns vaders heeft verspeeld.”
»Die laat geen graankorrel van zijne vordering vallen!” riep de dwerg.
»En Mena?”
»Hoe kon mijn zoon, na al het gebeurde, zich tot hem wenden? Het arme
kind smeekt mij de hulp van den stadhouder in te roepen.”
»Van den stadhouder?” vroeg de dwerg, terwijl hij zijn groot hoofd
schudde. »Onmogelijk!”
»Ik weet hoe het met hem gesteld is; maar zijn stand, zijn naam!”
»Meesteres!” sprak de dwerg, en in zijne woorden lag hooge ernst,
»bederf de toekomst niet ter wille van het tegenwoordige. Wanneer uw
zoon zijne eer verliest onder koning Ramses, kan zij hem door den
toekomstigen pharao Ani teruggegeven worden! Bewijst de stadhouder u
thans zulk een ongehoorden dienst, dan zal hij meenen met u afgerekend
te hebben, wanneer dat werk gelukt en hij den troon beklimt. Op dit
oogenblik laat hij zich geheel door u leiden, terwijl gij hem niet
noodig hebt en enkel om zijnentwil voor zijne verheffing schijnt te
werken. Zoodra gij nu zijne hulp inroept en hij u redt, verliest gij de
vrijheid en belangeloosheid, waarin tegenover hem uw kracht is gelegen.
Hij zal met te meer onwil bemerken dat gij van hem denkt partij te
trekken, naarmate het hem moeielijker vallen zal zulk eene groote som in
korten tijd bijeen te brengen. Gij weet toch in welke omstandigheden hij
verkeert.”
»Hij steekt in schulden,” zeide Katoeti, »dat weet ik.”
»Dat moet gij ook weten,” ging de dwerg voort, »want gij zelve drijft
hem tot ongehoorde uitgaven. Door schitterende feesten aan te richten,
heeft hij de bevolking van Thebe voor zich gewonnen; als verzorger van
den heiligen Apis heeft hij te Memphis schatten uitgegeven[99]; de
aanvoerders der door hem uitgeruste troepen, die naar Ethiopië bestemd
zijn, heeft hij met duizenden begiftigd; en gijzelve weet wat zijne
geheime agenten kosten in het koninklijk leger. Van de meeste rijken
hier te lande heeft hij sommen geleend, en dat is goed, want zoovele
schuldeischers zijn tevens zoovele bondgenooten. De stadhouder Ani is
volgens hunne berekening een slecht schuldenaar, maar koning Ani zal een
dankbaar betaler zijn.”
[99] Toen onder Ptolemaeus I Soter, de Apis stierf, gaf zijn
verpleger voor de begrafenis van het heilige dier, niet alleen
al het geld uit, waarover hij te beschikken had, maar hij borgde
bovendien van den koning nog 50 talenten zilver, ongeveer
135,000 gulden. In den tijd van Diodorus gaf de Apis-verzorger
voor hetzelfde doel 100 talenten, d. i. 270,000 gulden uit.
Katoeti zag den dwerg verbaasd aan en kon niet nalaten te zeggen: »Gij
kent de menschen.”
»Helaas, ja!” antwoordde de dwerg. »Wend u niet tot den stadhouder. Eer
gij het werk van jaren afbreekt en de toekomstige grootheid van u en de
uwen opoffert, moet gij liever de eer van uw zoon prijsgeven.”
»En die van mijn gemaal en mijne eigene?” vroeg Katoeti. »Maar gij
weet niet wat dat beteekent! =Eer= is een woord dat de onvrije wel kan
nastamelen maar nimmer begrijpen. Gij wrijft de eeltplekken die men u
geslagen heeft; mij zal elke vinger, die met minachting op mij wijst,
verwonden als eene lans van essenhout met eene vergiftigde koperen punt.
O eeuwige goden, wie kan hier helpen?!”
De gefolterde vrouw bedekte hare oogen weder met de handen, als
wilde zij hare eigene smaadheid niet aanschouwen. De dwerg zag haar
medelijdend aan en zeide op zachter toon: »Herinnert ge u den diamant,
die uit Nefert’s schoonsten ring was gevallen? Wij zochten dien maar
vonden hem niet. Den volgenden dag liep ik door de kamer en trapte
op iets hards. Ik bukte en vond den steen. Wat aan het edele
gezichtsorgaan, het oog, was ontsnapt, dat had de verachte eeltachtige
voetzool gevonden. Wellicht gelukt het den onvrijen kleinen Nemoe, die
niet weet wat eer is, een redmiddel uit te denken, dat zich aan den
verheven geest zijner meesteres niet voordoet.”
»Waaraan denkt gij dan?” vroeg Katoeti.
»Aan redding!” antwoordde de dwerg. »Is het waar dat uwe zuster Setchem
u heeft bezocht en dat gij u met elkander hebt verzoend?”
»Zij bood mij de hand, en ik nam haar aan.”
»Ga dan tot haar. De menschen zijn nooit dienstvaardiger dan na eene
verzoening. De vijandschap die werd uitgedelgd beschouwen zij als eene
pas geheelde wond, die men met voorzichtigheid moet aanraken. Setchem is
van uw bloed en zij heeft een gevoelig hart.”
»Zij is niet rijk,” gaf Katoeti ten antwoord. »Elke palm in haar tuin
komt van haar echtgenoot en behoort aan hare kinderen.”
»Was ook Paäker niet bij u?”
»O ja, maar op verlangen zijner moeder,” zeide Katoeti. »Gij weet, hij
haat mijn schoonzoon.”
»Ik weet het,” zeide de dwerg, half binnen ’s monds; »doch als Nefert
hem wilde verbidden....”
De trotsche weduwe schrikte. Zij gevoelde dat zij den dwerg te veel
vrijheid had gegeven, en beval haar alleen te laten.
Nemoe kuste haar gewaad en vroeg schuchter: »Zal ik vergeten wat ge mij
hebt toevertrouwd, of veroorlooft ge mij, dat ik verder over middelen
peins om uw zoon te redden?”
Katoeti bleef eenige oogenblikken besluiteloos staan, en zeide toen:
»Gij hebt zeer verstandig uiteengezet wat ik laten moet: mogelijk
openbaart eene godheid u wat ik doen zal. Laat mij nu alleen!”
»Hebt ge mij morgen vroeg ook noodig?” vroeg het manneke.
»Neen!”
»Dan rijd ik naar de Nekropolis om te offeren.”
»Ga,” zeide Katoeti, en ging met den noodlottigen brief het huis binnen.
Nemoe bleef alleen staan. Peinzend keek hij voor zich en prevelde: »Zij
mogen niet tot eerloosheid vervallen, nu ten minste niet, want anders is
alles verloren. Wat is toch die =eer=! Alle menschen komen zonder haar
ter wereld, en de meeste onzer dalen als goede lieden ten grave, zonder
haar ooit gekend te hebben. Maar enkelen, die rijk zijn en niets te doen
hebben, bestrijken daarmede het gladde weefsel hunner ziel, evenals
de Koeschiten[100] hun haar met vet en balsem, tot het een kapsel
wordt[101], dat hun leelijk staat, maar waarop zij zoo trotsch zijn, dat
zij zich liever de ooren dan dit onding laten afsnijden. Ik vermoed, ja
ik vermoed.... doch eer ik mijn mond weder open doe, ga ik naar mijne
moeder, die meer weet dan twintig profeten.”
[100] Ethiopiërs.
[101] Wij weten uit de gedenkteekenen, dat de zwarte bewoners
van den Boven-Nijl, reeds in den tijd der pharao’s, de leelijke
mode huldigden, die nog steeds door hunne nakomelingen wordt
gevolgd.