VIERDE HOOFDSTUK.

Pentaoer wist zeer goed, waar hij den aanzienlijken priester zoeken

moest, want hijzelf was bij het gastmaal genoodigd, dat deze had

aangericht ter eere van twee nieuwe geleerden, die uit de hoogeschool

van Chennoe[29] in het Seti-huis waren overgeplaatst. In een open hof,

door bont beschilderde houten zuilen omgeven en door vele lampen

verlicht, zaten de smullende priesters in twee lange rijen op

gemakkelijke leuningstoelen. Voor ieder was een tafeltje geplaatst, en

vlugge dienaars waren druk in de weer, hen van spijzen en dranken te

voorzien, die in grooten overvloed gereed stonden op een soort van

buffet in het midden van den hof. Men zag er gazellenbouten[30],

gebraden ganzen en eenden, vleeschpastijen, artisjokken, asperges en

andere groenten, voorts allerlei soorten van koeken en suikergebak. De

gasten werden van alles bediend en hunne bekers telkens tot den rand

gevuld met de fijnste wijnen, waaraan nooit gebrek was in de luchtige

schuren[31] van het Seti-huis. Na het ronddienen van elk gerecht gingen

de dienaars met metalen bekkens en fijn geweven handdoeken rond, opdat

ieder zich de handen kon wasschen. Toen de honger gestild was begon

men lustiger te drinken, en iederen gast werden welriekende bloemen

aangeboden, welker geur het gesprek scheen te verlevendigen. Allen die

aan dit gastmaal deelnamen droegen lange sneeuwwitte kleederen, en

behoorden tot de ingewijden in de mysteriën. Zij waren derhalve de

aanvoerders der verschillende priesterorden van het Seti-huis.

[29] Gelegen bij eene stroomversmalling van den Nijl, niet verre

van de Nubische grenzen, tegenwoordig Gebel Silsileh geheeten,

oudtijds beroemd door eene bloeiende priesterschool.

[30] De gazellen werden tot huisdieren getemd. Op de monumenten

vinden wij ze onder de kudden van rijke Egyptenaars en onder het

slachtvee. Dit gastmaal is beschreven naar de afbeeldingen,

zooals men er vele in de graven heeft aangetroffen.

[31] De kelders zijn in Egypte heet, men kan den wijn dus het

best in de schaduw van luchtige schuren bewaren.

De tweede profeet Gagaboe, aan wien heden de leiding van het feest was

opgedragen door den opperpriester, die zich bij zulke gelegenheden

altijd maar voor enkele oogenblikken vertoonde, was een klein,

stevig gebouwd man, met een kalen bijna kogelronden schedel. Zijne

gelaatstrekken waren goed gevormd, hoewel hij al oud begon te worden,

en zijne gladgeschoren bolle wangen goed gevuld. Met zijne grijze oogen

zag hij vroolijk en opmerkzaam in het rond, en zij tintelden van vuur

wanneer hij zich opgewekt gevoelde, en zijne dikke zinnelijke lippen

begonnen te trillen. Naast hem stond de prachtige maar ledige zetel van

den opperpriester Ameni, en aan zijne andere zijde waren de uit Chennoe

overgeplaatste priesters gezeten, twee deftige bejaarde mannen, met

donkerkleurige huid. Aan de overige gasten waren plaatsen aangewezen

naar den rang, dien zij bekleedden bij het priestercollege van den

tempel, en die afhankelijk was van hun leeftijd.

Was er bij het plaats nemen der dischgenooten streng op de rangorde

gelet, toch stond het ieder vrij aan het gesprek deel te nemen, zoo

vaak hij maar wilde. »Wij weten onze beroeping naar Thebe op prijs te

stellen,” zeide Toeauf, de oudste der twee priesters, die uit Chennoe

naar het Seti-huis was overgeplaatst, en wiens leerbrief[32] in de

scholen dikwijls werd geraadpleegd. »Aan den eenen kant brengt zij ons

in de nabijheid van den pharao wien de godheid leven, heil en gezondheid

geve! Aan den anderen kant schenkt zij ons de eer in uw kring opgenomen

te worden. Ofschoon ook het college van Chennoe in vroeger tijd menig

beroemd man tot de zijnen rekende, en het voorrecht had dien in zijne

scholen te vormen, zoo kan het tegenwoordig toch niet meer met het

Seti-huis wedijveren. Zelfs Heliopolis en Memphis moeten voor u de vlag

strijken. Indien ik mij desniettemin in alle nederigheid en vol goeden

moed durf scharen in de rij van zooveel groote mannen, dan is het omdat

ik uw welslagen toeschrijf èn aan de goddelijke kracht, die in uw tempel

werkt, en ook mijne zwakke pogingen zal ondersteunen, èn aan uwe groote

bekwaamheden zoowel als aan uwe inspanning. Aan de laatste zal het hoop

ik, ook mij niet ontbreken. Reeds zag ik den opperpriester Ameni. Welk

een man! Wie kent uw naam niet Gagaboe; wie niet den uwen, Meriapoe!”

[32] Sommigen zijn bewaard gebleven.

»En wie uwer,” vroeg de andere nieuweling, »mogen wij begroeten

als den dichter van de schoonste hymne aan Amon, welke ooit in het

sykomoren-land gezongen is? Wie uwer is Pentaoer?”

»Die ledige stoel daar ginds,” gaf Gagaboe ten antwoord, wijzende op een

zetel aan het benedeneinde, »staat op hem te wachten. Hij is de jongste

van ons allen, maar eene schoone toekomst wacht hem.”

»En niet minder zijne gezangen,” voegde de oudste der uit Chennoe

gekomen geleerden er bij.

»Zonder twijfel,” sprak de eerste voorzitter der Horoscopen[33], een

bejaard man met een vervaarlijken grijzen kroeskop, die te zwaar scheen

voor zijn dunnen hals, waarschijnlijk zoo lang uitgerekt, omdat zijne

dagelijksche bezigheden was naar teekenen uit te zien. »Zonder twijfel,”

zeide hij, terwijl zijne oogen in hunne hooggewelfde kassen van

fanatisme vonkelden, »hebben de goden onzen jongen vriend rijke gaven

verleend. Doch wij zullen nog moeten afwachten hoe hij ze gebruiken

zal. Ik heb bij dezen jongeling zekere ongebondenheid van den geest

opgemerkt, die mij doet vreezen. Wanneer hij dicht, dan blijft zijne

buigzame taal wel binnen de voorgeschreven vormen, maar zijne gedachten

gaan blijkbaar veel verder. In zijn hymne, die ook voor de ooren des

volks bestemd is, vind ik uitdrukkingen, die men met den naam van

verraad aan de mysteriën zou kunnen bestempelen, niettegenstaande nog

zoo weinige maanden zijn voorbijgegaan, sedert hij ze bezworen heeft.

Daar zegt hij, en wij zingen het hem na en de leeken hooren het:

Eenig zijt Gij, Gij Schepper der wezens

En alleen Gij, die ’t al maakt wat geworden is.

En verder:

Hij is eenig, alleen, zonder gelijken,

Wonende in het Allerheiligste[34].

[33] Leden van eene priesterorde in de Egyptische hiërarchie,

die zich met de studie der hemellichamen, tijdrekenkundige

verklaring van uurteekens, enz. bezig hield.

[34] Uit de hymne van Amon, bewaard op een papyrus, die te

Boelaq aanwezig is. Grebaut en L. Stern hebben dien verklaard.

Zulke plaatsen moesten niet openlijk gezongen mogen worden, allerminst

in een tijd als de onze, nu er toch reeds zooveel nieuwigheden uit den

vreemde binnendringen, als de sprinkhaanzwermen die uit het oosten

komen.”

»Dat is mij uit het hart gesproken!” riep de schatmeester des tempels.

»Ameni heeft dezen jongeling te vroeg in de mysteriën ingewijd.”

»Op voordracht van mij, zijn leermeester,” zeide Gagaboe. »Ons

gezelschap mag trotsch zijn op een medelid, dat den roem van onzen

tempel zoo schitterend verhoogt. Het volk hoort zijne hymnen, maar

dringt niet door tot den diepen zin zijner woorden. Ik zag de leeken

nooit zoo aandachtig, als toen het diep gevoelde en schoone loflied

gezongen werd bij het feest van den trap[35].”

[35] Een groot feest, dat bijzonder luisterrijk werd gevierd in

de Nekropolis, in den tempel van Medinet Haboe.

»Pentaoer was sedert lang uw lieveling,” riep de voorzitter der

Horoscopen. »Vele dingen, die ge u van hem laat welgevallen zoudt gij

anderen niet veroorloven. Zijne hymne is in mijn oog en ook dat van

anderen een gevaarlijk gewrocht. Of kunt gij loochenen, dat er grond

bestaat om ernstig bezorgd te zijn; dat wij dingen zien gebeuren en

veranderingen plaats grijpen, die ons in den weg treden, en eindelijk

ons te machtig zullen worden, wanneer wij ze niet onverbiddelijk

bestrijden, zoolang het nog tijd is?”

»Gij draagt zand in de woestijn en strooit suiker op den honing,” hernam

Gagaboe, en zijne lippen begonnen te beven. »Er is thans niets meer

zooals het wezen moest, en wij zullen hard moeten vechten, niet met

zwaarden, maar hiermede en daarmede” ― en de levendige man sloeg zich

terwijl hij dit zeide op het voorhoofd en den mond. »Wie is er hier en

dáar beter toegerust dan mijn leerling? Hij zal een voorvechter zijn

voor onze zaak, een tweede Hor Hoet, die als gevleugelde zonneschijf den

booze ter aarde wierp. Daar komt gij nu en wilt hem de vleugels binden,

en zijne klauwen afsnijden! Ach, Ach! Kunt gij mannen dan nooit leeren

begrijpen, dat een leeuw harder brult dan een kater, en de zon helderder

schijnt dan eene traanlamp? Laat mijn Pentaoer ongemoeid, zeg ik u,

anders handelt gij als de man, die zich als vrees voor tandpijn de

gezonde tanden liet uittrekken. Helaas! wij zullen in de eerst volgende

jaren wat te bijten krijgen, dat de stukken vleesch eraf vliegen en het

bloed stroomt, wanneer wij niet willen beleven, dat men ons opeet.”

»De vijand is ook ons niet onbekend gebleven,” zeide de Chennoe-priester

Toeauf, »niettegenstaande wij aan de afgelegen zuidelijke grens des

rijks veel van ons verwijderd kunnen houden, wat in het noorden als een

kanker aan ons lichaam knaagt. Het vreemde wordt hier ternauwernood meer

voor onrein en typhonisch[36] gehouden.”

[36] Wat Typhon of Seth toebehoort.

»Ternauwernood?” riep de voorzitter der Horoscopen. »Het wordt hierheen

gelokt, liefgekoosd en vereerd. Evenals stof, wanneer de heete

woestijnwinden waaien door de naden van een houten huis, zoo dringt het

door tot onze zeden en in onze taal[37]. Onze huizen, zelfs den tempel

sluipt het binnen, en op den troon van den navolger van Ra zetelt een

afstammeling....”

[37] In geen tijdperk gebruikten de Egyptische schrijvers meer

vreemde Semitische woorden, dan onder de regeering van Ramses II

en zijn zoon Mernephtah.

»Vermetele!” zoo deed zich op eens de stem van den opperpriester hooren,

die juist de zaal was binnengekomen. »Bedwing uw tong en waag het niet

dien te gebruiken tegen hem, die onze koning is, en als plaatsvervanger

van Ra in deze landen den scepter voert.”

De voorzitter der Horoscopen zweeg en boog. Alle feestgenooten waren

inmiddels opgerezen om Ameni te begroeten, die hen vriendelijk en vol

waardigheid toeknikte. De opperpriester nam plaats op zijn zetel, en

zich tot Gagaboe wendende, vroeg hij kalm: ― »Ik zie dat gij in eene

stemming verkeert, die ons priesters weinig voegt. Wat verstoorde het

evenwicht uwer zielen?”

»Wij spraken over de nieuwigheden, die met alle geweld Egypte

binnendringen, en hoe noodig het wordt hieraan weerstand te bieden.”

»Gij zult mij in de eerste gelederen zien strijden,” zeide Ameni.

»Veel hebben wij reeds gedragen, doch er zijn nieuwe tijdingen uit het

noorden gekomen, die mij zeer verontrusten.”

»Hebben onze troepen eene nederlaag geleden?”

»Zij behielden het veld. Maar andere duizendtallen onzer landslieden

zijn in veldslagen en op marschen een offer des doods geworden. Ramses

vraagt nieuwe hulptroepen. De gids Paäker heeft mij een brief gebracht

van onzen ambtgenoot, die in de omgeving des konings is, en den

stadhouder een van den pharao zelven, het bevel inhoudende hem

vijftigduizend strijdbare mannen te zenden. Daar echter de geheele caste

der krijgslieden en alle troepen der verbonden volken reeds onder de

wapenen staan, moeten de onderhoorigen van den tempel, die onze akkers

bebouwen, worden gelicht en naar Azië gezonden.”

Bij het vernemen dezer woorden werden algemeen teekenen van afkeuring

gegeven. De voorzitter der Horoscopen stampvoette en Gagaboe vroeg: »Wat

denkt gij te doen?”

»Alles gereed te maken om het koninklijk bevel uittevoeren,” antwoordde

Ameni, »en onverwijld de hoofden van alle tempels in de Amonstad

tot eene raadsvergadering bijeen te roepen. Ieder moet in zijn

allerheiligste de godheid om wijze inzichten bidden. Hebben wij een

besluit genomen, dan zal het eerste zijn wat ons te doen staat, den

stadhouder op onze zijde te brengen. Wie was er gisteren tegenwoordig

bij zijne gebeden?”

»De beurt was aan mij,” zeide de voorzitter der Horoscopen.

»Volg mij na den maaltijd in mijne woning,” beval Ameni. »Maar waarom

mis ik onzen dichter in uwen kring?”

Op ditzelfde oogenblik verscheen Pentaoer in de zaal en verzocht, nadat

hij zich ongedwongen en waardig voor de dischgenooten, en diep voor

Ameni gebogen had, hem toe te staan den blinden Pastophoor Teta met den

arts Nebsecht naar het dochtertje van den Paraschiet te mogen zenden.

Ameni gaf een teeken van toestemming en voegde er bij: »Zij moeten zich

wat haasten. Paäker wacht hen aan de groote poort en zal hen met mijn

wagen wegbrengen.”

Zoodra Pentaoer de gasten verlaten had, sprak de oudere priester uit

Chennoe, terwijl hij zich tot Ameni wendde: »Waarlijk, heilige vader,

zoo en niet anders heb ik mij uw dichter voorgesteld. Hij gelijkt

den zonnegod en zijne houding is die van een vorst. Hij is gewis van

aanzienlijke afkomst?”

»Zijn vader is een eenvoudige hovenier,” antwoordde de opperpriester,

»die het land, dat hem door onzen tempel wordt toegewezen, ijverig en

goed verzorgt. Overigens munt hij niet uit door eene edele gestalte

en is hij vrij onbeschaafd. Hij zond Pentaoer reeds vroeg naar de

school[38]. De knaap had een voortreffelijken aanleg, en wij voedden

hem op tot hetgeen hij nu is.”

[38] Het blijkt uit meer dan éen papyrus met zekerheid, dat ook

de zonen van mindere lieden, in zooverre zij aan de gestelde

bepalingen voldeden, in den priesterstand konden opgenomen

worden. Afgeslotene casten, zooals de Indiërs, hadden de

Egyptenaars niet.

»Welke ambten bekleedt hij hier in den tempel?”

»Hij geeft onderricht aan de oudste kweekelingen van de hoogeschool in

de spraakleer en de welsprekendheid. Hij is ook een uitmuntend waarnemer

van den sterrenhemel en de scherpzinnigste onder onze droomuitleggers,”

gaf Gagaboe ten antwoord. »Doch daar is hij weder terug. Naar wien moet

Paäker onzen stamelenden chirurg en zijn medehelper heenbrengen?”

»Naar het dochtertje van den Paraschiet, dat overreden is,” sprak

Pentaoer. »Maar wat is die gids een ruw man! Mijne gehoorvliezen doen

nog pijn van zijn stemgeluid, en hij begroette onzen arts, alsof deze

zijn slaaf ware.”

»Hij was gemelijk over den last, dien de prinses hem opdroeg,” merkte

de opperpriester vergoelijkend op. »Het is echter jammer, dat ’s mans

oprechte vroomheid tot hiertoe zijn onvriendelijken gemoedsaard niet wat

heeft verzacht.”

»Dit is te meer te verwonderen,” bracht een bejaarde priester in het

midden, »daar zijn broeder, die mij tot zijn leermeester koos en ons

voor eenige jaren verliet een zeer beminnelijke jongen was, die zich

gemakkelijk liet leiden.”

»En zijn vader,” voegde Ameni er bij, »was een voortreffelijk man, kloek

in het handelen, en daarbij zeer vrijzinnig.”

»Zoo zal hij die kwade eigenschappen van zijne moeder geërfd hebben.”

»Ook dit is niet het geval. Zij is eene zachtaardige, voorkomende,

gevoelige vrouw.”

»Moet dan,” vroeg Pentaoer, »een kind, altijd op zijne ouders gelijken?

Men zegt toch dat de zonen van den heiligen stier nog nooit het heilig

teeken huns vaders hebben gedragen.”

»Derhalve, als Paäker’s vader een Apis was,” zeide Gagaboe, »dan

behoorde de gids naar uw oordeel, helaas, in een boerenstal te huis!”

Pentaoer sprak niet tegen, maar vervolgde lachend: »Hij is zichzelf

gelijk gebleven, sedert hij de schoolbanken verliet, toen zijne makkers

hem wegens zijne stugheid den woudezel noemden. Hij was sterker dan de

meesten hunner, en toch kenden zij geen grooter genot, dan hem woedend

te maken.”

»Kinderen zijn onmeedoogend,” sprak de opperpriester. »Zij letten alleen

op de uitwendige verschijnselen en vragen nooit naar hunne oorzaken. De

gebrekkig ontwikkelde is in hun oog even schuldig als de trage, en

Paäker had geene eigenschappen, die hem aanspraak konden geven op

hunne toegevendheid. Ik ben een voorstander” ― en Ameni richtte bij

deze woorden zijn oog op de priesters van Chennoe ― »van vrijheid en

vroolijkheid onder onze kweekelingen, legt men hunne jeugdige dartelheid

aan banden, dan verlamt men juist hetgeen ons bij de opvoeding het meest

te stade komt. De uitspattingen van de neigingen en driften der knapen

kunnen het zekerst en het minst pijnlijk worden uitgeroeid bij hunne

wilde spelen. De schoolknaap is de beste opvoeder van zijne makkers.”

»Doch Paäker,” merkte de priester Meriapoe aan, »is door den overmoed

zijner medescholieren niet beter geworden. In voortdurenden strijd met

hen is die onhandelbaarheid steeds toegenomen, waardoor hij een schrik

is van allen die onder hem gesteld zijn, en vele harten van hem

vervreemd.”

»Hij was de ongelukkigste van het groot aantal jongens,” vervolgde Ameni

weder, »dat aan mijne zorg werd toevertrouwd, en ik meen de oorzaak er

van doorgrond te hebben. Hij miste den eenvoudigen kinderzin, toen hij

naar zijn leeftijd nog kind was, en de godheid onthield hem de hemelsche

gave der onbedachtzaamheid. De jeugd moet met weinig tevreden zijn, en

hij deed reeds van kindsbeen allerlei hooge eischen gelden. De grappen

van zijne medeleerlingen nam Paäker in ernst op, hunne scherts hield hij

voor dwaasheid, hunne plagerijen voor bewijzen van vijandschap, en zijn

vader, die op het punt van opvoeding zeer bekrompen was, prikkelde hem

tot tegenstand, in plaats van hem te leeren toegeven, meenende dat hij

op deze wijze zich zou harden tot het leven vol strijd en inspanning van

een Mohar.”

»Ik heb dikwijls hooren gewagen van de daden van zulk een Mohar”[39],

zeide de oudste der Chennoe-priesters. »Toch weet ik niet juist wat zijn

ambt van hem vordert.”

[39] Wij kennen de zware taak van den Mohar (held) en zijne

verplichtingen nauwkeurig uit den papyrus-Anastasi I in het

Britsch Museum, voortreffelijk uitgegeven door F. Chabas in

zijne =Voyage d’un Egyptien=.

»Hij moet,” antwoordde Gagaboe, »met eene keurbende van onverschrokken

manschappen het vijandelijk land doorkruisen, ten einde zich op de

hoogte te stellen van den aard en het aantal der bevolking, alsmede de

richting van bergen en dalen en den loop der rivieren onderzoeken. De

waarnemingen, zorgvuldig door hem opgeteekend, moet hij den bestuurder

der oorlogszaken[40] overhandigen, die daarnaar de marschen zijner

troepen regelt.”

[40] Men kan hem met onzen minister van oorlog vergelijken.

Reeds in den vroegsten tijd komt deze waardigheid op de

gedenkteekenen voor.

»Derhalve moet de Mohar wel zeer knap zijn, èn als krijgsman èn als

schrijver.”

»Juist; en Paäkers vader is niet alleen een held maar tevens een

schrijver geweest, wiens duidelijke berichten, die blijken droegen van

groote kennis van zaken, ons in staat stelden het land dat hij doorreisd

had te overzien, als beschouwden wij het van een bergtop. Hij was de

eerste, die den naam van Mohar ontving. De koning achtte hem zóo hoog,

dat hij alleen van hem en den bestuurder der krijgsaangelegenheden

bevelen had te wachten.”

»Behoorde hij tot een adellijk geslacht?”

»Tot een der oudste en edelste van het geheele land,” antwoordde de

voorzitter der Horoscopen. »Zijn vader was de dappere krijgsman Assa,

en nadat hijzelf tot groot aanzien was gekomen en vele schatten had

verworven, huwde hij de nicht van koning Hor-em-heb, die evengoed als de

stadhouder aanspraak op den troon zou hebben, wanneer niet de grootvader

van Ramses haar geslacht door geweld van de heerschappij had beroofd.”

»Pas op uw woorden,” zeide Ameni, den heftigen grijsaard in de rede

vallende. »Ramses I is en blijft de grootvader van den regeerenden

koning, in wiens aderen door zijne moeder het bloed vloeit van de echte

nakomelingen van den zonnegod.”

»Maar nog meer en zuiverder stroomt het door de aderen van den

stadhouder,” waagde de Horoscoop nog hiertegen in te brengen.

»Nochtans draagt Ramses de kroon,” riep Ameni, »en hij zal die dragen,

zoolang de goden het willen. Bedenk dat gij reeds grijze haren hebt,

en dat oproerige woorden gelijk zijn aan vonken, die met den wind

wegwaaien, doch wanneer zij ongelukkig terecht komen, ons huis in brand

kunnen steken. ― Geniet nu verder van den maaltijd, mijne vrienden,

alleen bid ik u dezen avond niet meer over den koning en de nieuwe

verordening te spreken. ― Gij, Pentaoer, vervul morgen stipt en met

wijs overleg mijn bevel!”

De opperpriester nam hierop van de gasten afscheid. Zoodra de deur

achter hem gesloten was, zeide de priester uit Chennoe, Toeauf: »Wat wij

zooeven omtrent den koninklijken wegwijzer, die zulk een gewichtig ambt

bekleedt, vernomen hebben, heeft mij niet weinig verwonderd. Munt hij

dan uit door bijzondere scherpzinnigheid?”

»Hij was een blokker die maar een middelmatigen aanleg bezat.”

»Is dan de waardigheid van Mohar erfelijk, evenals die van de vorsten

des rijks?”

»De hemel beware ons!”

»Maar hoe kon dan...?”

»Het gebeurde zooals het wel meer gaat,” viel de oude Gagaboe den vrager

in de rede. »De zoon van den wijngaardenier heeft den mond vol druiven,

en het kind van een portier weet de sloten met woorden te openen.”

»In elk geval,” voegde een oudere priester, die tot hiertoe gezwegen

had, er bij, »heeft Paäker zich als Mohar verdienstelijk gemaakt,

en bezit hij eigenschappen, die allen lof verdienen. Hij is taai

en onvermoeid, laat zich door geen gevaar uit het veld slaan, en

onderscheidde zich reeds als knaap door zijne vroomheid en groote

werkzaamheid. Wanneer de andere scholieren hun zakgeld naar de

fruitverkoopers en suikerbakkers aan de tempelpoort brachten, kocht hij

ganzen, en wanneer zijne moeder hem bijzonder rijkelijk met geschenken

bedacht, jonge gazellen, om die op het altaar neer te leggen voor

de hemelsche goden. Geen aanzienlijke des lands bezit een rijkere

verzameling van amuletten en godenbeeldjes. Ook nog heden moet hij onder

de godsdienstigsten worden gerekend, en de doodenoffers, die hij aan

zijn gestorven vader wijdt, zijn inderdaad koninklijk te noemen.”

»Wij zijn hem voor deze gaven dank schuldig,” zeide de schatmeester,

»ook is de wijze waarop hij zijn vader na diens dood vereert

buitengewoon, en kan niet genoeg worden geroemd.”

»Zeker doet hij zijn best,” zeide Gagaboe spottend, »dien vader in

alles na te volgen. Al heeft hij ook met den waardigen man geen enkelen

trek gemeen, zoo is hij toch langzamerhand wat op hem gaan gelijken,

maar helaas, gelijk een gans op een zwaan en een uil op een arend

gelijkt! Zijn vader was fier, hij is hoogmoedig; gene was streng maar

vriendelijk, deze is hard en ruw; de eerste onderscheidde zich door

waardigheid en volharding, deze is verwaand en onbuigzaam. ’t Is waar,

hij is godsdienstig en wij kunnen zijne gaven best gebruiken. De

schatmeester heeft reden zich hierover te verblijden, en de dadels van

een vergroeiden boom smaken zoo goed als van een rechten. Doch als ik

de godheid was, dan zou mij zijne vroomheid niet meer waard zijn dan de

veder van een hoppe. Want hoe ziet het er uit in het hart van hem, die

deze offers brengt, ach, hoe ziet het er uit! De storm en de wolken

staan onder het bestuur van Seth, en daar binnen, dáar, dáar” ― en de

oude priester sloeg zich op zijn breede borst, ― »dáar kookt en schuimt

het en er is geen plekje zoo groot als deze tarwekoek te vinden,

geen plekje van den helderen, blauwen hemel van Ra, zooals zich die

vriendelijk en rein moet afspiegelen in de ziel van den waarlijk vrome.”

»Hebt gij zijn hart doorgrond?” vroeg de Horoscoop.

»Zoo goed als dezen beker,” antwoordde Gagaboe, terwijl hij den rand

van de blanke schaal op zijn nagel drukte. »Sedert vijftien jaren

onafgebroken! Deze man heeft ons diensten bewezen; hij dient ons nog en

zal het verder doen. Onze artsen gebruiken ook bittere gal van visschen

en doodelijke vergiften als geneesmiddelen, en lieden van dit slag....”

»Het is haat die u zoo doet spreken,” viel de Horoscoop den opgewonden

grijsaard in de rede.

»Haat?” herhaalde deze, terwijl zijne lippen begonnen te beven.

»Haat?” ― en hij sloeg zich met de vuist op de breede borst. »Ja, hij

is geen vreemde gast in mijn ouden boezem. Doch, Horoscoop, open uwe

ooren, en gij anderen ook, gij allen moet mij hooren! Ik ken tweeërlei

soort van haat. De eene is die van den mensch tegen zijn evenmensch, en

deze heb ik gekneveld, gedood, verstikt, vernietigd, helaas, eerst na

een zwaren strijd! Voor jaren heb ik ook zijn bitterheid beproefd en

gedaan als de wespen, die, ofschoon zij weten dat zij er het leven

bij inschieten als zij steken, nochtans hun angel gebruiken. Vele

levensdagen zijn mij echter ten deel gevallen, namelijk om wijsheid te

leeren, en thans weet ik dat van alle driften, die ons hart bewegen, er

éene geheel aan Seth, dus gansch en al aan den booze behoort, en dat is

de haat jegens zijn evenmensch. De hebzucht kan tot vlijt aansporen, uit

zinnelijke begeerlijkheid nog eene edele vrucht geboren worden; maar de

haat is een verwoester, en in elk hart dat er van vervuld is groeit al

wat edel is, in plaats van naar het licht, naar beneden in het donker.

De godheid kan alles vergeven, alleen dien haat niet! ― Doch er is eene

andere soort van haat, die de hemelsche goden niet ongevallig is, en

die gij koesteren moogt, gelijk ik dien niet gaarne in mijn borst zou

missen; het is de haat tegen alles wat het licht verhindert door te

breken, wat aan het goede en reine in den weg staat, de haat van Horus

tegen Seth. De goden mogen mij straffen wanneer ik den gids Paäker,

wiens vader mijn vriend was, haat. Maar de geesten der duisternis mogen

dit oude hart uit mijn boezem scheuren, wanneer het geen afschuw gevoelt

van den onreinen hebzuchtigen offeraar, die het geluk dezer aarde van de

goden wil koopen voor schenkels van dieren en kannen met wijn, gelijk

men door loven en bieden een rok en een ezel verkwanselt, en wiens

ziel bewogen wordt door schandelijke drijfveeren. ― Ziet, Paäker’s

offeranden kunnen de goden niet meer verblijden, dan u, Horoscoop, een

kruik rozenolie, waarin schorpioenen, duizendpooten en giftige slangen

zwemmen. Langen tijd was ik getuige van de gebeden van dezen man, en

nooit hoorde ik hem smeeken om edele goederen, wel duizendmaal om het

verderf van menschen, die hij haat.”

»In de heiligste gebeden uit den ouden tijd,” sprak de Horoscoop,

»werden de goden toch wel aangeroepen, opdat wij den voet mochten zetten

op den nek onzer vijanden. Bovendien hoorde ik Paäker niet zelden met

innig gevoel bidden voor het welzijn zijner ouders.”

»Gij zijt een priester, een ingewijde,” riep Gagaboe, »en helaas, gij

weet niet of wilt niet weten, dat met de vijanden, om wier ondergang wij

bidden, slechts de demonen der duisternis en de buitenlandsche volken

die Egypte bedreigen zijn bedoeld? Paäker heeft voor zijne ouders

gebeden? Dat zal hij ook voor zijne kinderen doen, want zij zullen zijne

toekomst zijn, gelijk zijne ouders zijn verleden. Als hij eene vrouw

had, dan zouden ook haar zijne offers gelden, want zij zou de helft

uitmaken van zijn eigen bestaan.”

»En niettegenstaande dit alles,” hernam de Horoscoop Septah, »beoordeelt

gij den gids te hard. Hoewel hij onder een gelukkig gesternte geboren

werd, hebben de Hathors hem toch alles ontzegd, wat hem eene gelukkige

jeugd kon schenken. De vijand wiens ondergang hij afsmeekte, was

Mena, ’s konings wagenmenner. Inderdaad, hij zou bovenmenschelijk of

onmannelijk zwak gehandeld hebben, wanneer hij den man iets goeds had

toegewenscht, door wien hem de schoone vrouw werd ontroofd, die voor hem

was bestemd.”

»Hoe heeft zoo iets kunnen gebeuren,” vroeg een der priesters uit

Chennoe. »Eene verloving is immers heilig[41]?”

[41] In den demotischen papyrus, die te Boelaq wordt bewaard en

het eerst door H. Brugsch werd uitgegeven (de Roman van Setnau)

heet het: „Is het niet de wet, die de een aan den ander

verbindt?” Van bruiden wordt o. a. gewag gemaakt op den

sarkofaag van Oennefer te Boelaq.

»Paäker,” antwoordde de Horoscoop, »hoe stijf overigens, was

hartstochtelijk verliefd op zijn nichtje Nefert, het aanminnigste meisje

uit geheel Thebe. Zij was de dochter van Katoeti, de zuster zijner

moeder, en hem als vrouw toegezegd. Hij was aan haar gehecht met geheel

zijne ziel. Daar werd zijn vader, dien hij begeleidde op al zijne

tochten, in Syrië doodelijk gewond. De koning stond aan het sterfbed van

den held, ving de laatste bede op van zijne lippen, en begiftigde Paäker

met zijn ambt. Deze bracht de mummie zijns vaders naar Thebe, liet dien

vorstelijk ter aarde bestellen, en moest, vóordat de rouwtijd ten einde

was, naar Syrië terug. Daar vond hij handen vol werk, want terwijl

de koning naar Egypte was teruggekeerd, moest hij het nieuwe gebied

doortrekken en opnemen. Eindelijk mocht ook hij het oorlogstooneel

verlaten, zich vleiende dat hij nu weldra met Nefert in het huwelijk zou

treden. Hij joeg zijne rossen bijna dood, om het doel van zijn smachtend

verlangen des te sneller te bereiken. Hoe bitter was hij teleurgesteld,

toen hij reeds in de Ramses-stad Tanis moest vernemen, dat de hem

toegezegde nicht de vrouw was geworden van een ander, den schoonsten

en dappersten in het leger, van den edelen Mena. Hoe kostbaarder het

voorwerp is, op welks bezit wij hadden gehoopt, des te rechtmatiger is

de toorn die ons bezielt tegen den man, die het ons betwist, ja het voor

zich weet te verkrijgen. Paäker had kikvorschenbloed in zijne aderen

moeten hebben, wanneer hij Mena dit vergeven had, in plaats van hem te

haten. De runderen, die hij onze goden ten offer heeft gebracht, om hun

wraak af te smeeken over den roover van zijn levensgeluk, zijn reeds bij

honderden te tellen.”

»Als gij ze hebt aangenomen,” hernam Gagaboe, »terwijl gij wist waarvoor

ze dienen moesten, dan hebt gij onverstandig en niet recht gehandeld.

Ware ik een leek, ik zou mij wel wachten eene godheid te dienen, die

zich voor loon laat vinden, om toe te geven aan de onreinste van alle

menschelijke driften. Nochtans, de alwijze geest, die liefderijk de

wereld regeert naar eeuwig wijze wetten, weet niets van alle deze

offers, wier geur alleen het reukorgaan van den booze prikkelt. De

schatmeester verheugde zich, zoo vaak men het gezonde blanke vee onze

stallen binnendreef, maar Seth wreef zich in de roode handen[42], toen

hij het aannam! Vrienden, ik heb de verwenschingen mede aangehoord,

die Paäker als spoeling, dat men den zwijnen voorzet, over onze reine

altaren heeft uitgegoten. De pest en etterbuilen, jammer en dood heeft

hij over Mena afgebeden, en de arme, lieve vrouw, wie ik het waarlijk

niet euvel kan duiden, dat zij aan een strijdhengst boven een nijlpaard,

aan een Mena boven een Paäker de voorkeur heeft gegeven, wenschte hij

onvruchtbaarheid en het bitterst zieleleed toe.”

[42] Rood was de kleur voor Seth-Typhon. Het booze en

schadelijke wordt ook in de papyrus-Ebers het roode genoemd.

Roodharige menschen waren typhonisch.

»De hemelsche goden,” merkte de schatmeester op, »schijnen echter zijne

klachten niet zoo onbillijk gevonden te hebben, en het breken van zulk

eene verloving strenger op te vatten dan gij. Nefert heeft in de vier

jaren van haar huwelijk maar enkele weken het bijzijn van haar grooten

man genoten, en zij bleef kinderloos. Het is mij een raadsel, Gagaboe,

hoe gij, die gewoon zijt de verdediging op u te nemen van anderen,

waarover wij allen het doemvonnis uitspreken, een der grootste

weldoeners van onzen tempel zoo zonder eenige verschooning veroordeelen

kunt.”

»Het is voor mij minder mogelijk om te begrijpen,” hernam de oude, »hoe

gij, die anders zoo gaarne vonnist, dezen, juist dezen, ― noem hem zoo

ge wilt ― met zooveel ijver tracht vrij te pleiten.”

»Wij kunnen hem in dezen tijd niet missen,” zeide de Horoscoop.

»Toegegeven,” gaf Gagaboe hierop ten antwoord, terwijl hij zachter

begon te spreken. »Zelfs ik denk hem nog te gebruiken, evenals de

opperpriester sedert jaren van hem partij heeft getrokken in het belang

onzer zaak, die door gevaren wordt bedreigd. Ook een smerige weg is

goed, als hij tot het doel leidt. Voert ook de godheid ons niet vaak

door het kwade tot het heil? Maar moeten wij daarom het slechte goed

en het kromme recht noemen? Bedien u van den gids zooveel gij wilt,

vergeet echter niet, terwijl hij u door zijne gaven verplicht, hem te

beoordeelen naar zijne gevoelens en daden, wanneer gij althans aanspraak

wilt maken op den naam van ingewijden en verlichten. Laat hem al zijn

vee naar den tempel drijven en al zijn goud in onze schatkamer werpen,

maar bezoedel u niet door de gedachte, dat offers met zulk een hart en

zoodanige handen der godheid welgevallig zijn! Voor alles,” ― en er was

oprechtheid en hartelijkheid in den toon, waarop de grijsaard deze

woorden uitsprak, »voor alles: spiegelt den man, die zoo jammerlijk

dwaalt, toch niet voor, gelijk gij tot hiertoe hebt gedaan, dat hij op

den rechten weg is. Immers, mijne vrienden, het is uwe, het is ons aller

duurste plicht, de zielen dergenen, die zich aan ons toevertrouwen, op

te leiden, tot hetgeen waarlijk goed en recht is.”

»O mijn leermeester,” riep nu Pentaoer, »hoe beminnelijk zijt gij in uwe

gestrengheid!”

»Ik toonde u de afzichtelijke zweren van dezen man,” sprak de grijsaard,

terwijl hij opstond en zich gereed maakte de zaal te verlaten, »uw lof

zal ze verharden, uwe berisping zal ze genezen. Overigens, verkiest

gij in dezen uw plicht niet te doen, weet dan, dat de oude Gagaboe op

zekeren dag zal komen met zijn mes; dat hij den kranke zal aangrijpen en

snijden.”

De Horoscoop had onder deze woorden van den grijsaard meermalen de

schouders opgehaald. Hij zeide nu, zich tot een der priesters uit

Chennoe wendende: »Gagaboe is een oude kitteloorige driftkop, en gij

hebt uit zijn mond eene predikatie gehoord, zooals men ze zeker ook

bij u wel houdt voor de jonge schrijvers, die tot zielzorgers worden

opgeleid. Hij meent het best, maar hij vergeet licht het groote ter

wille van het kleine. Ameni zal het u aan het verstand brengen, dat het

ook bij ons op tien, zelfs op honderd zielen niet aankomt, wanneer het

algemeen belang er mede gemoeid is.”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 11 / 58 题