TWEEDE HOOFDSTUK.

De tempel, in welks eerste voorhof Paäker stond te wachten, en waarin de

priester was verdwenen om den geneesheer te halen, werd het Seti-huis

genaamd, en was een der grootste heiligdommen van de doodenstad[10].

Wat zijn grootsche aanleg betreft, werd hij enkel overtroffen door het

prachtig gebouw uit den tijd der vorstelijke dynastie, die door den

grootvader van den thans regeerenden koning werd onttroond, dat Thotmes

III had gegrondvest en waarvan Amenophis III den ingang had versierd met

ontzaglijk kolossale beelden[11]. In ieder ander opzicht echter kwam aan

het Seti-huis de eerste plaats in de Nekropolis toe. Ramses I had den

eersten steen gelegd, kort nadat het hem gelukt was zich door geweld

van den Egyptischen troon meester te maken. Zijn groote zoon Seti had

den bouw voortgezet, ten einde in dezen tempel den doodendienst voor

de zielen der afgestorven leden van het nieuwe koningshuis te doen

verrichten, en de heilige feesten ter eere van de goden der onderwereld

te vieren. Groote sommen waren ten koste gelegd aan de versiering van

het gebouw, en beschikbaar gesteld voor het onderhoud van priesters en

instellingen, die aan dit heiligdom verbonden waren. Die stichtingen,

geheel ingericht naar het model der eeuwenoude scholen van Heliopolis en

Memphis, waarin de wijsheid der priesters werd bewaard, waren bestemd

met dezen gelijken tred te houden; zij moesten Thebe, de nieuwe

residentie van Opper-Egypte, ook door de vruchten van wetenschappelijk

onderzoek boven de hoofdsteden van Neder-Egypte verheffen.

[10] Hij bestaat nog en is bekend onder den naam van den tempel

van Qoernah.

[11] Het noordelijk beeld is, als het geluidgevende

Memnonsbeeld, wereldberoemd geworden.

Het waren inzonderheid eenige inrichtingen voor onderwijs, die het eerst

verdienden genoemd te worden[12]. Op den voorgrond stond de hoogeschool,

waarin priesters, geneesheeren, rechters, wis- en sterrenkundigen,

beoefenaars van taal- en letterkunde en andere geleerden, niet alleen

onderwijs ontvingen, maar ook eene vrije woonplaats vonden, nadat zij

den hoogsten graad van kennis bereikt en den titel van »schrijver”

ontvangen hadden. Daar werden zij dan op kosten des konings onderhouden,

opdat zij, zonder door andere zorgen en bemoeiingen afgetrokken te

worden, dagelijks verkeerende met huns gelijken, die zich met dezelfde

studiën bezighielden, zich geheel zouden kunnen wijden aan bespiegeling

en wetenschappelijk onderzoek. De geleerden hadden eene groote boekerij

tot hun dienst, waarin duizenden schriftrollen werden bewaard, en

waaraan tegelijk een papyrus-fabriek verbonden was. Sommigen hunner

waren belast met het onderricht der jongere scholieren, die gevormd

werden in de evenzeer tot het Seti-huis behoorende voorbereidende

school. Die school stond open voor alle zonen van vrije burgers, en

werd door honderden kinderen bezocht, die hier ook een nachtkwartier

vonden. Trouwens de ouders waren verplicht òf kostgeld te betalen, òf

de spijzen, die de kinderen voor hun onderhoud noodig hadden, naar

de school te zenden. Voorts woonden in een afzonderlijk gebouw de

kostkinderen van den tempel. Het waren zonen van de voornaamste

familiën, die hier voor eene niet geringe vergoeding door de priesters

werden opgevoed. Seti I, de stichter van deze inrichting, had zijne

eigene zonen, ja zelfs den troonopvolger Ramses daar laten opvoeden.

[12] De volgende beschrijving van eene Egyptische inrichting van

onderwijs is, tot in elke bijzonderheid, ontleend aan bronnen,

die uit den tijd van Ramses II en zijn opvolger Mernephtah

afkomstig zijn.

Deze voorbereidende scholen werden druk bezocht. De stok speelde hier

zulk eene groote rol, dat zeker paedagoog aan deze inrichting met volle

recht kon zeggen: »De ooren der schooljongens zitten op hun rug; zij

hooren als men hen slaat.” Knapen, die uit de lagere klassen tot de

hooge school wilden overgaan, moesten zich aan een examen onderwerpen.

Waren zij geslaagd, dan konden de jonge studenten zich een leermeester

kiezen uit de geleerden van hoogeren rang. Deze nam de leiding hunner

wetenschappelijke studiën op zich, en zij bleven hun leven lang als

cliënten aan zulk een patroon verbonden. Na een tweede examen konden

zij den titel van schrijver verkrijgen en het recht om eenig openbaar

ambt te bekleeden. Nevens deze scholen voor geleerden vond men hier

verder eene school tot opleiding van kunstenaars, waarin zoodanige

jongelingen werden onderwezen, die zich op de bouw-, de beeldhouw- of

schilderkunst wenschten toe te leggen. Ook bij deze inrichting koos elke

leerling zich zijn meester. Alle leeraars in deze scholen behoorden

tot de priesterschap van den Seti-tempel, die uit meer dan achthonderd

personen bestond. Zij waren in vijf klassen verdeeld, aan het hoofd

waarvan drie zoogenaamde profeten stonden. De eerste profeet was de

opperpriester van het Seti-huis, en tegelijk het hoofd van die duizende

hoogere en lagere dienaars der godheid, die tot de doodenstad van Thebe

behoorden.

Het eigenlijk Seti-huis was een tempel van massieven kalksteen. Eene

rij van sphinxen voerde van den Nijl tot den ringmuur en den eersten

breeden pylon, die toegang verleende tot een ruim aan twee zijden door

zuilengangen omgeven voorhof, aan het einde waarvan zich eene tweede

poort verhief, die uit twee torens bestond in den vorm van afgeknotte

pyramiden. Was men deze doorgegaan, dan bevond men zich in een tweeden

voorhof, niet ongelijk aan den eersten. De achterzijde werd hier echter

gesloten door eene breede zuilenrij, die tot den eigenlijken tempel

behoorde. Deze werd thans van binnen door het matte schijnsel van enkele

lampen verlicht.

Achter het Seti-huis stonden groote vierkante gebouwen, uit gebakken

Nijltegels opgetrokken, die er deftig en sierlijk uitzagen; want men

had de steenen door pleisterkalk aan het oog onttrokken, en de gladde

oppervlakte beschilderd met allerlei voorstellingen en opschriften

in hiëroglyphen. Inwendig waren deze gebouwen alle op dezelfde wijze

ingericht. In het midden bevond zich een open hof, waarop de deuren

uitkwamen van de vertrekken der priesters en geleerden. Aan beide zijden

van den hof had men een overdekten houten zuilengang aangebracht, die

tevens overdag schaduw verleende. Midden in de opene ruimte bespeurde

men een waterbekken, door sierlijke planten omgeven. De woningen der

scholieren waren op de bovenverdieping, terwijl het onderricht werd

gegeven in den hof, waarvan de tegelvloer door matten was bedekt.

Eindelijk verdient nog bijzonder de aandacht het huis van de hoofden

der profeten. Dit had een nog deftiger aanzien, en was terstond te

onderkennen aan de wimpels, die boven het dak uitwoeien. Het lag op

ongeveer honderd schreden afstands achter het Seti-huis tusschen een

goed onderhouden boschje en een helderen vijver, het heilige tempelmeer.

Die profeten hielden hier slechts tijdelijk verblijf terwille van hun

ambt, want zij woonden met vrouw en kinderen in aanzienlijke huizen,

die in de eigenlijke stad, aan gene zijde van den stroom, gelegen waren.

Het late bezoek, dat aan den tempel werd gebracht, was natuurlijk deze

kolonie van priesterlijke geleerden niet ontgaan. Evenals de mieren

onrustig heen en weer beginnen te loopen, wanneer de menschelijke hand

hun nest aanraakt, zoo had deze onverwachte beweging niet alleen onrust

te weeg gebracht onder de scholieren, maar ook onder de leeraars en

priesters. In groepen naderden zij den ringmuur. Verschillende vragen

werden gedaan en vermoedens uitgesproken. Volgens den een was eene

koninklijke boodschap gekomen; volgens een ander weder zou de prinses

Bent-Anat door Kolchyten overvallen zijn. Een schalk onder de

losgebroken knapen wist te vertellen, dat de koninklijke gids, Paäker,

met geweld in den tempel was gebracht, om hier wat beter te leeren

schrijven. Daar de man, met wien de ondeugd den spot dreef, vroeger

werkelijk een kweekeling van het Seti-huis was geweest, en er onder het

knapengeslacht nog allerlei vermakelijke anecdoten voortleefden van ’s

mans uiterst gebrekkige kennis van taal en stijl, zoo werd deze tijding

met algemeenen bijval begroet. Hoe onzinnig deze verklaring ook was,

daar Paäker een der hoogste posten bekleedde bij het leger des konings,

scheen zij toch zoo onwaarschijnlijk niet, daar een ernstige jonge

priester verzekerde, dat hij den wegwijzer in het eerste voorhof van den

tempel had gezien.

De levendige gesprekken, het lachen en joelen der knapen op zulk een

ongewoon uur, bleef door den opperpriester niet onopgemerkt. Deze

geestelijke, Ameni geheeten, de zoon van Nebket, een zeldzaam man,

gesproten uit eene oude adellijke familie, was oneindig meer dan de

oppermachtige gebieder der tempelbewoners, die hij met krachtige hand en

wijs overleg wist te besturen. Alle priestercollegiën van het geheele

land erkenden zijne meerderheid, vroegen zijn raad in moeielijke

gevallen, en wachtten zich wel in eenig opzicht af te wijken van de

bepalingen ten aanzien van geestelijke dingen, die in het Seti-huis,

dat wilde zeggen door Ameni, werden vastgesteld. Men zag in hem het

priesterlijk ideaal als verwezenlijkt, en wanneer hij soms aan enkele

collegiën moeielijke, ja vreemde eischen stelde, dan onderwierp men

zich zonder tegenspraak, omdat de ervaring had geleerd, dat de duistere

kronkelwegen, die hij aanwees om te bewandelen, altijd tot éen doel

leidden, namelijk de verheffing van de macht en het aanzien der

hiërarchie. Zelfs de koning wist dien geheel eenigen man te waardeeren,

en had sedert lang beproefd hem als zegelbewaarder aan zijn hof te

verbinden. Ameni was er nochtans niet toe te bewegen geweest, zijne

oogenschijnlijk lagere betrekking vaarwel te zeggen. Immers hij zag met

minachting neer op uiterlijken glans en weidsche titels; hij waagde

het nu en dan zich bepaald te verzetten tegen de maatregelen van het

„het groote huis”[13] en liet er zich toe overhalen de onbepaalde

heerschappij over de geesten te verwisselen voor een beperkt gezag in

uitwendige aangelegenheden, die hem te nietig voorkwamen, terwijl hij

dan in dienst zou staan van den maar al te zelfstandigen pharao, die

zich niet gemakkelijk door anderen liet leiden.

[13] Het groote, het verhevene huis, de hooge porte: ziedaar de

vertolking van het Egyptische Peraä, waaruit het „pharao” der

Joden is ontstaan.

Hoewel zeer regelmatig in zijne gewoonten, had Ameni zich een geheel

bijzonderen levensregel voorgeschreven. Van elk tiental dagen vertoefde

hij er acht in den tempel, die aan zijne zorgen was toevertrouwd; de

overige twee wijdde hij aan zijn gezin dat aan den anderen Nijl-oever

woonde. Doch hij hield voor ieder, zelfs voor de zijnen verborgen, welk

gedeelte van de tien dagen hij voor zijn uitspanning dacht te nemen. Hij

had maar vier uren slaap noodig. Gewoonlijk rustte hij op den middag en

wel in een vertrek, dat stikdonker kon worden gemaakt, en waartoe geen

geluid vermocht door te dringen. Nooit sliep hij ’s nachts; de koelte

en de diepe stilte schenen aan de krachtige inspanning des geestes

bevorderlijk te zijn. Vaak hield hij zich dan bezig met de beschouwing

van den helderen sterrenhemel. Aan alle ceremoniën, die zijn stand van

hem vorderde, zooals wasschingen en reinigingen, scheren en vasten,

onderwierp hij zich met stipte nauwgezetheid, en zijn uiterlijk

beantwoordde geheel aan zijn innerlijk.

Ameni was pas zijn vijftigste jaar ingetreden. Hij was hoog van

gestalte, maar miste geheel de breedte en gezetheid, die men bij

oosterlingen op zulk een leeftijd pleegt waar te nemen. Zijn glad

geschoren schedel had een gelijkmatigen vorm en de gedaante van een

langwerpig ovaal. Zijn voorhoofd was noch breed, noch hoog, maar zijn

profiel buitengewoon fijn van lijnen. Zijne dunne droge lippen en

groote oogen, die onder zware wenkbrauwen te voorschijn kwamen, trokken

dadelijk de aandacht. Men kon ze juist niet prachtig noemen, noch

tintelend van vuur, want gewoonlijk richtte hij ze naar den grond, Maar

wanneer hij zien en onderzoeken wilde, dan was in die heldere oogen,

als hij ze langzaam opsloeg, hartstocht te lezen. De jonge Pentaoer,

de dichter van het Seti-huis, die deze oogen kende, had ze bezongen en

er van gezegd, dat zij goed aangevoerde legerscharen geleken, die de

veldheer vóor en na den strijd rust gunt, om ze met volle kracht in den

slag ter overwinning te voeren. De waardige afgemetenheid van zijne

woorden en gebaren had iets koninklijks en priesterlijks tegelijk; zij

was hem deels eigen en aangeboren, deels ook een gevolg van zijne groote

zelfbeheersching. Aan vijanden ontbrak het hem niet, maar lasteraars

waagden het zelden zich te meten met den man, die in alles hun meerdere

was.

Verwonderd over de onrust die hem stoorde, zag de opperpriester thans

van zijn arbeid op naar de voorhoven van het heiligdom. Het vertrek,

waarin hij zich bevond, was zeer ruim en luchtig. Het benedendeel van

de wanden was met fijne tegels bemetseld, het bovendeel gepleisterd en

beschilderd. Doch men kon weinig zien van het veelkleurig meesterwerk,

door den schilder der inrichting gepenseeld, want de muren waren bijna

overal achter houten kasten verborgen, waarin de schriftrollen en

wastafeltjes lagen. Eene groote tafel, eene hooge sofa met panthervel

overtrokken, waarvoor een voetbank stond en waarop men een toestel zag

met een halvemaanvormigen beugel, bestemd om er het hoofd in te laten

rusten[14]; verder verschillende stoelen, een tafeltje met bekkens en

kannen en een ander met flesschen van verschillende grootte, schalen en

doozen, maakte het ameublement uit van deze zaal, die verlicht werd door

drie lampen in den vorm van vogels, met kiki-olie[15] gevuld. ― Ameni

droeg een overkleed van sneeuwwit linnen, dat in nette plooien tot op

zijne enkels afhing; eene met franje omboorde sjerp, waarvan de breede

en hard gesteven einden tot aan de knieën reikten, was rondom zijn

middel gestrikt. Het wijde overkleed werd echter opgehouden door een

breeden draagband van zilverbrokaat. Een uit paarlen en edelgesteenten

saamgestelde, meer dan een span breede band hing van zijn hals tot laag

op zijne naakte borst af, en zijne bovenarmen waren getooid met groote

gouden armbanden. Hij rees op van den ebbenhouten stoel, waarvan de

pooten gesneden waren in den vorm van leeuwenklauwen, en wenkte een

der dienaars, die aan den wand van het vertrek neergehurkt zaten. Deze

verstond ook zonder woorden het verlangen zijns meesters, zette hem

voorzichtig en stilzwijgend eene zwarte pruik met breede lokken op den

kalen schedel[16], en hing over de schouders een panthervel, waarvan de

kop en de klauwen met plaatgoud waren overtrokken. Een tweede dienaar

hield Ameni den metalen spiegel voor, waarin hij even een blik wierp,

terwijl hij de pruik en de dierenhuid recht schikte.

[14] Vele exemplaren zijn in de graven gevonden. Een dergelijk

toestel wordt nog heden in Nubië gebruikt.

[15] Ricinus-olie.

[16] Alle voorname Egyptenaars droegen eene pruik op den

geschoren kruin. Zulke pruiken worden nog in enkele musea

bewaard.

Juist wilde de derde slaaf den prelaat den kromstaf, het teeken zijner

hooge waardigheid, overhandigen, toen een priester binnentrad om den

schrijver Pentaoer aan te dienen. Ameni wenkte, en de zelfde jonge

geestelijke, met wien wij de prinses Bent-Anat bij de tempelpoort zagen

spreken, trad het vertrek binnen.

Pentaoer kuste knielend de handen van den opperpriester, die, hem

zegenende, met welluidende stem tot hem zeide, in zulk eene zuivere taal

en zoo goed gestyleerd, alsof hij uit een boek voorlas: »Sta op mijn

zoon; uw komst zal mij op dit ongelegen uur eene wandeling besparen, zoo

gij mij kunt berichten, wat de scholieren in onzen tempel zoo in onrust

brengt. Spreek!”

»Er is niet veel bijzonders voorgevallen, heilige vader!” gaf Pentaoer

ten antwoord; »en ik zou u thans niet gestoord hebben, wanneer de

kweekelingen niet zonder eenigen grond, zoo veel beweging hadden

gemaakt, en de prinses Bent-Anat niet zelve was gekomen, om ons een

geneesheer te vragen. Het ongewone uur, en het gevolg waarmede zij zich

aanmeldde....”

»Is de dochter van den pharao dan ziek geworden?” vroeg de prelaat

haastig.

»O neen, mijn vader, zij is maar al te welvarende. Want toen zij eene

proef wilde nemen van de vlugheid harer paarden, overreed zij de dochter

van Pinem, den Paraschiet. Goedhartig, gelijk zij is, bracht zij het

zwaar verwonde meisje in eigen persoon naar huis.”

»Zij betrad alzoo de hut van den onreine?”

»Zoo is het.”

»En nu verlangt zij, dat wij haar reinigen zullen?”

»Ik meende haar het misdrevene te mogen vergeven, vader, want de reinste

menschenliefde had haar bewogen tot eene daad, die wel is waar met de

zeden in strijd is, maar....”

»=Maar=?” vroeg Ameni op hoog ernstigen toon, en zijne oogen, die tot

hiertoe naar den grond waren geslagen, begonnen te leven.

»Maar,” vervolgde de jonge priester, die nu op zijn beurt voor zich zag,

»maar toch geen misdaad kan zijn. Wanneer Ra[17] in zijn gouden boot den

hemel bevaart, beschijnt zijn licht het paleis van den pharao niet eer

en niet milder dan de hutten der armen. Moet dan het zwakke menschenhart

zijn vriendelijk licht, zijne liefde, aan den banneling onthouden,

omdat hij ellendig is?”

[17] De zonnegod der Egyptenaars.

»Ik hoor den dichter Pentaoer spreken,” hernam de prelaat, »niet den

priester, wien de genade ten deel viel, tot den hoogsten graad der

wijsheid te worden opgevoerd, dien ik mijn broeder noem en mijns

gelijke. Jongeling, ik heb niets op u vooruit dan wat vergankelijke

kennis, die het verledene voor u zoowel als voor mij verworven heeft,

dan eenige waarnemingen en ervaringen, die de wereld niets nieuws kunnen

aanbrengen, maar wel haar leeren, hoe men de levensvatbaarheid en de

werkende kracht van het oude moet onderhouden. Dat wat gij voor weinige

weken geleden beloofd hebt, dat heb ik voor vele jaren in het aangezicht

van het allerheiligste bezworen, namelijk: =het weten zorgvuldig te

bewaren=, als het uitsluitend eigendom der ingewijden. Want het is ’t

vuur gelijk, dat door hen die leerden er mede om te gaan tot een edel

doel wordt gebruikt, dat echter in de hand van een kind ― en het volk,

de groote menigte kan zich nimmer tot mannelijk rijpheid ontwikkelen ―

een alles vernielenden brand doet ontstaan, wanneer de woedende

en onuitbluschbare vlammen alles aantasten en vernietigen, wat de

voorgeslachten zoo schoon hebben gebouwd. Hoe echter kunnen wij

=de wetenden= blijven, en onze wetenschap onder de hoede van onzen

vreedzamen tempel in diepte en omvang doen toenemen, zonder de zwakken

en vromen in gevaar te brengen? Het is u bekend, en gij hebt gezworen

hiernaar te zullen handelen! Het is uw plicht en die van elken priester,

de groote menigte te binden aan het geloof en de inzettingen der

vaderen. De tijden zijn veranderd, mijn zoon! Onder de oude koningen was

het vuur, waarover ik tot u, dichter, zoo even sprak in een beeld, als

door metalen muren omgeven, waarlangs de menigte onwetend voorbijging.

Thans zie ik spleten in de oude omheining; de oogen der oningewijde

zinnelijke menschen zijn scherper geworden, en de een vertelt den ander

wat hij, half verblind, door die gloeiende openingen meent bespeurd te

hebben.”

Er was eene zachte trilling te bespeuren in de stem van den spreker.

Terwijl hij zijn doordringend oog onafgebroken op den dichter gericht

hield, ging hij voort: »Ieder ingewijde, die deze spleten tracht te

verbreeden, vloeken wij en bannen wij uit ons midden. Ja, wij straffen

zelfs den vriend, die onachtzaam verzuimt ze met metaal en hamerslagen

te dichten.”

»Mijn vader!” riep Pentaoer, en diep getroffen trok hij zijn hoofd

terug, terwijl het bloed hem naar de wangen steeg.

De opperpriester trad naar hem toe, en legde beide handen op zijne

schouders. Ameni en Pentaoer waren van dezelfde lengte en ongeveer van

gelijke gestalte. Ook tusschen de trekken van hun gelaat bestond groote

overeenkomst. Toch zou iemand hen zelfs niet voor verre verwanten

gehouden hebben, want in de uitdrukking van hun gelaat bestond een

hemelsbreed verschil. De trekken van den een spraken van een vasten

wil en kracht, om zoowel het leven als zich zelven met ernst en

koelbloedigheid te beheerschen; die van den ander waren de tolken van

zeker teeder verlangen, om de gebreken en de ellende der wereld over ’t

hoofd te zien, en het leven op te vatten gelijk het zich voordoet aan de

ziel eens dichters, wanneer hij het beschouwt in den tooverspiegel die

alles idealiseert. Frischheid van geest en levensvreugde verkondigden

zijne heldere oogen. Doch het fijne lachje dat om zijne lippen speelde,

bij eene gedachtenwisseling of wanneer zijn gevoelig gemoed in beweging

werd gebracht, bewees dat Pentaoer zich niet overgaf aan zekere naïve

zorgeloosheid, maar dat hij menigen zwaren zielestrijd had doorworsteld,

en ook gedronken had uit den beker van den twijfel. In dit oogenblik

voerden afwisselende aandoeningen strijd in zijn gemoed. Het was hem als

moest hij het gehoorde wederleggen; en toch oefende de indrukwekkende

meerderheid van den ander zulk een diepen invloed op de ziel van den

jongen man, die tot gehoorzaamheid was opgevoed, dat hij zweeg en eene

heilige huivering door zijne leden voer, toen Ameni’s handen zijne

schouders aanraakten.

»Ik berisp u,” zeide de opperpriester, terwijl hij den jongeling nog

altijd vasthield, »ja ik moet u straffen ofschoon het mij smart. En

toch” ― nu eerst deed hij een schrede achterwaarts en greep Pentaoer’s

rechterhand ― »en toch verblijdt het mij, dat dit noodig is; want

ik heb u lief en eer u als iemand, dien de Onuitsprekelijke met

buitengewone gaven gezegend en tot groote dingen uitverkoren heeft. Het

onkruid laat men wassen of men rukt het uit, maar gij zijt eene edele

boom, en ik vergelijk mijzelf bij den hovenier, die verzuimde den

jeugdigen stam van een steunsel te voorzien, en nu dankbaar is dat

hij eene verkeerde kromming opmerkt, die hem aan zijne nalatigheid

herinnert. Gij ziet mij vragend aan, en ik lees in de uitdrukking van uw

gelaat, dat ge mij voor een overmatig streng rechter houdt. Wat is u te

verwijten? ― Gij hebt toegelaten, dat men aan eene overoude inzetting

heeft getornd. Dat wil, zoo denkt gij wellicht in uwe kortzichtigheid en

lichtvaardigheid, niet veel zeggen. Maar ik verzeker u: gij hebt dubbel

misdreven, want de schuldige was de dochter des konings, waarop ieder

het oog gericht houdt, de aanzienlijken zoowel als de geringen, en wier

daden het volk ten voorbeeld moeten zijn. Wanneer de aanraking van

iemand, die volgens de oude inzetting met het ergste is besmet, haar

niet verontreinigt, die boven allen staat, wien verontreinigt zij dan?

Binnen weinige dagen zal men ieder hooren zeggen: Paraschieten zijn

menschen als wij, en het gebod der vaderen om ze te mijden was eene

dwaasheid. En zullen de opmerkingen der menigte hierbij blijven, of

maakt zij niet gaarne de gevolgtrekking, dat wie in een punt dwaalt ook

feilbaar is in anderen? In geloofszaken, mijn zoon, bestaat er geen

verschil tusschen klein en groot. Laat men den vijand éen toren over,

weldra zal hij meester zijn van de geheele vesting! In dezen onrustigen

tijd is het met onze leer als met een wagen, die op de helling van een

berg staat. Een steen onder het wiel houdt hem tegen. Doch een kind

neemt deze hindernis weg, en het voertuig rolt onverbiddelijk in de

diepte, om verbrijzeld te worden. Stel u voor dat de prinses dit kind

is, en de steen onder het wiel een stuk brood, hetwelk zij een bedelaar

tot spijs wil geven. Zoudt gij haar laten begaan, als uw vader, uwe

moeder en alles wat u lief en dierbaar is op den wagen stonden? ―

Spreek mij niet tegen! De prinses zal den Paraschiet morgen weder

bezoeken. Gij wacht haar op in de hut van dien man en zult haar dáar

aankondigen, dat zij zichzelve vergeten heeft en onze reiniging behoeft.

Voor ditmaal onthef ik u van alle verdere straf. De hemel schonk u

een rijken geest. Tracht te verwerven wat u nog ontbreekt: de kracht

namelijk om terwille van het éene ― en gij kent dat eene ― al het

andere te onderdrukken, zelfs de verleidende stem van uw hart en de

bedrieglijke inblazingen van uwe eigene overtuiging. ― Nog iets! Zend

artsen naar het huis van den Paraschiet, en beveel hen de gewonde te

behandelen alsof zij de koningin zelve ware. Wie kent de woning van dien

man?”

»De prinses,” antwoordde Pentaoer, »heeft den gids des konings, Paäker,

in den tempel achtergelaten, om de artsen naar het huis van Pinem den

weg te wijzen.”

De ernstige opperpriester begon te lachen, terwijl hij zeide: »Paäker,

die waakt over de dochter van een Paraschiet!”

Pentaoer hief nog half vreesachtig, half schalks de oogen op, die hij

tot dusver had neergeslagen, en zuchtte: »En Pentaoer, de zoon van den

hovenier, die de dochter des konings moet aanzeggen, dat zij niet rein

is!”

»Pentaoer de dienaar der godheid, Pentaoer de priester zal niet met de

prinses maar met een overtreedster der wet te doen hebben,” hernam Ameni

weder ernstig. »Doe Paäker weten, dat ik hem verlang te spreken.”

De dichter boog diep en verliet het vertrek. De opperpriester fluisterde

in zichzelf: »Hij is nog niet zooals hij wezen moet, en mijne woorden

zijn op hem zonder uitwerking gebleven.” Toen zweeg hij, liep peinzend

het vertrek op en neer, en zeide half overluid denkende: »En toch is

deze jongeling voor groote dingen bestemd. Welke gave des geestes zou

hij missen? Hij kan leeren, denken, gevoelen en harten veroveren ― ook

het mijne. Edel en bescheiden heeft hij zich gedragen....”

Bij deze woorden bleef de hoogepriester stilstaan, sloeg zijn hand aan

de leuning van een stoel die voor hem stond, en vervolgde: »Juist dit is

’t wat hem ontbreekt! Hij kent het vuur der eerzucht nog niet. Laat ons

dit ontsteken, in zijn en in ons belang.”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 9 / 58 题