ZESDE HOOFDSTUK.

Terwijl dit alles in de hut voorviel, waren de gids des konings en de

jonge vrouw van den wagenmenner Mena gedwongen op de prinses te wachten.

De zon had juist haar middaghoogte bereikt, toen Bent-Anat den tuin

van den Paraschiet binnenging. De naakte kalkrotsen aan beide zijden

van het dal, en de zandige bodem daartusschen schitterden met zulk een

verblindende glans, dat het de oogen pijn deed. Er was geen handbreed

schaduw te zien, en de waaierdragers, ook van het tweetal dat hier moest

toeven, waren op bevel der prinses bij den wagen en den draagstoel

achtergebleven. Beiden stonden een tijdlang zwijgend naast elkander; ten

laatste zeide de schoone Nefert, terwijl zij hare ovale oogen vermoeid

opsloeg: »Wat blijft Bent-Anat lang bij dien onreine! Ik verschroei

hier. Wat zullen wij aanvangen?”

»Wachten!” sprak Paäker, keerde Nefert den rug toe, klom op een

rotsblok, dat aan een der wanden uitstak, deed met zijn geoefend oog,

dadelijk een verkenning, kwam tot haar terug en zeide: »Ik heb een

beschaduwd plekje gevonden. Dáar!”

De vrouw van Mena keek in de richting, waarin hij wees en schudde

ontkennend met haar kleine hoofd. De gouden sieraden van haar kapsel

klingelden daarbij even hoorbaar tegen elkander, en eene koude huivering

deed haar teeder lichaam beven, ondanks de gloeiende middaghitte.

»Sechet[54] woedt in den hemel,” sprak Paäker. »Maak gebruik van dit

schaduwrijk plekje, al is het klein. Op dit uur werd reeds zoo menigeen

doodelijk getroffen.”

[54] De godin met den kop van eene leeuwin of kat, waarop

meestal de zonneschijf met de slang is te zien. Zij wordt eene

dochter van Ra genoemd en aan de kroon haars vaders is zij als

Uraeus-slang de verpersoonlijking van den moordenden gloed der

zon. In het menschelijk leven verbeeldde zij den gloeienden

en wilden hartstocht der liefde. Als kat of met den kop eener

leeuwin snijdt zij brandende wonden in de ledematen der

schuldigen, zoodra zij in de onderwereld zijn. Hare geschenken

zijn dronkenschap en zinnelijken lust. Zij wordt ook Bast, en

naar hare Phoenicische zustergodheid Astarte genaamd.

»Dat weet ik,” antwoordde Nefert, en zij bedekte haar hals met hare

handen. Daarop richtte zij hare schreden naar twee rotsplaten, die tegen

elkander leunden als de bladen van een kaartenhuis. Dat was het bedoelde

plekje, maar weinige voeten breed, dat tegen de zon eenige beschutting

aanbood.

Paäker liep voor haar uit, wentelde een vierkant met vuursteen vermengd

blok kalksteen naar deze steenen tent, verpletterde eenige schorpioenen,

die hier eene schuilplaats hadden gezocht, en spreidde zijn hoofddoek

over deze harde zitplaats uit, zeggende: »Hier zijt gij beschut.”

Nefert zette zich op den steen neder en keek den Mohar na, die langzaam

en zwijgend voor haar op en neder ging. Dit onophoudelijk heen en weder

wandelen van haar metgezel werd ten laatste onverdraaglijk voor hare

gevoelige en overprikkelde zenuwen. Daarop riep zij, na het hoofd

ijlings te hebben opgeheven, dat tot hiertoe op haar hand had gerust:

»Wat ik u bidden mag, blijf toch staan!”

De gids gehoorzaamde terstond en keek naar het huis van den Paraschiet,

terwijl hij haar den rug toekeerde.

Na eenige oogenblikken pauze zeide Nefert: »Spreek toch een woord tot

mij!”

Toen draaide de Mohar zijn breed gezicht naar haar toe, en zij schrikte

van den wilden gloed, die haar tegenstraalde uit den blik waarmede hij

haar aanzag.

Nefert sloeg hare oogen neder. De gids antwoordde alleen: »Ik zwijg

liever.” Daarop zette hij zijne wandeling voort, totdat de vrouw van

Mena hem op nieuw toesprak.

»Ik weet,” zeide zij, »dat gij boos op mij zijt. Doch ik was nog maar

een kind, toen ze mij met u verloofd hebben. Ben ik dan niet goed voor

u geweest? Als uwe moeder mij bij onze kinderlijke spelen uw klein

vrouwtje noemde, was ik werkelijk blijde, en dacht ik hoe heerlijk het

zijn zou, wanneer ik uw huis, dat gij toch voor mij zoo prachtig deed

vernieuwen, toen uw vader gestorven was, en uw schoonen tuin, en uwe

edele paarden in uwe stallen, en al uwe slaven en slavinnen mijn

eigendom zou mogen noemen.”

Paäker lachte, maar die lach klonk zóo gedwongen en beleedigend, dat het

Nefert door de ziel sneed, en zij zacht voortging, op een toon alsof

zij om verschooning vroeg: »Het heet dat gij boos zijt op ons, en nu

verstaat gij mijne woorden zóo, alsof het mij om uwe rijke erfenis te

doen was geweest. Maar ik heb u immers reeds gezegd, dat ik altijd veel

van u hield. Herinnert ge u dan niet meer, hoe ik met u geweend heb om

de kwade jongens in de school, en om de strengheid, uws vaders? Toen

stierf uw oom ―; gij zijt naar Azië vertrokken....”

»En gij,” viel Paäker haar hard en scherp in de rede, »hebt die

verloving verbroken, en zijt de vrouw geworden van Mena, den

wagenmenner. Dat alles weet ik; waartoe het weder opgehaald?”

»Omdat het mij leed doet, dat gij op mij toornig zijt en uwe goede

moeder ons huis mijdt. Kondet ge maar begrijpen wat het is, wanneer de

liefde eens in iemands borst ontwaakt en hem zoo geheel vervult, dat men

zich niet meer alleen kan denken maar altijd bij en met en in de armen

van een ander; wanneer het kloppen van ons hart ons in den slaap doet

ontwaken, en wij zelfs in den droom niets anders zien dan dien eenige!”

»En dat zou ik niet geweten hebben!?” riep Paäker, terwijl hij de armen

over elkander sloeg en vlak voor haar ging staan. »Ik zou dat niet

geweten hebben? Alsof gij het dan niet geweest waart, die mij dit gevoel

deedt kennen! Zoo vaak ik aan u dacht, was het mij of niet langer bloed

maar gloeiend vuur mij door de aderen stroomde, die gij thans met gif

hebt gevuld. Hier in deze borst, waarin uw beeld zich nog lieflijker

vertoonde dan dat van Hathor in het allerheilige, ziet het er uit als op

die zee in het land der Syriërs, die zij de doode noemen, die zee waarin

alles sterft en elke levenskiem wordt verstikt.”

Paäkers oogen rolden bij deze woorden door zijn hoofd; driftiger klonk

zijn stem, toen hij voortging: »Maar Mena staat dicht bij den koning,

dichter dan ik, en uwe moeder....”

»Mijne moeder,” viel Nefert den toornige in de rede, en hare woorden

getuigden van hevige gemoedsbeweging, »mijne moeder heeft geen

echtgenoot voor mij gekozen. Ik zag Mena toen hij, als ware hij de

zonnegod, op den wagen des konings daarheen reed. Hij merkte mij op en

zag mij aan, en zijn blik drong als een lans in mijn hart. Toen hij mij

aansprak op ’s konings verjaardag, was het mij alsof de Hathors mij met

lieflijk klinkende snaren van gouden zonnestralen omweefden. En Mena

gevoelde hetzelfde; hijzelf heeft het mij gezegd, toen hij de mijne was

geworden. Om uwentwil sloeg mijne moeder zijn aanzoek af. Ik werd echter

bleek en mager van verlangen naar hem, en hij verloor zijn frisschen

moed en werd zoo treurig, dat het den koning in het oog viel, die hem

vroeg wat hem toch zoo nederdrukte. Want Ramses heeft hem lief als zijn

eigen zoon. Mena heeft den pharao bekend, dat de liefde zijne oogen

verduisterde en zijne sterke handen verlamde, en nu deed de koning

zelf aanzoek om mijne hand voor zijn trouwen dienaar. Mijne moeder

gaf eindelijk toe en wij werden man en vrouw. Al het genot, dat de

gezaligden smaken in de Aäloe-velden[55], is flauw en armelijk bij de

zaligheid, waarin wij ons baadden, niet als sterfelijke menschen, maar

als hemelsche goden.”

[55] De velden der gelukzaligen (Elysium) bestemd voor de

verheerlijkte geesten. In het Doodenboek ziet men hoe de

gelukzaligen daar bij koele wateren zitten, zaaien en oogsten.

Nefert had onder deze laatste woorden als eene verheerlijkte haar

blikken naar den hemel gericht. Nu sloeg zij de oogen neder en vervolgde

op zachten toon: »Daar braken de Cheta[56] den vrede! De koning toog ten

krijg en Mena met hem. Vijftienmaal was de maan opgegaan over ons geluk,

en toen...”

[56] De Arameërs, volgens de hoogstwaarschijnlijke uitlegging

van Schrader. De volken van westelijk Azië hadden zich, in den

tijd van dit verhaal, met hen vereenigd.

»En toen verhoorden de goden mijn gebeden namen mijn offer aan,”

vervolgde Paäker met bevende stem, »en rukten den roover van mijn geluk

van uwe zijde weg, en verteerden uw hart en het zijne door de vlammen

van het heimwee. Meent gij dat ge mij iets nieuws kunt vertellen? Nog

eens was Mena vijftien dagen bij u; daarna is hij niet wedergekeerd uit

den krijg, die in Azië hevig woedt.”

»Maar hij zal wederkeeren,” riep de jonge vrouw.

»Misschien ook niet!” zeide Paäker lachend. »De Cheta voeren scherpe

wapenen en op den Libanon zijn vele gieren, die misschien in deze ure

zijn lichaam verscheuren, gelijk gij mijn hart hebt vaneengereten.”

Nefert stond op. Deze taal trof hare fijngevoelige ziel, alsof zij door

eene ruwe hand met een steen werd getroffen. Zij deed eene poging om

hare schaduwrijke schuilplaats te verlaten en de prinses te volgen

in het huis van den Paraschiet. Doch hare voeten weigerden haar den

dienst, en bevend zonk zij weder op haar steenen zitplaats neer. Zij

zocht woorden, maar haar tong scheen verlamd. Zij gevoelde zich zoo

beklemd en verlaten, en te gelijk zoo diep verontwaardigd. In dezen

onbeschrijfelijken toestand begaven haar de laatste krachten. Allerlei

pijnlijke gewaarwordingen wisselden elkander af in haar binnenste,

als woeste onstuimige golven, die al hooger en hooger stegen, haar de

ademhaling bijna belemmerden en zich eindelijk lucht gaven in een hevig

krampachtig snikken, dat haar geheele organisme schokte. Zij zag, zij

hoorde niets meer; zij kon alleen bittere tranen schreien en gevoelen

hoe diep ongelukkig zij was.

Paäker stond zwijgend tegenover haar.

Er zijn in het zuiden boomen, waaraan men naast verdroogde vruchten

witte bloesems ziet hangen. Er zijn dagen waarop zich, te gelijk met

de heldere zon, de bleeke sikkel der maan aan den hemel vertoont. Zoo

gebeurt het soms, dat een menschelijk hart liefde en haat tegelijk

gevoelt, en wel voor hetzelfde voorwerp. Neferts tranen vielen als dauw,

hare diepe zuchten als manna in de naar wraak dorstende en hongerende

ziel van den gids. Hij genoot van hare smart, en toch vervulde de

aanblik harer edele gestalte hem met hartstochtelijke liefde, en werden

zijne blikken als gekluisterd door hare lichamelijke schoonheid. Hij zou

er de hemelsche zaligheid voor over hebben gehad, om haar nog slechts

eens in zijne armen te mogen drukken, om nog eene enkele maal het woord

der liefde van hare lippen op te vangen.

Na eenige pijnlijke minuten hield Nefert op te weenen. Met matten, bijna

onverschilligen blik zag zij den Mohar aan, die nog altijd voor haar

stond, en vroeg op zacht smeekenden toon: »Mijne tong verdroogt; haal

mij toch een weinig water!”

»De prinses kan ieder oogenblik terugkeeren,” antwoordde Paäker.

»Maar ik versmacht,” zeide Nefert, en begon opnieuw in stilte te weenen.

Paäker haalde de schouders op en ging toen dieper het dal in, dat hij

zoo goed kende als het huis zijns vaders. Daar toch lagen de graven van

de voorvaderen zijner moeder, waarin hij als knaap bij volle en nieuwe

maan gebeden had opgezegd en gaven op het altaar gelegd. Het was hem

verboden de hut van den Paraschiet te betreden, maar hij wist dat nog

geen honderd schreden van de plaats waar Nefert zat eene oude vrouw

woonde, wier naam in slechten reuk stond. In haar rotshol zou wel een

dronk water zijn te vinden. Half waanzinnig door alles wat er sedert de

laatste minuten in zijne ziel was omgegaan en wat zijne oogen hadden

gezien, vloog hij weg. Het was of zijn denkvermogen stilstond door de

hartstochtelijke beweging van zijn bloed.

Hij vond de deur, die het hol van de oude bij nacht moest beschermen

tegen de overvallen van roofgierige jakhalzen, wijd open. De bewoonster

zat onder een bruin, gescheurd stuk zeildoek, dat aan den eenen kant aan

de rots en aan den anderen aan twee ruwe stokken was vastgemaakt. Zij

zocht een hoop lichte en donkere worteltjes uit, die in haar schoot

lagen. Naast haar zag men een rad, dat tusschen een hooge houten gaffel

draaide. Een kwikstaart, die aan een kettinkje vastzat, hield het in

voortdurende beweging, doordat hij van de eene spaak op de andere

sprong[57]. Een groote kater, zoo zwart als kool, zat naast haar te

spinnen, en berook de koppen van raven en uilen, wie even te voren de

oogen waren uitgestoken. Boven de deur merkte men twee in elkander

gedoken sperwers op. De rook van verbrandde jeneverbessen, waardoor de

uitwasemingen van allerlei vreemdsoortige bestanddeelen, hier aanwezig,

onschadelijk moesten worden gemaakt, drong uit het hol naar buiten.

[57] Naar de Idylle van Theocritus: De tooveres.

Toen Paäker naderde riep het wijf vragend naar binnen: »Kookt het was?”

Een onverstaanbaar gebrom liet zich als antwoord hooren.

»Doe er dan de apenoogen en de ibisvederen, en de linnen-lappen met de

zwarte tooverteekens in[58]. Roer nog wat! Doof nu het vuur uit! Neem

een kruik en haal water! Kom, haast je wat! Daar komt een bezoeker.”

[58] Spreekwijzen en toovermiddelen van heksen, voorkomende

in een magischen papyrus. De door Chabas uitgegeven =Papyrus

magique Harris= is ongeveer uit den tijd van ons verhaal

afkomstig. Ook is hier gebruik gemaakt van den door Dr. Leemans

uitgegeven magischen papyrus, die op het Leidsche Museum wordt

gevonden, en van den toover-papyrus (in ’t Grieksch) te Berlijn

aanwezig, in het licht gegeven door Parthey.

Terstond kwam eene donkerzwarte negerin, die een gescheurden kleurloozen

lap om haar magere lenden had geslagen, naar buiten. Zij zette een

grooten aarden pot op haar grauw kroeshaar en ging Paäker voorbij,

zonder hem, juist toen hij bij het hol kwam, aan te zien. De oude, een

rijzige, maar door ouderdom gekromde vrouw, met een gelaat dat mogelijk

eens schoon was geweest, doch zich nu vol rimpels en scherpe plooien

vertoonde, maakte toebereidselen om den gids te ontvangen, daar zij een

bonten doek over het hoofd bond, haar blauw-wollen kleed onder den hals

dichttrok, en eene uitgerafelde mat over de raven- en uilenkoppen wierp.

Paäker riep haar toe, doch zij hield zich doof en deed alsof zij hem

niet hoorde. Eerst toen hij vlak bij haar stond, sloeg zij hare slimme

bliksemende oogen op en sprak: »Een geluksdag, een witte dag, die hooge

gasten brengt en groote eer!”

»Sta op,” zeide Paäker tot het wijf op bevelenden toon, zonder haar te

groeten, maar een zilveren ring[59] midden onder de wortelen in haar

schoot werpende, »en geef mij voor goed geld wat water in eene zuivere

kom.”

[59] De Egyptenaars hadden vóor Alexander en de Ptolemeërs geen

munt. Zij wogen het metaal, waaraan zij gewoonlijk den vorm van

ringen gaven.

»Mooi, echt zilver,” hernam de oude, terwijl zij den ring, dien zij

haastig uit de wortelen te voorschijn had gehaald, dichter onder hare

oogen hield. »Dat is te veel voor water alleen, en te weinig voor mijne

kostelijke dranken.”

»Wauwel niet, bedelaarster, maak voort!” riep Paäker, terwijl hij een

tweeden ring uit zijn zak haalde en in haar schoot wierp.

»Gij hebt eene milde hand,” zeide de oude, en dat in zuivere taal,

zooals onder de hoogere standen werd gesproken. »Vele deuren zullen zich

voor u openen, want het goud is een looper die in alle sloten past. Gij

wilt water voor die mooie ringen? Moet het dienen tegen schadelijke

dieren, of wilt gij er een ster van den hemel door doen nederdalen?

Misschien wenscht gij geheime paden te leeren kennen, want het is uw

ambt den weg te wijzen. Zal het koud maken wat warm is, en het koude

weder heet? Moet het in staat stellen in de harten te lezen en lieflijke

droomen te verwekken? Begeert gij het water der kennis, om te zien of

uw vriend dan wel uw vijand ― ha! uw vijand sterven zal? Wilt gij

een dronk hebben om uw geheugen te versterken? Of zal mijn water u

onzichtbaar maken? Moet het ook den zesden teen van uw linkervoet

wegnemen?”

»Gij kent mij dan?” vroeg Paäker.

»Hoe zou ik?” vroeg de heks. »Maar ik heb scherpe oogen, en weet

uitnemend water te bereiden voor geringen en aanzienlijken!”

»Praatjes!” riep Paäker ongeduldig, en greep naar de zweep in zijn

gordel. »Maak voort, want de vrouw voor wie....”

»Gij verlangt water voor eene vrouw?” viel de oude den Mohar in de rede.

»Had ik dat kunnen denken! In den regel vragen de oude heeren meer naar

de liefdedranken dan de jonge. Doch ik kan u hiermede dienen; ik zal u

helpen.”

De oude ging na deze woorden in haar hol, en kwam een oogenblik daarna

terug met een dun cylindervormig albasten fleschje in de hand. »Dit is

het fleschje,” zeide zij, terwijl zij het den gids toestak. »De helft

moet in het water gegoten en aan de vrouw gegeven worden. Helpt het niet

bij den eersten dan toch zeker bij den tweeden keer. Een kind kan het

water drinken, zonder dat het kwaad zal doen, en een grijsaard wordt er

vroolijk van. Daar, ik zal het u voorproeven!” ― En zij bevochtigde

hare lippen met de witte vloeistof. »Het schaadt niet. Meer neem ik er

toch niet van, anders mocht de oude heks eens verliefd op u worden, en

dat zou het rijke heertje slecht bevallen, ha, ha! Helpt het drankje

niet, dan ben ik genoeg betaald. Helpt het, dan brengt ge mij nog drie

gouden ringen. En gij zult terugkomen, dat weet ik!”

Paäker had de heks roerloos aangehoord, maar nu greep hij zoo driftig

naar het fleschje, als moest hij een machtigen tegenstander gaan

overwinnen. Hij duwde het in zijn geldzak, wierp het wijf nog eenige

ringen voor de voeten, en eischte andermaal, maar spoedig, een zuivere

kan vol Nijlwater.

»Heeft mijnheer zoo’n haast?” prevelde de oude, terwijl zij het hol

weder binnenging. »Hij vraagt mij of ik hem ken? =Hem= zeker! Maar zijn

schatje? Waar mag het hier ergens verscholen zijn? Misschien de kleine

Warda van den Paraschiet daarginds! Zij is mooi genoeg; maar zij ligt nu

half verpletterd op de mat en sterft. Wij willen zien wat dat heertje

voorheeft. Hij beviel mij niet toen ik jonger was; hij zal echter toch

zijn doel bereiken, want hij is taai en ontziet niets.”

Terwijl zij deze en dergelijke woorden bij zich zelve mompelde,

vulde zij eene nette schaal van verglaasd aardewerk, met gefiltreerd

Nijlwater, dat zij uit een groote poreuze kruik schonk, legde op het

heldere vocht een laurierblad, waarin twee met zeven strepen verbonden

harten gekrast waren, en kwam er mede naar buiten.

Toen Paäker de schaal van haar aannam en het laurierblad bekeek, zeide

de heks: »Reeds dit verbindt de harten. Drie is de man, vier is de

vrouw, zeven het ondeelbare Chaach, chachach charcharachacha”[60].

[60] Galimatias of wartaal uit een Berlijnschen toover-papyrus.

De heks zong dit bezweringsformulier niet zonder kunst, maar de Mohar

scheen naar haar wartaal niet te luisteren, althans hij ging voorzichtig

het dal weder in, en richtte zijne schreden naar de plaats waar de vrouw

van Mena uitrustte. Vóor de rotsen, die hem voor Nefert onzichtbaar

maakten, bleef hij staan, zette de schaal op een vlakken steen en haalde

het fleschje met den liefdedrank uit zijn gordel. Zijne vingers beefden;

zijne hersenen schenen beneveld door bedwelmende dampen; in zijne borst

weerklonken wel duizend stemmen, die hem juichend schenen toe te roepen:

»Grijp toe, handel, gebruik den drank, nu of nooit!” ― Hij was temoede

als een eenzaam wandelaar, die op zijn pad het testament vindt van een

gestorven bloedverwant, op wiens vermogen hij hoopt, het testament

waarin hij onterfd wordt. Zal hij het den rechter overleveren, of zal

hij het verscheuren?

Paäker was niet alleen een uitwendig vrome, maar had ook tot dusver

gemeend in alles naar de voorschriften van den voorvaderlijken

godsdienst te handelen. Echtbreuk was eene zware zonde. Maar had hij dan

op Nefert geene oudere rechten dan de koninklijke wagenmenner? Wie zich

met de zwarte kunst inliet, moest volgens de wet met den dood worden

gestraft[61], en het wijf stond ter kwader naam bekend, wegens haar

ellendig beroep. Doch had hij haar dan om die liefdedrank gevraagd?

Was het niet mogelijk dat de zielen zijner afgestorvenen, dat de goden

zelven, vermurwd door zijne gebeden en offers, bij toeval, ja, als

door een wonder, hem het toovermiddel in handen hadden gegeven, aan de

werking waarvan hij geen oogenblik twijfelde? Zijne metgezellen hielden

hem voor een man, die spoedig besloten was, en in moeilijke gevallen

handelde hij inderdaad met buitengewone voortvarendheid. Wat hem daarbij

leidde was echter niet het bewijs van eene vlugge en gezonde werking

zijner hersenen, maar meestal het gevolg van de uitkomst van een vraag-

en antwoordspel. Want verschillende amuletten hingen om zijn hals en aan

zijn gordel, alle door de hand eens priesters gewijd. Het waren voor hem

bijzonder heilige voorwerpen van hooge waarde. Bleef het oog van den

lazuursteen, dat met een gouden keten aan zijn gordel hing, wanneer men

het op den grond wierp, zóó liggen, dat de gegraveerde zijde naar

den hemel zag en de gladde onder lag, dan zeide het »ja”, en in het

omgekeerde geval »neen”. In zijn geldtasch had hij altijd het beeldje

van den god Apheroe met den kop van een jakhals[62], den god die de

wegen opent. Zoo vaak hij aan een kruisweg kwam, wierp hij dit beeldje

voor zich uit en volgde hij de richting, naar welke de spitse snuit

van den kop heenwees. In de meeste gevallen riep hij de hulp in van

den zegelring van zijn overleden vader, een oud familiestuk, dat de

opperpriester van Abydus op het heiligste onder de veertien graven van

Osiris[63] gelegd en met wonderkracht toegerust had. Deze bestond uit

een gouden hand met eene breede zegelplaat, waarin men den naam kon

lezen van den sedert lang vergoodden Thotmes III, door wien het kleinood

aan Paäkers voorvaderen was geschonken. Als hij tot dien ring vragen

wilde richten, raakte de Mohar met de punt van zijn bronzen dolk de

gegraveerde naamteekens aan, waarvan drie betrekking hadden op de

godheid, terwijl de andere de afbeeldingen waren van profane voorwerpen.

Trof nu de punt een der eerste teekens, dan, meende hij, was

zijn Osiris-geworden vader het eens met zijn voornemen; in het

tegenovergesteld geval liet hij het varen. Dikwijls drukte hij den ring

tegen zijn hart en wachtte dan op het eerste levende wezen, dat hij zou

ontmoeten. Kwam het van zijne rechterzijde, dan hield hij het voor een

opwekkenden, kwam het van zijne linker, voor een waarschuwenden bode

zijns vaders.

[61] Volgens den papyrus-Lee en Rollin. Vgl. Birch, =Sur un

papyrus magique= (Revue archéol. 1863); Chabas, =Papyrus magique

Harris=; Devéria, =Papyr judiciaire de Turin=.

[62] Een bijzondere vorm van Anubis. Hij was de plaatselijke god

van Lykopolis, het tegenwoordige Sioet.

[63] Typhon had het lijk van Osiris in veertien stukken gesneden

en deze over Egypte verspreid. Waar Isis er een vond, daar

richtte zij een grafteeken op voor haar gemaal. Geen dier graven

was in den lateren tijd zoo heilig als dat van Abydus, waarheen

ook voorname Egyptenaars hunne mummies lieten brengen, om in de

nabijheid van Osiris te rusten.

Langzamerhand had Paäker in dit vragen een zeker stelsel gebracht. Al

wat hij in de natuur ontmoette, bracht hij in verband met zichzelven en

zijn levensloop. Het was roerend en te gelijk treurig om op te merken,

hoe innig hij steeds met de zielen zijner afgestorvenen voortleefde.

Zijne niet zeer hoogvliegende maar toch sterke verbeeldingskracht was in

staat, zoo vaak hij haar liet werken, hem het beeld zijns vaders of van

zijn vroeg gestorven ouderen broeder voor de oogen te tooveren, tastbaar

duidelijk, juist zooals hij hen gekend had. Nooit echter bezwoer hij de

nagedachtenis van zijne onvergetelijke dooden, om hen te gedenken met

stillen weemoed, die lieflijke bloem aan den doornstruik der smart,

maar altijd met een of ander zelfzuchtig doel. Het aanroepen van de

vaderlijke schim was hem gebleken bij sommige vragen van bijzondere

uitwerking te zijn, en het aanroepen van de broederlijke schim bij

andere, en daarom wendde hij zich tot den een of ander, met de zekerheid

van een geoefend timmerman, die zelden twijfelt wanneer hij den bijl

en wanneer hij de zaag gebruiken moet. Hij hield het er voor, dat

deze zijne handelwijze overeenkwam met den wil der goden, en daar

hij overtuigd was dat de geesten zijner afgestorvenen na hunne

rechtvaardiging waren overgegaan in Osiris, dat wil zeggen, dat zij als

bestanddeelen van de wereldziel thans deel hadden aan het bestuur over

alles, zoo offerde hij hun niet alleen in zijn familiegraf, maar ook in

de tempels van de Nekropolis, die aan den dienst der voorvaderen waren

gewijd, en bij voorkeur in het Seti-huis. Van Ameni en de andere

priesters, die tot het heiligdom behoorden, dat onder diens toezicht

stond, ontving de koninklijke gids gaarne raad en nam hij ook berisping

dankbaar aan, en zoo leefde hij in de hoogmoedige overtuiging, die door

zijne meesters geen oogenblik aan het wankelen werd gebracht, dat hij

behoorde tot de ijverigste vromen in den lande, die den goden het

welgevalligst waren. Bij elken tred als door bovenzinnelijke machten

omgeven en geleid, gevoelde hij geen behoefte aan vrienden en

vertrouwden. In het veld zoowel als in Thebe stond hij geheel op

zichzelven en werd door de zijnen gehouden voor een ruw, trotsch en

ongevoelig man, maar die een ijzeren wil had.

Paäker was in staat het beeld van verloren geliefden met dezelfde

levendigheid voor zijne ziel te doen oprijzen, als de gestalten zijner

afgestorvenen. Dat deed hij niet enkel in ontelbare stille nachten, maar

evenzoo op lange tochten en ritten door de zwijgende woestijn. Op

zulke visioenen volgden meestal hevige opwellingen van haat tegen den

wagenmenner en eene reeks vurige gebeden, die alle het verderf van den

laatste ten doel hadden. Toen hij dan ook de schaal met het water voor

Nefert op de gladde rots zette en naar het fleschje met den liefdedrank

greep, was zijne ziel zoo vol verlangen, dat er geene ruimte was voor

haat. Intusschen kon de Mohar toch niet de bezorgdheid van zich weren,

dat hij zich door het gebruik van een tooverdrank zwaar zou bezondigen.

Daarom ondervroeg hij het orakel van zijn ring, alvorens de noodlottige

druppels in het water te gieten. De dolk raakte geen der heilige teekens

van het zegelopschrift. Onder andere omstandigheden zou hij dus zijn

voornemen hebben opgegeven. Ditmaal stiet hij echter den dolk onwillig

in de scheede, drukte den gouden ring aan zijn hart, lispelde den naam

van zijn Osiris-geworden broeder, en wachtte nu op het eerste levend

wezen, dat hem zou tegenkomen. Het liet niet lang op zich wachten,

want van de berghelling tegenover hem vlogen twee witte gieren op met

langzamen vleugelslag. Met angstige spanning volgde hij dezen in hun

vlucht, al hooger en hooger. Een oogenblik lieten zij zich onbewegelijk

door den luchtstroom dragen, beschreven een cirkel om elkander en zetten

daarop koers naar de linkerzijde, om achter de bergen te verdwijnen.

Zijn wensch was weder onvervuld gebleven. Haastig greep hij het fleschje

om het weg te slingeren, maar de hartstocht, die in zijn binnenste

woelde, had hem de heerschappij over zijn wil benomen. Daar rees het

beeld van Nefert voor zijne ziel op, alsof zij hem vriendelijk wenkte.

Geheimzinnige machten klemden zijne vingers al vaster en vaster aan het

fleschje, en met den trots die hem eigen was, als hij tegenover zijne

metgezellen stond, goot hij de helft van den liefdedrank in het water,

greep de schaal op en naderde zijn offer.

Nefert had inmiddels haar schaduwrijke zitplaats verlaten en ging hem te

gemoet. Zonder iets te zeggen, nam zij de schaal aan, en dronk zij die

met welgevallen ledig tot den bodem. »Dank,” zeide zij, toen zij na het

gulzig drinken weder bij adem gekomen was. »Dat heeft mij goedgedaan!

Hoe frisch en hartig smaakte dat water! Maar uwe handen beven, en gij

zijt zoo verhit door het harde loopen voor mij, gij arme!”

Bij deze woorden zag zij hem aan met den innigen gloed, die er in hare

groote oogen lag, en stak hem hare rechterhand toe, die hij onstuimig

aan zijne lippen drukte.

»Laat dit,” zeide zij lachend. »Zie, daar komt de prinses met een

priester uit de hut van den onreine. Foei, wat hebt ge mij straks met

uwe vreeselijke woorden doen schrikken! Nu ja, ik gaf u grond om toornig

tegen mij te zijn; maar nu moet gij weer goed zijn, hoort ge, en ook

uwe moeder weer bij de mijne brengen. Geen woord meer! Ik wil toch eens

zien of neef Paäker mij gehoorzaamheid zal weigeren!”

Ondeugend hief zij den vinger tegen hem op; daarna weder ernstig

wordende, sprak zij met een blik, die Paäker smartelijk maar tevens met

een zalig gevoel tot in de ziel drong: »Kom, wees nu niet boos meer. Het

is zoo heerlijk als men lief voor elkaar is.”

Na deze woorden liep zij naar de hut van den Paraschiet, terwijl Paäker

beide handen tegen zijn borst drukte en in zich zelven zeide: »De drank

werkt; zij zal de mijne worden. Heb dank, hemelsche goden!” ― Doch dit

gebed, dat hij nooit verzuimde uit te spreken, wanneer hem eenig geluk

was wedervaren, stierf heden op zijne lippen weg. Hij zag zich zoo dicht

bij het doel zijner wenschen. Daar lag de tooverbron, waarnaar hij jaren

lang had gesmacht, voor zijne oogen. Nog enkele schreden en hij zou zich

kunnen drenken uit haar vollen stroom van liefde en haat te gelijk.

Terwijl hij de vrouw van Mena volgde en het fleschje met angstvallige

zorgvuldigheid in zijn gordel verborg, opdat toch geen enkel drupje

verloren mocht gaan van het kostbare vocht, dat hij, overeenkomstig

het voorschrift der oude, nog eens gebruiken moest, deden zich in zijn

boezem waarschuwende stemmen vernemen, waarnaar hij gewoon was te

luisteren als naar eene vaderlijke vermaning. Maar thans dreef hij er

den spot mede, en gaf hij aan de stemming die hem beheerschte zichtbaar

lucht, door met zijne rechterhand te zwaaien als een dronkaard, die, op

weg naar het wijnvat, een zedeprediker afweert. De hartstocht hield hem

nog zóo vast gevangen, dat de gedachte nauwelijks als een nevel in

zijne ziel kon oprijzen: den korten stond, waarin een braaf man tot een

misdadiger wordt, heb ik doorleefd. Hij had het tot hiertoe slechts

gewaagd zijn smachtend verlangen naar liefde en haat in de verbeelding

te bevredigen, het aan de godheid overlatende voor hem te handelen; doch

nu had hij zijne zaak de goden uit de hand genomen, en was hij tot daden

overgegaan, zonder hen, ja, huns ondanks. Daar gleed Hekt, de tooveres,

strijkelings langs hem heen, om de vrouw te zien, waarvoor zij den

liefdedrank had gegeven. Hij merkte haar op en schrikte. Het wijf

was weldra achter een rots verdwenen en prevelde: »Zie me daar eens

dien zesteenige! Het schijnt hem wel te bevallen in het erfdeel van

Assa”[64]!

[64] De zin dezer woorden wordt eerst later duidelijk. Vert.

Midden in het dal kwamen Nefert en de gids de prinses Bent-Anat tegen

en Pentaoer, die haar vergezelde. Toen de laatsten de hut van den

Paraschiet verlieten, bleven zij zwijgend tegenover elkander staan. De

koninklijke jonkvrouw drukte haar rechterhand op haar hart en dronk als

eene dorstige met diepe ademhaling de reine lucht van het bergdal in.

Het was alsof een centenaarslast van haar was afgewenteld, alsof zij

verlost was van een schrikkelijk gevaar. Eindelijk richtte zij het woord

tot haren metgezel, die ernstig naar den grond keek, en zeide: »Welk een

ure!”

De hooge gestalte van Pentaoer verroerde zich niet, maar hij boog

toestemmend zijn hoofd, als in een droom verzonken.

Bent-Anat zag hem nu voor het eerst in het volle daglicht, liet hare

groote oogen vol bewondering op hem rusten en vroeg dan: »Zijt gij

de priester, die mij gisteren, na mijn eerste bezoek in de hut, zoo

bereidvaardig voor rein hebt verklaard?”

»Ik ben het,” antwoordde Pentaoer.

»Ik heb uwe stem herkend en ben u dankbaar, want gij waart het, die mijn

moed hebt gesterkt, om, in weerwil van het verbod mijns zielzorgers,

den drang mijns harten te volgen en herwaarts te gaan. Gij zult mij

verdedigen, wanneer de andere mij zullen berispen!”

»Ik kwam echter hier om u onrein te verklaren.”

»Zoo zijt gij dan van meening veranderd?” vroeg Bent-Anat trotsch, en

trekken van minachting vertoonden zich om hare lippen.

»Ik volg een hooger gebod, dat beveelt de oude inzettingen als heilig

te handhaven. Wanneer de aanraking van een Paraschiet, zoo zegt men, de

dochter van Ramses niet verontreinigt, wien dan? Want is er iemand wiens

gewaad vlekkeloozer is dan het hare?”

»Maar die man daar is braaf, bij al zijne geringheid,” hernam Bent-Anat,

»braaf, ondanks den smaad die zijn dagelijksch brood is, gelijk eere het

onze! De negen groote goden mogen het mij vergeven, maar die daar woont

is liefderijk, vroom en moedig; hij bevalt mij. En gij, die gisteren

zijne bezoedelde aanraking met éen woord meendet te kunnen afwasschen,

wat geeft u aanleiding hem heden onder de melaatschen terug te stooten?”

»De vermaning van een verlicht man, om van de oude inzettingen geen

enkel gedeelte prijs te geven, omdat daardoor de keten, waaraan men toch

reeds begint te vijlen, rammelend uit elkaar zou kunnen vallen.”

»Zoo legt gij dus op mij den smet der onreinheid op grond van een

verouderde dwaling, terwille van de groote menigte, niet om de daad

die ik heb verricht? Gij zwijgt? Antwoord mij nu openhartig en naar

waarheid, wanneer gij werkelijk de man zijt waarvoor ik u tot hiertoe

heb gehouden. Antwoord mij, want het geldt de rust mijner ziel!”

Pentaoer haalde zwaar adem, daarna gaf hij zijn door twijfel gefolterd

gemoed lucht in deze diep gevoelde woorden, die eerst zacht, vervolgens

al luider werden gesproken: »Gij dwingt mij uit te spreken, wat ik

eigenlijk niet eens moest denken. Maar liever wil ik zondigen tegen de

gehoorzaamheid dan tegen de waarheid, de reine dochter van den zonnegod,

wier gelijkenis gij draagt, Bent-Anat. Of de Paraschiet onrein is door

zijne geboorte of niet, wie ben ik, dat ik zulk een vraagstuk zou

kunnen uitmaken? Doch ook ik heb evenals gij in hem een mensch

gezien van gelijke beweging als wij, wien dezelfde heilige en reine

gemoedsaandoeningen vervullen, die mij en de mijnen, u en ieder die van

eene moeder is geboren, aangrijpen en vaak zoo zalig stemmen. Ik geloof

dat de indruk van deze ure noch uwe noch mijne ziel bevlekt, maar

veeleer gelouterd heeft. Dwaal ik, dan moge de veelnamige godheid het

mij vergeven, wier adem ook in den Paraschiet leeft en zich beweegt,

zoowel als in u en mij, de godheid waarin ik geloof, en waaraan ik

steeds reiner en blijmoediger van hart mijne gebrekkige liederen wijden

wil, wanneer zij mij zal leeren, dat al wat leeft en ademt, wat weent en

jubelt, eene afbeelding is van haar reine wezen, en tot dezelfde vreugde

en dezelfde smart geboren.”

De dichter had zijne blikken ten hemel geslagen; thans ontmoetten

zij het fier en van blijdschap glinsterend oog der prinses, die hem

vrijmoedig haar rechterhand toestak. Pentaoer kuste deemoedig haar

gewaad. Zij sprak echter: »Niet alzoo! Leg zegenend uwe hand op de

mijne! Gij zijt een man en waarlijk een priester. Thans laat ik mij

gaarne de onreinheid welgevallen, want ook mijn vader wenscht, dat door

ons om den wil des volks de instellingen uit den ouden tijd, zoolang

men er nog aan hecht, in eere gehouden worden. Laat ons de goden

gemeenschappelijk bidden, dat zij deze arme schepsels van den banvloek

ontheffen. Hoe heerlijk zou het in de wereld zijn, wanneer de mensch

den mensch liet blijven, wat de onsterfelijke goden hem gemaakt

hebben! ― Maar daar staan Paäker en Nefert nog altijd te wachten midden

in de brandende zonnehitte. Volg mij!”

Zij ging met den priester vooruit, maar had nauwelijks eenige schreden

gedaan of zij keerde zich om en vroeg: »Hoe heet gij?”

»Mijn naam is Pentaoer.”

»Zijt gij dan de dichter van het Seti-huis?”

»Zoo noemen ze mij.”

Bent-Anat bleef nog een oogenblik staan en keek hem aandachtig aan, als

een bloedverwant, die wij voor het eerst van aangezicht tot aangezicht

zien, en zeide: »De goden hebben u buitengewone gaven geschonken, want

uw blik reikt verder en dringt dieper door dan die van andere menschen,

en gij verstaat de kunst om in woorden uit te drukken, wat wij slechts

gevoelen. Gaarne volg ik u!”

Pentaoer bloosde als een knaap en zeide, terwijl Paäker en Nefert hem en

zijne gezellin steeds naderkwamen: »Tot heden lag het leven voor mij als

in eene schemering, maar deze ure toont het mij anders. Ik heb er de

donkere schaduwzijde van leeren kennen, en,” voegde hij er zachtkens aan

toe, »de heldere lichtzijde tevens.”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 13 / 58 题