Pentaoer haastte zich aan het bevel van den opperpriester te voldoen.
Hij gelastte een dienaar den gids Paäker, die daar nog altijd stond te
wachten, naar Ameni te geleiden. Inmiddels ging hijzelf tot de artsen,
om hun de zorgvuldige verpleging van het ongelukkige meisje zeer op het
hart te drukken.
Er werden in het Seti-huis vele geneesheeren gevormd[18], doch maar
weinigen bleven daar wonen, na hun schrijversexamen te hebben afgelegd.
De bekwaamsten werden naar de inrichting te Heliopolis gezonden, in
welker groote zalen van oudsher de beroemdste medische faculteit van het
land bloeide. Nadat zij daar hunne studiën hadden voleindigd, keerden
zij als meesters, hetzij in de chirurgie, hetzij in de oogheelkunde of
in eenig ander onderdeel hunner wetenschap, naar Thebe terug. Bekleed
met de hoogste waardigheid van hun stand, werden zij door den koning tot
lijfartsen gekozen, of zij gebruikten hunne wetenschap om weder anderen
te onderrichten. In moeielijke gevallen werden zij altijd geconsulteerd.
[18] Wat hier over de artsen wordt gezegd is hoofdzakelijk
ontleend aan de geneeskundige geschriften der Egyptenaars,
waaronder de papyrus-Ebers in de eerste plaats in aanmerking
komt, vervolgens de medische papyrus I van Berlijn, en
eindelijk een hiëratisch handschrift te Londen, dat evenals de
papyrus-Ebers afkomstig is uit de 18de dynastie, d.i. uit de
16de eeuw v. Chr. Vgl. verder Herodotus II, 84; Diodorus I, 82.
De meeste artsen woonden natuurlijk aan den rechter Nijloever in het
eigenlijke Thebe, en wel met hunne gezinnen in hunne eigene woningen.
Toch behoorde ieder hunner tot een of ander priestercollege. Wie dus een
arts noodig had, richtte zijne schreden niet naar de woning van dezen
of genen, maar naar den tempel. Hier moest opgegeven worden aan welke
ziekten zij leden, die geneeskundige hulp inriepen. Aan het hoofd der
vereeniging van geneesheeren in het heiligdom bleef het dan overgelaten,
den heelmeester aan te wijzen, die door zijne bijzondere kennis het
meest geschikt scheen voor de behandeling van zulk een geval.
Evenals alle priesters leefden ook de artsen van de inkomsten, die zij
trokken uit eenig grondbezit, uit koninklijke giften, uit de belastingen
der leeken en de toelagen, die zij verder ontvingen uit de schatkist van
den staat. Van hunne patiënten hadden zij geene belooning te verwachten,
hoewel de herstelden zelden verzuimden aan het heiligdom, dat den arts
had aangewezen, een geschenk te vereeren. Het behoorde daarom niet tot
de zeldzaamheden, dat de priesterlijke geneesheeren de genezing der
kranken afhankelijk maakten van de offers, die men zich ten behoeve van
den tempel wilde getroosten. De kennis der Egyptische artsen strekten
zich uit over het geheele gebied der medische wetenschap, en was
waarlijk niet gering te schatten. Het is echter te denken, dat
geneesheeren, die zich aan het ziekbed nederzetten als »daartoe
aangewezen dienaars der godheid,” zich in geenen deele tevreden stelden
met eene rationeele behandeling der lijders; veel meer meenden zij
te mogen verwachten van de geheimzinnige werking van gebeden en
bezweringen, die volstrekt noodig werden geacht.
Onder de leeraars in de geneeskunde aan het Seti-huis verbonden, waren
mannen van zeer verschillende gaven en geestesrichting. Pentaoer
aarzelde geen oogenblik aan wie hij de zorgvuldige behandeling van het
Paraschieten-kind, dat zoozeer zijne deelneming had opgewekt, moest
toevertrouwen. De man op wien zijne keuze viel, een zijner beste
schoolvrienden en met hem van gelijken leeftijd, was de kleinzoon van
een beroemd geneesheer, die ook Nebsecht heette en sedert lang gestorven
was. Deze had zich van der jeugd op zijne wetenschap toegelegd met een
buitengewonen aanleg, een ijver en eene toewijding, die hij van zijn
grootvader scheen geërfd te hebben. Te Heliopolis koos hij de chirurgie
tot zijne specialiteit[19], en zeker zou men hem daar als leeraar hebben
gehouden, indien niet een gebrek in het spraakorgaan hem het spreken
moeielijk had gemaakt. Het was hem dan ook niet mogelijk de formulieren
en gebeden overluid op te zeggen. Deze omstandigheid, eene bron van
droefheid en beklag voor zijne ouders en leermeesters, zou blijken
juist bevorderlijk te zijn aan zijn geluk. Het gebeurt zoo vaak, dat
schijnbare voorrechten ons kwaad aanbrengen, terwijl menig gemis in
het leven eene oorzaak wordt van zegen. Terwijl namelijk zij, die met
Nebsecht tot hetzelfde college behoorden, in gezangen en voordrachten
geoefend werden, kon hij, dank zij zijn gebrekkig spraakorgaan, zich
overgeven aan zijne hartstochtelijke neiging, om het organisch leven in
de natuur te bespieden. Zijne leermeesters begunstigden tot op zekere
hoogte zijn aangeboren zucht tot onderzoek, en trokken ook hun voordeel
van zijne kennis der dierlijke en menschelijke lichamen, en van de
vaardigheid zijner handen. Voorzeker zou zijn diepe afkeer van het
magisch gedeelte zijner wetenschap hem strenge straffen, ja mogelijk
uitwerping uit het gild op den hals hebben gehaald, wanneer hij hiervan
op eenige wijze had doen blijken. Nebsecht was echter een geleerde,
altijd stil en in zichzelf gekeerd. Volstrekt niet verlangende zijne
verdiensten gehuldigd te zien, vond hij overvloed van genot in de
voldoening van het onderzoek zelf. Vandaar dat hij niet zonder
tegenzin gehoor gaf, wanneer men begeerde, dat hij openlijk van zijne
bekwaamheden zou doen blijken. Zoo dikwijls hij bij kranken werd
geroepen, was dit voor hem eene onvermijdelijke stoornis in het
vruchtbaar onderzoek van zijn werkzamen geest, waarop hij zich niets
liet voorstaan.
[19] Onder de zes hermetische boeken der artsen, door Clemens
van Alexandrië genoemd, was er éen gewijd aan de chirurgische
instrumenten. Verkeerd gezette beenbreuken die men bij mummies
heeft gevonden, strekken nochtans den Egyptischen chirurgen niet
tot eer.
Pentaoer had zich tot dezen Nebsecht meer aangetrokken gevoeld, dan tot
een zijner medeleerlingen. Hij bewonderde zijne kennis en bekwaamheden,
en wanneer de niet zeer sterke maar nochtans onvermoeide arts op zijne
wandelingen de boschjes aan den Nijloever, de woestijn of het gebergte
doorkruiste, om planten en dieren te zoeken, dan vergezelde hem de
jonge priesterlijke dichter gaarne, ook in zijn eigen belang. Want zijn
vriend merkte duizend dingen op, die zonder hem voor zijn oog verborgen
zouden zijn gebleven. Andere voorwerpen, die hij slechts uitwendig
kende, kregen inhoud en beteekenis door de verklaringen van den
natuuronderzoeker, wiens onbuigzame tong zich ongedwongen kon bewegen,
wanneer het gold zijn metgezel de eigenaardigheden duidelijk te
maken van een organisme, waarvan hij de ontwikkeling nauwkeurig had
gadegeslagen. De dichter was den geleerde genegen en Nebsecht had
Pentaoer wederkeerig lief, daar deze alles bezat wat hij miste:
mannelijke schoonheid, kinderlijke vroolijkheid, vrijmoedige
oprechtheid, kunstzin en de gave om in woorden en liederen alles uit te
drukken wat zijn hart gevoelde. De dichter was wel is waar een leek op
het gebied, dat zijn vriend geheel beheerschte, maar in staat om alles,
zelfs het meest ingewikkelde te begrijpen. Ziedaar waarom Nebsecht
meer waarde hechtte aan het oordeel van Pentaoer dan aan dat zijner
vakgenooten, die bleken door allerlei vooroordeelen bevangen te zijn,
terwijl de dichter vrij en onbevangen oordeelde.
Het vertrek van den natuuronderzoeker lag gelijkvloers, afgezonderd
van alle andere woningen, onder een graanschuur, die bij het Seti-huis
behoorde. Het mocht een ruime zaal heeten, en toch vond Pentaoer, die
thans den stillen bewoner ging opzoeken, zijn weg bijna overal versperd
door groote bundels van de meest verschillende planten, door uit
palmentakken gevlochten kooien, tot vier en vijf op elkaar; door een
menigte groote en kleine potten, die bedekt waren met papier waarin
men luchtgaten had gestoken. In die kooien en potten zag men allerlei
levende dieren, springhazen, groote Nijl-hagedissen en een soort van
lichtkleurige uilen, alsmede ontelbare exemplaren van kikvorschen,
slangen, schorpioenen en kevers. Op de eenige tafel, die in het midden
stond, lagen, behalve eenig schrijfgereedschap, beenderen van dieren,
benevens scherpe vuursteenen en bronzen messen van verschillende
grootte. In een hoek van het groote vertrek lag eene mat, waarop een
houten hoofdsteunsel stond, waaruit bleek dat de natuuronderzoeker daar
gewoonlijk sliep.
Zoodra de voetstap van Pentaoer zich hooren liet op den drempel van
dit eenzame verblijf, schoof de bewoner, even angstvallig als een
schooljongen, die een stuk verboden speelgoed voor zijn meester tracht
te verstoppen, een voorwerp van tamelijken omvang onder de tafel, wierp
er een kleed overheen, en verborg het scherpe aan een houten hecht
bevestigde mesje van vuursteen[20], dat hij juist gebruikt had, in de
plooien van zijn gewaad. Daarop sloeg hij de armen over elkaar, om zich
het aanzien te geven van iemand, die onbezorgd zit te droomen, zonder
iets te doen. De eenige lamp, die aan een standaard naast zijn stoel was
vastgemaakt, verbreidde een matig licht, echter voldoende om Pentaoer,
die de gewoonten van zijn vriend maar al te goed kende, te overtuigen,
dat hij Nebsecht in eene verbodene werkzaamheid had gestoord. Deze
laatste knikte den binnentredende, zoodra hij hem erkende, vriendelijk
toe, zeggende: »Gij hadt mij niet zoo moeten doen schrikken.” Hierop
stak hij zijne handen onder de tafel, en haalde wat hij weggestopt had
weder voor den dag, namelijk een levend konijn, op een plank gebonden.
In het opengespalkte lijf, dat door houten pennen open gehouden werd,
zag men het hart bewegen. Zonder zich verder over Pentaoer te
bekommeren, ging hij met zijn afgebroken onderzoek voort.
[20] De Egyptenaren schijnen zich bij voorkeur van zulke
messen te hebben bediend, ten minste bij de besnijdenis en bij
lijkopeningen. Men heeft er een aantal gevonden, die in de
museën worden bewaard.
Een tijdlang zag de dichter zwijgend toe; toen legde hij zijn hand op
den schouder zijns vriends, en zeide: »Sluit voortaan uw kamer, wanneer
gij u met verbodene dingen bezig houdt.”
»Men he... heeft mij,” stotterde de geleerde, »de grendel van de deur
genomen, sedert men mij onlangs betrapte, toen ik bezig was de hand van
den bedrieger[21] Ptahmes te ontleden.”
[21] De wet beval bedriegers de hand af te houwen. Diodorus,
I, 78.
»De mummie van den armen man zal dus de rechterhand moeten missen!”
hernam de dichter.
»Hij zal dien aan gene zijde des grafs niet noodig hebben.”
»Gij hebt hem toch zeker Schebti-beeldjes[22] mede gegeven in zijn
graf?”
[22] Kleine beeldjes, die men den gestorvene medegaf, om hem
behulpzaam te zijn bij den arbeid, dien hij in de onderwereld te
verrichten had. Zij houden eene spade en een ploegijzer in de
handen, en dragen een zaadbundel op den rug. Bijna allen voeren
het 6de hoofdstuk van het Doodenboek tot opschrift.
»Onzin.”
»Gij gaat te ver, Nebsecht, en zijt onvoorzichtig! Hij die een
onschadelijk dier zonder nut martelt, hem zullen de geesten der
onderwereld desgelijks doen, leert de wet. Maar ik bemerk reeds wat gij
zeggen wilt. Ge acht het geoorloofd een dier te laten lijden, wanneer
gij daardoor uwe wetenschap kunt verrijken, die u in staat stelt de
smarten der menschen te lenigen......”
»En gij niet?”
Pentaoer plooide zijn mond tot een glimlach. Hij boog zich over het
konijntje neder en zeide: »Hoe merkwaardig! Het diertje leeft nog
altijd. Een mensch zou reeds lang onder zulk eene behandeling gestorven
zijn. Zijn organisme is zeker van een kostbaarder en fijner maaksel, en
daarom wordt het eerder vernietigd!”
Nebsecht haalde de schouders op, terwijl hij antwoordde: »Misschien!”
»Ik dacht toch, dat ge dit weten moest.”
»Ik?” vroeg de arts. »Waarom dan? Ik zeide het reeds: ― men staat mij
zelfs niet toe te onderzoeken, hoe zich de hand van een falsaris
beweegt.”
»Bedenk toch dat de schrift leert: het welzijn der ziel is afhankelijk
van het behoud des lichaams.”
Nebsecht sloeg zijne kleine schrandere oogen op, en zeide met hetzelfde
ongeloovig gebaar van zoo even: »Dat zal dan wel zoo zijn. Overigens
gaan die dingen mij niet aan. Handel met de zielen der menschen zooals
gij wilt, ik tracht alleen hunne lichamen te leeren kennen, en zet ze,
zoo goed het gaan wil, weder in elkaar, wanneer ze hier of daar gebroken
zijn.”
»Nu, Thot[23] zij geloofd, dat gij u in deze kunst het meesterschap niet
behoeft te ontzeggen!”
[23] Toth is de god der geleerden en artsen. De ibis is zijn
heilig dier; gewoonlijk wordt hij dan ook met een ibis-kop
voorgesteld. Ra zou hem als „een schoon licht” hebben
geschapen, om de namen zijner booze vijanden kenbaar te maken.
Oorspronkelijk maangod, werd hij als heer van de tijdverdeeling
en van de maat in het algemeen vereerd. Hij is het die onder de
goden wikt en weegt, de wijze, de godheid van schrift, kunst en
wetenschap. De Grieken noemden hem Hermes Trismegistus, d. i.
de driemaal of zeer groote, en wel naar het voorbeeld der
Egyptenaars, die hem Toth of Techoeti, den tweemaal grooten, den
zeer grooten heeten.
»Wie is een meester,” vroeg Nebsecht, »behalve de godheid? Ik kan niets,
volstrekt niets, en gebruik mijne instrumenten met even onzekere hand
als de beeldhouwer die veroordeeld is in het duister te werken.”
»Dus zoowat als de blinde Resoe,” hernam Pentaoer lachend, »die beter
kon schilderen dan al de ziende kunstenaars in den tempel.”
»Ik geef toe, dat er in mijne werkzaamheid ook iets =beter= of
=slechter= kan genoemd worden, maar van =goed= kan geen sprake zijn.”
»Dan zullen wij ons met uw =beter= te vreden moeten stellen. Ik kom
juist om er een beroep op te doen!”
»Maar zijt gij dan ziek?”
»Isis zij geloofd, ik voel mij zóo sterk, dat ik wel een palmboom zou
kunnen ontwortelen. Neen, ik wilde u vragen hedenavond nog een ziek
meisje te bezoeken. De prinses Bent-Anat...”
»De koninklijke familie heeft hare eigene artsen.”
»Laat mij toch uitspreken! De prinses heeft een meisje overreden, en het
arme kind moet zwaar gewond zijn.”
»Zo-o,” zeide de geleerde met een gerekte stem. »Ligt zij aan de
overzijde in de stad, of hier in Nekropolis?”
»Hier; trouwens het is maar de dochter van een Paraschiet.”
»Een Paraschiet,” vroeg Nebsecht, en schoof zijn konijntje weder onder
den tafel. »Dan ga ik dadelijk!”
»Zonderling! ik ga waarlijk gelooven, dat gij hoopt iets bijzonders bij
den onreinen te vinden.”
»Dat is mijn zaak. Doch ik zal komen. Hoe heet die Paraschiet?”
»Pinem.”
»Hm! Met hem zal niets zijn aan te vangen,” bromde de geleerde binnen ’s
monds. »Doch wie weet!”
Na deze woorden stond hij op, opende een stevig gesloten fleschje, en
streek met een penseel strichnine[24] over de neus en den mond van het
konijn, dat terstond ophield te ademen. Daarop sloot hij het in een kist
en sprak: »Ik ben bereid.”
[24] Dit vergif was aan de Egyptenaars goed bekend.
»Maar in deze smerige kleederen kunt gij het huis toch niet verlaten!”
De arts gaf een teeken van toestemming en greep in eene lade naar een
schoon gewaad, dat hij begon aan te trekken over hetgeen hij aanhad,
toen Pentaoer den vriend met de hand tegenhield en lachend zeide: »Eerst
moet den werkmansrok uitgetrokken. Komaan, ik zal u helpen. ― Maar bij
den God Besa[25], gij zijt veelhuidig als een ui!”
[25] De toilet-godheid der Egyptenaars, die als een
gedrochtelijke dwerg werd voorgesteld. Hij doet de vrouwen
overwinnen in de liefde en de mannen ook in den strijd. Hij is
afkomstig uit Arabië.
Pentaoer was onder zijne medepriesters bekend om zijn gulhartige
vroolijkheid, en zijn luid gelach schaterde door het stille
studeervertrek, toen hij bemerkte dat zijn vriend voor de derde maal een
schoon kleed over een vuil wilde aantrekken, zoodat hij niet minder dan
drie kleederen aanhad.
Nebsecht begon ook te lachen en zeide: »Nu begrijp ik ook waarom het
overkleed mij zoo zwaar zat, en ik het op den middag zoo ondragelijk
heet had. Ga heen, terwijl ik de overbodige kleederen uittrek, en laat,
bid ik u, den opperpriester vragen, of ik den tempel mag verlaten.”
»Hij heeft mij reeds opgedragen een arts naar den Paraschiet te zenden,
en voegde er bij, dat de kranke als een koningin behandeld moest
worden.”
»Ameni? En wist hij, dat wij hier slechts te doen hebben met een kind
van een Paraschiet?”
»Voorzeker!”
»Dan begin ik te gelooven, dat men met bezweringen, gebroken ledematen
weder in het lid kan zetten. Ja, van die bezweringen gesproken: gij ook
weet toch, dat ik niet meer alleen tot de kranken kan gaan, daar mijne
dikke tong zich te moeielijk kan bewegen om de spreuken op te zeggen, en
stervenden door angst rijke offergaven voor den tempel af te persen.
Loop gij, terwijl ik mij uitkleed, naar den propheet Gagaboe, en vraag
hem, dat hij den Pastophoor[26] Teta met mij laat gaan, die mij in den
regel vergezelt.”
[26] Lid eener priesterorde, waartoe ook de artsen behoorden.
»In plaats van dien blinden oude, zou ik mij toch liever een jeugdiger
helper kiezen.”
»Laat het zoo blijven! Ik zou zeer tevreden zijn wanneer hij geen lust
had zelf mede te gaan en mij zijn tong als een aal of een slak liet
nakruipen. Hoofd en hart hebben met zijne spraakorganen toch niets uit
te staan, en hij gaat zijn gang als een os die het graan treedt[27].”
[27] In Egypte, evenals in Palestina, dorschten, gelijk vele
afbeeldingen, ook uit den oudsten tijd, ons doen zien, runderen
het graan, door het in kuilen te treden, dikwijls met hulp
van eene zwaar beladen slede, aan beide zijden met halfronde
schijven voorzien, en die men heden „noreg” noemt.
»Dat is waar,” zeide Pentaoer. »Onlangs zag ik zelf, hoe de oude aan
een ziekbed zijne litanieën prevelde, en onderwijl in stilte de dadels
telde, waarvan men hem een zak vol had gegeven.”
»Hij zal niet gaarne medegaan naar den Paraschiet, want die is arm, en
de oude zou eer die schorpioenen-familie in gindschen pot aangrijpen,
dan een stuk brood aannemen uit de hand van een onreine. Zeg hem, dat
hij mij mag komen halen en mijn wijn opdrinken. Daar staan de porties
nog van drie dagen. Bij de tegenwoordige hitte benevelt de drank mijne
oogen te zeer. Woont de Paraschiet in het noorden of zuiden van den
Nekropolis?”
»Ik meen in het noorden. ― Paäker, de gids des konings, zal u den weg
wijzen.”
»Hij?” hernam de geleerde spottend. »Wat staat er dan toch heden in den
kalender[28]? Een Paraschieten-kind moet als eene prinses behandeld
worden, en een arts geleid, alsof hij de pharao was in eigen persoon! Ik
had echter mijne drie overkleederen maar moeten aanhouden.”
[28] Er zijn nog kalenders bewaard; de volledigste vindt men in
den papyrus-Sallier IV, door F. Chabas uitgegeven en verklaard.
Bij elken dag staat aangeteekend, of hij gunstig is of niet,
enz. In de tempels heeft men een groot aantal feestkalenders
gevonden. De volledigste, van Medinet-Haboe, werd uitgegeven
door Dümichen.
»De nacht is warm,” zeide Pentaoer.
»Doch Paäker heeft zonderlinge gewoonten. Eergisteren werd ik bij een
armen jongen geroepen, dien hij met zijn staf het sleutelbeen kort en
klein had geslagen. Als ik een paard van de prinses was geweest, zou ik
liever hem dan zoo’n arm meisje hebben getrapt.”
»Ik ook!” hernam Pentaoer lachend, en verliet het vertrek, om den
tweeden profeet van den tempel, Gagaboe, die tegelijk het hoofd der
artsen in het Seti-huis was, te verzoeken zijn vriend den blinden
Pastophoor Teta, als litanieën-zanger mede te geven.