De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van
het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van
den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het
donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok
begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te
zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed
breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo
rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde
werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht;
de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de
schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken.
Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden
zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde
den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu
en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende,
om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit
de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen.
De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon
waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten
voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers
en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand
behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden
overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de
breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke
dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in
zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die
druk in de weer waren met het mora-spel[43]. Ettelijke matrozen lagen te
slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier
onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden
in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den
katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken.
Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar,
bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij
droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de
waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars
trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven
van Chennoe en Soean[44] waren aangekomen, naar de plaats waar de
grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers
goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout
niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door
een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo
goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven,
hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een
sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en
heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun
dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels,
die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der
insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun
weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden
van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij
duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen
en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop
werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de
zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte
lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier
belemmerde.
[43] Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met
eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het
aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat
telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door
de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen,
zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli
weergegeven in de =Leipziger Illustr. Zeitung=, 1852, s. 331, ff.
[44] Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den
eersten waterval.
Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het.
In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de
vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen
uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor
den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust
des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar
steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart
gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten,
van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den
ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er
op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede
menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen
vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen
schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug
afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine,
vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten
nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen.
Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee
bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op
hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den
hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat
zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte
schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone
koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand
hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid
uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen,
gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat
van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken
bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld.
Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van
Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen
door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet
gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke
waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle
daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op
eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje.
Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens
met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige
goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare
vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in
hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de
donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden
hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden
de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar
schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de
fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor
onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had
ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken
houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna
een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den
opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook
kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel,
zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten
maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde
landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het
erfdeel harer Semitische voorouders[45] en hetzelfde mocht ook gelden
van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden
doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde
plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan
de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang
prijkte[46]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met
gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare
vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig
fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd
opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van
paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde
borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van
aanzienlijke afkomst.
[45] Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het
schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn
wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen
neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.
[46] Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun
snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot
koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der
pharao’s gemist.
Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met
hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te
helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een
troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige
lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde
soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk
geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede
dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange
wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde,
gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de
schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand
verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de
dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste
onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik
in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers
werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet
deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over
onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die
voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en
soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne
kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der
middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres,
dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.
Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de
ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van
het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps
stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed.
Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige
hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de
teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en
zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van
dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens
zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u
vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel.”
»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons gevolg hier
achterlaten.”
Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg
van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne
draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed
om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde
en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met
mij gaan.”
De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de
rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij
matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert
moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar
staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had
gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en
geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand
aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had
de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene
buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd
waren[47], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.
[47] De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias
uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was
haar gewijd.
»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee
hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van
gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast
die rotsholte.”
Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de
vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een
heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo
saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen,
deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan.
Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was,
ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen.
Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep
de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut.”
Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij
zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat
zulk eene daad ons verontreinigen zou.”
Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon:
»Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet.”
De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden
vertoornen en u zelve....”
Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte
Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde
toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad
door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een
paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander
gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen
het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur
van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij
echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit
somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide.
Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte.
Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen
en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te
schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud
en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te
bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan
tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar
dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat
hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare
omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet
ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden
den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder
verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof,
rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk
een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te
keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze
hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk
vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des
te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke
hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om
verschooning vraagt.
De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom
niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee
lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar
binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door
ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog
nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De
aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het
deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw
neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert
lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van
voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster
zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van
een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op
een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten
bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud,
goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in
zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen
van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht
eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan
een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en
regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen,
wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd
trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen.
Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen,
golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot
op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje
gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat
naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde
doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd,
oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het
duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk
was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen
des konings niet zelden naar Thebe kwamen.
De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de
linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde
de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of
beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres
op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen
kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere
en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van
het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te
kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij
regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met
frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete
borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze
eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt,
om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze
blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden.
Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den
rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte
hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die
door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist
zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in
schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en
ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond
zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige
woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken
op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren
geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den
opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen,
dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen
door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met
tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden.
Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad
van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen
naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn
vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig
denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou
hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid
der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren
beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van
alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren
castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige
berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen
man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het
brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den
boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets
anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten,
verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger
geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren,
hield ook hij voor zoodanig.
Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk
openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun
beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48].
Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep
koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet
was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten,
waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in
een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig
gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van
allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als
Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht
van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met
weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die,
zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten
van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder
een in ’t wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?”
[48] Diodorus I, 91.
Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen
acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den
arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in
gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier
zonder ophouden wordt rondgewenteld.
»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich af. »Zeker
oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de
kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen
om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen
evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet
blijven met onuitwischbare vlekken?”
Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en ’s mans gelaat
scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem
schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het
hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik
op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog,
om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan,
begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen
hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in
dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij
lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel
achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op ’t
gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op
haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op
haar lijdend kind.
»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig
goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van
Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen
werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken,
hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne
reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar,” zoo ging hij denkend
voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de
borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!”
Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar
donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht
gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen
glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht
haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool
der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw
deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in
heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar
legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin
zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich
weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en
snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil
berustend en dankbaar zijn die onreinen toch,” dacht Pentaoer, en de
afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te
schieten. »Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch,
die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken
en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige ― en de godheid is
eeuwig ― is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet
lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan
woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra
openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des
verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den
lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid,
waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk
wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er
zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als
deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!”
Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het
arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van
zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld
regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te
noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en
die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken
verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden,
waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn
hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet
en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen
en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht
nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om
zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met
haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam.
Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid
des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk
eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses
zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet;
integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige
optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters
hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans
der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den
verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene
boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij
op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen
leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne
terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het
manneke. ’t Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als
zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester
vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was,
werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van
hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo
rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder
vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den
gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste
gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde
gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke
grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in
ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms
zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers
oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele
Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en
op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe
zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?”
Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte
lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met
eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch
deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden
onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde
der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen
waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij
stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een
behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele
handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor
bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind,
dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot
liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven
had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen.
Daarbij ― het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag
gebeuren ― weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en
verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses
den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en
gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij
uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!” en de uit de hut
gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de
glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en
in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos
lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw
verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide
klachten aanhieven.
Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit
visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed
hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses
beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat
voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het
hof heeft men wel wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men
zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning
bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te
plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men
hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk
een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de
moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade
wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen.”
Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze
alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat
bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de
heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen
opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was
er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken.
Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis
te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst,
en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om
bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den
pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van
de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke
gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om
zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De
artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij
gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te
kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met
liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare
hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar
toe: »Wat is zij schoon!”
De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te
glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en
als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar
kapsel en legde die op de borst van de kranke.
De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch
had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte
stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!”
De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast
het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u
zooveel smart veroorzaak.”
De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke
los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”
»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks
hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.
De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij
zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal
u verontreinigen.”
»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb
gedaan!”
»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De
hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst
vertraden! Daar, zie!” ― en hij nam den doek weg en wees op de groote
roode wond, ― »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne
kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede ― dáar!”
De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit
zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne
hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” riep hij met bevende stem, zich
zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart
zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet
opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied.
Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte
hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin
heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het
hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij
tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke
nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in
dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet
vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven
zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe
eigene ongerechtigheid!”
Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het
weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd
gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van
Pentaoer’s vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de
bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard,
priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw
is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet
opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet
mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een
kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet
vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij
de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar
haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het
noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt,
gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het
voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo
ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49], hoe zou ik het ook kunnen
zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in
aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik
verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50]. Trouwe plichtsvervulling
geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer
bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe
smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten
vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat
men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij
liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat
de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet;
maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik....”
[49] Amon, Moeth en Choensoe.
[50] „Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover
door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond
loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den
gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij
de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.
De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig
geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen:
»Arme man! Vergeef dan ook mij!”
De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij
antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij
uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut
ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden,
en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als
een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij
mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij
overvallen.”
»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen,
betrad de prinses uwe woning,” hernam Pentaoer.
»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare rekening
afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij
misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen
wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen
van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit
meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord
door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst
versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51], die den Nijl met
de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der
Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor
de hyena’s in het Noorderland.”
[51] Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt
bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd,
en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken
buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de
richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en
maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk
verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de
landengte van Suez.
Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd
der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere
vrouwen begonnen te klagen.
De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg
zacht: »Over wien klaagt gij?”
»Over uw armen vader,” zeide de oude.
Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid
misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij
is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat
hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond
den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het
oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop,
toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde.
Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde
hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor
grootvader, en oogzalf[52] voor u en mastiktakken[53], die gij zoolang
hebt moeten missen.”
[52] Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds
zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt
werd.
[53] De takken van den mastikboom worden nog heden, om den
aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De
oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men
kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.
Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter
als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend
ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met
dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde
langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk
ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad.
Maar ― daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij
dien los, een gouden ring rolde op den grond.
Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In
een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon
terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!”
»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige was
geweest van alles wat hier gebeurde.
»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl hij de
prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen
vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer
eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een
verworpeling, laat mij u dan zegenen.”
»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen
ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke
zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het
voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf
Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten.