VIJFDE HOOFDSTUK.

De nacht, waarin de prinses Bent-Anat met haar gevolg aan de poort van

het Seti-huis had geklopt, was voorbijgegaan. De geurige frischheid van

den vroegen morgenstond werd reeds vervangen door een gloed, die het

donkerblauw onbewolkt hemelgewelf als eene sterk verhitte stalen klok

begon uit te stralen. Het menschelijk oog was niet meer in staat op te

zien naar dien kolossalen vuurbol in de hoogte, die zijn stralen deed

breken in het fijne blinkende stof, dat heen woei over de aan graven zoo

rijke helling van het gebergte, waardoor de doodenstad aan de westzijde

werd afgesloten. De kalkrotsen weerkaatsten een verblindend licht;

de atmosfeer trilde, gelijk de verhitte lucht boven een gasvlam; de

schaduwen werden steeds kleiner, maar des te scherper hare omtrekken.

Alle dieren, die wij aan den avond de Nekropolis zagen bevolken, hadden

zich in hunne schuilhoeken teruggetrokken. De mensch alleen trotseerde

den gloed van den zomerdag. Onverpoosd verrichtte hij zijn dagwerk, nu

en dan voor eenige oogenblikken zijn gereedschap uit de hand leggende,

om een weinig adem te scheppen, wanneer een verkwikkende luchtstroom uit

de richting van den sterk gezwollen vloed zijne slapen kwam afkoelen.

De haven, waar de vaartuigen die van het oostelijk-Thebe kwamen, gewoon

waren te landen, was opgevuld met feestelijk getooide barken en booten

voor het verkeer bestemd. De manschappen van die booten, roeiers

en stuurlieden van aanzienlijke afkomst, die tot den priesterstand

behoorden, namen een weinig rust, want de gasten, die zij hadden

overgezet, gingen thans in lange optochten naar de graven. Onder de

breede schaduw van eene sykomore had een koopman in eetwaren, geestrijke

dranken en azijn om het water te verkoelen, zijn tafel opgeslagen, en in

zijne nabijheid schreeuwden en kibbelden schippers en opzichters, die

druk in de weer waren met het mora-spel[43]. Ettelijke matrozen lagen te

slapen, deels op het dek hunner vaartuigen, deels aan den oever, hier

onder het weinig beschuttend bladerendak van een palmboom, dáar midden

in de zon, voor welker stralen zij zich wisten te beschutten door den

katoenen doek, die hun tot mantel diende, over het gezicht te trekken.

Tusschen dezen wandelden in lange rijen, éen voor éen achter elkaar,

bruine en zwarte lijfeigenen en slaven, gebogen onder zware lasten. Zij

droegen wat aan de tempels geleverd moest worden, de offergaven en de

waren, die door de handelaars in de Nekropolis waren besteld. Metselaars

trokken op sleden de vierkante steenblokken, die uit de groeven

van Chennoe en Soean[44] waren aangekomen, naar de plaats waar de

grondslagen waren gelegd voor een nieuwen tempel. Eenige handlangers

goten water onder de sleden, opdat het zwaar belaste uitgedroogde hout

niet door de wrijving mocht ontvlammen. Al deze werklieden werden door

een opzichter met stokken voortgedreven. Allen zongen bij den arbeid zoo

goed zij konden, doch ook de stemmen dergenen die den toon aangaven,

hoewel zij zich des avonds luid genoeg deden hooren, wanneer na een

sober maal de tijd der rust was aangebroken, klonken thans dof en

heesch. De schier verdroogde stembanden weigerden tegen den middag hun

dienst. Dichte zwermen van muggen volgden en plaagden de arme schepsels,

die echter even ongevoelig schenen te zijn voor de steken der

insekten als voor de slagen hunner aanvoerders. De hitte bleek al hun

weerstandbiedende kracht te hebben gebroken. Als de muggen in het midden

van de doodenstad hen verlieten, kwamen de vliegen en wespen, die bij

duizenden gonsden rondom de slachtbanken, gaarkeukens, vischbakkerijen

en de winkels waar vleesch, groenten, honig, gebak en drank te koop

werden geboden. Het ging daar levendig toe, niettegenstaande de

zonnegloed tegen den middag ondraaglijker werd, en de sterk verhitte

lucht, verzadigd van stof en allerlei geuren, de ademhaling schier

belemmerde.

[43] Het Latijnsche „micare digitis.” Een der spelers steekt met

eene snelle beweging enkele vingers op, en de anderen moeten het

aantal raden. Het was een geliefd spel der Egyptenaars, dat

telkens op afbeeldingen voorkomt. Nog wordt dit vingerspel door

de volken van Zuid-Europa dikwijls gespeeld. De voorstellingen,

zooals wij ze op de gedenkteekenen vinden, heeft Minutoli

weergegeven in de =Leipziger Illustr. Zeitung=, 1852, s. 331, ff.

[44] Het Syëne der Grieken, tegenwoordig Assoean, bij den

eersten waterval.

Hoe dichter men de Libysche bergen naderde, des te stiller werd het.

In het breede noordwestelijke dal, aan welks zuidelijke helling de

vader van den thans regeerenden koning eene diepe grafkamer had doen

uithouwen, en waar de steenhouwers reeds bezig waren een rotsgraf voor

den tegenwoordigen pharao in gereedheid te brengen, heerschte de rust

des doods. Een pas aangelegde rijweg voerde naar deze rotskloof met haar

steile gele en bruine wanden, waarop de zon enkele plekken had zwart

gezengd, en die als de in den nacht uit de graven opstijgende geesten,

van hun schaduw schenen beroofd te zijn. Rotsblokken vormden aan den

ingang van dit dal eene soort van poort. Ondanks de middaghitte, ging er

op dit oogenblik eene kleine schaar van meerendeels schitterend gekleede

menschen doorheen. Vier opgeschoten knapen of jongelingen liepen

vooruit. Hunne eenige kleeding bestond in een om de lendenen geslagen

schort en een met gouddraad doorwerkten hoofddoek, die tot den rug

afhing. De zonnestralen spiegelden zich in de gladde, roodbruine,

vochtige huid van deze stafdragers, wier veerkrachtige naakte voeten

nauwelijks met de steenen van den bodem in aanraking schenen te komen.

Zij werden gevolgd door een sierlijken tweewielige wagen, waarvoor twee

bruine paarden lustig draafden, terwijl roode en blauwe vederbossen op

hunne koppen wiegelden. Hunne edele houding, de fiere buiging van den

hals en de rustelooze beweging der staarten scheen te verraden, dat

zij trotscher waren op de rijk met zilver, blauw en purper bestikte

schabrakken en de gouden sieraden die hen tooiden, dan op de schoone

koninklijke maagd, Bent-Anat, de dochter van Ramses, wier kleine hand

hen leidde met bijna onmerkbare bewegingen, terwijl het minste geluid

uit haar mond hen de dunne ooren deed opsteken. Twee jonge mannen,

gekleed als de voorloopers, volgden den wagen, en beschermden het gelaat

van hun gebiedster tegen de zonnestralen met breede aan lange stokken

bevestigde waaiers, die uit sneeuwwitte struisvederen waren saamgesteld.

Zoolang de breedte van den weg het toeliet, werd Nefert, de gemalin van

Mena, in haar vergulden draagstoel aan de zijde van Bent-Anat gedragen

door acht roodbruine mannen, die in snellen regelmatigen loop niet

gewoon waren onder te doen voor de dravende rossen en de slanke

waaierdragers. Beiden vrouwen, die wij nu voor het eerst in het volle

daglicht kunnen beschouwen, waren buitengemeen schoon, maar elke op

eene andere wijze. De vrouw van Mena zag er nog uit als een meisje.

Onder de lange wimpers keken een paar groote ovale oogen uit, nu eens

met verwondering, dan weer droomerig. Hare nauwelijks middelmatige

goedgevormde gestalte was meer gevuld geworden, zonder iets van hare

vroegere sierlijkheid te verliezen. Er vloeide geen drupje bloed in

hare aderen, dat niet zuiver Egyptisch was, gelijk blijken kon uit de

donkere huidkleur van frisch en gelijkmatig incarnaat, die het midden

hield tusschen helder goudgeel en donkerbruin, welke kleur nog heden

de Abessinische meisjes zoo schoon staat. Ook haar rechte neus, haar

schoongevormd voorhoofd, haar gladde ravenzwarte haren, benevens de

fijnheid der met gouden banden getooide polsen en enkels, waren hiervoor

onloochenbare bewijzen. De maagdelijke koningsdochter daarentegen had

ter nauwernood den leeftijd van negentien jaren bereikt; toch spraken

houding en gelaat van meer vrouwelijk zelfbewustzijn. Zij was bijna

een hoofd langer dan hare vriendin. Haar huidkleur was lichter. In den

opslag harer goedige heldere blauwe oogen lag iets dweperigs, maar ook

kloek verstand en vaste wil. Zij had een edel fijn besneden profiel,

zóo gelijk aan dat haars vaders, als een schoon landschap in den zachten

maneschijn, die de scherpe lijnen afrondt, vergeleken bij hetzelfde

landschap in den helderen middagglans. Haar zacht gebogen neus was het

erfdeel harer Semitische voorouders[45] en hetzelfde mocht ook gelden

van haar dicht zachtgolvend donkerbruin hoofdhaar dat nu door een zijden

doek met blauwe en witte strepen was gedekt. De zorgvuldig gelegde

plooien werden saamgehouden door een gouden band, in het midden waarvan

de met een robijnen schijf gekroonde kop van een gehoornde Uraeusslang

prijkte[46]. Van den linkerslaap van het hoofd hing eene zware met

gouddraad doorweven vlecht tot op de borst af, als teeken van hare

vorstelijke geboorte. Zij droeg een purperen kleed van bijna doorzichtig

fijn weefsel, dat door een gouden gordel en breede draagbanden werd

opgehouden. Om haar hals hing, gelijk een breede kraag, een halsband van

paarlen en kostbare edelgesteenten, die neerviel op haar schoon gevormde

borst. Achter de prinses stond haar wagenmenner, een oud krijgsman van

aanzienlijke afkomst.

[45] Er zijn van Ramses vele portretten bewaard gebleven, het

schoonste is wel zijn voortreffelijk standbeeld, dat te Turijn

wordt bewaard. In dat profiel, met den schier onmerkbaar gebogen

neus, heeft men eenige gelijkenis met Napoleon meenen te zien.

[46] Een gevaarlijk soort van giftslangen in Egypte. Wegens hun

snelwerkende macht over leven en dood, werden zij gekozen tot

koninklijk symbool. De Uraeusslang wordt aan geen diadeem der

pharao’s gemist.

Achter de vorstelijke vrouwen nu volgden drie draagstoelen met

hofbeambten, twee in elke, en verder een twaalftal slaven, gereed om te

helpen, zoo vaak dit noodig mocht zijn. De trein werd gesloten door een

troep stokdragers, ten einde de tragen voort te drijven, en door eenige

lichtgewapende, slechts met een schort en een hoofddoek gekleedde

soldaten. Zij droegen in den gordel een zwaard, dat veel op een dolk

geleek, eene bijl in de rechter en, ten teeken dat zij enkel in vrede

dienst deden, een palmtak in de linkerhand. Kleine meisjes in lange

wijde kleederen zwermden om den stoet, die in snellen draf voortijlde,

gelijk dolfijnen om een zeeschip. Zij droegen waterkruikjes op de

schrandere kopjes, om op een wenk bij de hand te zijn, zoodra iemand

verlangde te drinken. Met de vlugheid van gazellen vlogen zij vaak de

dravende paarden vooruit, en het was de moeite waard bij de grootste

onder haar de sierlijke buiging op te merken van den arm, die de kruik

in evenwicht hield. De hovelingen, die evenzeer door luchtige waaiers

werden overschaduwd en afgekoeld, zoodat de middaghitte zich bijna niet

deed gevoelen, spraken onder elkander met rustige langwijligheid over

onverschillige onderwerpen. De prinses beklaagde hare paarden, die

voortdurend werden geplaagd door lastige horsels, terwijl voorloopers en

soldaten, de dragers van waaiers en draagstoelen, de kinderen met hunne

kruikjes en kuchende huisslaven, gedwongen waren onder de stralen der

middagzon hunne krachten zóo in te spannen in dienst hunner meesteres,

dat hunne pezen dreigden te springen en hunne longen te bersten.

Ter plaatse waar de weg wat breeder werd, waar aan de rechterzijde de

ingang was tot het sterk gebogen zijdal, waarin de laatste koningen van

het onttroonde koningshuis begraven waren, hield de trein eensklaps

stil, en wel op een teeken van Paäker, die de prinses te gemoet reed.

Hij mende zijne vurige zwarte Syrische paarden met zulk een stevige

hand, dat het bloedig schuim van hun gebit droop. Nadat de Mohar de

teugels aan een dienaar had overgegeven, sprong hij van den wagen en

zeide na de gewone plichtplegingen: »Hier, in dit dal is het nest van

dat afzichtelijk slag van menschen, waaraan gij, prinses, voornemens

zijt zulk een hooge eer te bewijzen. Vergun mij, dat ik als gids u

vooruitrijd. Wij zijn binnen weinige minuten aan ons doel.”

»Dan zullen wij te voet gaan,” zeide de prinses, »en ons gevolg hier

achterlaten.”

Paäker boog. Bent-Anat wierp haar wagenmenner de teugels toe en steeg

van den wagen. De vrouw van Mena en de hovelingen verlieten hunne

draagstoelen. Reeds maakten de waaierdragers en kamerheeren zich gereed

om hunne meesteres in het dwarsdal te geleiden, toen zij zich omwendde

en beval: »Gij blijft terug, allen; alleen Paäker en Nefert zullen met

mij gaan.”

De prinses vloog met haastige schreden over den effen bodem van de

rotskloof, waarin de zonnestralen schier loodrecht nedervielen; zij

matigde echter haren tred, zoodra zij bemerkte, dat de zwakkere Nefert

moeite had haar te volgen. Bij eene bocht van den weg bleef de Mohar

staan. Ook Bent-Anat en Nefert gingen niet verder. Geen van beiden had

gedurende deze wandeling een woord gesproken. Het dal was doodstil en

geheel verlaten. Op den uitersten rand van den loodrechten bergwand

aan de rechterzijde, zat eene lange rij gieren, bewegingloos, als had

de middaghitte de kracht hunner vleugels verlamd. Paäker maakte eene

buiging voor de dieren, die aan de groote godin van Thebe geheiligd

waren[47], en de beide vrouwen deden zwijgend evenals hij.

[47] De godin Moeth, die met Amon en Choensoe een trias

uitmaakt. Het groote rijksheiligdom, de tempel van Karah, was

haar gewijd.

»Dáar,” sprak Mohar kortaf, terwijl hij met den vinger wees op twee

hutten, die vlak tegen den linkerwand van het dal uit tegels van

gedroogd Nijlleem waren gebouwd, »dáar, die er het best uitziet, naast

die rotsholte.”

Bent-Anat liep met een kloppend hart naar deze stulp. Paäker liet de

vrouwen vooruitgaan. Nog weinige schreden en zij stonden voor een

heining, ruw uit rietstaven, palmtakken, doornstruiken en maïsstroo

saamgevlochten. Hartverscheurende jammerkreten, die uit de hut kwamen,

deden de lucht trillen, zoodat de vrouwen huiverden verder te gaan.

Nefert beefde en klemde zich vast aan hare vriendin, die sterker was,

ofschoon zij meende ook het hart der prinses sneller te hooren kloppen.

Beiden stonden enkele oogenblikken als aan den grond genageld; toen riep

de prinses den Mohar en zeide: »Ga gij ons voor in de hut.”

Paäker antwoordde, zich diep buigende: »Ik zal den man roepen. Wij

zullen het immers niet wagen zijn drempel te overschrijden? Gij weet dat

zulk eene daad ons verontreinigen zou.”

Nefert zag Bent-Anat smeekend aan; deze sprak echter op bevelenden toon:

»Ga mij voor, ik vrees zulk eene verontreiniging niet.”

De Mohar bleef nog altijd dralen, en vroeg: »Wilt gij de goden

vertoornen en u zelve....”

Doch de prinses gunde hem geen tijd om uit te spreken; zij wenkte

Nefert, die verbaasd een afwerend gebaar met de handen maakte, haalde

toen de schouders op, liet hare gezellin bij den Mohar achter, en trad

door eene opening in de heg een kleinen tuin binnen. Daar lagen een

paar bruine geiten; er stond een ezel met de voorpooten aan elkander

gebonden, en eenige kippen, die vruchteloos naar voeder zochten, liepen

het stof op te krabbelen. Weldra stond zij alleen voor de geopende deur

van de hut, waarin de Paraschiet woonde. Niemand merkte haar op, zij

echter kon hare oogen, aan pracht en orde gewoon, niet afwenden van dit

somber maar zoo eigenaardig tooneel, dat thans haar gansch en al boeide.

Eindelijk naderde zij de deur, die te laag was voor hare hooge gestalte.

Haar hart kromp ineen; zij had wel gewenscht zich te kunnen verkleinen

en onkenbaar maken door het gewaad van een bedelaar, in plaats van te

schitteren met prachtige sieraden. Of stond zij niet gereed met goud

en edelgesteenten behangen deze stulp te betreden, als om den arme te

bespotten, gelijk een tyran, die, terwijl hij zich zit te vergasten aan

tafels, die schier bezwijken onder den last der spijzen, den bedelaar

dwingt toe te zien? Het kon hare fijngevoelige ziel niet ontgaan, dat

hare verschijning aan deze plaats in bittere disharmonie was met hare

omgeving. Deze wanklank deed haar pijnlijk aan, want zij mocht zich niet

ontveinzen, dat ellende en uiterlijke geringheid hier het recht hadden

den boventoon te voeren, en dat al hare heerlijkheid geen bijzonder

verheven figuur zou maken onder al die nietigheden, te midden van stof,

rook en jammer, ja zeer onevenredig en ergerlijk zou uitsteken, gelijk

een reus onder dwergen. Zij was echter reeds te ver gegaan om terug te

keeren, hoe gaarne zij het ook gedaan had. Hoe langer zij in deze

hut keek, des te dieper gevoelde zij de onmacht van haar vorstelijk

vermogen, het onbeduidende der rijke gaven, die zij met zich bracht; des

te meer werd zij overtuigd, dat zij den stoffige bodem dezer armelijke

hut niet betreden mocht dan in alle deemoed en als eene die om

verschooning vraagt.

De ruimte, die zij gemakkelijk kon overzien, was laag, maar daarom

niet klein, en werd spaarzaam en zeer onregelmatig verlicht door twee

lichtstroomen, die elkander kruisten. De eene viel door de deur naar

binnen, de andere baande zich een weg door eene opening in de door

ouderdom zeer bouwvallige zoldering van het vertrek, dat zeker nog

nooit zoovele en zoo verschillende gasten had geherbergd als heden. De

aandacht van alle aanwezigen werd getrokken door eene groep, die bij het

deurlicht helder uitkwam. Op den stoffigen vloer zat eene oude vrouw

neergehurkt, met verweerde donkere gelaatstrekken en verwarde sedert

lang vergrijsde haren. Haar zwart-blauw katoenen kleed of hemd was van

voren open, en liet op de verdroogde borst eene blauwe getatoueerde ster

zien. Met hare handen steunde zij het in haar schoot rustend hoofd van

een meisje, dat met het slanke lichaam bewegingloos lag uitgestrekt op

een smallen versleten mat. De kleine blanke voeten van de kranke raakten

bijna aan den drempel van de deur. Naast haar zat op den grond een oud,

goedig man, slechts met een grof lendekleed bedekt. Hij scheen in

zichzelf gekeerd, doch nu en dan boog hij zich voorover, om de voetzolen

van het meisje met zijne magere handen te wrijven, terwijl hij zacht

eenige woorden bij zichzelf sprak. De kleine lijderes droeg niets dan

een kort rokje van grove helderblauwe stof. Haar gelaat was teeder en

regelmatig gevormd. Zij hield de oogen half gesloten, als kinderen,

wanneer een lieflijke droom hunne zielen vervult; doch van tijd tot tijd

trok zij de fijn besneden lippen smartelijk bijna krampachtig samen.

Dicht zacht rood-blond haar, waarin enkele verdorde bloemen hingen,

golfde ordeloos van haren schedel in den schoot der oude vrouw en tot

op de mat waarop zij nederlag. Hare blanke wangen waren door een blosje

gekleurd, en zoo vaak de jonge arts Nebsecht, die aan hare zijde zat

naast zijn blinden sombere litanieën zingenden metgezel, het gescheurde

doek, over haar maagdelijken door het wagenrad gekwetsten boezem gelegd,

oplichtte, of wanneer zij haar teederen arm omhoog hief, bleek het

duidelijk, dat zij in hare schitterend blanke huidkleur niet ongelijk

was aan de dochters van het Noorderland, die onder de krijgsgevangenen

des konings niet zelden naar Thebe kwamen.

De beide uit het Seti-huis hierheen gezonden heelmeesters zaten aan de

linkerzijde van het meisje op een klein tapijt. Van tijd tot tijd legde

de een of de ander zijn hand op de plaats van het hart der lijderes, of

beluisterde hare ademhaling, of opende het medicijnkastje, om de compres

op de wond met een witachtig geneesmiddel te bevochtigen. In wijderen

kring, dicht bij de wanden van het vertrek, hadden zich eenige jongere

en oudere vrouwen op den grond neergezet. Het waren de vriendinnen van

het Paraschieten-gezin, die nu en dan door gillende jammerkreten te

kennen gaven, hoe diep hun medelijden was. Een van haar stond bij

regelmatige tusschenpoozen op, om een aarden bekken naast de artsen, met

frisch water te vullen. Zoo vaak de kou van eene nieuwe compres de heete

borst van de kranke deed huiveren, sloeg zij de oogen op, richtte ze

eerst als verwonderd, daarna met vromen eerbied naar een bepaald punt,

om ze echter terstond weder voor een langen tijd te sluiten. Deze

blikken waren tot hiertoe niet opgemerkt door hem, wien ze golden.

Pentaoer stond in zijn lang wit priesterkleed geleund tegen den

rechterwand, wachtende op de komst der prinses. Met zijn schedel raakte

hij bijna de zoldering van het vertrek, en de smalle lichtstralen, die

door de gleuf in de zoldering naar binnen vielen, verlichtten juist

zijn welgevormd hoofd en zijne borst, terwijl alles wat hem omgaf in

schemerachtig donker was gehuld. Wederom sloeg de kranke de oogen op en

ditmaal ontmoette zij den blik van den jongen priester, die terstond

zijn hand ophief en half werktuigelijk met fluisterende stem eenige

woorden van zegen sprak. Maar aanstonds staarde hij weder onafgebroken

op den grond, geheel in zijne eigene gedachte verzonken. Eenige uren

geleden was hij reeds gekomen om, gehoorzaam aan het bevel van den

opperpriester Ameni, de prinses duidelijk aan het verstand te brengen,

dat zij zich bezoedelde door de aanraking van een Paraschiet, en alleen

door tusschenkomst des priesters hare reinheid terug kon erlangen. Met

tegenzin had hij den drempel van deze armzalige hut overschreden.

Loodzwaar drukte hem de gedachte, dat juist hij was gekozen om eene daad

van edele menschlievendheid te brandmerken, en de misdadige te verwijzen

naar den straffenden rechter. Pentaoer had door den omgang met zijn

vriend Nebsecht vele banden verbroken, die zijn geest knelden, en menig

denkbeeld in zich opgenomen, dat zijn meester zondig en oproerig zou

hebben verklaard. Toch had hij nog zekeren eerbied voor de heiligheid

der oude inzettingen, waardoor zij beschermd werden, die hij had leeren

beschouwen als de door de godheid zelve geroepene uitdeelers van

alle geestelijke zegeningen. Bovendien was hij niet vrij van zekeren

castentrots, van een geestelijken hoogmoed, die uit verstandige

berekening bij de priesters werd aangewakkerd. Hij stelde den gemeenen

man, die zijne lichaamskrachten inspant om door eerlijken arbeid het

brood voor de zijnen te verdienen, den koopman, den handwerker, den

boer, ja zelfs den krijgsman en vooral de leegloopers, die voor niets

anders leefden dan voor de bevrediging hunner zinnelijke lusten,

verre beneden de mannen van zijn stand, die streefden naar een hooger

geestelijk doel. Zij die door de wet als onrein gebrandmerkt waren,

hield ook hij voor zoodanig.

Kon het wel anders? Zij die bij het balsemen der afgestorvenen het lijk

openden, waren uit de maatschappij gebannen, omdat zij door dit hun

beroep zich vergrepen aan het lichaam, den heiligen tempel der ziel[48].

Men vergete echter niet, dat geen Paraschiet vrijwillig zijn beroep

koos. Het erfde van den vader over op den zoon, en wie als Paraschiet

was geboren, had geleerd, dat hij eene oude schuld moest boeten,

waarmede zijne ziel was bezwaard in eene vroegere periode, toen zij in

een ander lichaam huisde, en waardoor zij na den dood niet had zalig

gesproken kunnen worden. Die ziel had voortgeleefd in de lichamen van

allerlei dieren, om nu eindelijk eene nieuwe loopbaan te beginnen als

Paraschieten-kind, en straks zich opnieuw te stellen voor het aangezicht

van den rechter der onderwereld. Geen wonder dus dat Pentaoer met

weerzin het verblijf van den verachten man was binnen gegaan, die,

zoodra hij den priester zag naderen en zich nederzetten aan de voeten

van de kleine lijderes, met eenige verbazing had uitgeroepen: »Al weder

een in ’t wit gekleede! Wascht dan het ongeluk den onreine rein?”

[48] Diodorus I, 91.

Pentaoer had den oude geen antwoord gegeven, en deze sloeg verder geen

acht op hem, want hij wreef de voetzolen van de zieke op bevel van den

arts, en vol teedere bezorgdheid bleven zijne handen onvermoeid in

gestadige beweging, als een scheprad, dat door den stroom der rivier

zonder ophouden wordt rondgewenteld.

»Wascht het ongeluk den onreinen rein?” vroeg Pentaoer zich af. »Zeker

oefent het een reinigenden invloed. Zou de godheid die aan het vuur de

kracht verleende om het metaal te louteren, en aan den wind het vermogen

om den hemel van wolken te zuiveren, wel gewild hebben, dat haar eigen

evenbeeld, een mensch, van zijne geboorte tot zijn dood, besmet moet

blijven met onuitwischbare vlekken?”

Hij zag bij die gedachte den Paraschiet eens aan, en ’s mans gelaat

scheen op dat van zijn vader te gelijken. Deze opmerking deed hem

schrikken. Doch toen hij waarnam, dat de vrouw in wier schoot het

hoofd van het arme meisje rustte, angstig als eene duif, die een havik

op haar ziet afkomen, zich over de gewonde borst van de kranke heenboog,

om haar ademhaling te beluisteren, zoo vaak deze scheen stil te staan,

begon hij zich eene ure uit zijne eigene kindsheid te herinneren, toen

hij, door de koorts aangegrepen, op zijn bedje had gelegen. Wat er in

dien tijd met hemzelf en in zijne omgeving was voorgevallen, had hij

lang vergeten. Maar éen beeld had een diepen indruk op zijne ziel

achtergelaten; het was dat zijner moeder, dat met den doodsangst op ’t

gelaat boven hem scheen te zweven, wier oogen zoo teeder en bezorgd op

haar kranken zoon hadden neergezien, als die der gevloekte vrouw op

haar lijdend kind.

»Daar is dan toch eene zelfverloochenende, volmaakt reine, waarachtig

goddelijke liefde,” zeide hij bij zichzelf, »en dat is de liefde van

Isis voor Horus, van de moeder voor haar kind. Indien deze menschen

werkelijk zóo onrein waren, dat alles wordt bezoedeld wat zij aanraken,

hoe zou dan dit zoo zuiver teeder en heilig gevoel bij hen zijne

reinheid en schoonheid kunnen bewaren? Maar,” zoo ging hij denkend

voort, »de hemelsche goden hebben toch ook de moederliefde gelegd in de

borst van eene leeuwin en van het typhonisch nijlpaard!”

Met weemoed beschouwde hij de Paraschieten-vrouw. Daar zag hij hoe haar

donker aangezicht zich van de lijderes afwendde. Zij had haar ademtocht

gehoord, en de rimpels van haar gelaat vertrokken zich tot een zaligen

glimlach. Zij knikte eerst den heelmeester en toen met een diepen zucht

haar man toe. De laatste hield zijne linkerhand niet van de voetzool

der kranke af, doch hij hief de rechter biddend omhoog, en zijne vrouw

deed hetzelfde. Het was Pentaoer als zag hij de zielen van die beiden in

heilige gemeenschap boven dat kind zweven, dat hunne handen in elkaar

legde; en wederom dacht hij aan het ouderlijk huis en de ure, waarin

zijn lief eenig zustertje gestorven was. Toen had zijne moeder zich

weenend op het bleeke kind geworpen, doch zijn vader stampvoette en

snikte, en sloeg zich met de vuist voor het voorhoofd. »Hoe stil

berustend en dankbaar zijn die onreinen toch,” dacht Pentaoer, en de

afkeer van de inzetting der vaderen begon in zijn gemoed wortel te

schieten. »Ja, de hyena’s kennen ook de moederliefde, maar de mensch,

die zijn geest richt op het edelste, kan alleen de godheid zoeken

en vinden. Tot aan de grenzen van het oneindige ― en de godheid is

eeuwig ― is den dieren het denkvermogen ontzegd; zij kunnen zelfs niet

lachen. De mensch kan het ook niet in zijne eerste levensdagen, want dan

woont er nog slechts levenskracht, een dierlijke ziel in hem. Weldra

openbaart zich in hem een deel der wereldziel, want het licht des

verstands begint te schemeren. Het komt allereerst te voorschijn in den

lach van het kind, die niet minder rein is als het licht en de waarheid,

waaruit zij voortkomt. De kleine van een Paraschiet lacht evenals elk

wezen uit eene vrouw geboren. Maar hoe weinig oude menschen zijn er

zelfs onder de ingewijden, die nog zoo rein en zalig kunnen lachen als

deze oude vrouw, die onder het bitterst leed is vergrijsd!”

Diep medelijden begon Pentaoers hart te vervullen. Hij knielde naast het

arme kind neder, hief zijne armen op en bad uit den diepsten grond van

zijn hart tot den Eenige, die den hemel had geschapen en de wereld

regeert, den Eenige, wiens naam het heilig mysterie hem verbood te

noemen! dus niet tot de tallooze goden die het volk vereerde, en

die voor hem niets waren dan vermenschelijkte en zoo voor de leeken

verstaanbaar gemaakte eigenschappen van dien éénen god der ingewijden,

waartoe ook hij behoorde. In hartstochtelijke beweging richtte hij zijn

hart tot God, doch hij bad niet voor het dochtertje van den Paraschiet

en hare genezing, maar voor het geheele geslacht dezer verworpelingen

en zijne verlossing van den ouden banvloek; hij bad dat er licht mocht

nederdalen in zijn twijfelend gemoed, dat hij kracht mocht ontvangen om

zijne moeielijke taak verstandig te volbrengen. De kranke volgde hem met

haren blik, toen hij zijne vroegere plaats weder innam.

Het gebed had den jongen priester goed gedaan en hem de blijmoedigheid

des geestes wedergegeven. Hij begon nu bij zichzelf te overleggen, welk

eene houding hij moest aannemen, als hij straks tegenover de prinses

zou staan. Hij had Bent-Anat gisteren niet voor het eerst ontmoet;

integendeel, dikwijls had hij haar in de Nekropolis gezien bij plechtige

optochten en hooge feesten, en evenals al zijne jeugdige medepriesters

hare trotsche schoonheid bewonderd, bewonderd evenals den glans

der onbereikbare sterren, of van het gloeiend avondrood aan den

verren horizon. Thans moest hij deze vrouw te gemoet gaan met eene

boetpredikatie. Hij stelde zich het oogenblik voor waarin hij

op haar zou toetreden, en kon niet laten daarbij aan zijn kleinen

leermeester Choefoe te denken, die hem als knaap uit de laagte zijne

terechtwijzingen toeriep, daar hij wel twee hoofden langer was dan het

manneke. ’t Is waar, hij was groot en slank, maar het scheen toch als

zou hij heden tegenover Bent-Anat de potsierlijke rol van zijn meester

vervullen. De komische snaar zijner ziel, die zeer gevoelig bij hem was,

werd nu aangedaan, en wilde ook gehoord worden, na zooveel uren van

hoogen ernst, terwijl zooveel treurigs hem omringde. Het leven is zoo

rijk aan tegenstellingen, en een mensch, die van nature bijzonder

vatbaar is voor indrukken, zou bezwijken, evenals een brug onder den

gelijkmatigen stap van soldaten, wanneer het gewicht van de verhevenste

gedachten en van een gevoel dat hem overweldigt, met onverstoorde

gelijkmatigheid op hem bleef werken. Maar evenals in de muziek elke

grondtoon zijn neventonen heeft, zoo trillen er ook andere snaren in

ons hart, wanneer wij eene enkele geruimen tijd doen klinken, en soms

zulke, waarvan wij dit het minst verwacht zouden hebben. Pentaoers

oogen dwaalden door het eenige sombere vertrek, waaruit de geheele

Paraschieten-hut bestond. De gansche ruimte was met menschen gevuld, en

op eens, als een bliksemstraal, vloog de gedachte door zijn hoofd: »hoe

zal de prinses met haar geheele gevolg hier plaats vinden?”

Pentaoer had eene levendige verbeeldingskracht, die bij deze gedachte

lustig aan het werk ging. Hij zag hoe de dochter van den pharao, met

eene schitterende kroon op het trotsche hoofd, niet zonder gedruisch

deze stille nederige woning binnenkwam; hoe de hovelingen haar volgden

onder druk gesnap, en de vrouwen van den muur, de artsen van de zijde

der kranke, ja zelfs de witte glimmende kat van de kast zouden dringen

waarop zij zat. Wat eene vreeselijke verwarring zou dat zijn! Daarbij

stelde hij zich voor, hoe de opgeprikte heeren en vrouwen zich op een

behoorlijken afstand zouden houden van den onreinen, hoe zij de poezele

handen stijf voor neus en mond zouden drukken, en den oude in het oor

bijten, op welke wijze hij zich te gedragen had jegens het koningskind,

dat zich verwaardigde hem te bezoeken. De oude moest het in haren schoot

liggend hoofd, de Paraschiet de voeten, die hij zoo zorgvuldig gewreven

had, loslaten en opstaan, om voor Bent-Anat het stof te kussen.

Daarbij ― het was of de jonge priester dit alles werkelijk zag

gebeuren ― weken de hovelingen angstig terug, vielen over elkander, en

verdrongen zich in een hoek van het vertrek. Eindelijk wierp de prinses

den vader, de moeder, mogelijk ook het dochtertje eenige zilveren en

gouden ringen in den schoot, en het scheen alsof de hovelingen daarbij

uitriepen: »Heil zij de genade van de dochter der zon!” en de uit de hut

gedrongen vrouwen daar buiten dien jubelzang herhaalden. Toen zag hij de

glansrijke verschijning de woning van den banneling weder verlaten, en

in plaats van de lieve kranke, die nog hoorbaar ademde, een roerloos

lijk liggen op de verschoven mat, en de twee die haar nu zoo trouw

verpleegden vervangen door ongelukkigen, die troosteloos van smart luide

klachten aanhieven.

Het vurig gemoed van den jongen priester ontvlamde in toorn na dit

visioen. Zoodra het geluid van den naderenden stoet zich werkelijk deed

hooren, zou hij zich plaatsen vóor den ingang van de hut, de prinses

beletten binnen te treden en haar met strenge woorden ontvangen. Wat

voerde haar hierheen? Menschenliefde kon het moeielijk zijn. »Aan het

hof heeft men wel wat afwisseling noodig,” dacht hij in zichzelf. »Men

zal verlangen naar wat nieuws, want er gebeurt zoo weinig, nu de koning

bij het leger is, ver in het buitenland. Door zich naast de kleinen te

plaatsen wordt de ijdelheid der grooten niet zelden geprikkeld, en men

hoort de lieden gaarne praten over zijne nederbuigende goedheid. Zulk

een nietig ongeval komt daar zoo recht van pas, en men acht het de

moeite niet waard te overwegen, of de manier, waarop men zijne genade

wil toonen, zulke armzalige lieden geluk zal aanbrengen of nadeel doen.”

Verbitterd stond Pentaoer zich op de lippen te bijten, bij deze

alleenspraak. Hij dacht niet meer aan de verontreiniging, die Bent-Anat

bedreigde van den Paraschiet, maar alleen aan de ontwijding van de

heilige gewaarwordingen, die binnen dit stille vertrek in veler zielen

opwelden, van harentwege. Nu hij zich had opgewonden tot fanatisme, was

er geen twijfel aan of het zou hem niet aan scherpe woorden ontbreken.

Gelijk een lichtgeest, die het zwaard opheft om een demon der duisternis

te treffen, stond hij daar in al zijne lengte met zwoegende borst,

en spitste de ooren, of hij ook eenig gerucht uit het dal vernam, om

bijtijds het geroep der voorloopers en het geratel der wielen van den

pronkwagen, dien hij wachtte, te hooren. Daar zag hij hoe de opening van

de deur werd verduisterd en eene sterk voorovergebogene menschelijke

gedaante, met de armen kruiselings over de borst, het vertrek betrad, om

zich, zonder een woord te spreken, naast de kranke neer te zetten. De

artsen en de oude man maakten eene beweging als wilden zij opstaan, zij

gaf echter, zonder de lippen te openen, met hare betraande oogen te

kennen, dat zij moesten blijven zitten. Lang zag zij de kranke aan met

liefdevollen blik, terwijl zij den blanken arm zachtkens streek met hare

hand. Eindelijk wendde zij zich tot de oude vrouw en fluisterde haar

toe: »Wat is zij schoon!”

De vrouw van den Paraschiet boog toestemmend. Het meisje scheen te

glimlachen en de lippen te bewegen, als had zij die woorden gehoord en

als wilde zij spreken. Op eens maakte Bent-Anat eene roos los uit haar

kapsel en legde die op de borst van de kranke.

De Paraschiet had de voeten van het kind geen oogenblik losgelaten. Toch

had hij elke beweging van de prinses gevolgd en sprak thans met zachte

stem: »Hathor, die u schoonheid gaf, moge u dit vergelden!”

De koningsdochter richtte zich nu tot hem en zeide, terwijl zij naast

het meisje geknield bleef: »Vergeef mij, dat ik tegen mijne bedoeling u

zooveel smart veroorzaak.”

De oude had deze woorden niet verstaan, of hij liet de voeten der kranke

los en vroeg met heldere luide stem: »Zijt gij Bent-Anat?”

»Ik ben het,” antwoordde de prinses met gebogen hoofd, doch nauwelijks

hoorbaar, als schaamde zij zich haar verheven naam uit te spreken.

De oogen van den Paraschiet schoten vuur. Na een oogenblik zeide hij

zacht, maar op stelligen toon: »Zoo verlaat dan mijne hut, want zij zal

u verontreinigen.”

»Neen, niet voordat gij mij vergeven hebt, wat ik zonder opzet heb

gedaan!”

»Zonder opzet gedaan,” herhaalde de Paraschiet, »dat geloof ik! De

hoeven uwer paarden werden zeker onrein, toen ze deze blanke borst

vertraden! Daar, zie!” ― en hij nam den doek weg en wees op de groote

roode wond, ― »ziehier, dit is de eerste roos, die gij mijne

kleindochter op den boezem hebt gelegd, en die tweede ― dáar!”

De Paraschiet had den arm reeds opgeheven om de bloem door de deur uit

zijn hut te smijten. Doch Pentaoer was op hem toegetreden en greep zijne

hand met zijn ijzeren vuist. »Halt!” riep hij met bevende stem, zich

zooveel mogelijk inhoudende om der kranke wil. »Hebt gij, omdat uw hart

zich zoo diep gekrenkt voelt, in uwe kortzichtigheid de derde roos niet

opgemerkt, die deze edele hand u heeft toegereikt? Toch is het geschied.

Gij moest haar kennen, al ware het enkel omdat gij allermeest behoefte

hebt aan deze bloem, ja smachtend naar haar verlangt. De fiere vorstin

heeft de vriendelijke bloem der reine menschenliefde uw kind op het

hart en u aan de voeten gelegd. Niet met goud maar met deemoed is zij

tot u gekomen, en wien de dochter van Ramses zóo als haars gelijke

nadert, hij buige zijn hoofd, al mocht hij ook de eerste vorst in

dit land zijn. Waarlijk, de goden zullen die daad van Bent-Anat niet

vergeten. Daarom vergeef haar, indien gij wilt dat u de schuld vergeven

zal worden, die gij draagt als erfdeel uwer voorvaderen en door uwe

eigene ongerechtigheid!”

Onder deze woorden had de Paraschiet het hoofd gebogen; toen hij het

weder ophief, was zelfs de laatste zweem van toorn uit zijn fijn gevormd

gelaat verdwenen. Hij wreef zijn pols, die nog den stevigen druk van

Pentaoer’s vingers voelde, en sprak met eene stem, waarin hij al de

bitterheid zijner ervaringen scheen te leggen: »Uwe vuist is hard,

priester, en uwe woorden treffen mij als mokerslagen. Deze schoone vrouw

is ook goed en liefderijk, en ik weet wel, dat zij haar paarden niet

opzettelijk over dit meisje heeft gejaagd, dat mijn kleinkind, niet

mijne dochter is. Ware zij de vrouw van u of van dezen arts, of wel een

kind van het arme schepsel tegenover mij, dat haar levensonderhoud moet

vinden door de vederen en de pooten op te zamelen van de vogels, die bij

de offeranden worden geslacht, ik zou haar niet alleen vergeven maar

haar troosten, want zij zou zich even ongelukkig gevoelen als ik. Het

noodlot had haar dan buiten haar schuld, tot eene moordenaresse gemaakt,

gelijk het mij reeds als zuigeling den stempel der onreinheid op het

voorhoofd heeft gedrukt. Ja, ik wilde haar troosten! En ik ben zoo

ongevoelig niet! Heilige Trias van Thebe[49], hoe zou ik het ook kunnen

zijn! Groot en klein gaat voor mij uit den weg, om niet met mij in

aanraking te komen. Dagelijks werpt men mij met steenen, wanneer ik

verricht heb, wat tot mijn ambt behoort[50]. Trouwe plichtsvervulling

geeft anderen niet alleen het dagelijksch brood, maar vreugde en eer

bovendien, terwijl mij telkens niet anders ten deel valt dan nieuwe

smaad en pijnlijke wonden. Doch ik ben op niemand boos; ik heb moeten

vergeven en weder vergeven en nog eens vergeven, tot eindelijk alles wat

men mij aandeed natuurlijk scheen en onvermijdelijk, zoodat ik het mij

liet welgevallen, als de brandende hitte in den zomer, en het stof dat

de westewind mij in het aangezicht waait. Aangenaam was het mij niet;

maar wat zou ik er tegen doen? Alleen vergeef ik....”

[49] Amon, Moeth en Choensoe.

[50] „Dan snijdt de Paraschiet met een Ethiopischen steen zoover

door het vleesch van het lijk, als de wet voorschrijft. Terstond

loopt hij echter in allerijl weg, en de aanverwanten van den

gestorvene vervolgen hem met steenen en vloeken, als wilden zij

de schuld op hem wentelen.” Diodorus, I, 91.

De stem van den Paraschiet was week geworden, en Bent-Anat, die innig

geroerd op hem neerzag, viel hem in de rede door vol gevoel te zeggen:

»Arme man! Vergeef dan ook mij!”

De grijsaard zag met voordacht niet haar maar Pentaoer aan, toen hij

antwoordde: »Arme man! Ja, dat zegt gij wel, arme man! Gij hebt mij

uit de maatschappij gebannen, waarin gij leeft, en zoo heb ik deze hut

ingericht tot eene wereld voor mij alleen. Ik behoor niet onder ulieden,

en als ik dat vergeet, verjaagt gij mij als een ongenoode gast, ja, als

een wolf, die in uwe schaapskooi inbreekt. Maar gij behoort evenmin bij

mij. Toch moet ik het verdragen, als gij den wolf wilt spelen en mij

overvallen.”

»Als eene smeekelinge echter, en met de heilige begeerte u goed te doen,

betrad de prinses uwe woning,” hernam Pentaoer.

»De straffende goden,” riep de oude, »mogen dit op hare rekening

afschrijven, wanneer zij haar doen misgelden, wat haar vader jegens mij

misdreven heeft. Misschien brengt het mij in de steengroeve, maar zeggen

wil ik het toch: zeven zonen heb ik gehad en Ramses heeft ze allen

van mij weggenomen en ter dood gevoerd. Het kind van den jongste, dit

meisje, de eenige zonneschijn in mijne sombere hut, wordt nu vermoord

door zijne dochter. Drie van mijne knapen liet de koning van dorst

versmachten onder den dwangarbeid aan den Thenat[51], die den Nijl met

de Schelfzee verbinden moest; drie liet hij vallen door het zwaard der

Ethiopiërs, en de laatste, mijn oogappel, is nu misschien een aas voor

de hyena’s in het Noorderland.”

[51] Letterlijk: de doorsteek. Het eerste Suez-kanaal wordt

bedoeld, dat door Seti I, den vader van Ramses, werd aangelegd,

en waarvan wij nog eene afbeelding bezitten op den noordelijken

buitenmuur van den tempel van Karnak. Het had ongeveer de

richting van het door De Lesseps gegraven zoetwater-kanaal, en

maakte het land van Gosen zoo bijzonder vruchtbaar. Mogelijk

verbond het ook in noordelijke richting de meeren op de

landengte van Suez.

Bij deze ontboezeming barstte de oude vrouw, in wier schoot het hoofd

der kranke nog altijd rustte, in luid gejammer uit. Ook de andere

vrouwen begonnen te klagen.

De kranke richtte zich met schrik overeind, opende de oogen en vroeg

zacht: »Over wien klaagt gij?”

»Over uw armen vader,” zeide de oude.

Toen begon het meisje te lachen, evenals een kind dat men uit aardigheid

misleiden wil, en sprak: »Is mijn vader dan nog niet bij u geweest? Hij

is toch hier in Thebe, en heeft mij gezien en gekust. Hij zeide mij dat

hij buit medebrengt, en dat gij het van nu aan goed zult hebben. Ik bond

den gouden ring, dien hij mij schonk, in mijn kleedje, juist op het

oogenblik dat de wagen op mij kwam aanrennen. Ik trok nog aan de knoop,

toen alles zwart werd voor mijne oogen en ik niets meer zag en hoorde.

Maak nu den knoop maar los, grootmoeder, die ring is voor u. Ik wilde

hem u brengen. Gij moet er een offerdier voor koopen en wijn voor

grootvader, en oogzalf[52] voor u en mastiktakken[53], die gij zoolang

hebt moeten missen.”

[52] Egyptisch: Mestem, d.i. stibium of spiesglas, dat reeds

zeer vroeg uit Azië in Egypte ingevoerd en algemeen gebruikt

werd.

[53] De takken van den mastikboom worden nog heden, om den

aangenamen smaak, gaarne door de Egyptische vrouwen gekauwd. De

oude Egyptenaars gebruikten allerlei soort van mondpillen. Men

kan er recepten van vinden in den papyrus-Ebers.

Het was alsof de Paraschiet elk woord van de lippen zijner kleindochter

als kostbare paarlen opving. Wederom hief hij zijn rechterhand biddend

ten hemel, en wederom merkte Pentaoer op, hoe zijn blik samensmolt met

dien zijner vrouw. Een groote, heete traan welde in zijn oog en biggelde

langs zijne wang op de vereelte hand. Toen kromp hij weer pijnlijk

ineen, want hij meende, dat de kranke een droomgezicht had gehad.

Maar ― daar zat de knoop in haar rokje. Met bevende hand maakte hij

dien los, een gouden ring rolde op den grond.

Bent-Anat raapte dien op, reikte hem den Paraschiet over en zeide: »In

een gelukkig oogenblik ben ik tot u gekomen, want gij hebt een zoon

terug ontvangen en uw kleindochtertje zal leven!”

»Ja, zij zal leven!” herhaalde de arts, die de stomme getuige was

geweest van alles wat hier gebeurde.

»Zij zal bij ons blijven,” lispelde de oude en zeide, terwijl hij de

prinses op zijne knieën naderde en haar smeekend met zijne van tranen

vochtige oogen aanzag: »Vergeef mij, gelijk ik u vergeef, en wanneer

eene vrome wensch niet tot een vloek wordt op de lippen van een

verworpeling, laat mij u dan zegenen.”

»Ik dank u,” zeide Bent-Anat, terwijl de oude zegenend zijne handen

ophief. Zij wendde zich hierop tot den arts, beval hem de kranke

zorgvuldig te verplegen, boog zich over haar heen, kuste haar op het

voorhoofd, legde haar gouden armband naast het kind neder, en gaf

Pentaoer een wenk om met haar de hut te verlaten.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 12 / 58 题