Een uur later hield Bent-Anat met haar gevolg stil voor de poort van het
Seti-huis. Evenals een bal door een mannenhand geworpen, was een der
voorloopers met groote sprongen den trein vooruitgevlogen, om den
opperpriester te melden, dat de prinses in aantocht was. Zij stond
alleen op haar wagen, die het gevolg vooruitreed. Pentaoer had eene
plaats gevonden op den wagen van den gids. De overste der Horoscopen
ontving den stoet aan de tempelpoort.
Daar de groote deuren der pylonen wijd geopend waren, was het vergund
een blik te slaan in het voorhof van het heiligdom, dat met gladde
steenplaten geplaveid, en aan de linker- en rechterzijde alsmede van
achteren met zuilengangen omgeven was. De wanden en architraven, de
zuilen en de holvormige kroonlijst, die het voorhof van boven afsloot,
waren met bontkleurig beeldwerk beschilderd. In het midden stond een
groot offeraltaar, waarop kyphi-ballen[65], die de groote ruimte met een
bedwelmenden geur vervulden, op spaanders van cederhout door het vuur
werden verteerd. Rondom in een halven cirkel stonden meer dan honderd
wit gekleedde priesters, met het aangezicht gekeerd naar de naderende
prinses, en zongen hartroerende klaagliederen. Vele bewoners van de
Nekropolis hadden zich geschaard aan beide zijden van de sphinxen,
waartusschen Bent-Anat naar den tempel reed. Men vroeg niet wat het
beduiden moest, dat juist nu klaagzangen werden aangeheven, want aan
weeklachten en geheimzinnigheden was men hier gewoon.
[65] Een beroemd reukwerk van de Egyptenaren. Recepten om het
te bereiden zijn bewaard gebleven in den papyrus-Ebers, in
de laboratoriën van de tempels, bij Dioskorides, Plutarchus,
Galenus e.a. Parthey heeft door den apotheker L. Voigt te
Berlijn drie soorten laten namaken. Het kyphi volgens het
voorschrift van Dioskorides, was het beste. Voigt bereidde het
uit rozijnen, wijn, radix Galangae, baccula juniperi, radix
calami aromatici, asphalt, mastik, myrrhe, Bourgondische hars en
honig.
»Heil het kind van Ramses!” »Knielt neder voor de zonnedochter
Bent-Anat!” klonk het uit duizend monden, en de saamgevloeide menigte
boog zich ter aarde, toen de koninklijke jonkvrouw kwam aanrijden.
De prinses steeg vóór het poortgebouw van den wagen, en volgde den
eersten der Horoscopen, die haar ernstig en zwijgend aan den ingang
van het heiligdom kwam begroeten. Toen zij gereed stond het voorhof te
betreden, zwol het priesterlijk gezang op eens met eene vreeselijke
donderende kracht. De heldere sopraanstemmen der tempelscholieren,
gedragen door het gebrom der zware bassen, jammerden in hartstochtelijke
weeklachten. Bent-Anat schrikte en hield een oogenblik haar voet terug.
Daarop ging zij verder.
Maar achter den drempel der poort trad Ameni haar in den weg, bekleed
met al de teekenen zijner waardigheid. Hij strekte zijn kromstaf uit,
als om haar af te weren, en riep luide en met vuur: »De tegenwoordigheid
van de reine dochter van Ramses brengt dit heiligdom zegen, maar deze
herberg der goden sluit hare poorten voor de verontreinigden, zij mogen
slaven zijn of vorsten. In den naam der hemelsche goden, waarvan gij
afstamt, vraag ik u, Bent-Anat, zijt gij rein, of hebt gij u bevlekt en
uwe vorstelijke hand bezoedeld door de aanraking van onreinen?”
De priester had zich geplaatst vlak voor de hooge gestalte van de
prinses. Een helder rood overtoog de wangen der jonkvrouw; het suisde
haar in de ooren als bruiste in hare nabijheid eene stormachtige zee, en
haar boezem rees en daalde in hartstochtelijke beweging. Het koninklijk
bloed vloeide onstuimig door hare aderen. Zij gevoelde dat men haar hier
eene onwaardige rol liet spelen in een tooneelspel, dat met voordacht
werd opgevoerd. Haar voornemen zichzelve als van onreinheid aan te
klagen, was vergeten, en reeds opende zij de lippen, om den priester,
wiens aanmatiging haar diep beleedigde, met kracht af te wijzen, toen
Ameni de oogen opsloeg en haar aanstaarde, met al den ernst die in hem
was.
Bent-Anat zweeg, doch zij weerstond den blik en beantwoordde dien
trotsch en afwijzend.
De aderen op Ameni’s voorhoofd zwollen; toch wist hij de
verontwaardiging, die in zijn binnenste opkwam als een zwarte dreigende
donderwolk, te beheerschen, en zeide op een toon, die echter wel een
weinig verschilde van zijne gewone deftigheid: »Ten tweede male vragen
de goden u door mij, die hun vertegenwoordiger ben: ‚Hebt gij deze
heilige plaats betreden, opdat de onsterfelijken de onreinheid van u
nemen, die uw lichaam en uwe ziel bevlekt?’”
Bent-Anat antwoordde kortaf en zich volkomen bewust van hetgeen zij
zeide: »Mijn vader zal u het antwoord geven!”
»Niet mij,” hernam Ameni, »maar den goden zal hij het geven, in wier
naam ik u thans beveel dit vlekkeloos heiligdom te verlaten, dat door
uwe tegenwoordigheid wordt bezoedeld.”
De prinses huiverde bij deze woorden en zeide dof: »Ik ga.”
Reeds had zij den voet opgeheven, om naar de poort van den pylon terug
te keeren, toen haar blik dien van den dichter ontmoette. Als een
begenadigde, voor wiens oogen de grootste wonderen gebeuren, had hij
daar gestaan tegenover de koninklijke jonkvrouw, onrustig en toch in
verrukking, vol angst en toch met innerlijke zelfvoldoening. Scheen zij
door deze vermetele daad niet den hemel te willen bestormen? En toch,
die daad was geheel in overeenstemming met haar waar en groot karakter.
Het kwam hem voor alsof Ameni, tot wien hij met zooveel eerbied en
bewondering had opgezien, in het niet wegzonk, en toen zij zich gereed
maakte den tempel te verlaten, weigerde zijne hand, die haar wilde
tegenhouden, hem dezen dienst en zocht, terwijl Bent-Anat’s blik den
zijnen ontmoette, de plaats van zijn snel kloppend hart.
Het kon den opperpriester niet moeielijk vallen in het ongeveinsd gelaat
van deze twee te lezen. Hij gevoelde dat eene snel geknoopte band hunne
zielen had saamgesnoerd, en de blik dien hij hen zag wisselen deed
hem huiveren. Want de weerspannige had den dichter aangezien als eene
zegepralende, die bijval vraagt, en de oogen van Pentaoer waren aan dit
verlangen tegemoetgekomen. Na een oogenblik van beraad riep Ameni:
»Bent-Anat!”
De prinses keerde zich om, en zag den priester ernstig en vragend aan.
Ameni deed eene schrede voorwaarts, en plaatste zich tusschen haar en
den dichter. »Gij daagt,” sprak hij op indrukwekkenden toon, »de goden
uit ten strijd. Dat is stout! Maar het komt mij voor, dat gij tot zulk
eene daad den moed hebt gehad, omdat gij rekent op een bondgenoot, die
de onsterfelijken bijna even nabij staat als ik. Laat mij u daarom dit
zeggen: Aan u, die als een kind op een dwaalspoor zijt geleid, mag veel
vergeven worden; maar een dienaar der godheid” ― en dit zeggende zag
hij Pentaoer aan met onheilspellenden blik ― »een priester, die in den
strijd van willekeur tegen wet overloopt, die zijn plicht verzaakt en
zijn eed vergeet, die kan u niet langer als een raadsman ter zijde
staan. Al had de godheid hem ook met de rijkste gaven gezegend: hij is
verdoemd! Wij bannen hem uit ons midden, wij vloeken hem, wij....”
Bent-Anat zag bij deze woorden nu eens Ameni aan, die beefde van
ontroering, dan weder Pentaoer, die tegenover haar stond. Op haar gelaat
wisselden het rood der verontwaardiging en doodelijke bleekheid elkander
af, gelijk het licht en de schaduw op den bodem van een palmwoud,
waarover in den middag een stormwind heenvaart. De dichter kwam haar een
voetstap nader. Zij begreep dat hij spreken wilde, en door het gebeurde
te verdedigen zich onmisbaar in het verderf zou storten. Innig
medelijden en eene namelooze angst grepen haar aan, en eer Pentaoer zijn
mond nog kon ontsluiten, zonk zij langzaam voor Ameni’s voeten neder en
zeide zacht: »Ik heb gezondigd en mij bezoedeld, zooals gij zegt en
Pentaoer mij ook heeft aangekondigd voor de hut van den Paraschiet. Geef
mij mijne reinheid weder, Ameni, want ik ben onrein.”
Gelijk eene vlam, die door eene menschelijke hand wordt uitgebluscht,
verdween de gloed uit de oogen van den opperpriester. Vriendelijk, ja
met liefdevollen blik zag hij neder op de prinses. Hij zegende haar,
geleidde haar tot voor het allerheiligste, liet haar dáar hullen in
wierookwolken en zalven met de negen heiligste oliën, en gebood haar
naar het koninklijk paleis terug te keeren. Hij voegde er bij, dat haar
schuld nog niet volkomen was geboet; maar weldra zou zij vernemen door
welke gebeden en heilige oefeningen zij van de goden, die hij in het
allerheiligste des tempels zou ondervragen, hare reinheid terug kon
ontvangen.
Gedurende deze ceremoniën hief het priesterkoor in den voorhof weder
zijne klaagzangen aan. Het volk, dat vóor den tempel stond te luisteren
naar deze liederen, stemde er van tijd tot tijd mede in door een
gillenden jammerkreet; want reeds had zich de sombere mare van het
gebeurde onder de menigte verbreid.
De zon begon langzaam naar het westen te neigen; de bezoekers van de
doodenstad moesten weldra de Nekropolis verlaten, en nog altijd wilde
Bent-Anat, op welker terugkomst het volk met ongeduld stond te wachten,
niet te voorschijn komen. De een vertelde den ander, dat de dochter des
konings vervloekt was geworden, omdat zij aan de zieke blanke en schoone
Warda, bij de meesten geene onbekende, geneesmiddelen had gebracht.
Onder de nieuwsgierigen, die hierheen gestroomd waren, bevonden zich
vele balsemers, bouwlieden en menschen uit den minderen stand. De geest
van verzet en oproer, waardoor het Egyptische volk in later tijd onder
vreemde overheerschers zich zooveel lijden op den hals haalde, ontwaakte
en nam toe bij de minuut. Men schold op den priesterlijken hoogmoed en
zulk eene onzinnige en onwaardige inzetting. Een dronken soldaat, die
weldra weder terugwandelde naar de kroeg, die hij zooeven had verlaten,
was de raddraaier. Hij nam het eerst een zwaren steen op, om dien tegen
de met metaal beslagene tempelpoort te slingeren. Eenige jongens volgden
al schreeuwend zijn voorbeeld: zelfs meer bejaarde mannen, aangehitst
door het gehuil van fanatieke vrouwen, lieten zich verleiden tot het
schelden en smijten met steenen.
In het Seti-huis weerklonken onafgebroken de priesterlijke liederen.
Eindelijk, toen het geschreeuw der volksmenigte al luider en luider
werd, opende zich de hoofdpoort. Ameni trad in vol ornaat met deftigen
tred naar buiten, gevolgd door twintig Pastophoren, die godenbeelden
en heilige symbolen op de schouder droegen. Terwijl hij voortging tot
midden onder de menigte, zweeg alles. »Waarom stoort gij onze gebeden?”
vroeg hij luid en kalm.
Een verward geroep door elkander, waarin zich alleen de dikwijls
herhaalde naam van Bent-Anat liet onderscheiden, was het antwoord.
Ameni bewaarde zijne onverstoorbare bedaardheid, en zijn kromstaf
opheffende riep hij: »Maakt plaats voor de dochter van Ramses. Zij heeft
bij de goden, die zoowel de schuld van den aanzienlijkste als van den
geringste onder u kennen, reinheid gezocht en gevonden. Zij beloonen de
vromen, maar straffen de weerspannigen. Knielt neder en laat ons bidden,
opdat zij u vergeving schenken en u met uwe kinderen zegenen.”
Ameni liet zich door een Pastophoor het heilige sistrum aangeven en hief
het omhoog[66]. De priesters achter hem hieven eene plechtige hymne aan,
en de menigte zonk op de knieën zonder zich te verroeren, tot het lied
verstomde en de opperpriester uitriep: »De hemelsche goden zegenen u
door mij, hun dienstknecht. Verlaat deze plaats en maakt ruimte voor de
dochter van Ramses.”
[66] Een muziekinstrument, dat bij de godsdienstplechtigheden
der Egyptenaars wordt gebruikt en waarvan nog vele exemplaren
in de museën worden bewaard. Plutarchus beschrijft het met
juistheid aldus: „Het sistrum is van boven rond gebogen, en
de gebogen plaat omvat de vier staven, die in beweging worden
gebracht. Op de ronding, boven, bevestigen zij het beeld van
eene kat met een menschengezicht; onder de vier beweegbare
staafjes plaatsen zij aan de eene zijde het gezicht van Isis
en aan de andere zijde dat van Nephthys.” Boven op een bronzen
sistrum in het museum te Berlijn is de kat aanwezig; bij andere
exemplaren vindt men gewoonlijk aan het einde van den steel
maskers van Hathor. In het sanctuarium van den tempel dezer
godin te Dendera werd eene afbeelding van het heilige sistrum op
eene in het oog vallende plaats aangebracht.
Na dit gesproken te hebben ging hij in den voorhof terug, en de
tempelwacht veegde de straat schoon die, tusschen de sphinxen door naar
den Nijl voerde, zonder eenigen tegenstand te ontmoeten.
Toen Bent-Anat haar wagen besteeg, sprak Ameni: »Gij zijt een
koningskind. Het huis uws vaders rust op de schouders van het volk.
Ondermijn de oude instellingen, die het in banden houden, en de menigte
zal in opstand komen als deze onzinnigen.”
Ameni trad achterwaarts. Bent-Anat schikte langzaam de teugels in haar
hand. Intusschen spiegelde haar oog zich in dat van den dichter, die,
geleund tegen een der deurpijlers, als in verrukking naar haar opzag.
Zij liet met opzet haar zweep op den grond vallen, in de hoop dat hij
die oprapen en haar overhandigen zou; doch hij bemerkte het niet. Een
looper sprong toe en gaf het voorwerp aan de prinses, wier paarden
ongeduldig trappelden en onder gehinnik zich in beweging zetten.
Pentaoer bleef als aan den pijler genageld staan, totdat het geratel
der over de steenplaten van de sphinxenlaan rollende wagenwielen
langzamerhand wegstierf, en de weerschijn van het gloeiend avondrood de
oostelijke bergen kleurde met zachte purperen tinten. De klank van den
slag op een metalen bekken, die in de verte kon worden gehoord, wekte
den dichter uit zijne afgetrokkenheid. Hij bracht zijn linkerhand aan
zijn hart en drukte de rechter tegen zijn voorhoofd, als wilde hij
daarmede zijne her en der dwalende gedachten verzamelen. Het klankbekken
riep hem tot zijn plicht, en wel tot de lessen in de redekunst die hij
op dit uur voor de jonge priesters moest houden. Zwijgend richtte hij
uit gewoonte zijne schreden naar den open hof, waar zijne leerlingen hem
wachten; doch in plaats van gelijk anders op weg daarheen het onderwerp
te overdenken, waarover hij wilde handelen, hielden zijn geest en zijn
hart zich bezig met hetgeen hij in de laatste uren had doorleefd. Eén
beeld, dat hem zoo zalig stemde, beheerschte al zijne voorstellingen;
het was de beeltenis der onuitsprekelijk schoone vrouw, die in al den
glans harer koninklijke waardigheid en bevende van fierheid zich om
zijnentwil in het stof had geworpen. Het was hem alsof zij door die daad
hem eene nieuwe vorstelijke waarde had verleend, alsof zij door haar
blik hem met een hooger licht had beschenen, als ademde hij in reiner
lucht en als hadden zijne voeten vleugelen aangeschoten.
In zulk eene stemming verscheen Pentaoer onder zijne toehoorders.
Toen hij daar stond tegenover al die bekende gezichten, kwam hij tot
bezinning en begreep hij wat hem te doen stond. Zijn meest geliefde
leerling, de jonge Anana, overhandigde hem het boek, waarmede hij,
vier en twintig uren geleden, beloofd had voort te gaan. Leunende
tegen den wand van den hof, opende hij de papyrus-rol en tuurde op de
schriftteekens. Hij gevoelde echter dat hij niet in staat was om te
lezen. Met alle kracht greep hij zich aan, zag naar boven en trachtte
den draad weder te vinden, waar hij dien gisteren avond had afgebroken
en thans weder moest opvatten; maar het scheen hem toe dat er tusschen
gisteren en heden eene wijde zee lag, welker schuimende golfslag
zijne herinnering en zijn denkvermogen geheel in de war bracht. Zijne
leerlingen, die met de beenen kruislings onder het lijf op een stroomat
tegenover hem zaten, zagen den zwijgenden anders zoo welsprekenden
leeraar verwonderd aan. »Hij bidt,” fluisterde een jonge priester zijn
buurman toe, en Anana zag met bezorgdheid, hoe de sterke handen zijns
meesters zich zoo vast om de schriftrol klemden, dat de dunne stof
waaruit ze bestond dreigde te verbrokkelen.
Eindelijk richtte Pentaoer zijn blik naar beneden. Hij had zijn
onderwerp gevonden. Terwijl hij opzag was zijn oog gevallen op den naam
des konings, die aan de overzijde op den wand stond geschilderd met den
titel: »de goede god.” Hij knoopte den gang zijner gedachten aan deze
woorden vast en legde zijne toehoorders de vraag ter beantwoording voor:
»Hoe kunnen wij weten dat de godheid goed is?” Hij riep den eenen
priester na den ander op, om dit thema te behandelen, alsof hij voor
zijne toekomstige gemeente stond. Verschillende leerlingen namen het
woord en spraken met meer of minder waarheid en warmte. De beurt kwam
ten laatste aan Anana, die in goed gekozen woorden de doelmatige
schoonheid prees van de bezielde en onbezielde schepping, waarin zich de
goedheid van Amon[67], Ra[68], Ptah[69] en de andere goden openbaarde.
[67] Amon, d. i. de verborgene. Hij was de god van Thebe, die,
nadat onder zijne bescherming de Hyksos uit het Nijldal waren
verdreven, met Ra van Heliopolis werd vereenigd, en toegerust
met de attributen van alle overige goden. Het wezen dezer
godheid werd hoe langer hoe meer vergeestelijkt tot dat men het,
in de esoterische leer onder de Ramessiden, gelijk stelde met
het eeuwig verstand, dat het heelal vervult en alles bestuurt.
Hij is de „echtgenoot zijner moeder, zijn eigen vader en zijn
eigen zoon.” Als „levende Osiris” bezielt hij al het geschapene,
het vervullende met zijn geest. Het stoffelijke komt bij hem tot
een hooger bestaan. Hij wordt „weldadig, schoon, zonder gelijke”
genoemd, maar ook een „vernietiger van het kwade,” in wien de
mensch met vreugd de geheime kracht vereert, die het goede
verheft en het booze nederwerpt. Men erkent hem aan de hooge
dubbele veder op zijn kroon. Als Amon-Chnem wordt hij afgebeeld
met een ramskop.
[68] Oorspronkelijk de zonnegod. Zijn naam werd later in de
pantheïstische leer der mysteriën gebruikt voor dien van den god
die =het Al= is.
[69] Ptah, door de Grieken Hephaistos genoemd, is de oudste
onder de goden; de groote godheid die de grondstof der schepping
heeft gemaakt, „die er van den aanvang geweest is;” wien de
zeven Chnemoe als architecten helpend ter zijde staan, en die
„de Heer der waarheid” wordt genoemd, omdat de wetten en de
bepalingen, waaraan wat ontstaat onderworpen is, door hem zouden
zijn ingesteld. Hij schiep ook de kiemen van het licht, staat
daarom aan het hoofd van alle zonnegoden, en wordt schepper
genoemd van het ei, waaruit, nadat hij de schaal had verbroken,
zon en maan te voorschijn traden. Van daar zijn naam: „Hij die
opent.” Hij werd voornamelijk te Memphis vereerd. De Apis was
zijn heilig dier. In de leer der onsterfelijkheid en in de
onderwereld treedt hij gewoonlijk op als Ptah Sokar Osiris, die
de ondergaande zon en de afgestorvenen datgene verleent, wat zij
behoeven om weder op te gaan en op te staan.
Pentaoer luisterde naar den jongeling met de armen kruiselings over
elkander, hem nu eens vragend aanziende, dan weder toestemmend
knikkende. Toen de voordracht geëindigd was, knoopte hij aan deze zijne
denkbeelden vast. Want nu begon hij zelf te spreken. Als gehoorzame
valken op de stem dergenen, die ze ter jacht hebben afgericht, schoten
de ideeën hem toe, en de godsdienstige geestdrift, die in zijn borst was
ontwaakt, doortintelde met gloed en leven zijne rede, die zich verhief
gelijk een adelaar, met steeds breeder en geweldiger vleugelslag.
Nu eens als wegsmeltende van aandoening, dan weder juichende van
verrukking, prees hij de heerlijkheid der natuur. Toen hij de eeuwige
orde aller dingen verheerlijkte, en de ondoorgrondelijke wijsheid des
wereldscheppers, en de voorzienigheid van den Eenen, die eenig is en
groot en zonder gelijken, ja, toen vloeiden hem de woorden van de lippen
als een kristalheldere stroom. »Zóo onvergelijkelijk,” dus besloot hij,
»is de woonplaats, die de godheid ons gegeven heeft! Alles wat Hij, de
Eenige, geschapen heeft, is doordrongen van zijn eigen wezen en het
getuigt van zijne goedheid. Wie hem weet te vinden, ziet hem overal, hij
geniet elke sekonde zijne heerlijkheid. Zoekt hem dan, en wanneer gij
hem gevonden hebt, valt voor hem neder en zingt zijn lof. Maar prijst
den allerhoogsten niet alleen uit dankbaarheid voor de heerlijkheid
van de werken zijner handen, maar vooral daarvoor, dat hij ons met de
vermogens heeft begaafd, om door hetgeen hij gemaakt heeft tot zalige
verrukking te worden opgevoerd. Beklimt de toppen der bergen en overziet
het land, dat aan uwe voeten ligt uitgestrekt; knielt neder wanneer het
avondrood gloeit als robijnen en het morgenrood gloort als de rozen;
gaat naar buiten in den nacht en ziet de sterren, hoe zij eeuwig en
zonder stoornis in onmeetbare oneindige kringen de blauwe hemelzee op
zilveren booten bevaren; neemt plaats nevens de wieg van het kind en bij
den bloemknop, en ziet hoe de moeder zich heenbuigt over haar kleine
en de heldere morgendauw op elk blaadje parelt. Maar wilt gij weten in
welke richting de stroom der goddelijke goedheid zich in den volsten
overvloed uitstort, waar de vereering van dien schepper hare rijkste
gaven neerlegt en waar zijne heiligste altaren staan opgericht? Het is
in uw eigen hart, zoo het althans rein is en van liefde vervuld. In
zulke harten spiegelt de natuur zich af als in die tooverspiegels, in
wier oppervlakten wij het schoone driemaal schoon aanschouwen. Dàar
reikt het oog ver over stroom en boomgaarden en bergen heen, en overziet
de geheele aarde. Daar schittert het morgen- en avondrood niet als rozen
en robijnen, maar als de wangen van de godin der schoonheid zelve. Dáar
bevaren de sterren niet zwijgend den hemel, maar onder het heerlijk
ruischen der reinste accoorden. Dáar lacht het kind als een jeugdige
god en de knop ontplooit zich tot een wonderbloem. Dáar breidt de
dankbaarheid zich uit en wordt het gebed inniger, en wij werpen ons in
de armen van een god die ― hoe zal ik zijne heerlijkheid uitspreken! ―
die een god is, tot wien het verheven negental der groote goden
hulpbehoevend opziet als ellendige bedelaars.”
Het klankbekken, dat het einde van het uur aankondigde, brak zijne
rede af. Pentaoer zweeg en haalde diep adem. Gedurende eenige minuten
verroerde zich geen zijner leerlingen. Eindelijk legde de dichter de
papyrus-rol uit zijne hand, veegde zich het zweet van zijn gloeiend
voorhoofd en richtte langzaam zijne schreden naar de deur van den hof,
die toegang verleende tot het heilige tempelbosch. Reeds stond hij op
den drempel, toen hij voelde dat iemand de hand op zijn schouder legde.
Hij zag om. Achter hem stond Ameni en zeide koeltjes: »Gij hebt uwe
hoorders in betoovering opgevoerd, mijn vriend! Jammer maar, dat u de
harp ontbrak.”
Deze woorden van Ameni troffen het opgewekt gemoed van den dichter, als
ijs dat op de borst van een koortslijder wordt gelegd. Hij wist wat deze
toon in de stem zijns meesters te beteekenen had, want zoo pleegde hij
slechte leerlingen en zondige priesters met woorden te straffen. Hem had
hij echter nog nooit op deze wijze toegesproken.
»Gij schijnt inderdaad in uwe bedwelming vergeten te hebben,” ging de
opperpriester ijskoud voort, »wat een leeraar in de school behoort te
spreken. Eenige weken geleden hebt gij in mijne handen gezworen het
mysterie te zullen bewaren, en heden biedt het geheim van den eenigen
onnoembaren, de heiligste bezitting der ingewijden als eene goedkoope
waar op de open markt aan ieder aan.”
»Gij snijdt met messen,” zeide Pentaoer.
»Als ze maar scherp zijn,” hernam de opperpriester, »en de onreine
vlekken en het voortwoekerende onkruid in uwe ziel uitroeien. Gij zijt
jong, te jong; doch niet als de teedere vruchtboom, die zich laat
rechtbuigen en veredelen, maar als het gewone ooft op den grond, dat
vergif wordt voor de kinderen die het oprapen, al ware de boom waarvan
het viel ook nog zoo heilig. Niettegenstaande de meeste der ingewijden
hunne stemmen er tegen verhieven, namen Gagaboe en ik u onder ons op.
Dankbaar en vol geestdrift hebt ge mij gezworen, de wet op het mysterie
in eere te zullen houden. Heden heb ik u voor het eerst uit den vrede
der school in den kampstrijd des levens gebracht. En hoe hebt gij het
veldteeken bewaard, dat gij moest omhoog houden en verdedigen?”
»Ik heb gedaan,” antwoordde Pentaoer, diep bewogen, »wat mij voorkwam
waarheid en recht te zijn.”
»Recht is voor u even als voor ons, wat de wet voorschrijft. En wat is
waarheid?”
»Niemand heeft nog haar sluier opgelicht,” zeide Pentaoer; »maar mijne
ziel is geboren uit het bezielde lichaam van het al. Een deel van den
onbedriegelijken geest der godheid leeft in mijne borst, en wanneer hij
zich in mij werkzaam toont....”
»Hoe licht houden wij toch de stem der eigenliefde voor de stem der
godheid!”
»Zou de god, die spreekt en werkt in mij als in u, als in ieder ander,
zichzelf en zijne eigene stem niet herkennen?”
»Als de menigte u hoorde,” viel Ameni weder in, »dan zou ieder zich
plaatsen op zijn kleinen troon, ieder de stem der godheid in zijn
binnenste als zijne leidsvrouw beschouwen; dan verscheurden allen de wet
en gaven de flarden prijs aan den oostewind, die ze naar de woestijn zou
dragen.”
»Ik ben een wetende, dien gij zelf hebt geleerd den eenige te zoeken en
te vinden. Het licht, in welks aanschouwing ik mij zalig voel, zou de
menigte, ik loochen dit niet, met blindheid slaan, wanneer ik het haar
toonde....”
»Nochtans verblindt gij onze leerlingen met dien gevaarlijken glans.”
»Ik voed hen op tot jongelieden, die ook eens wetenden zullen zijn.”
»En dat in gloeiende ontboezemingen van een van liefde dronken hart!”
»Ameni!”
»Ook ongeroepen sta ik voor u, als uw meester, verwijzende naar de wet,
die altijd en in alles wijzer is dan een mensch alleen. Zelfs de koning,
ondanks zijn pralende titels, beroemt zich allereerst een =bevestiger=
der wet te zijn. Voor haar moet zich niet minder de wetende buigen dan
de gemeene man, dien wij leeren blindelings te gelooven. Als een vader
sta ik voor u, die u van uwe kindsheid heeft lief gehad, en van geen
zijner leerlingen grootere verwachtingen heeft gekoesterd dan van u. Is
het dan wonder, dat ik u noch weder verliezen, noch de hoop die ik op u
stelde prijs geven wil? Maak u gereed morgen ochtend vroeg onze stille
woning te verlaten. Gij hebt uw leeraarsambt verbeurd. Het werkelijke
leven zal u in de school nemen, en u eerst rijp maken voor de
waardigheid van een ingewijde, die u door mijn toedoen te vroeg werd
verleend. Gij zult uwe leerlingen verlaten zonder afscheid van hen te
nemen, hoe zwaar u dit ook vallen mag. Als het Sothis-gesternte[70] zal
zijn opgegaan, komt gij mijne nadere aanwijzing halen, want gij zult in
de eerstvolgende maanden de priesters in den tempel van Hatasoe hebben
te leiden, ten einde bij de vervulling van dit ambt onder mijne oogen
het vertrouwen terug te winnen, dat gij verbeurd hebt. Geen tegenspraak!
Heden nacht ontvangt gij mijn zegen en onze volmacht; de opkomende
zon zult gij begroeten op de terrassen van de nieuwe plaats uwer
werkzaamheid. De Onuitsprekelijke moge zijn wet diep in uwe ziel
prenten!”
[70] De heilige Sirius of het Hond-gesternte, dat aan Isis
geheiligd was. De omloop van dit gesternte stemde in den tijd
der pharao’s overeen met het ware astronomische jaar en kon
den Egyptenaars daarom reeds vroeg tot grondslag voor de
tijdrekening dienen.
* * * * *
Ameni begaf zich naar zijne vertrekken. Daar ging hij rusteloos op
en neer. Op eene kleine tafel lag een spiegel. Hij keek in de glad
gepolijste oppervlakte van het metaal en legde het weder op dezelfde
plaats neder, als had hij een vreemd gelaat gezien, dat hem niet beviel.
Wat hij in de laatste ure had doorleefd was wel in staat geweest hem te
schokken, en zijn vertrouwen op menschen en toestanden te doen wankelen.
De priesters aan gene zijde van den Nijl waren de geestelijke raadgevers
van Bent-Anat. Hij had de prinses altijd hooren roemen als eene vrome,
zeer begaafde jonkvrouw. Haar onvoorzichtig breken met de aloude
inzetting scheen hem eene welkome gelegenheid aan te bieden, om een lid
van de familie van Ramses openlijk te deemoedigen. Doch nu moest hij
voor zichzelf bekennen, dat hij deze jonge vrouw te laag geschat, dat
hijzelf onhandig, ja misschien onverstandig jegens haar gehandeld had.
Want hij kon het zich geen oogenblik ontveinzen, dat hare spoedige
omkeering veeleer een gevolg was geweest van eene opwelling van haar
innig medelijden, misschien zelfs van eene neiging haars harten, dan van
de erkentenis, dat zij verkeerd had gehandeld. Alleen in geval zij zich
schuldig gevoelde, kon hij zonder gevaar van hare overtreding gebruik
maken.
De opperpriester stond bovendien niet hoog genoeg om vrij te zijn van
ijdelheid, en juist zijn eergevoel was diep beleedigd door dezen
fieren tegenstand van de prinses. Toen hij Pentaoer beval haar te gaan
bestraffen, had hij gehoopt diens eerzucht te prikkelen door het trotsch
gevoel van macht te hebben over de machtigen der aarde. ― En nu?
Hoe had de jongeling, die hem met zooveel geestdrift bewonderde, de
leerling, van wien hij meer dan van eenig ander mocht verwachten, zijn
proef doorgestaan! Zijn levensideaal, de onbeperkte heerschappij van de
priesterlijke idee over de geesten, en van de priesterschap over allen,
zelfs over den koning, was tot hiertoe door dezen zeldzamen jongeling
niet begrepen.
Toch moest hij het leeren begrijpen. »Hier,” sprak Ameni bij zichzelf,
»als de laatste onder honderden die boven hem gesteld zijn, wordt de
zucht tot verzet in deze hoogdravende ziel gewekt. In den tempel van
Hatasoe zal hij te gebieden hebben over beneden hem staande priesters,
die de offers moeten slachten en het wierookvat zwaaien. Door
gehoorzaamheid van anderen te eischen, zal hij de noodzakelijkheid er
van voor zichzelf leeren inzien. De rebel, wien een troon ten deel valt,
wordt een tyran!” ― »Pentaoer’s dichterlijke ziel,” zoo dacht hij
verder, »heeft zich snel doen kluisteren door de schoonheid van
Bent-Anat. En welke vrouw zou weerstand kunnen bieden aan dezen hoog
begaafde, die schittert met de schoonheid van Ra Harmachis, en van wiens
lippen de zoete taal vloeit van Techoeti[71]! Zij mogen elkander niet
wederzien, want geen band mag hem verbinden aan het huis van Ramses.”
[71] Toth-Hermes. Zie boven.
Wederom wandelde hij op en neder, zijne alleenspraak dus voorzettende:
»Wat mag dit zijn!? Gelijk palmen de lagere struiken, zoo overtroffen
twee mijner leerlingen in geest en begaafdheden al hunne metgezellen. Ik
voedde hen op tot mijne opvolgers, tot de erfgenamen van mijne hoop en
mijn streven. ― Mesoe[72] werd afvallig, en Pentaoer moest hem volgen!
Is mijn doel dan waarlijk slecht, daar het voor de edelen geene
aantrekkelijkheid schijnt te bezitten? Maar neen! Deze gevoelen dat zij
uit eene betere stof zijn gevormd dan hunne lotgenooten. Zij stellen
zichzelf de wet en huiveren het hoogere te zien opgaan in het lagere. Ik
denk er echter anders over, vermeng mij als eene ijzerhoudende beek van
den Libanon met den grooten stroom en verf dien met mijne kleur.”
[72] De Egyptische naam van Mozes, dien wij als een tijdgenoot
van Ramses mogen aanmerken, daar de uittocht der Joden onder
zijne opvolgers geschiedde.
Aan het eind van den loop zijner gedachten bleef Ameni staan. Toen riep
hij een der zoogenaamde heilige vaders, zijn geheimschrijver, en zeide:
»Stel oogenblikkelijk een zendbrief op aan alle priestercollegiën van
het land. Deel hun mede, dat de dochter van Ramses zich zwaar vergrepen
heeft tegen de wet door zich te verontreinigen, en schrijf hun voor, dat
men openlijke ― versta mij goed: openlijke! ― gebeden uitspreke voor
hare reiniging in alle tempels. Leg mij den brief binnen een uur ter
onderteekening voor! Doch neen, geef mij uwe pen[73] en uw palet; ik zal
de verordening =zelf= opstellen!”
[73] De Egyptenaars schreven met dunne rietjes, die in
schrijftafeltjes geborgen werden. Vert.
De heilige vader overhandigde hem het schrijfgereedschap en trad terug
naar den achtergrond van het vertrek. Ameni prevelde: »De koning wil
ons ongehoord geweld aandoen. Best! Dit schrijven zij de eerste pijl in
antwoord op zijn lansworp.”