Over de aan gene zijde der Nekropolis van Thebe gelegen stad der
levenden was de maan opgegaan. In de door pylonen en rijen sphinxen
verbonden tempelgebouwen, die zich wel een uur ver langs den Nijloever
uitstrekten, waren de laatste tonen der avondliederen weggestorven, maar
in de stad scheen nu het leven eerst recht te ontwaken. De weldadige
koelte die op de hitte van den zomerdag volgde, lokte de burgers naar
buiten, vóor de deuren, op de daken en torens hunner huizen of aan de
schenktafels, waar zij onder het drinken van bier of wijn of frisch
vruchtennat luisterden naar de verhalen van een sprookjesverteller. Vele
der meer eenvoudige lieden hurkten in kringvormige groepen op den grond
en zongen het referein mede van een of ander lied, dat een middelmatig
zanger voordroeg bij den klank eener handtrommel en de tonen der fluit.
Ten zuiden van den tempel van Amon lag het koninklijk paleis en in de
nabijheid verhieven zich, te midden van meer of minder groote tuinen,
de huizen der rijksgrooten waaronder zich éen vooral door pracht en
omvang onderscheidde. Paäker, de koninklijke gids, had het door een der
bekwaamste bouwmeesters, na den dood zijns vaders, doen optrekken op de
plaats waar het vervallen huis zijner voorouders stond, in de hoop van
zijn nichtje Nefert er binnen te kunnen leiden als zijne echtgenoote.
Weinige schreden verder oostwaarts lag een ander, niet minder deftig
gebouw, maar dat er ouder en niet zoo sierlijk uitzag. De koninklijke
wagenmenner Mena had het van zijn vader geërfd. Terwijl hijzelf in het
verre Syrische land in de tent des konings als diens lijfwacht verblijf
hield, werd het bewoond door zijne gemalin Nefert en hare moeder
Katoeti. Voor de poorten van beide huizen stonden dienaars met brandende
fakkels, wachtende op de lang verbeidde terugkomst hunner gebieders.
De poort die toegang verleende tot Paäkers terrein, dat rondom door
een muur werd omgeven, was buiten verhouding tot de overige gebouwen
pronkerig hoog en met allerlei bont schilderwerk bedekt. Ter linker- en
rechterzijde rezen twee cederstammen omhoog als masten om de wimpels te
dragen. Hij had ze met opzet voor dit doel op den Libanon doen vellen
en met een schip naar Pelusium aan de noordoostelijke grens van Egypte
laten brengen. Vandaar waren zij langs den Nijl naar Thebe gebracht.
Ging men deze eerste poort door[74], dan kwam men in een ruimen
geplaveiden hof, met gangen die alleen van achteren afgesloten waren, en
waarvan de daken door dunne houten zuilen werden gedragen. Hier stonden
de paarden en wagens van den gids; hier woonden zijne slaven en werd de
voorraad van veldvruchten bewaard, die men in een maand noodig had. In
den achterwand van dezen hof voor de huishouding was weder eene poort,
doch minder hoog, waardoor men in den tuin kwam. Deze was beplant met
rijen goed onderhouden boomen en wijnstokken langs latwerk geleid, met
boschjes van verschillende heestergewassen, bloem- en groentebedden.
Palmen, sykomoren en acacia’s, de vijg, de granaat, de jasmijn, ja alles
tierde hier welig, want Setchem, Paäkers moeder, hield het toezicht op
het werk van den hovenier. Bovendien was er in den grooten vijver midden
in dezen aanleg nooit gebrek aan water om de bedden en boomwortels te
begieten, want hij werd gevoed door twee kanalen, waarin de door ossen
in beweging gebrachte schepraderen, dag en nacht het water uit den Nijl
opvoerden.
[74] Dit erfdeel van den Mohar is beschreven naar de
voortreffelijke voorstellingen van tuinen en huizen van
Egyptische grootte in de groeven van Tel-el-Amarna, afgebeeld
door Lepsius in zijne =Denkmäler aus Aegypten und Aethiopien=.
Abth. III. Het werd voor een bijzonder voorrecht gehouden, een
tuin te bezitten. In den papyrus IV uit het museum van Boelaq,
door Mariëtte uitgegeven, wil de schrijver aantoonen, dat elke
aardsche bezitting tot verzadiging leidt, en hij kiest tot
voorbeeld het huis met een tuin. „Gij hebt voor u,” zegt hij,
„een stuk land aangelegd met water doorsneden. Gij hebt uw
tuingrond omheind; sykomoren hebt gij in kringen geplant, ze
keurig schikkende over het gansche erf van uw huis. Gij vult uw
hand met alle bloemen die uw oog aanschouwt. Toch gebeurt het,
dat gij ten laatste van alles verzadigd wordt.”
Aan de rechterzijde van dezen tuin zag men het woonhuis. Het was maar
éene verdieping hoog, maar onafzienbaar lang en bestond uit eene enkele
rij van vertrekken en kamers. Bijna elk vertrek had zijne eigene deur,
die op eene door dunne houten zuilen gedragen veranda uitkwam, welke
langs de geheele tuinzijde van het huis doorliep. Bij dit gebouw sloten
zich rechthoekig een aantal voorraadschuren aan, waarin de vruchten
en groenten, die uit den tuin werden ingezameld, de wijnkruiken, de
geweven stoffen, dierenhuiden, leder, en andere bezittingen van dien
aard werden geborgen. In een afzonderlijk vertrek, waarvan de muren uit
stevig gehouwen steenen waren opgetrokken, werd de schat zorgvuldig
bewaard, die Paäkers voorvaderen en hijzelf in den krijg hadden
verworven, bestaande in gouden en zilveren ringen, dierenbeelden en
vaatwerk. Het ontbrak hier ook niet aan baren koper en edelgesteenten,
vooral lazuursteen en stukken malachiet. ― Midden in den tuin was eene
rijke versierde kiosk aangebracht en eene kapel met godenbeelden. In
de laatste stonden op den achtergrond de beeltenissen van Paäkers
voorvaderen, in de gedaante van een als mummie ingewikkelden Osiris[75].
Het eene beeld verschilde slechts van het ander, doordat de aangezichten
portretten van de overledenen voorstelden.
[75] De afgestorvene, die gerechtvaardigd is, wordt na zijn dood
Osiris, dat is: hij komt tot volledige eenheid (Henosis) met de
godheid. De Osiris-mythe vindt men in al hare onderdeelen weder
in de letterkundige nalatenschap der Egyptenaars. Plutarchus
deelt haar volledig mede. De inhoud is, met voorbijgang van
hetgeen niet tot de hoofdzaak behoort, de volgende: Isis en
Osiris beheerschen gelukkig en zegen verspreidend het Nijldal.
Typhon (Seth) verleidt Osiris om in een kist te gaan liggen; hij
sluit die met zijn zeventig helpers en zet haar in den Nijl,
die haar noordwaarts in zee voert. Zij landt aan den oever van
Byblos. Isis zoekt die kist weeklagende, vindt haar en brengt
haar naar Egypte terug. Terwijl zij haar zoon Horus opzoekt,
vindt Typhon het lijk, snijdt het in veertien deelen en strooit
die over het land. Intusschen is Horus opgegroeid; deze
bestrijdt en overwint Typhon, zonder hem te dooden, en geeft aan
zijne moeder haar echtgenoot en aan zijn vader, die gedurende
zijn schijnbaren dood in de onderwereld heeft geheerscht, zijn
troon op aarde weder. Deze zinrijke mythe was een beeld van den
cirkelloop der natuur, van de loopbaan der zon en van het lot
der menschelijke ziel. De scheppende kracht der natuur en de
volheid van den Nijl worden door de droogte, het zonlicht door
de duisternis, de mensch door den dood, het goede beginsel door
het booze, de waarheid door den leugen schijnbaar vernietigd,
hoewel zij allen in de lente (de tijd waarop de Nijl begint te
wassen), aan den morgen, in een ander leven en op den dag der
wedervergelding zegepralen, evenals Osiris door Horus de
overwinning op Typhon heeft behaald.
De linkerzijde van den hof voor de huishouding was thans in duisternis
gehuld. Toch vergunde de maneschijn vele donkere, slechts met een schort
gekleede gestalten te onderscheiden. Het waren de slaven van den gids,
die in groepjes van vijf of zes op den grond hurkten, of op dunne matten
van palmbast, hunne vrij harde bedden naast elkaar lagen. Op eenige
afstand van de poort, aan de rechterzijde van den hof, brandden eenige
lampen; zij beschenen een groep bruine mannen, Paäkers huisbedienden,
die korte witte rokken droegen in den vorm van hemden, en op een tapijt
waren neergehurkt rondom een nauwelijks twee voet hooge tafel. Zij
gebruikten hun avondmaal, bestaande in eene gebradene antiloop en groote
platte broodkoeken. Zij werden bediend door slaven, die bekers van
gebakken aarde vulden met geelachtig bier. De hofmeester sneed
het groote gebraad op tafel, reikte den tuinman een stuk van een
antilopenbout toe en zeide[76]: »De armen doen mij zeer; dat
slavengespuis wordt van dag tot dag luier en brutaler.”
[76] Grieken en Romeinen berichten, dat de Egyptenaars zoo
verzot waren op satyre en bijtende scherts, dat zij goed en
leven op het spel zetten, om aan hun lust tot spot bot te kunnen
vieren. De aanstootelijke afbeeldingen in de zoogenaamde kiosk
van Medinet Haboe, caricaturen op een papyrus, enz. bevestigen
deze getuigenis. Merkwaardig is eene plaats bij Flavius Vopiscus
(Ed. Peter II, p. 208 c. 7), een Latijnschen geschiedschrijver
uit den tijd van Diocletianus, die de Egyptenaars bijna met de
Franschen vergelijkt. „Zij toch zijn,” zegt hij „gelijk men
genoeg weet, winderig, lichtgeraakt, opgeblazen, beleedigend en
zeer ijdel, vrij, uitermate begeerig naar nieuwtjes, makers
van verzen en stekelige gezegden, sterrenduiders, wichelaars,
geneeskundigen.”
»Ik zie het aan de palmen,” zeide de tuinman. »Gij hebt zooveel stokken
noodig, dat hunne bladerkronen zoo kaal worden als ruiende vogels.”
»Wij moeten doen als onze meester,” zeide de stalmeester, »en ons staven
van ebbenhout aanschaffen. Die houden het wel honderd jaren uit!”
»In elk geval langer dan de beenderen van menschen,” zeide lachend de
opperste veehoeder, die van Paäker’s landgoed in de stad was gekomen
om offervee, boter en kaas af te leveren. »Wanneer wij onzen heer in
alles wilden nadoen, dan hadden wij eerlang niet anders dan lammen en
kreupelen in huis.”
»Daar boven ligt de jongen, dien hij gisteren het sleutelbeen heeft stuk
geslagen,” zeide de hofmeester. »’t Spijt me van hem, want hij was een
knap mattenvlechter. De oude heer sloeg zachter.”
»Dat zult gij wel weten!” riep een fijn stemmetje, dat zich spottend
achter de schransende bedienden liet hooren.
Zoodra zij omkeken barstten zij in lachen uit, toen zij den zonderlingen
gast zagen, die hun ongemerkt genaderd was. De pas aangekomene was een
gedrochtelijk kereltje, zoo groot als een knaap van vijf jaren, met een
waterhoofd en ouwelijke maar scherp geteekende gelaatstrekken. De meeste
aanzienlijke Egyptenaren hielden er voor hunne liefhebberij huisdwergen
op na, en dit kleine schepsel moest als zoodanig de vrouw van Mena
dienen. Men noemde hem Nemoe, d. i. dwerg, ontzag hem wegens zijne
scherpe tong, maar zag hem toch gaarne, want hij werd voor zeer
verstandig gehouden en kon aardig vertellen.
»Gunt mij een plaatsje, mijne heeren,” zeide de kleine; »ik neem niet
veel ruimte in. Voor uw bier en uw gebraad hebt gij niet te vreezen,
want mijn maagje is zoo klein als een vliegekop.”
»Maar uw gal is zoo groot als van een Nijlpaard,” riep de kok.
»Zij zwelt,” hernam de dwerg ondeugend, »wanneer zij geroerd wordt door
een roerstokdraaier en een lepelzwaaier van uw soort, ja dat zeg ik!”
»Wees ons dan welkom,” sprak de hofmeester. »Wat brengt ge mede?”
»Mijzelf.”
»Dan brengt gij niet veel groots.”
»Anders zou ik ook niet goed bij ulieden passen,” antwoordde de
dwerg. »Maar in ernst, de moeder van mijne meesteres, Katoeti, en de
stadhouder, die ons zooeven bezocht, hebben mij uitgezonden om te
vernemen, of Paäker nog niet weder terug is. Hij begeleidde de prinses
en Nefert naar de doodenstad en de vrouwen zijn nog niet wedergekeerd.
Wij beginnen ongerust te worden, want het is reeds laat.”
De hofmeester zag op naar den sterrenhemel en zeide: »De maan staat
reeds tamelijk hoog en onze meester wilde vóor zonsondergang te huis
zijn.”
»De maaltijd was gereed,” zuchtte de kok; »ik zal nog eens aan den
arbeid moeten gaan, wanneer hij ten minste den ganschen nacht niet
uitblijft.”
»Maar dat zal hij niet,” verzekerde de hofmeester. »Hij begeleidt immers
de prinses Bent-Anat.”
»En mijne meesteres,” voegde de dwerg er bij.
»Wat ze elkaar veel te vertellen zullen hebben,” zeide de tuinman
lachend, »uw opper-draagstoel-drager beweerde, dat zij gisteren op hun
weg in de doodenstad geen woord gewisseld hebben.”
»Kunt gij het den meester ten kwade duiden, wanneer hij boos is op de
vrouw, die met hem verloofd was en een ander tot man heeft genomen?
Wanneer ik aan de ure denk, waarin hij vernam hoe Nefert hare
trouwbelofte had verbroken, wordt ik nog heet en koud tegelijk.”
»Zorg tenminste hiervoor,” spotte de dwerg, »dat gij ’t in den winter
warm en in den zomer koud hebt.”
»Aller dagen avond is nog niet gekomen,” riep de stalmeester. »Paäker
vergeet geene beleediging, en wij zullen het nog beleven, dat hij Mena,
hoe hoog hij ook staat, den schimp hem aangedaan dubbel betaalt....”
»Mijne meesteres Katoeti,” viel Nemoe den stalmeester in de rede, »is
thans bezig de uitstaande gelden van haar schoonzoon te incasseeren.
Overigens wenscht zij reeds sedert lang de oude vriendschap met uw
huis op nieuw aan te knoopen, en ook de stadhouder spreekt van
verzoening. ― Geef mij een stuk gebraad, hofmeester, ik heb honger.”
»De buidel, waarin Mena’s inkomsten vloeien,” zeide de kok lachend,
»schijnt mager te zijn.”
»Mager! Mager!” hernam de dwerg, »ja, ongeveer als uwe geestigheid. Geef
mij nog een stuk gebraad, hofmeester. Hier, slaaf, schenk mij een dronk
bier in!”
»Zeidet ge zoo even niet, dat uw maag zoo klein was als een vliegekop?”
riep de kok, »en nu verslindt ge het vleesch als de krokodillen in den
heiligen vijver van het zeeland[77]. Ge schijnt me afkomstig te zijn uit
de verkeerde wereld, waar de menschen zoo klein zijn als de vliegen en
de vliegen zoo groot als de reuzen uit den voortijd!”
[77] Thans Fajoem, alwaar bij den tempel van den god Sebek te
Krokodilopolis, versierde heilige krokodillen onderhouden en
rijkelijk gevoed werden.
»Ik wenschte dat ik nog veel grooter was,” meesmuilde de dwerg, terwijl
hij onvermoeid verder kauwde, »zoo wat als uw afgunst, die mij niet eens
een derde stuk vleesch gunt, ― ja dát, meen ik, wat de hofmeester, dien
Zefa[78] zegene met rijke bezittingen! daar juist van den rug der
antiloop snijdt.”
[78] De godin van den overvloed.
»Daar neem ’t, veelvraat, maar ge moogt uw gordel wel losmaken!” sprak
de hofmeester vroolijk. »Ik had het stukje voor mijzelf bestemd, en
bewonder uw fijnen neus.”
»Ja die neuzen,” zeide de dwerg, »zij leeren een kenner beter dan een
Horoskoop wat er in een mensch zit.”
»Dat is wat fraais!” riep de tuinman.
»Kraam je wijsheid maar uit,” zeide de hofmeester weder. »Als ge wat te
zeggen hebt, zult ge wel eindelijk met eten ophouden.”
»Dat kan samen gaan,” hernam de dwerg. »Luister dan! Een kromme neus,
dien ik vergelijk met den snavel van een gier, gaat nooit gepaard met
onderdanigheid. Denk aan den pharao en geheel zijn trotsch geslacht. De
stadhouder daarentegen heeft een rechten, goed gevormden, middelmatigen
neus, zooals de Amonsbeelden in den tempel. Hij is dan ook een
rechtschapen man en vol goddelijke goedheid. Hij is niet hoogmoedig, ook
niet onderdanig, maar juist zooals recht is. Hij houdt het niet met de
grootsten en niet met de kleinsten, maar met lieden van ons slag. Dat
ware een koning voor ons!”
»Een neuzenkoning!” riep de kok. »Dan geef ik de voorkeur aan den
adelaar Ramses. Maar, wat zegt ge van den neus uwer meesteres Nefert?”
»Deze is teeder en fijn. Elke gedachte brengt haar in beweging, gelijk
een tochtje de bloemblaadjes. Met haar hart is het evenzoo gesteld.”
»En Paäker?” vroeg de stalmeester.
»Deze heeft een stevigen stompen neus, met ronde wijd openstaande
neusvleugels. Wanner Seth het zand doet opstuiven en er een stofje in
blaast, dat hem kittelt, dan wordt hij nijdig, en zoo draagt Paäkers
neus en niets anders de schuld van uwe blauwe plekken. Zijne moeder
Setchem, de zuster mijner meesteres Katoeti, heeft een kleinen, ronden,
zachten....”
»Jou dreumes!” viel de hofmeester hem op eens in de rede, »wij hebben je
gevoerd en naar hartelust laten lasteren; maar als je spitse tong het
waagt onze huisvrouw aan te raken, dan grijp ik je bij den gordel en
slinger je naar het firmament, dat de sterren op je krommen bult blijven
kleven.”
Bij deze woorden stond de dwerg op, ging een paar passen achteruit en
zeide heel bedaard: »Ik zou die sterren zorgvuldig van mijn rug bij
elkaar zoeken en u de schoonste planeet schenken, uit dankbaarheid voor
uw malsch gebraad. ― Maar daar komen de wagens aan! Vaartwel, mijne
heeren, wanneer de snavel van een gier een uwer soms pakt en medesleept
naar den krijg in Syrië, denkt dan aan het woord van den kleinen Nemoe,
die de menschen en de neuzen kent!”
* * * * *
De wagen van den gids rolde door de hooge poort vóor zijn huis den hof
binnen. De honden in hunne hokken begonnen vroolijk te blaffen. De
stalmeester vloog Paäker te gemoet en nam de teugels over, de hofmeester
geleidde hem en de kok spoedde zich naar de keuken, om een nieuw maal
gereed te maken. Eer Paäker nog aan de tuindeur gekomen was, deed zich
van de pylonen van den reusachtigen Amon-tempel eerst het wijd in ’t
rond klinkend geluid van hard geslagen metalen platen vernemen, dat
gevolgd werd door het veelstemmig gezang van eene statige hymne. De
Mohar bleef stilstaan, zag op naar den hemel, riep zijne dienaars toe:
»de goddelijke Sothis-ster is opgegaan!” wierp zich ter aarde en hief
biddend zijne armen naar het gesternte omhoog. De slaven en beambten
volgden terstond zijn voorbeeld.
Er gebeurde niets in de natuur, waarop de priesterlijke leiders van het
Egyptische volk niet nauwlettend acht sloegen. Elk verschijnsel op aarde
en aan den sterrenhemel begroetten zij als de openbaring eener godheid,
en zij omsponnen het leven der bewoners van het Nijldal van den morgen
tot den avond, van het begin van den overstroomingstijd tot aan de dagen
der droogte, met een net van gezangen en offeranden, van processiën en
feesten, dat alle menschelijke wezens onverbrekelijk vast aan de godheid
en hare vertegenwoordigers verbond.
Gedurende eenige minuten lag de meester met zijne dienaars zwijgend op
de knieën, met de oogen onafgebroken op het heilig gesternte gericht en
luisterende naar de vrome gezangen der priesters. Zoodra de laatsten
verstomden stond Paäker op. Alles rondom hem lag ter aarde; alleen bij
de woningen der slaven stond eene door het maanlicht helder beschenen
naakte gestalte roerloos tegen een pijler. De gids gaf een wenk en de
dienaars rezen op; hijzelf echter ging met rasse schreden naar den
persoon, die de godsdienstoefening, door hem met zooveel gestrengheid
gehandhaafd, scheen te minachten, en riep: »Hofmeester, honderd slagen
op de voetzolen van den verachter der godheid!”
De aangesprokene boog zich en zeide: »Meester, de arts heeft den
mattenvlechter bevolen zich niet te verroeren, en hij kan zijn arm
niet opheffen. Hij lijdt zeer veel pijn. Gij hebt hem gisteren het
sleutelbeen verbrijzeld.”
»Hem is recht geschied,” antwoordde Paäker, daarbij zijn stem zoo luid
verheffende, dat de verwonde hem hooren moest. Daarop keerde hij hem den
rug toe en liep den tuin in. Hier riep hij den keldermeester en zeide:
»Geef den slaven heden bier als nachtdronk, allen, en rijkelijk!”
Weinige oogenblikken later stond hij voor zijne moeder, die hij vond
op het met breede bladplanten versierde dak van haar woning. Zij had
zooeven haar tweejarig kleindochtertje een spruit van haar jongeren
zoon, in de armen van de kindermeid gelegd, om het naar bed te brengen.
Paäker groette de waardige matrone eerbiedig. Zij zag er zeer
vriendelijk uit. Een aantal jonge honden, de lievelingen der weduwe, die
zoo vaak tot lange eenzaamheid was veroordeeld, lag stoeiend hare voeten
te liefkozen. Haar zoon weerde de dadelijk op hem toespringende beestjes
af en ging naar de kleine, die hij uit de armen van de meid in de zijne
overnam. Maar het kind verzette zich hiertegen; het begon hevig te
schreien, en toen het zich niet tot bedaren liet brengen, zette Paäker
het op den grond, knorrig zeggende: »Jou ondeugend ding!”
»Zij was den geheelen achtermiddag zoo lief en aardig,” zeide moeder
Setchem. »Zij ziet u ook zoo zelden!”
»’t Kan zijn,” antwoordde Paäker. »Doch ik weet het wel: de honden mogen
mij wel lijden, maar geen kind laat zich door mij liefkozen.”
»Gij hebt ook zulke harde handen.”
»Breng den schreeuwleelijk weg!” riep Paäker de meid toe. »Ik heb met u
te spreken, moeder!”
Setchem bracht de kleine tot rust, gaf haar vele kussen en zond haar
toen naar bed. Daarop ging zij naar haar zoon toe, streelde zijne wangen
en zeide: »Als dit kind het uwe was, dan zou het zeker tot u komen, en u
leeren, dat een kind de grootste is van alle schatten, welke de goden
aan menschen toevertrouwen!”
Paäker lachte even en zeide: »Ik weet waarop gij zinspeelt; maar laat
dit thans rusten, want ik heb u wat gewichtigers mede te deelen.”
»Welnu?” vroeg Setchem.
»Ik heb heden voor het eerst sedert toen, gij begrijpt mij, met Nefert
gesproken. Al wat sedert gebeurd is mogen wij vergeten! Gij verlangt
zoo zeer naar uwe zuster: welnu, ga haar bezoeken, ik heb er niets meer
tegen.”
Setchem zag haar zoon met ongeveinsde verwondering aan; hare oogen,
waarin spoedig een traan welde, vloeiden nu over, en aarzelend vroeg
zij: »Kan ik mijne ooren vertrouwen, kind, hebt gij....”
»Het is mijne bepaalde wensch,” zeide Paäker op beslissenden toon, »dat
gij den ouden hartelijken band met uwe bloedverwanten weder aanknoopt.
De vervreemding heeft lang genoeg geduurd.”
»Veel te lang!” riep Setchem.
De gids zag zwijgend naar den grond, en voldeed aan het verlangen zijner
moeder, door zich naast haar neder te zetten.
»Ik wist het wel,” zeide zij, zijne hand in de hare nemende, »dat
deze dag ons vreugde zou brengen, want ik heb van uw Osirischen vader
gedroomd, en toen ik mij naar den tempel liet dragen, ontmoette ik eerst
eene witte koe en daarna een bruidsoptocht. De heilige ram van Amon
raakte ook den tarwekoek aan, dien ik hem aanbood”[79].
[79] Het was voor Germanicus eene voorspelling van zijn
aanstaanden dood, toen de Apis weigerde uit zijne hand te eten.
»Dat zijn gelukkige voorteekenen,” zeide Paäker ernstig en op een toon
van stellige overtuiging.
»Haasten wij ons dankbaar aan te grijpen wat de goden ons willen
toezeggen,” riep Setchem vol vreugde. »Morgen ga ik naar mijne zuster
en zeg haar, dat wij weder met dezelfde liefde van weleer bij elkander
willen wonen, en het goede zoowel als het kwade samen deelen. Wij
behooren immers tot hetzelfde geslacht, en ik weet dat, evenals orde en
reinheid een huis voor verval bewaren en den gast verblijden, eendracht
alleen het geluk eener familie waarborgt en haar aanzien onder de
menschen ophoudt. Wat gebeurde is nu eenmaal gebeurd en worde vergeten!
Er zijn behalve Nefert nog vele vrouwen in Thebe, en honderd
aanzienlijken des lands zouden zich gelukkig achten, u tot schoonzoon te
krijgen.”
Paäker stond op en begon peinzend de groote ruimte op en neer te
wandelen, terwijl Setchem verder sprak:
»Ik weet,” zeide zij, »dat ik eene pijnlijke wond in uw hart heb
aangeraakt, maar zij is reeds half gesloten en zal wel genezen, wanneer
gij gelukkiger zult zijn dan de wagenmenner Mena, en hem daarom niet
meer zult behoeven te haten. Nefert is teer en onervaren; zij zou niet
opgewassen zijn tegen eene zoo groote huishouding als de onze. Eerlang
zal men ook mij wikkelen in de mummie-windsels, en wanneer dan uw plicht
u naar Syrië roept, moet eene omzichtige huisvrouw in mijne plaats alles
bestieren. Dat is waarlijk geen kleinigheid! Uw grootvader Assa heeft
dikwijls gezegd: een huis waar overal goede orde heerscht is het beeld
van een gezin, dat prijs stelt op een onbevlekten naam, waarin alles
met wijsheid wordt geregeld en deugdelijk wordt geleefd; van een gezin
waarin ieder zijn aangewezen plaats inneemt, zijne bepaalde plichten
heeft te vervullen, en zeker kan zijn dat zijne rechten zullen worden
gehandhaafd. Hoe dikwijls heb ik tot de Hathors gebeden, dat zij u eene
gade mochten schenken naar mijn hart!”
»Eene Setchem zal ik wel niet vinden,” zeide Paäker, terwijl hij zijne
moeder op het voorhoofd kuste, »want de vrouwen zooals gij zijt sterven
uit.”
»Gij vleier!” zeide Setchem met een lach, terwijl zij haar zoon met
den vinger dreigde. »Maar het is waar! Het opkomend geslacht pronkt en
siert zich op met stoffen uit Kaft[80], het kruidt zijne gesprekken met
Syrische woorden en laat den hofmeester en de kokkin de handen vrij,
waar men zelf gebieden moest. Ook mijne zuster Katoeti en Nefert...”
[80] Phoenicië.
»Nefert is anders dan de overige vrouwen,” viel Paäker zijne moeder in
de rede. »Ware zij door u opgevoed, dan zou zij de kunst verstaan om
niet alleen een huis sierlijk in te richten, maar ook het te besturen.”
Setchem zag haar zoon verwonderd aan; daarop zeide zij half in
zichzelve: »Ja, ja, zij is een lief kind, waarop men niet boos kan
worden, wanneer men haar in de oogen ziet. En toch was ik boos op haar,
omdat gij het waart, en omdat.... nu ja, gij weet het wel! ― Doch nu
gij haar vergeven hebt, vergeef ook ik gaarne, haar en haar echtgenoot.”
Er kwam een wolk op Paäker’s voorhoofd, en terwijl hij voor zijne moeder
bleef staan, zeide hij met zijne gewone schrille stem: »Hij moge in
de woestijn versmachten, en de hyena’s van het Noorderland mogen zijn
onbegraven lichaam verslinden!”
Setchem trok, toen zij deze taal hoorde, den sluier voor haar
aangezicht, en klemde de aan haar hals hangende amuletten vast in hare
handen. Daarop zeide zij zacht: »Wat kunt gij toch vreeselijk zijn! Ik
weet wel dat gij den wagenmenner haat, want ik heb de zeven pijlen boven
uw legerstede wel gezien, waarop geschreven staat: Dood aan Mena! Het is
een Syrisch toovermiddel, dat hem in het verderf moet storten tegen wien
het wordt aangewend. Hoe somber staat gij te staren! Ja, het is een
toovermiddel, dat de goden haten en den booze macht geeft over ieder die
er zich van bedient. Uw vader en ik hebben u geleerd de goden te eeren.
Laat het aan hen over den misdadiger te treffen, want Osiris ontzegt hen
zijne bescherming, die zich den booze tot bondgenoot kiezen.”
»Mijne offers,” antwoordde Paäker, »verzekeren mij de hulp der goden.
Wat Mena aangaat, die als een gevloekte roover jegens mij gehandeld
heeft, ik lever hem over aan den booze, wien hij toebehoort. Genoeg
hiervan! Wanneer gij mij liefhebt, spreek dan den naam van mijn vijand
niet meer in mijne tegenwoordigheid uit! Nefert en hare moeder heb ik
vergiffenis geschonken; dit zij u genoeg!”
Setchem schudde het hoofd en riep: »Waar moet dat op uitloopen! De krijg
kan toch niet eeuwig duren, en wanneer Mena terugkeert, dan zal de
verzoening van heden in des te erger vijandschap overslaan. Ik zie
maar éen redmiddel! Volg mijn raad en laat mij eene vrouw zoeken uwer
waardig.”
»Thans niet,” antwoordde Paäker ongeduldig. »Binnen weinige dagen
vertrek ik weder naar het land van den vijand, en ik wensch niet even
als Mena, mijne vrouw terwijl ik leef, als eene weduwe achter te laten.
Waarom wilt gij daarop aandringen? De vrouw van mijn broeder en hare
kinderen zijn immers bij u? Wees daarmede tevreden!”
»De goden weten hoe ik ze liefheb,” hernam Setchem, »maar uw broeder
Horus is de jongste, gij zijt de oudste zoon, wien het erfdeel toekomt.
Uw nichtje is voor mij een aangenaam tijdverdrijf. Maar hadt gij een
zoon, dan kon ik dezen opvoeden in mijn en uws vaders geest, als
toekomstigen stamhouder en hoofd der familie. Bovendien, alles is mij
heilig, wat mijn gestorven echtgenoot wenschte. Hij verheugde zich er
over, dat gij zoo vroeg reeds verloofd waart met Nefert, en hoopte dat
een zoon van zijn oudsten zoon Assa’s geslacht in stand zou houden.”
»Het zal mijne schuld niet zijn,” zeide Paäker, »wanneer een zijner
wenschen onvervuld blijft! De sterren staan reeds hoog. Slaap wel,
moeder, en wanneer gij morgen Nefert en uwe zuster bezoekt, zeg
hen dan, dat de poort van mijn huis voor haar open staat! ― Nog iets!
Katoeti’s hofmeester heeft den onzen eene kudde te koop aangeboden,
niettegenstaande de veestapel op Mena’s landgoed zeer klein moet zijn.
Wat heeft dat te beteekenen?”
»Gij kent mijne zuster,” antwoordde Setchem. »Zij bestuurt Mena’s
bezittingen, heeft groote behoeften, zoekt door uiterlijk vertoon de
grooten te overtreffen, ziet den stadhouder dikwijls bij zich aan huis,
en heeft bovendien een zoon, die nog al verkwistend is. Zoo kan er nu en
dan wel eens gebrek zijn aan het noodigste.”
Paäker haalde de schouders, op, groette andermaal en verliet zijne
moeder.
* * * * *
Niet lang daarna stond hij in het ruime vertrek, dat hem tot woon-
en slaapkamer diende, wanneer hij in Thebe was. De wanden waren wit
bepleisterd en rondom de deuren en vensteropeningen van de tuinzijde met
eenige vrome spreuken in hiëroglyphen beschilderd. Midden tegen den
achtergrond stond een bed, in de gedaante van een leeuw; het hoofdeinde
stelde de kop en het voeteneinde de staart voor. Over het bed was eene
fijn gelooide leeuwenhuid gespreid, en een met vrome spreuken beschreven
hoofdsteunsel van ebbenhout stond op eene trapvormige hooge voetbank
gereed, wanneer hij slapen wilde. Boven het bed waren kostbare wapenen
en zweepen van allerlei soort in keurige orde opgehangen, en daaronder
ook de zeven pijlen, waarop Setchem de woorden: »Dood aan Mena!” had
gelezen. Zij kruisten juist de letters eener spreuk, die beval de
hongerigen te spijzigen, de dorstigen te drenken, de naakten te kleeden,
en barmhartig te zijn jegens grooten en kleinen[81]. Aan het hoofdeinde
van het bed kon men in de muur nog eene nis opmerken, die zorgvuldig
door een purperen gordijn werd gesloten. Voorts stonden in alle hoeken
van het vertrek beelden, waarvan drie de trias van Thebe: Amon, Moeth
en Choensoe voorstelden, en de vierde Paäkers gestorven vader. Voor elk
was een klein offeraltaar geplaatst met holten, die met fijne reukwerken
waren gevuld. Op een houten toestel vond men kleine godenbeeldjes en
amuletten in overvloed. Een aantal bont beschilderde kasten dienden tot
bergplaats voor de kleederen, de sieraden en de papieren van den gids.
Midden in de kamer stond eene tafel, omringd door eenige stoelen in den
vorm van tabouretten.
[81] Een gebod uit de heilige schriften, dat telkens wederkeert.
Wij vinden het reeds op gedenkteekenen uit het oude rijk, bijv.
te Beni Hassan (12e dynastie).
Toen Paäker dit vertrek binnentrad, vond hij het door lampen verlicht
en een groote hond vloog dadelijk kwispelstaartend naar hem toe. Hij
liet toe dat het beest tegen zijne schouders opsprong, wierp het op den
grond, vergunde het andermaal op hem aan te stormen, en gaf het toen een
kus op zijn verstandigen kop. Vóor zijn bed lag een kolossale oude neger
te ronken. Paäker gaf hem een schop met zijn voet en riep hem toe, toen
hij wakker werd: »Ik heb honger!” waarop de zwarte grijskop langzaam
oprees en het vertrek verliet.
Zoodra de gids alleen was, haalde hij het fleschje met den liefdedrank
uit zijn gordel, beschouwde het met teedere blikken en legde het in
eene kist, die verschillende fleschjes met heilige offeroliën bevatte.
Hij was gewoon elken avond de holten der altaren op nieuw met zulke
vluchtige reukoliën te vullen en zich biddend voor de godenbeelden
neer te werpen. Heden plaatste hij zich alleen voor de beeltenis zijns
vaders, en kuste de voeten ervan, prevelende: »Uw wil zal geschieden! De
vrouw, die gij voor mij bestemd hebt, zal uw oudsten zoon toebehooren!”
Hierna liep hij op en neder, en overdacht alles wat dezen dag gebeurd
was. Eindelijk bleef hij staan met de armen over elkaar, en zag daarbij
de godenbeelden uit de hoogte aan, als een wandelaar, die een slechten
gids wegjaagt en voornemens is zelf den weg te zoeken. Zijn blik viel op
de pijlen boven zijn bed. Hij lachte, en terwijl hij met de vuist op de
breede borst sloeg, riep hij: »Ik, ik, ik ―!” De dog, die meende dat
zijn meester hem riep, sprong naar hem toe, doch Paäker weerde het dier
af, en sprak: »Als gij eene hyena in de woestijn tegen komt, valt gij
het ondier aan, en wacht niet af tot mijne lans het bereikt heeft,
en daar de goden, mijne meesters, talmen, zoo zal ik mijzelf recht
verschaffen. Gij echter,” ging hij voort, terwijl hij zich tot het beeld
zijns vaders richtte, »zult mij bijstaan.”
Deze alleenspraak werd afgebroken door de slaven, die zijn maaltijd
brachten. Paäker liet zijn oog gaan over de verschillende spijzen, die
de kok voor hem had gereed gemaakt, en vroeg knorrig: »Hoe dikwijls moet
ik bevelen, voor mij niet allerlei klaar te maken, maar slechts éen
groot krachtig gerecht? En waar is de wijn?”
»Gij zijt gewoon deze niet aan te raken,” antwoordde de oude neger.
»Maar heden heb ik trek in een dronk,” riep de gids. »Breng een van die
oude kruiken met rooden wijn van Kakem”[82]!
[82] Eene plaats in de nabijheid van de trappenpyramide van
Saqqarah in de Nekropolis van Memphis, waar reeds in de oudheid
druiven moeten zijn geteeld, want van rooden wijn van Kakem
(Kochome?) wordt meer dan eens gewaggemaakt.
De slaven keken elkander verbaasd aan. De wijn werd gebracht en Paäker
dronk den eenen beker na den anderen ledig. Toen de bedienden de hielen
hadden gelicht, zeide een hunner, die het meest durfde: »Anders vreet de
meester als een leeuw en zuipt hij als een mug; maar heden....”
»Hou je mond!” riep zijn metgezel, »en kom in den hof want Paäker laat
ons heden bier schenken. Hij heeft zeker de Hathors ontmoet!”
De gebeurtenissen van dezen dag moesten wel diep in het innerlijk leven
van den gids hebben ingegrepen, want de man, die onder alle krijgers van
Ramses wel de matigste was, die den roes niet kende en de drinkgelagen
van zijne gezellen in het legerkamp zorgvuldig ontweek, zat heden in het
middernachtelijk uur alleen aan zijn tafel en dronk, tot het vermoeide
hoofd hem zwaar werd. Op eens herstelde hij zich. Hij liep naar zijn bed
en schoof het gordijn op zij, dat de nis aan het hoofdeinde van zijn
legerstede bedekte. Er kwam een bontbeschilderd vrouwenbeeldje van
kalksteen te voorschijn, met het hoofdsieraad en de attributen van de
godin Hathor. Haar gelaat vertoonde de trekken van de vrouw van Mena.
Vier jaren geleden had de koning bevolen een beeld der godheid te
vervaardigen, met de aanminnige trekken der jonge vrouw van zijn
wagenmenner, en het was Paäker gelukt zich er eene kopie van te
verschaffen. Hij knielde nu op zijn bed neder, beschouwde het beeld met
vochtige oogen, sloeg een onderzoekenden blik in het rond, om zich te
verzekeren dat hij alleen was, boog zich daarop voorover en drukte eene
kus op de zachte koude steenen lippen, legde zich neer en sliep in,
zonder zich te ontkleeden en de lampen in zijn vertrek te doen
uitblusschen.
Onrustige droomen benauwden zijn gemoed. Toen de morgen begon te
schemeren gaf hij, door een akelig droombeeld beangstigd, zulk een
rauwen gil, dat de oude neger, die zich naast den hond vóor zijn bed had
neergelegd, verschrikt opsprong en hem bij zijn naam riep om hem wakker
te maken, terwijl de dog luid begon te huilen. Paäker werd wakker met
zware hoofdpijn. Het droomgezicht, dat hem zoo beangstigd had, stond hem
levendig voor den geest, en hij trachtte het vast te houden, tot hij
een Horoscoop zou hebben doen ontbieden om het uit te leggen. Na de
phantasieën van den vorigen avond, die hem het uitzicht hadden geopend
op de vervulling zijner wenschen, gevoelde hij zich neerslachtig en
bedrukt. De morgenhymnen uit den Amonstempel drongen als eene vermanende
stem tot zijn vertrek door, en hij zette alle zondige gedachten van
zich, met het voornemen de beslissing van zijn lot weder aan de goden
over te laten en zich van alle tooverkunsten te onthouden. Als naar
gewoonte daalde hij af in het voor hem gereed gemaakte bad. Terwijl het
lauwe water hem omspoelde, dacht hij met klimmende levendigheid aan
Nefert en aan den tooverdrank, dien hij haar eerst niet had willen
inschenken, maar dien hij haar toch werkelijk had toegereikt, en die
nu reeds kon gewerkt hebben. De liefde tooverde rooskleurige, de haat
bloedroode beelden voor zijne oogen. Hij spande zijne krachten in om
zich los te maken uit het net van verzoekingen, dat hem al vaster en
vaster scheen te omklemmen; doch het ging hem als den man, die in een
moeras is geraakt en dieper zinkt, hoe meer moeite hij doet om zich uit
den modder te werken. Met het klimmen der zon steeg ook zijn levensmoed
en zijn zelfvertrouwen. Toen hij zich gereed maakte in zijn kostbaarst
kleed zijn huis te verlaten, was hij weder gestemd als gisteren avond,
en stond zijn besluit vast, zonder, en als het zijn moest zelfs in
weerwil van de goden, zijn doel na te streven.
De Mohar had zijn weg gekozen, en hij keerde nooit om, als hij eene
wandeltocht was begonnen.