EERSTE HOOFDSTUK.

Bij het oude honderdpoortige Thebe wordt de Nijl merkbaar breeder. De

bergketenen, die zich uitstrekken aan beide zijden van den stroom, nemen

hier bepaalden vorm aan. Eenige bijna kegelvormige toppen steken, scherp

gekant, boven den vlakken rug van het veelkleurig kalkgebergte uit,

waarop geen palmboom groeit en zelfs de planten der woestijn niet tieren

kunnen. Met steenen gevulde spleten en openingen zijn de eenige wegen,

om meer of minder diep in dit gebergte door te dringen, waarachter de

doodsche woestijn zich uitbreidt, met hare zandvlakten en rotsblokken,

met hare klippen en naakte riffen. Achter de oostelijke bergen wordt

deze woestenij begrensd door de Roode zee, achter de westelijke is zij

onbegrensd als de eeuwigheid. De Egyptenaren geloofden, dat daarachter

het doodenrijk begint.

Tusschen beide heuvelrijen nu, die als wallen en muren het woestijnzand

tegenhouden, stroomt de breede heldere Nijl, zegen en vruchtbaarheid

brengende, zoowel de vader als de wieg van millioenen schepselen. Aan

zijne beide oevers liggen in breede vlakten de donkere akkers, en in

zijn schoot koestert hij geschubde en gepantserde waterbewoners van

allerlei gedaante. Op den waterspiegel wiegelen lotusbloemen, en in het

papyrusriet aan den oever bouwen ontelbare watervogels hunne nesten.

Van den voet der bergen tot aan den Nijl strekken de graanvelden zich

uit, na den zaaitijd blauwachtig groen gekleurd, bij het naderen

van den oogst gelijk aan een zee van vloeibaar goud. Bij de putten

en schepraderen bespeurt men van nabij en van verre schaduwrijke

sykomoren-boomen, en zorgvuldig gekweekte dadelpalmen verheffen zich

samen tot lieflijke bosschen. Het vlakke zaailand, dat jaarlijks door de

overstrooming wordt besproeid en bemest, steekt bij de zandige helling

der bergen, die er achter liggen, af, als de tuinaarde van een bloembed

bij het gele kiezelzand van het voetpad.

In de veertiende eeuw vóor onze jaartelling ― want wij brengen onze

lezers terug in zulke langvervlogen tijden ― waren menschenhanden in

Thebe druk in de weer, om door hooge steenen dammen en dijken den

wassenden vloed te keeren, ten einde de straten en pleinen, de tempels

en paleizen der stad voor overstrooming te bewaren. Kanalen, die goed

afgesloten konden worden, baanden den weg van de dammen naar het

daarachter gelegen land en door menige kleine zijvaart naar de tuinen

van Thebe. Aan den rechter, oostelijken oever van den Nijl zag men de

straten van deze beroemde residentie der pharao’s. Dicht bij den stroom

verhieven zich de kolossale bontbeschilderde tempels van de Amonstad.

Daarachter, tot op geringe afstand van den oostelijken bergketen,

gedeeltelijk reeds op den woestijnbodem, verrezen de paleizen der

koningen en aanzienlijken, en waren de schaduwrijke straten aangelegd,

waar hooge en smalle huizen dicht bij elkander gebouwd stonden. Welk

een bont gewemel, wat levendige drukte heerschte daar in den bloeienden

zetel der pharao’s!

De westelijke Nijloever bood weder een gansch ander schouwspel aan.

Ook hier ontbrak het voorzeker niet aan weidsche gebouwen en overvloed

van menschen. Maar terwijl aan gene zijde van den stroom de huizen

éene ineengedrongene massa vormden, en de burgerlieden luidruchtig en

vroolijk hunne dagelijksche bezigheden volbrachten, zag men aan deze

zijde slechts prachtige gebouwen van buitengewone afmeting, waartegen de

kleinere huizen en hutten zich aandrongen, als kinderen die bescherming

zoeken door zich aan moeders schoot vast te klemmen. Deze groepen van

gebouwen rezen naast elkander op, doch waren onderling niet verbonden.

Wie het gebergte besteeg en op dit alles nederzag, kreeg den indruk als

lagen daar beneden hem, dicht bij elkander, een groot aantal dorpen met

deftige heerenhuizen. Zoo iemand uit de vlakte opzag naar de oostelijke

hellingen der westelijke bergen, dan ontwaarde men honderde geslotene

poorten, deels alleen staande, deels op rijen naast elkander, waarvan

er velen aan den voet van het gebergte, verscheidene in het midden,

sommigen zelfs op eene vrij aanzienlijke hoogte waren aangelegd. En hoe

weinig geleek het afgemeten, ja ernstige leven op de straten in dit

gedeelte, op het levenslustige gejoel en de bedrijvigheid der menschen

daar ginds! Ginds op den rechteroever was ieder in heftige beweging bij

arbeid en vermaak, onder vreugd en smart, in woord en daad. Hier, op den

linkeroever, werd weinig gesproken, scheen eene zekere tooverkracht de

schreden der wandelaar tegen te houden, eene bleeke hand den vroolijken

blik der oogen te benevelen en elke plooi glad te strijken, die een

lachje om den mond kon doen spelen. En toch landde hier menige sierlijk

getooide bark, ontbrak het er niet aan koren van zangers, bewogen

feestelijke optochten zich in de richting der westelijke bergen.

Maar die vaartuigen brachten slechts dooden aan, de liederen die

hier weerklonken waren klaagzangen, en de optochten bestonden uit

rouwdragenden, die de sombere lijkkist volgden.

Wij staan op den bodem van Thebe’s doodenstad.

Doch daarom werd ook in dit gedeelte het levendige verkeer niet gemist.

Immers voor den Egyptenaar waren de dooden niet gestorven. Hij drukte

zijne ontslapenen de oogen toe; hij bracht hen naar de Nekropolis, de

doodenstad, in het huis van den Kolchyt, die de lijken balsemde, en ten

laatste in de groeve. Nochtans wist hij, dat de zielen der afgestorvenen

bleven voortleven; dat zij gerechtvaardigd zijnde als Osiris in het

zonneschip den hemel zouden bevaren, dat zij in elke gedaante, die zij

zouden willen aannemen, weder op aarde konden verschijnen, en op den

levensloop der achtergeblevenen invloed mochten oefenen. Daarom zorgde

hij voor eene waardige begrafenis zijner dooden, bovenal voor het

balsemen, waardoor de lichamen zeker voor bederf bewaard bleven. Ook

verzuimde hij niet, op bepaalde tijden het doodenoffer, bestaande in

vleesch en gevogelte, dranken en reukwerken, groenten en bloemen te

vernieuwen. Bij de begrafenis zoo min als bij het brengen dier offers

kon de dienaar der godheid worden gemist.

De stille doodenstad scheen bovendien de geschiktste plaats voor het

bouwen van scholen en woningen voor geleerden. In de tempels van deze

Nekropolis hielden groote priestervereenigingen hun verblijf, en de

talrijke Kolchyten, wier ambt van den vader op den zoon overging,

hadden hunne huizen in de nabijheid der uitgestrekte gebouwen, die voor

het balsemen bestemd waren. Het ontbrak echter niet aan fabrieken en

winkels. In de eersten werden sarcophagen van steen en hout vervaardigd,

benevens windsels van lijnwaad, waarin de mummiën werden gewikkeld,

en amuletten waarmede deze werden opgesierd. In de laatsten boden

kooplieden specerijen, reukwerken, bloemen, vruchten, groenten en

gebak te koop aan. Hier en ginds zag men runderen, gazellen, geiten,

ganzen en ander gevogelte binnen grasperken met heggen omgeven, en

de naastbestaanden van den overledene gingen daarheen, om uit de

offerdieren, door de priesters voor rein verklaard, de zoodanige uit te

zoeken, die zij noodig hadden, en met het heilige merk te doen voorzien.

Velen kochten ook aan de slachtbanken enkele stukken vleesch. De armen

bleven echter van deze plaats verwijderd, zij vergenoegden zich met het

koopen van allerlei gebak in de gedaante van dieren, dat de runderen en

ganzen, die zij niet machtig konden worden, symbolisch vervangen moest.

In de deftigste winkels zaten dienaars van priesters, die bestellingen

aannamen en op papyrus-rollen aanteekenden. Deze werden daarna in de

bureelen van den tempel met die heilige teksten beschreven, welke

de zielen der afgestorvenen moesten kennen en uitspreken, om de

onderaardsche geesten af te weren, de deuren van de onderwereld te doen

openen, en rechtvaardig bevonden te worden voor Osiris en de twee en

veertig rechters van het onderaardsch gerechtshof.

Wat er in de tempels omging, kon men buiten niet zien, want ieder

heiligdom was door een hoogen ringmuur omgeven, waarvan de zorgvuldig

geslotene en verhevene hoofdpoort alleen werd geopend, wanneer ’s

morgens vroeg of des avonds een priesterkoor naar buiten ging, om

godsdienstige hymnen te zingen ter eere van de godheid, die als Horus

opkwam en als Tum nederdaalde[1]. Zoodra de laatste tonen van het

priesterlijk avondlied waren weggestorven, werd het ledig in de

Nekropolis, want alle rouwdragenden en bezoekers der graven waren dan

gehouden in de booten te gaan en de doodenstad te verlaten. Eene groote

menigte menschen, die in feestelijken optocht aan den westelijken oever

van Thebe voet aan wal hadden gezet, spoedde zich ordeloos naar den

stroom, voortgedreven door de wachters, die bij afdeelingen dienst deden

en de graven voor roovers moesten bewaren. De handelaars sloten hunne

winkels, de Kolchyten en werklieden eindigden hun dagwerk en gingen naar

hunne woningen. De priesters begaven zich naar hunne tempels terug, en

de herbergen werden gevuld met gasten, die van verre hierheen gereisd

waren, en liever in de nabijheid van hunne afgestorvenen, voor wie zij

herwaarts kwamen, dan in de woelige stad aan den anderen oever van den

stroom verlangden te overnachten.

[1] De loop van den zonnegod werd vergeleken met die van

het menschelijk leven. Als kind (Horus) ging de zon op; zij

ontwikkelde zich tegen den middag tot den held Ra, voor wien

de Uraeus-slang, die op zijn diadeem prijkte, streed. Aan den

avond, als zij onderging, was zij een grijsaard (Tum). Het licht

was ontstaan uit de duisternis, bijgevolg werd Tum voor ouder

gehouden dan Horus en de andere lichtgoden.

De stemmen der zangers en klaagvrouwen waren verstomd, zelfs het gezang

der matrozen, die de talrijke booten naar den oostelijken oever van

Thebe roeiden, stierf langzamerhand weg. De avondwind bracht nu en dan

nog een enkelen toon over, en eindelijk zweeg alles. Een onbewolkte

hemel breidde zich uit over de sombere doodenstad, slechts van tijd tot

tijd verduisterd door de lichte schaduwen van vledermuizen, die elken

avond naar den Nijl vliegen om zich te laven en op muggen jacht te

maken. Na zich versterkt te hebben voor haren dagslaap, keerden de

lichtschaduwen naar hare holen en rotsspleten terug. Nu en dan gleden

zwarte gedaanten met lange schaduwen als over den bodem heen. Het waren

de jakhalzen, die op dit uur hun dorst plegen te lesschen aan de rivier,

en zich dikwijls in troepen, schier zonder vrees, vertoonden in de

nabijheid van de ganzenhokken en de geitenstallen. Het was verboden om

op deze nachtelijke roovers jacht te maken, want zij werden gehouden

voor de heilige dieren van den god Anubis, den wachter der graven[2].

Zij bleken ook weinig gevaarlijk te zijn, daar zij overvloed van

voedsel vonden in de graven. Zij toch aten de stukken vleesch die op de

offeraltaren waren neergelegd, tot groote voldoening der nabestaanden,

die meenden, wanneer zij het vleesch den volgenden dag niet meer vonden,

dat het door de onderaardsche goden goedgekeurd en aangenomen was.

Ook bleken zij betrouwbare wakers te zijn, want zij waren gevaarlijke

vijanden voor ieder, die ongeroepen, onder de bescherming van de

duisternis der nacht, in eene groeve wilde binnendringen.

[2] Anubis, die met den kop van een jakhals wordt afgebeeld, is

de zoon van Osiris en Nephthys. De jakhals is zijn heilig dier.

In den vroegsten tijd komt hij reeds voor als god van de

onderwereld. Hij ziet toe op het balsemen, bewaart de lijken,

en beschermt de Nekropolis. Bovendien baant hij, als Hermes

Psychopompos (Hermanubis), den weg voor de zielen. Volgens

Plutarchus waakt hij voor de goden gelijk de honden voor de

menschen.

Ook aan den zomeravond van het jaar 1352, op welke wij onze lezers

uitnoodigen de doodenstad van Thebe met ons te bezoeken, werd het

stil in de Nekropolis, nadat het priesterlijk avondlied was gezongen.

Reeds wilden de soldaten die de wacht hadden van hun eersten

onderzoekingstocht terugkeeren, toen plotseling een hond in het

noordelijk gedeelte van de doodenstad hard begon te blaffen. Weldra liet

een tweede, een derde, een vierde zich hooren. De hoofdman van de wacht

riep »halt!” en toen het geblaf algemeener werd en met elke minuut in

hevigheid toenam, beval hij hen die hem volgden in noordelijke richting

op te marcheeren. De kleine troep had weldra den hoogen dam bereikt,

die langs den westelijken oever liep van een kanaal, dat uit den Nijl

was afgeleid, en overzag van hier het bouwland tot aan den vloed

en het noordelijk gedeelte van de Nekropolis. Wederom werd »halt”

gecommandeerd. Zoodra de soldaten in de richting in welke de honden het

hevigst aansloegen het schijnsel van fakkels bespeurden, ijlden zij

voorwaarts en bereikten bij de pylonen[3] van den tempel, die door Seti

I, den overleden vader van den thans regeerenden koning Ramses II, was

gebouwd, de rustverstoorders.

[3] Pylonen noemde men de door een poortdoorgang verbonden

torens aan den ingang van een Egyptischen tempel.

De maan was opgegaan en goot haar bleek schijnsel uit over het prachtig

gebouw, waarvan de buitenmuren roodachtig werden verlicht door de in

donkeren rook gehulde vlammen der fakkels, die door zwarte dienaars

werden gedragen. Een kleine dikke man, bijzonder rijk gekleed, sloeg

met de metalen greep van een zweep zoo hard tegen de met koperen platen

bekleedde tempeldeur, dat de slagen bij de nachtelijke stilte heinde en

ver werden gehoord. In zijne nabijheid stonden een draagstoel en een

wagen, met paarden van het edelst ras bespannen. In de eerste zat eene

jonge vrouw, en op den wagen stond eene aanzienlijke maagd, rijzig van

gestalte, naast den wagenmenner. Beiden waren omgeven door mannen, die

blijkbaar tot de meer bevoorrechte standen behoorden, en een aantal

dienstknechten. Er werd niet veel gesproken; de aandacht van de geheele

groep, die maar gedeeltelijk werd verlicht, scheen uitsluitend op de

tempeldeur gericht te zijn. De duisternis maakte het onmogelijk de

gelaatstrekken der bijzondere personen te onderscheiden, doch de

maneschijn versterkt door het fakkellicht was voldoende, om den portier,

die uit een der torens van den pylon op de rustverstoorders neerzag,

te doen begrijpen, dat hij met hooggeplaatste lieden, ja misschien met

leden van de koninklijke familie te doen had. Met luider stem vroeg hij

den man die geklopt had, wat hij begeerde.

Zoodra deze zich hoorde toespreken, zag hij op, en zeide op

meesterachtigen, ja zelfs beleedigenden toon: »Hoe lang moeten wij hier

op je wachten, luië hond? Kom eerst naar beneden, open de poort en vraag

dan! Wanneer de fakkels niet helder genoeg branden, om je te doen zien

wie hier wacht, dan zal mijn zweep je op den rug schrijven wie we zijn

en je leeren hoe men vorstelijke gasten te woord moet staan!”

De vrouw in de draagstoel rees van schrik overeind, toen zij de rust van

de doodenstad zoo opeens en zoo ruw hoorde storen. Terwijl de portier

een onverstaanbaar antwoord bromde en naar beneden kwam, om de deur

open te doen, richtte de vrouw op den wagen zich tot haar ongeduldigen

geleider. »Gij vergeet, Paäker,” sprak zij op welluidenden maar toch

gebiedenden toon, »dat gij weder in Egypte zijt, en hier niet te doen

hebt met wilde Shasoe[4], maar met vriendelijke priesters, van wie

wij bovendien nog een dienst hebben te vragen. Men klaagt niet ten

onrechte over uwe ruwheid, die vooral ongepast is, nu wij onder zulke

buitengewone omstandigheden ons naar dit heiligdom hebben begeven.”

[4] Roofzuchtige Semitische stammen in het oosten van Egypte.

Hoewel deze woorden niet zoozeer werden gesproken om te berispen, dan

wel om leedwezen over het gebeurde uit te drukken, toch achtte zich de

kleine gevoelige man er door beleedigd. De vleugels van zijn breeden

neus begonnen zich sterk te bewegen; krampachtig omklemde hij met zijn

rechterhand de greep der zweep, en terwijl hij zich deemoedig scheen te

buigen, gaf hij een ouden Ethiopischen slaaf, die naast hem stond, zulk

een duchtigen slag op de naakte beenen, dat deze als een door de koude

verschrompeld blad ineenkromp. De arme kerel gaf echter geen kik, want

hij kende zijn meester.

Inmiddels had de portier opengedaan, en tegelijk met hem trad een

jeugdige priester naar buiten, om te vernemen wat deze rustverstoorders

verlangden. Paäker wilde weder het woord voeren, maar de vrouw die op

den wagen stond kwam hem voor met te zeggen: »Ik ben Bent-Anat, de

dochter des konings, en zij die in den draagstoel zit is Nefert, de

gemalin van den edelen Mena, den wagenmenner mijns vaders. Wij hadden

ons in gezelschap van deze aanzienlijke mannen naar het noordwestelijk

dal van den Nekropolis begeven, ten einde de nieuwe bouwwerken in

oogenschouw te nemen. Gij kent de smalle rotspoort dier kloof. Op den

terugweg hield ikzelve de teugels, en had het ongeluk een meisje,

dat met een korfje vol bloemen aan den weg zat, te overrijden en te

verwonden, ja zeer gevaarlijk, zoo ik vrees. Mena’s echtgenoote heeft

de kleine dadelijk met eigene handen verbonden. Wij lieten haar daarop

brengen naar het huis haars vaders, een Paraschiet[5], Pinem geheeten,

geloof ik. Ik weet niet of gij hem kent.”

[5] Een paras-chiet was iemand, die de lijken opende.

»Zijt gij zijne hut binnengegaan, prinses?” vroeg de priester.

»Ik moest wel, heilige vader,” was haar antwoord, »ofschoon ik weet, dat

men zich verontreinigt, wanneer men den drempel van zulk eene woning

overschrijdt. Maar....”

»Maar,” riep de vrouw van Mena, terwijl zij zich weder oprichtte in

haar draagstoel, »Bent-Anat kan zich immers heden door u of door haren

huispriester laten reinigen; den armen vader zal zij echter bezwaarlijk,

misschien ook nooit, zijn kind gezond kunnen wedergeven.”

»Dit neemt niet weg, dat het ellendig verblijf van zulk een Paraschiet

onrein is,” viel de kamerheer Penbesa, ceremoniemeester van de prinses,

haar in de rede. »Ik heb er mij genoeg tegen verzet, toen Bent-Anat

haar voornemen te kennen gaf, dat vervloekte nest in eigen persoon te

betreden. Ik sloeg voor,” zoo vervolgde hij tot den priester, »het

meisje naar huis te laten dragen, en den vader een koninklijk geschenk

te zenden.”

»En de prinses?” vroeg de priester.

»Zij handelde, als gewoonlijk, overeenkomstig haar eigen wil,” hernam de

ceremoniemeester.

»En dan doet zij altijd wat goed is,” merkte de vrouw van Mena op.

»Gaven de goden dat het zoo ware!” sprak de Prinses met zachte stem.

Zich tot den priester wendende, ging zij voort: »Gij kent den wil der

hemelsche goden en de harten der menschen, heilige vader, en ik ben mij

bewust, dat ik gaarne geef en armen help, ook wanneer de armoede de

eenige voorspraak is. Maar na hetgeen heden is gebeurd, en tegenover

dien ongelukkigen man ben ik het die voorspraak noodig heb.”

»Gij?” vroeg de kamerheer verbaasd.

»Ja, ik!” antwoordde de prinses op stelligen toon.

De priester die tot hiertoe zwijgend dit gesprek had aangehoord, hief

nu zijn rechterhand op, als om te zegenen, en zeide: »Gij hebt braaf

gehandeld. De Hathors[6] vormden uw hart, en de godin der waarheid leidt

het. Ongetwijfeld komt gij ons in onze nachtelijke gebeden storen, ten

einde een arts te vragen voor het verwonde meisje?”

[6] Hathor is Isis in zinnelijken vorm. Zij is de godin van den

helderen lichten hemel en draagt de zonneschijf tusschen de

hoornen op den koekop, of op een menschenhoofd met de ooren van

eene koe. Zij wordt de godin met het schoone aangezicht genoemd

en is de schenkster van elke reine levensvreugde. Later

beschouwde men haar als de muze, die het leven veraangenaamt met

vroolijkheid, liefde, zang en dans. Als goede fee ontmoeten wij

haar bij de wieg der kinderen, om hun levenslot te bepalen. Zij

draagt vele namen, en er komen verschillende, meestal zeven

Hathoren voor, om de voornaamste richtingen harer goddelijke

werkzaamheid te verpersoonlijken.

»Zooals gij zegt!”

»Ik zal den opperpriester vragen, om den besten geneesheer voor

uitwendige verwondingen, onverwijld naar de kranke te zenden. Doch waar

is het huis van den Paraschiet Pinem? Ik ken hem niet.”

»Ten noorden van de terrassen van Hatasoe[7], dicht bij.... Maar ik zal

een mijner geleiders gelasten den geneesheer den weg te wijzen. Ik stel

er bijzonder veel prijs op morgen vroeg te vernemen, hoe het met de

zieke staat. ― Paäker!”

[7] De groote koningin uit de 18de dynastie, voogdes van twee

pharao’s.

De aangesprokene, met wien wij hebben kennis gemaakt, toen hij zoo ruw

op de poort klopte, boog zich met nederhangende handen ter aarde en

vroeg: »Wat beveelt gij?”

»Ik wijs ú aan tot gids van den arts,” zeide de prinses. »Het zal den

wegwijzer des konings niet moeilijk vallen, het verborgen huisje weer te

vinden. Vergeet niet dat gij mijn medeschuldige zijt. Want,” en hierbij

wendde zij zich tot den priester, »laat ik er maar rond voor uitkomen:

het ongeluk geschiedde, toen ik met mijne rossen Paäkers Syrische

harddravers, die naar zijn zeggen veel vlugger liepen dan de Egyptische,

trachtte in te halen. Het was een wild rennen.”

»Amon zij geloofd, dat het zóo afliep,” sprak de ceremoniemeester.

»Paäkers wagen ligt verbrijzeld in het enge dal, en zijn beste paard is

zwaar gewond.”

»Nu, als hij den arts bij den Paraschiet heeft gebracht, mag hij naar

zijn paard gaan kijken,” hernam de prinses. »Weet gij, Penbesa, gij

trouwe bewaker van een onbezonnen meisje, dat ik mij heden voor het

eerst er over verblijd, dat mijn vader krijg voert in het verre

Sati-land[8]?”

[8] Azië.

»Hij zou ons zeker niet zeer vriendelijk ontvangen hebben,” antwoordde

de ceremoniemeester met een glimlach.

»Maar de arts, de arts!” riep Bent-Anat haastig. »Paäker, het blijft

er bij: gij wijst hem den weg en brengt ons morgen bericht omtrent den

toestand van het meisje.”

Paäker boog nog eens. De prinses gaf daarop een wenk. De priester en

zijne gezellen, die intusschen uit het heiligdom naar buiten waren

gekomen, hieven zegenend de handen omhoog, en de nachtelijke optocht

ging op weg in de richting van den Nijl. Paäker bleef alleen achter met

zijne beide slaven. Hij was verdrietig over den last, dien de prinses

hem had opgedragen. Zoo lang de maneschijn toeliet den draagstoel met de

vrouw van Mena te onderscheiden, oogde hij haar na. Toen trachtte hij

zich te herinneren, waar het huis van den Paraschiet gelegen was. De

hoofdman van de veiligheidspolitie hield nog altijd met zijne

manschappen stand bij den tempelpoort.

»Kent gij de woning van den Paraschiet Pinem?” vroeg Paäker.

»Wat moet gij bij hem zoeken?”

»Dat gaat u niet aan,” hernam Paäker.

»Lomperd!” riep de hoofdman. ― »Links om en voorwaarts, mannen!”

»Halt!” riep Paäker, nijdig, »ik ben de koninklijke gids.”

»Dan zult gij des te gemakkelijker de plaats kunnen wedervinden, waar

gij vandaan komt. ― Soldaten, voorwaarts!”

Op deze woorden volgde als een echo het gelach van velerlei stemmen.

Paäker schrok zoo hevig van dit honend geluid, dat hij zijn zweep op den

grond liet vallen. De slaaf, dien hij weinige minuten te voren geslagen

had, stond deemoedig op en volgde zijn heer in den voorhof des tempels.

Beiden schreven het gegiegel, dat de ernstige rust in den doodenstad zoo

ongepast kwam storen, en hun nog steeds in de ooren ruischte, zonder dat

zij de oorzaak er van ontdekken konden, aan rustelooze geesten toe. Maar

ook de oude portier had die overmoedige toonen vernomen. Hem was dat

lachen beter bekend dan den wegwijzer des konings, want met forsche

schreden trad hij de poort des heiligdoms uit en riep, terwijl hij, de

donkere schaduw van den pylon volgende, met zijn langen stok blindelings

voor zich uitsloeg: »O, gij nietswaardig Sethsgebroed[9], gij galgenaas,

gij aterlingen, ik zal u!”

[9] Door de Grieken Typhon genoemd. Hij was de vijand van

Osiris, het ware, goede en reine, en vertegenwoordigde de

disharmonie en onrust in de natuur. Horus, die voor zijn vader

Osiris strijdt, kon hem ter aarde werpen en verminken, maar

nimmer vernietigen.

Op eens verstomde het gelach. Eenige jeugdige gestalten kwamen in het

maanlicht voor den dag; de oude vervolgde ze al hijgende, en na eene

korte jacht vloog een troep opgeschoten knapen door de tempeldeur naar

het poortgebouw terug. Het was den wachter gelukt een dertienjarigen

misdadiger te vatten, en hij hield hem zoo vast bij het oor, dat zijn

kleine kop in horizontale richting aan zijn hals scheen gegroeid.

»Ik zal het den onderwijzer bekend maken, gij sprinkhanenplaag, gij

vledermuisgebroed,” riep hij vervolgens. Maar de bende schooljongens,

die eene gunstige gelegenheid hadden waargenomen om uit hun engen kerker

te komen, begon hem vriendelijk te vleien. Uit aller mond vernam hij

woorden van berouw, hoewel het pleizier over het gebeurde, dat niemand

hun ontnemen kon, in het oog van al die bengels stond te lezen. En toen

een van de grootste scholieren den ouden om den kin streek, en beloofde

hem morgen den wijn, die zijne moeder hem voor de volgende week zou

zenden, ter bewaring te zullen geven, liet de wachter zijn gevangene

los, die de pijn uit zijn vuurrood oor trachtte te wrijven, en riep nog

onvriendelijker dan zoo even: »Wilt gij een, twee, drie maken dat ge weg

komt! Denkt ge dat ik uw streek zoo maar zal laten voorbijgaan? Dan kent

gij den ouden Baba nog niet. Ik zal het den goden klagen en niet den

onderwijzer. En je wijn, vlegel, zal ik ten offer plengen, opdat de

hemel het je vergeve!”

Warda: Roman uit het oude Egypte · 第 8 / 58 题