De zon stond ter middaghoogte. Hare stralen vonden geen toegang tot de
nauwe schaduwrijke straten van de woonstad Thebe, maar zij brandden
met verzengende hitte op den breeden weg van den dijk, die naar het
koninklijk paleis voerde en in den regel op dit uur niet zeer
bevolkt was. Maar op dienzelfden weg verdrongen zich heden wagens en
voetgangers, ruiters en dragers van draagstoelen. De wandelaars kwamen
niet enkel uit de stad, maar ook van de havenzijde, waar de booten
gewoonlijk de bewoners der Nekropolis aan wal zetten. Op sommige
plaatsen goten negers uit lederen zakken water op den weg, maar er was
zoo geweldig veel stof, dat de straat en al wat zich daarop bewoog in
een drogen nevel werd gehuld.
De residentie van den pharao verkeerde in buitengewone beweging, want
als een loopend vuur, door een stormwind aangeblazen, had zich een
gerucht verbreid, dat de hutten der armen zoowel als de paleizen der
aanzienlijken met hoop en vrees vervulde. Vroeg in den morgen waren
drie boden te paard met zwaar beladen briefzakken[83] uit het leger des
konings gekomen, en vóor het paleis van den stadhouder afgestegen.
Evenals de dorpsbewoners na lange droogte naar de zwarte onweerswolken
zien, die zich boven hun hoofd samenpakken, waaruit verkwikkende regen,
maar ook de vernielende bliksem en de verpletterende hagel te
voorschijn kunnen komen, zoo verkeerden de burgers in angstige spanning
en in blijde verwachting, zoo vaak er tijdingen kwamen van het
oorlogstooneel, iets wat maar zelden en met onregelmatige tusschenpoozen
gebeurde. Er was toch geen huis in de reusachtige stad, dat niet een
vader, een zoon of een bloedverwant had gezonden naar het leger, dat in
het verre noordoosten onder den koning streed. Wel is waar brachten
de boden uit het kamp meer droeve dan blijde berichten over.
De schriftrollen die zij bij zich droegen, hielden gewoonlijk
kennisgevingen in van dood en verwonding, maar zelden van bevorderingen,
koninklijke geschenken en behaalden buit. Dit nam niet weg, dat zij
toch met smachtend verlangen werden te gemoet gezien en met gejuich
ontvangen. Na de aankomst snelden groot en klein naar het paleis van den
stadhouder; men verdrong zich om de schrijvers, die de ontvangen brieven
uitdeelden, en de berichten voor openlijke mededeeling bestemd, alsmede
de lijsten der gevallenen, of die op eene andere wijze bezweken waren,
voorlazen. Er is voor een mensch niets pijnlijker dan de onzekerheid, en
meestal ziet hij de slechte tijding met grooter spanning dan de goede te
gemoet. Ongeluksboden rijden ook sneller, dan zij die goede dingen te
verkondigen hebben.
[83] De schrijflustige Egyptenaars schreven vele brieven,
waarvan er een groot aantal voor ons bewaard bleven. Zij kenden
ook eene vereeniging van briefbestellers en hadden daarvoor
in hunne taal het woord „faï sjaat.” Vgl. het voortreffelijk
geschrift van Maspero, =Du genre épistolaire chez les anciens
Egyptiens de l’époque pharaonique=.
De stadhouder Ani hield zijn verblijf in een zijgebouw van het
koninklijk paleis. Zijne bureelen omgaven een onafzienbaar ruim plein.
In de talrijke vertrekken, die allen op het plein uitkwamen, zaten een
menigte schrijvers onder opzichters te werken. Aan de achterzijde van
den open hof zag men eene overdekte, door zuilen gedragene en van voren
geopende ruimte, die veel op eene veranda geleek. Hier was Ani gewoon
recht te spreken, beambten, boden en smeekelingen te ontvangen. Ook
heden zat hij in deze vestibule, zichtbaar voor alle aanwezigen, omgeven
door een talrijk gevolg, op een kostbaren troon. Hij liet zijn oog
gaan over de volksmenigte, bij troepen door de hooge poort in den hof
toegelaten door wachters met lange staven, die ze ook weder uitgeleide
deden. Wat hij zag en hoorde was niet zeer opwekkend, want uit elke
groep, die een schrijver omgaf, hoorde hij weeklachten opgaan. Zij
die te vertellen hadden van buit, aan hunne bloedverwanten ten deel
gevallen, waren wel te tellen. Een onzichtbare band, uit jammer en
tranen geweven, scheen het grootste deel van die hierheen gekomen waren
te verbinden. Hier stonden weeklagende mannen, die stof over hun hoofd
wierpen, daar scheurden vrouwen hare kleederen, terwijl zij bitter
schreiden en onder het zwaaien met den sluier uitkreten: »Ach mijn man!”
»Ach mijn vader!” »Ach mijn broeder!” ― Ouders, die het bericht
ontvingen van den dood van hun zoon, vielen elkander weenend om den
hals; grijsaards rukten zich de baard- en hoofdharen uit; jonge vrouwen
sloegen zich op het hoofd en den boezem, of vielen den voorlezenden
schrijver op ’t lijf, om met eigen oogen de namen te lezen
der geliefden, die van hen waren weggerukt. Hartstochtelijke
zielsaandoeningen, hetzij dat ze uit vreugde of uit smart worden
geboren, dekken wij met een sluier, waaraan men in dien tijd geene
behoefte gevoelde.
Ter plaatse waar de klachten het luidst werden vernomen, vertoonde zich
een mannetje, dat rusteloos van de eene groep naar de andere liep. Het
was Nemoe, de dwerg van Katoeti, dien wij reeds kennen. Hij stond nu
naast eene vrouw uit den aanzienlijken stand, die baadde in haar tranen,
omdat haar echtgenoot in den laatsten slag gesneuveld was. »Kunt gij
lezen?” vroeg hij haar. »Daar boven aan de architraaf staat de naam van
Ramses, met al zijne titels. Schenker des levens noemt hij zich! Nu ja!
hij weet wat nieuws te maken: weduwen bedoel ik, wier mannen hij laat
slachten.”
Eer de verbaasde vrouw hem antwoorden kon, stond hij bij een diep
bedroefd man, en zeide, terwijl hij hem aan zijn kleed trok: »Flinker
jongen dan uw gevallen zoon heeft men nooit in Thebe gezien. Laat uw
jongste verhongeren of sla hem kreupel, anders slepen ze hem ook naar
Syrië, want Ramses heeft veel gezond Egyptisch vleesch noodig voor de
Syrische gieren.”
De oude, die tot dusver daar had gestaan in stille berusting, balde de
vuist; maar de dwerg vervolgde, terwijl hij op den stadhouder wees:
»Wanneer die dáar den schepter zwaaide, zouden er geene weezen en
bedelaars meer zijn aan den Nijl. Heden is het heilige water van den
stroom nog zoet, maar weldra zal het ziltig smaken als de noordelijke
zee, van al de tranen, die aan zijne oevers worden vergoten.”
Het was alsof de stadhouder deze woorden had gehoord, want hij stond van
zijn troon op, en hief als een weeklagende zijne handen omhoog. Velen
der aanwezigen merkten deze beweging op, en luide jammerkreten vervulden
het plein, dat de soldaten weder deden ontruimen, om plaats te maken
voor andere volksscharen, die zich aan de poort verdrongen.
Terwijl deze zich opnieuw rondom de schrijvers groepeerden, zat de
stadhouder Ani met kalme waardigheid op zijn troon, door zijn gevolg en
zijne schrijvers omgeven, en verleende audientie. Hij was een man van
ruim veertig jaren en ’s konings eigen neef. Ramses I, de grootvader van
den tegenwoordigen pharao, had het wettig koningshuis doen vallen, en
zich door overweldiging van de kroon der pharao’s meester gemaakt. Hij
was gesproten uit een Semitisch geslacht, dat na de verdrijving der
Hyksos[84] in Egypte was gebleven, en onder Thotmes en Amenophis zich
door dapperheid had onderscheiden. Na zijn dood volgde zijn zoon Seti
hem op, die zich het wettig recht op den troon zocht te verzekeren door
Toeaä, de kleindochter van Amenophis III, tot vrouw te nemen. Zij schonk
hem een eenigen zoon, dien hij naar zijn vader Ramses heette. Deze prins
kon zich met alle reden op de legitimiteit beroepen, omdat zijne moeder
aldus uit het rechtmatig koningshuis afstamde; want in Egypte kon
een adellijk geslacht, zelfs dat der pharao’s, in vrouwelijke linie
voortbestaan. Seti benoemde Ramses tot zijn mederegent[85], om daardoor
allen twijfel aan de rechtmatigheid zijner heerschappij weg te nemen.
Den jongen neef zijner gemalin Toeaä, den stadhouder Ani, die weinige
jaren jonger was dan Ramses, liet hij in het Seti-huis opvoeden; hij
beschouwde hem als zijn eigen zoon, terwijl andere leden van het
onttroonde koningshuis uit den weg geruimd of van hunne goederen beroofd
werden.
[84] Stammen die uit het oosten kwamen, toen zij door eene
Aziatische volksverhuizing naar Egypte werden verdrongen. Zij
maakten zich meester van het Nijldal, dat zij bijna 500 jaren
beheerschten, totdat zij door de nakomelingen van het oude
wettige geslacht der pharao’s, die gedurende dien tijd zich
tot Opper-Egypte beperkt zagen, na langdurigen strijd verjaagd
werden.
[85] Reeds bij zijne geboorte. In een opschrift te Abydus, door
Mariëtte uitgegeven en door Maspero verklaard, beroemt Ramses
zich, „dat hij reeds koning was in het ei.” Hij is de Sesostris
der Grieken. Zijn bijnaam Seseroe-Ra is op de gedenkteekenen
bewaard gebleven. Wanneer de Grieken van de groote daden van
Sesostris spreken, dan bedoelen zij wat Seti en Ramses te zamen
hebben verricht.
Ani toonde zich een getrouw dienaar én van Seti én van diens zoon. De
oorlogzuchtige en grootmoedige Ramses vertrouwde hem als een broeder,
hoewel hij zich niet ontveinzen kon, dat in zijne eigene aderen minder
zuiver koningsbloed vloeide, dan in die van zijn neef. Het Egyptische
koningshuis heette van den zonnegod Ra af te stammen, en de pharao kon
zich alleen door zijne moeder, Ani daarentegen door zijne beide ouders
op zoo hooge afkomst beroemen. Doch Ramses zat op den troon, hij voerde
de teugels van het bewind met vaste hand, en dertien zonen verzekerden
zijn huis de heerschappij over Egypte naar het scheen voor eeuwig. Toen
hij na den dood van zijn krijgszuchtigen vader naar het noorden toog, om
nieuwe lauweren te plukken op het oorlogsveld, benoemde hij Ani, die als
gouverneur van de provincie Koesch[86] reeds de proef had doorgestaan,
tot stadhouder van het rijk.
[86] Ethiopië.
Iemand van een sanguinisch temperament overschat vaak den man van een
kalmer natuur, in wiens karakter hij zich niet verplaatsen en wiens
voortreffelijke hoedanigheden hij zich niet toeëigenen kan. Vandaar dat
de neef, die zeer matig was in zijne eischen en geen hartstocht bleek te
kennen, op den oorlogzuchtigen vurigen Ramses zulk een indruk maakte.
Ani scheen vrij te zijn van alle eerzucht en ondernemingsgeest. Hij nam
de hem opgedragen waardigheid aan, na tot het uiterste zich er tegen
verzet te hebben, en er was te minder reden om hem voor gevaarlijk
te houden, daar hij vrouw en kinderen had verloren, en dus geene
nakomelingen bezat. Wat zijn uiterlijk aangaat, was hij van meer dan
middelbare grootte. Zijne trekken waren buitengewoon regelmatig, zelfs
fijn geteekend, maar zijn gelaat overigens effen en weinig beweeglijk.
Zijne heldere grijze oogen en dunne lippen deden niet blijken, dat zijn
hart van zekere neigingen was vervuld. Veeleer had hij zich gewend zijn
gezicht tot een glimlach te plooien, die nu eens wat sterker, dan weder
wat minder, over het geheel voor verschillende wijziging vatbaar was,
maar toch nooit geheel werd gemist.
Met vriendelijke welwillendheid had hij de klacht van een grondbezitter
aangehoord, wiens vee voor het leger des konings was weggehaald, en hem
beloofd deze zaak te zullen onderzoeken. De berooide man verwijderde
zich vol hoop; toen echter de schrijver, die aan de voeten van den
stadhouder zat, vroeg, aan wien het onderzoek van deze daad der beambten
moest worden toevertrouwd, zeide Ani: »ieder heeft voor den krijg zijn
offer te brengen; het blijft bij het gebeurde.”
De nomarch[87] van Soean, in het zuidelijk gedeelte des rijks,
verlangde de middelen tot nieuwe en noodzakelijke versterkingen van den
rivieroever. De stadhouder hoorde ’s mans levendige schildering met
welgevallen, ja met eene uitdrukking van deelneming aan, maar hij gaf
hem de verzekering, dat de oorlog alle middelen verslond en de kassen
dus ledig waren. Toch was hij geneigd een deel zijner eigene inkomsten,
wanneer deze ten minste ook niet uitbleven, ten offer te brengen tot
bescherming van het bedreigde bouwland in zijne getrouwe provincie
Soean, die hij van zijnentwege liet groeten. Zoodra de nomarch
vertrokken was, beval hij eene aanzienlijke som uit de staatskas te
nemen en den verzoeker achterna te zenden. Midden in het gesprek nu
stond hij van tijd tot tijd op, om de houding van een weeklagende aan
te nemen, opdat de bedroefden mochten weten, dat hij ook deel nam in
de verliezen die hun aangingen.
[87] Hoofd van een nomos of provincie.
Reeds had de zon hare middaghoogte overschreden, toen men zekere onrust
bespeurde onder de volksgroepen rondom de schrijvers op het plein,
waarbij het geschreeuw van allerlei stemmen werd gehoord. Vele mannen
en vrouwen stroomden naar éen punt samen, en ook de opmerkzaamheid der
minst beweeglijke bewoners van Thebe werd getrokken door een op deze
plaats gansch ongewoon voorval. Een soldaat van de wacht dreef de
menigte uit elkaar, om doorgang te verleenen aan eene afdeeling
Libysche politie-agenten, die een gevangene over het plein naar eene
zijpoort brachten. Eer zij daar kwamen, was er reeds een bode van den
stadhouder bij hen, om te vernemen wat er gebeurd was. De overste der
veiligheidsbeambten volgde, en berichtte Ani, die op hem wachtte, onder
levendig gebaar, dat een klein mannetje, het dwergje van vrouwe Katoeti,
reeds uren lang in den hof had rondgeloopen, overal de gemoederen der
burgers vergiftigende met zijne oproerige taal.
Ani beval »den verblinde” in den kerker te werpen. Zoodra de overste
echter weg was, gebood hij zijn schrijver den dwerg vóor zonsondergang
bij hem te brengen.
Terwijl hij deze bevelen gaf, ontstond er weder eene beweging van gansch
anderen aard onder de saamgevloeide menigte. Evenals de zee, naar het
oud verhaal, ter rechter- en ter linkerzijde voor de Hebreën week,
opdat geen golf den voet der vervolgden zou bevochtigen, zoo trad het
verzamelde volk, vrijwillig maar als op hooger last, onder eerbiedige
buiging uiteen, en vormde een breeden doorgang voor den opperpriester
van het Seti-huis, die in vol ornaat, vergezeld van eenige heilige
vaders, recht op den stadhouder toeging, terwijl hij de menigte zegende.
Ani kwam hem te gemoet, boog zich voor hem en zonderde zich terstond met
hem af op den achtergrond van de zuilengaanderij.
»Zoo is dan het ondenkbare toch gebeurd,” zeide Ameni. »Onze
onderhoorigen moeten den heerban volgen.”
»Ramses heeft soldaten noodig om te kunnen overwinnen,” gaf de
stadhouder ten antwoord.
»En wij brood om te leven,” riep de priester.
»Nochtans werd mij bevolen terstond, dus nog vóor den zaaitijd, de
tempelboeren te lichten. Ik betreur dit bevel, maar de koning wil het,
en ik ben de hand die moet uitvoeren.”
»De hand, waarvan hij zich bedient om te spotten met eeuwenoude rechten,
om voor de woestijn den weg te banen tot het bouwland”[88].
[88] „Bij eene goede cultuur,” zeide Napoleon I, „bereikt de
Nijl de woestijn, bij eene slechte de woestijn den Nijl.”
»Uwe akkers zullen niet lang onbebouwd blijven. Ramses zal nieuwe
overwinningen behalen door de uitbreiding van het leger en met de hulp
der goden.”
»Der goden, die hij beleedigt!”
»Als de vrede gesloten is, verzoent hij de hemelsche goden ongetwijfeld
met driedubbel rijke gaven. Hij verwacht stellig, dat de oorlog spoedig
ten einde zal zijn, en hij schrijft mij, dat hij voornemens is, na den
eersten slag dien hij wint, den Cheta een verdrag voor te slaan. Men
spreekt ook van een plan des konings om, na het sluiten van den vrede,
weder in het huwelijk te treden, en wel met de dochter van Chetasar den
koning Cheta.”
Tot hiertoe had de stadhouder zijne oogen naar beneden gericht, thans
sloeg hij ze op, met een glimlach, als wilde hij zich wijden aan de
vreugde, die deze berichten bij Ameni moesten verwekken. »Wat,” vroeg
hij, »zegt gij van deze plannen?”
»Ik zeg,” gaf Ameni ten antwoord, en er lag iets schalksch in zijne
anders zoo ernstige stem, »ik zeg dat Ramses het bloed van uwe tante
en zijne moeder, dat hem recht geeft op den troon van dit land, voor
onveranderlijk rein schijnt te houden.”
»’t Is het bloed van den zonnegod!”
»Dat echter =half= in zijne en =geheel= in uwe aderen stroomt.”
De stadhouder maakte eene afkeurende beweging, en zeide zacht, met een
lachje als op het gelaat van een doode: »Wij zijn niet alleen.”
»Hier is niemand, die ons hooren kan,” hernam Ameni, »en wat ik zeide
weet zelfs ieder kind.”
»Doch zoo het den koning ter oore kwam,” fluisterde Ani, »dan....”
»Dan zou hij ondervinden hoe onverstandig het is, de oude rechten
dergenen te minachten, aan wie het vrijstaat de reinheid van het bloed
der beheerschers van dit land te onderzoeken.”
»Nog zit Ramses op den troon van Ra; hem bloeie leven, heil en
kracht”[89]!
[89] Eene formule, die zelfs in particuliere brieven van
Egyptenaars achter den naam van den pharao voorkomt.
De stadhouder boog en vroeg dan: »Denkt gij aan het verlangen van den
pharao gehoor te geven?”
»Hij is de koning. Onze Raad, die binnen weinige dagen vergadert, kan
alleen beslissen hoe, niet of wij dit bevel ten uitvoer zullen leggen.”
»Gij wilt met het afzenden der onderhoorigen nog toeven, en toch heeft
Ramses ze terstond noodig. Het bloedige handwerk van den krijg vordert
nieuwe werktuigen.”
»En de vrede wellicht een nieuwen meester, die de zonen van dit land
weet te gebruiken ten beste van het land zelf, een echten zoon van Ra!”
De stadhouder stond onbeweeglijk tegenover den opperpriester, als een
standbeeld uit metaal gegoten, en zweeg. Ameni deed zijn schepter voor
hem als voor een god ter neder zinken, en trad daarop naar den voorgrond
van de galerij. Om Ani’s mond speelde het gewone glimlachje, toen hij
hem volgde en zich weder vol waardigheid op den troon nederzette.
»Zijt gij aan het einde uwer mededeelingen?” vroeg hij den
opperpriester.
»Mij blijft alleen nog te berichten,” antwoordde deze met luider stem,
zoodat hij door al de hier verzamelde grootwaardigheidsbekleeders
verstaan kon worden, »dat de dochter des konings Bent-Anat, zich
gisteren zwaar bezondigd heeft, en de goden in alle tempels van dit land
met offers zullen worden aangeroepen, om de onreinheid van haar weg te
nemen.”
Wederom trok eene schaduw heen over den zonneschijn op het gelaat van
den stadhouder. Nadenkend zag hij voor zich, en zeide: »Morgen zal ik
het Seti-huis bezoeken, tot zoolang bid ik u deze aangelegenheid te
laten rusten.”
Ameni boog en de stadhouder verliet de galerij, om zich terug te
trekken in den door hem bewoonden vleugel van het koningshuis. Op zijn
schrijftafel lagen verzegelde schriftrollen. Hij wist dat zij zeer
gewichtige tijdingen voor hem inhielden, maar het was zijne gewoonte
zijne begeerten in bedwang te houden, zijne onthouding op de proef te
stellen, en als een lekkerbek het beste gerecht het laatst te laten
opdragen. Zoo las hij dan ook nu eerst de minst gewichtige brieven. Een
stomme bediende, die aan zijne voeten zat, verbrandde op een bekken met
kolen de papyrus-rollen, die zijn meester hem overgaf, en een beambte
teekende kort de hoofdpunten op, die Ani hem toeriep en straks moesten
dienen voor de verschillende antwoorden. Op een teeken van den
stadhouder verliet de beambte het vertrek, waarna Ani langzaam een brief
des konings opende. Uit het opschrift: »Aan mijn broeder Ani,” bleek,
dat hij over geene algemeene maar private aangelegenheden handelde. Van
deze regels, dit wist de stadhouder, hing het af, welke richting zijn
leven in de toekomst zou nemen. Met een lachje, dat ditmaal de onrust
van zijn gemoed voor hemzelf scheen te moeten verbergen, maakte hij het
zegelwas los, waarmede de brief, met ’s konings eigene hand geschreven,
was gesloten.
»Wat Egypte betreft,” dus schreef de pharao, »en de zorg voor mijn land,
en de hoop op een gelukkig einde van den krijg, dienaangaande liet ik u
door mijn schrijver onderrichten. Maar deze woorden gelden den broeder,
die verlangt mijn zoon te worden, en daarom schrijf ik die zelf. De
goddelijke geest van den gebieder, die in mij leeft, legt mij zoo gaarne
een onverwijld =ja= of =neen= op de lippen, dat beslist wat het beste
is. Gij nu verlangt mijn meest geliefd kind, Bent-Anat, tot vrouw, en
ik zou Ramses niet zijn, indien ik niet ronduit bekende, dat, eer ik het
laatste woord van uw brief gelezen had, een onbepaald =neen= mij van
de lippen wilde. Ik liet de sterren ondervragen, en de ingewanden der
offerdieren onderzoeken, doch zij waren tegen uw bede. Toch vermag ik
haar niet af te wijzen, want gij zijt mij dierbaar, en uw bloed is even
koninklijk als het mijne. Het is nog koninklijker, zeide mij een oud
vriend, en hij waarschuwde mij voor uw eerzucht en uwe verheffing. Toen
veranderde mijn hart, want ik zou geen zoon van Seti zijn, wanneer ik
uit ijdele bezorgdheid een vriend wilde krenken. En wie zoo hoog staat,
dat de menschen vreezen, of hij misschien ook beproeven zal Ramses boven
het hoofd te groeien, deze schijnt mij Bent-Anat waardig te zijn.
Wil haar vragen, en wanneer zij vrijwillig er in toestemt uwe vrouw
te worden, dan mag de bruiloft gevierd worden op den dag van mijne
tehuiskomst. Gij zijt nog jong genoeg om eene vrouw gelukkig te maken.
Uwe meerdere rijpheid en wijsheid zullen mijn kind voor ongeluk bewaren.
Bent-Anat mag weten, dat haar koninklijke vader uw aanzoek ondersteunt.
Offer gij echter aan de Hathors, opdat zij het hart van Bent-Anat, aan
welker beslissing wij beiden ons onderwerpen willen, gunstig voor u
stemmen.”
Onder het lezen van dezen brief was de stadhouder meermalen van kleur
veranderd. Schouderophalend legde hij dien thans op de tafel, stond op,
plaatste zich met de armen op den rug tegen een der zuilen, die de
zolderbalken van het vertrek schraagden, en keek peinzend naar den
grond. Hoe langer hij nadacht, des te minder vriendelijk werden zijne
trekken. »Eene pil met honig zoet gemaakt, zooals men die aan vrouwen
geeft”[90], prevelde hij in zich zelf. Wederom ging hij naar de tafel,
doorlas den koninklijken brief andermaal en zeide: »Men kan van hem
leeren, hoe men weigert onder den schijn van toe te stemmen, en daarbij
niet vergeet zijne edelmoedigheid te doen uitkomen. Ramses kent zijne
dochter; zij is een meisje als alle andere, en zal er zich wel voor
wachten een man te kiezen, die eens zoo oud is als zij, en die haar
vader zou kunnen zijn. Ramses wil zich onderwerpen. Ik moet mij
onderwerpen! Maar aan wien? Aan het oordeel en de keus van een
eigenzinnig kind!”
[90] In de medische papyrussen zijn tweeërlei recepten voor
pillen bewaard, zonder honig voor mannen, met honig voor
vrouwen.
Met deze woorden schoof hij den brief zoo wild op de tafel, dat hij er
overheen gleed op den grond. De stomme slaaf nam hem op en legde hem
weder voorzichtig op tafel. Zijn meester wierp intusschen een kogel in
een zilveren bekken. Verschillende beambten stoven naar binnen, wien
Ani beval den gevangen dwerg van vrouwe Katoeti vóor hem te brengen. In
zijne ziel was hij boos op den koning, die daar ginds in zijn legertent
waande, hem door een bewijs zijner hoogste gunst gelukkig gemaakt te
hebben. Wien men zelf kwalijk gezind is, dien is men geneigd voor zijn
vijand te houden, en wanneer zoo iemand ons eene roos aanbiedt, dan
gelooven wij, dat hij ons die bloem niet toereikt om haar geur, maar om
haar doornen.
De dwerg Nemoe werd voor den stadhouder gebracht en wierp zich voor hem
ter aarde. Nadat Ani den beambte had bevolen heen te gaan, riep hij den
kleine toe: »Gij hebt mij gedwongen u in de gevangenis te laten werpen;
sta op.”
De dwerg stond op en zeide: »Heb dank, ook daarvoor dat gij mij liet
opsluiten!”
De stadhouder keek hem verwonderd aan; Nemoe ging echter half ondeugend,
half deemoedig voort: »Ik werd benauwd voor mijn leven. Gij hebt het
echter niet alleen niet verkort maar verlengd, want in dien eenzamen
kerker is de tijd mij lang gevallen en zijn de minuten uren voor mij
geworden.”
»Spaar uwe aardigheden voor de vrouwen,” hernam de stadhouder. »Als ik
niet wist, dat gij het goed meendet en handeldet in den geest van uwe
meesteres Katoeti, dan zou ik u naar de steengroeve zenden.”
»Mijne handen,” zeide de dwerg al meesmuilende, »zouden toch niet veel
meer dan steenen voor het damspel kunnen breken. Doch mijne tong is
als water, dat den eenen boer rijk maken en den anderen zijne akkers
wegspoelen kan.”
»Men zal haar weten te beteugelen.”
»Voor mijne meesteres en voor u volgt zij toch den goeden weg,” zeide de
dwerg. »Ik bracht de klagende burgers aan het verstand, wie hun vleesch
en bloed naar de slachtbank voert, en van wien zij vrede en geluk hebben
te verwachten. Ik goot loog in de wonde en prees den arts.”
»Maar ongeroepen en onvoorzichtig!” viel de stadhouder hem in de rede.
»Overigens hebt gij getoond, dat ge bruikbaar zijt, en ik zal u voor
later tijd sparen. Al te ijverige vrienden zijn waarlijk schadelijker
dan verklaarde vijanden. Als ik u noodig heb, zal ik u roepen. Vermijd
tot zoo lang alle praatjes. Ga nu naar uwe meesteres en breng haar dezen
brief, die voor haar is aangekomen.”
»Heil den zoon van den zonnegod, Ani!” riep de dwerg, terwijl hij den
voet van den stadhouder kuste. »Heb ik geen brief over te brengen aan
mijne meesteres Nefert?”
»Breng haar mijn groet,” antwoordde de stadhouder. »Zeg Katoeti, dat ik
haar na den maaltijd een bezoek zal brengen. De wagenmenner des konings
heeft niet geschreven, toch is hij welvarend, zoo ik hoor. Pak je nu weg
en bedwing je tong!”
De dwerg verliet het vertrek en Ani begaf zich naar eene luchtige
galerij, waar hem zijn weelderig maal werd opgedragen, bestaande
uit vele met bijzondere zorg toebereide gerechten. Zijn eetlust was
bedorven, toch proefde hij van alle schotels en gaf over elke aan den
hofmeester, die hem bediende, zijn oordeel ten beste. Onderwijl dacht
hij aan den brief des konings, aan Bent-Anat, en of het geraden zou zijn
zich aan eene afwijzing van hare zijde bloot te stellen. Na den maaltijd
leverde hij zich over aan zijn kamerdienaar, die hem zorgvuldig schoor,
blankette, aankleedde en opsierde, en hem dan den spiegel voorhield. Hij
beschouwde zijn beeld met gespannen opmerkzaamheid, en toen hij zich
in de draagstoel zette, om zich naar zijne vriendin Katoeti te laten
dragen, kwam hij tot de overtuiging, dat hij toch nog altijd den naam
verdiende van een schoon man.
Wanneer hij nu eens aanzoek deed om de hand van Bent-Anat, en zij hem
verhoorde, wat dan? Dit was het juist wat hem bewoog tot Katoeti te
gaan, die altijd het rechte woord wist te vinden, wanneer hij in
verwarring gebracht door alles wat er voor en wat er tegen was te
zeggen, aarzelde een beslissenden stap te doen. Op haar raad had hij de
prinses tot vrouw begeerd, als een nieuw eerbewijs, als eene verhooging
van zijn inkomen, als een pand, dat zijn persoon zou beschermen. Zij had
nooit meer of minder indruk op zijn hart gemaakt, dan iedere andere
schoone vrouw in Egypte. Thans stond de fiere edele persoon voor zijne
verbeelding, en het was hem als moest hij tot haar opzien als tot een
wezen, dat hoog boven hem verheven was. Hij had er spijt van Katoeti’s
raad gevolgd te hebben, en hij begon te wenschen, dat zij het aanzoek
mocht afslaan. Een huwelijk met Bent-Anat kwam hem bezwarend voor. Hij
was te moede als een man, die een schitterend ambt tracht te verwerven,
hoewel hij weet, dat zijne krachten niet berekend zullen zijn voor de
eischen die het hem stelt. Hij had het gevoel van een eerzuchtige,
wien de koninklijke waardigheid wordt aangeboden onder voorwaarde, dat
hij de zware kroon nooit van zijn hoofd mag nemen. Doch ja, wanneer
eens wat anders gelukte ― en zijne oogen fonkelden levendig bij deze
gedachte ― wanneer het noodlot hem eens op de plaats van Ramses zette,
dan verloor die verbintenis met de prinses al dat schrikwekkende, dan
was hij ook haar onbeperkte koning, heer en gebieder, en niemand had hem
rekenschap te vorderen van hetgeen hij voor haar zijn zou en haar deed
ondervinden.