DERDE HOOFDSTUK.

Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen.

Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te

wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen,

om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het

hart te drukken.

Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar

weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd.

De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in

welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het

land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden

zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of

in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed

met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot

lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen

te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.

[18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk

ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars,

waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking

komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en

eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de

papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de

16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.

De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het

eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen.

Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een

arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen

of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke

ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der

vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten,

den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het

meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.

Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij

trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen

der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van

den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten,

hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts

had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot

de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der

kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van

den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten

zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was

waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat

geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe

aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden

met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij

te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en

bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.

Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren

mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer

aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het

Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest

toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste

schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van

een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven

was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een

buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn

grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie

tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben

gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken

moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren

en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van

droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken

juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat

schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in

het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met

Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten

geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich

overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in

de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere

hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel

van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de

vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het

magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk

uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan

op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde,

altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne

verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de

voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder

tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne

bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd

geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het

vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets

liet voorstaan.

[19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens

van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische

instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies

heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet

tot eer.

Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot

een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden,

en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne

wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte

doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de

jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn

vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen

zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig

kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den

natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen,

wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te

maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had

gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had

Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste:

mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige

oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te

drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op

het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles,

zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht

meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner

vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn,

terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.

Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd

van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis

behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die

thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd

door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit

palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een

menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin

men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei

levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van

lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen,

slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden

stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren,

benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende

grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een

houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar

gewoonlijk sliep.

Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van

dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een

schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht

te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp

er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht

bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de

plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich

het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder

iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was

vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer,

die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen,

dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze

laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk

toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop

stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had

weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden.

In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd,

zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te

bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.

[20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke

messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij

lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de

museën worden bewaard.

Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op

den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer

gij u met verbodene dingen bezig houdt.”

»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur

genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van

den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden.”

[21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus,

I, 78.

»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!”

hernam de dichter.

»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”

»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn

graf?”

[22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem

behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te

verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de

handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren

het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.

»Onzin.”

»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een

onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der

onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij

zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer

gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de

smarten der menschen te lenigen......”

»En gij niet?”

Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het

konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog

altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven

zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en

daarom wordt het eerder vernietigd!”

Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!”

»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”

»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: ― men staat mij

zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris

beweegt.”

»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk

van het behoud des lichaams.”

Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde

ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens

gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals

gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze,

zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken

zijn.”

»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet

behoeft te ontzeggen!”

[23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn

heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop

voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben

geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken.

Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling

en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de

goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en

wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i.

de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der

Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den

zeer grooten heeten.

»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets,

volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand

als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”

»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, »die beter

kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”

»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of

=slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn.”

»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom

juist om er een beroep op te doen!”

»Maar zijt gij dan ziek?”

»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou

kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek

meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat...”

»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”

»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het

arme kind moet zwaar gewond zijn.”

»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de

overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”

»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”

»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder

den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”

»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij

den onreinen te vinden.”

»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”

»Pinem.”

»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de geleerde binnen ’s

monds. »Doch wie weet!”

Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en

streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het

konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist

en sprak: »Ik ben bereid.”

[24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.

»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”

De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een

schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad,

toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst

moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. ― Maar bij

den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!”

[25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een

gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen

overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is

afkomstig uit Arabië.

Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige

vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille

studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een

schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan

drie kleederen aanhad.

Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het

overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk

heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat,

bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”

»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden,

en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest

worden.”

»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind

van een Paraschiet?”

»Voorzeker!”

»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen

weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook

weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne

dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en

stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen.

Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag

hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den

regel vergezelt.”

[26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.

»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger

helper kiezen.”

»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust

had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet

nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit

te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27].”

[27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele

afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen

het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp

van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde

schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.

»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan

een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels

telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”

»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en

de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen,

dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat

hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties

nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne

oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den

Nekropolis?”

»Ik meen in het noorden. ― Paäker, de gids des konings, zal u den weg

wijzen.”

»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den

kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld

worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik

had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”

[28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in

den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard.

Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet,

enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders

gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven

door Dümichen.

»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.

»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een

armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en

klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik

liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”

»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den

tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der

artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden

Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 10 / 58 题