XIII. te Amsterdam, bij Gillis Joosten Saeghman: zonder jaar

(omstr. 1660-70); verschillende drukken.

Met nieuwen titel: Journael van de acht-jarige avontuerlijcke reyse

van W. Yz. Bontekoe. Tekst bekort en zonder Raven. In deze uitgave

van Saeghman komt de afbeelding voor van den vogel Dodo (vgl. boven

blz. 34), welke houtsnede de bekende uitgever van reisjournalen ook

in de Tweede Reis van Spilbergen liet afdrukken.

XIV. te Amsterdam, bij de Wed. van Gijsbert de Groot: 1692, 1696,

1700, 1708, 1716, 1730, benevens een paar herdrukken zonder jaartal.

XV. te Utrecht, bij de Wed. van J. van Poolsum: 1701 en 1708*.

XVI. te Amsterdam, bij J. Brouwer: 1722.

XVII. te Rotterdam, bij H. van Bezooye: 1738.

XVIII. te Dordrecht, bij Hendrik Walpot: 1740.

ald., bij Adr. Walpot: 1766.

ald., bij Adr. Walpot en Zoon: 1780.

XIX. te Amsterdam, bij Isaac van der Putte: zonder jaar.

ald., bij d'Erve Van der Putte: 1789.

XX. te Amsterdam, bij J. Kannewet: 1756 en 1778.

XXI. te Amsterdam, bij de Erven de Wed. Jacobus van Egmont: zonder

jaartal (tenminste twee drukken).

XXII. te Amsterdam, bij Barent Koene: 1777 (?).

ald., bij S. en W. Koene: zonder jaar (omstr. 1800).

ald., bij B. Koene: zonder jaar (omstr. 1810).

Behalve deze oude, nu meestal zeer zeldzame volksdrukken zijn er in

het begin der 19de eeuw nog een paar uitgaven verschenen. De laatste

volkseditie is die van J. H. van Lennep in Jan Davids Boekekraam:

"Journaal of Gedenkwaardige Beschrijving van de achtjarige en zeer

avontuurlijke reize van Willem Ysbrandtsz. Bontekoe van Hoorn,

gedaan naar Oost-Indiën, bevattende vele wonderlijke gevaarlijke

zaken hem op genoemde reize wedervaren. Het alles door hem zelven

beschreven". Haarlem, J. J. Weeveringh. 1860 (in kl. 4o.).

In het geheel is de "Avonturelijcke Reys" van Bontekoe tot 1800 dus

meer dan 50 maal uitgegeven.

Ook in het buitenland maakte het boek opgang: zoowel een Fransche als

een Duitsche vertaling zijn er van bekend. Verder verscheen o.a. een

Soendaneesche bewerking van het journaal door Raden Kartawinata

(te Batavia, 1874).

Vier fragmenten werden door P. L. van Eck Jr. opgenomen in het deeltje

der "Zwolsche Herdrukken" No. 26: Van Janmaat en Jan-Compagnie (z. j.),

blz. 71-86.--Een uittreksel vindt men in de verdienstelijke uitgave

van Dr. M. G. de Boer: Van oude Voyagiën, Dl. III ("met Tasman en

Bontekoe"), Amsterdam 1913, blz. 1-39.

Het eerste gedeelte van het journaal werd ook, met een bekorting,

bij wijze van inleiding op de "Liedjes van Bontekoe", afgedrukt

in de bloemlezing Gedichten van E. J. Potgieter, uitgegeven

door Th. J. Bosman (2e bundel, Klassiek Letterkundig Pantheon

no. 141.--Zutphen z. j.).--Wat aangaat de "Liedjes van Bontekoe"

moet nog opgemerkt worden: Bij no. 1 ("'t Passeren der Linie"),

dat in de dagen van onzen schipper het optreden van Neptunus bij het

passeeren van den Evenaar, met bijbehoorenden "doop" der nieuwelingen,

nog geen gewoonte was.--Bij no. 2 ("Roeltjen uit de Bonte Koe"), dat

het huis, waarin Willem Ysbrantsz. te Hoorn geboren werd en opgroeide,

geen herberg behoeft geweest te zijn.

AANTEEKENINGEN

[1] Een Nederl. bron voor den Robinson Crusoë, Onze Eeuw, Oct. 1909.

[2] Voor bronnen aangaande onze koloniale geschiedenis in de jaren

1621-'23 vgl. men ook: Kronijk van het Historisch Genootschap,

IX (1853): "Stukken van Jan Pietersz. Coen over den handel in

Indië".--XXVII (1871): "Grondig Verhaal van Amboyna, 1621", en

"Verhaal van eenige oorlogen in Indië, 1622".

[3] Er wordt aan herinnerd, dat het bestuur der O. I. C. berustte bij

zes kamers, t. w. die van Amsterdam (waar 1/2 van het maatschappelijk

kapitaal gevestigd was), Zeeland, Rotterdam, Delft, Enkhuizen en

Hoorn.--De aanhef met een citaat uit de "klassijken", is naar de

gewoonte en naar den smaak van dien tijd, toen ook de gemeene man

zich gaarne door zulke geleerdheid liet imponeeren,--mits die niet

verder ging dan het eerste begin. De Edel Erentfeste Heeren krijgen

er hier bovendien nog een fraai slot bij!

[4] Jan Huygen van Linschoten deed zijn vermaarde reis naar Indië

in Portugeeschen dienst in 1583-'92. Zijn "Itinerario, voyage ofte

schipvaert", welke in 1596 voor 't eerst in druk verscheen, werd door

Prof. Dr. H. Kern in de werken der Linschoten-vereeniging opnieuw

uitgegeven (2 dln., 's-Gravenhage 1910).--De tocht van Jacob van

Heemskerck en Willem Barentsz., om een weg naar Indië "benoorden om"

te zoeken, is door de overwintering op Nova Zembla (1596-'97) bekend

genoeg geworden. Het merkwaardige verhaal, dat Gerrit de Veer van

deze onderneming en van de twee tochten, die er aan voorafgingen,

opstelde, zag het licht onder den titel: "Waerachtige Beschrijvinghe

van drie seylagiën ter werelt noyt soo vreemt gehoort" (t' Amsterdam,

Ao. 1598).--Olivier van Noort is de eerste Nederlander, die de aarde

omzeilde. 12 Aug. 1598 passeerde hij met zijn vier schepen Straat

Magellaen en kwam in 1601 in het vaderland terug. ("Wonderlicke

Voyagie bij de Hollanders ghedaen", enz. Rotterdam 1602.)--Joris van

Spilbergen volbracht zijn beide tochten, nadat een eerste mislukt

was, in de jaren 1601-'04 en 1614-'17. Zijn tweede expeditie, met

zes schepen, is de tweede reis der Nederlanders om de wereld. Beide

reisbeschrijvingen zijn voor de eerste maal te zamen uitgegeven onder

den titel: "Oost- en West-Indische Spieghel der Nieuwe Navigatiën",

te Leiden 1619.--Willem Cornelisz. Schouten was de derde Hollander,

die met Jacob le Maire in 1615-'17 de wereld omzeilde. Over hem is

in het journaal van Bontekoe nog nader sprake.

[5] Lucianus, Grieksch prozaschrijver uit de 2de eeuw n. Chr., gaf aan

zijn satirische tweegesprekken den titel "Droomen". Met Pantagoras

is de wijsgeer Pythagoras bedoeld; niet de echte wel te verstaan,

maar de verdichte, om wiens persoon zich in de middeleeuwen tal van

fabeltjes hadden gevormd.

[6] Niet alleen in den loop der 17de eeuw, maar ook vroeger en

later, waren de verzonnen reisbeschrijvingen, waarin van de meest

onmogelijke wonderwezens sprake was, druk in omloop. Het genre begint

in onze letterkunde al met "Sinte Brandaen", en vooral de reis van

Mandevyl bracht het tot groote populariteit. Daarop wordt hier dan

ook gezinspeeld, blijkens de opsomming der gedrochten. Voor en na

was het steeds de pseudo-ontdekking van het z.g. Zuidland, waarop de

wonderverhalen zich gaarne baseerden, hetzij met hetzij zonder een

utopistische strekking. De geest van Bontekoe's oprecht verhaal verzet

zich inderdaad tegen dit boerenbedrog en tegen de prikkelliteratuur,

die ook toen al bestond.

[7] "D'oceaan bouwen"; vgl. de uitdrukking "zee bouwen".--De profeet

Elia werd op bevel van God in de woestijn door raven gevoed (1

Kon. 17: 2-6).

De schrijver van dit klinkdicht behoorde tot een Hoornsche

zeemansfamilie en is vermoedelijk een bloedverwant van den schipper

Evert Cornelisz. Berckhout van Hoorn, wiens bodem "de Omval" in de

dagen van Bontekoe door den beruchten zeeroover Claes Compaen van

Oostsanen bij de Kaapverdische eilanden werd buit gemaakt.

[8] Hen.

[9] De maat van een volslagen Oostindievaarder van die dagen. Een

last is twee van onze tonnen. Men zou zich nu wel tien maal bedenken,

om op een schip van 1100 ton de reis naar Indië te ondernemen, en

dan om de Kaap nog wel!

[10] "Hoofden": Heads.--"Noch al": nog steeds.--"Pleymuyen":

Plymouth. Onze visschers en veel van onze varenslui zijn nog steeds

gewoon van "Pleimuiden" en "Jarmuiden" te spreken.

[11] Het "galjoen" is de ranke uitbouwing voor aan den boeg der

toenmalige schepen.--Met "boevenet" is hier niet het traliewerk

bedoeld, dat dit galjoen van onderen afsluit, doch blijkbaar het

hoogste verdek achter in het schip, eigenlijk "bovenet" geheeten. Over

het "boevenet" zie elders.--De "boegpoorten" zijn de twee voorste

geschutpoorten ter weerszijden van het schip.

[12] De ruimte beneden het onderste plankier van het schip.

[13] Te slaan.

[14] "Brandende": in branding; wat men een "kokende zee" noemt.

[15] Nog steeds. Vgl. boven, en voorts passim.

[16] Brazilië was reeds in 1500 door den Portugees Cabral ontdekt

en werd in 1580 (na de verovering van Portugal onder Philips II)

Spaansch. Van 1624 tot 1654 was het in onze handen, doch werd

prijsgegeven. Het vaste land wordt hier echter niet bedoeld, doch het

eiland dat op oude kaarten als liggende tusschen Afrika en Z. Amerika

voorkwam. Dat Bontekoe aan dit denkbeeldige eiland "Atlantis", zij

het dan ook onder voorbehoud, nog geloofde, of het met den vasten

wal van Brazilië vereenzelvigde, is wel opmerkelijk.

[17] De "halzen" zijn de touwen waarmede de onderzeilen worden

omgetrokken.

[18] Dat is dus: boven het verdek. Vgl. de voorgaande bladz.

[19] D.w.z. de steng, die anders boven op de groote mast gelascht is,

daarvan los te maken en door het marsgat naar beneden te laten zakken.

[20] "Woelen": met touwwerk omwinden.--"Bovenste boevenet"

vgl. hiervoor.

[21] "Schevielen": omloopen van den wind.

[22] "Taliën" is takelen: met takels of katrollen aanhalen. Een talie

is een klein katrol.

[23] Het grootzeil is het onderste razeil aan de groote, d.i. de

middelste mast. Het razeil daarboven heet het grootmarszeil; het

bramzeil is het bovenste razeil. Het bovenbramzeil werd in de eerste

helft van de 17de eeuw nog niet gevoerd; topzeilen komen eerst

in de 18de eeuw voor.--De masten die in het schip staan heeten de

ondermasten, kortweg masten; zij worden verlengd door de marsstengen,

die voor den grooten mast "groote steng" en voor den fokkemast

"fokkesteng" worden genoemd. Op de marsstengen staan dan weder de

bramstengen.--"Ree" = ra.

[24] Vgl. de uitdrukking "kant en klaar".

[25] Onder "verversinge" versta men: frisch water, maar vooral ook

groenten en ooft, waaraan op de lange reizen steeds behoefte was,

om scheurbuik onder het volk te voorkomen.

[26] "Ilje de May" en "Ilje del Foege" zijn twee der Kaapverdische

eilanden.

[27] Versta: overlangs, zoodat de beide helften plat tegen den mast

gebonden konden worden, als "wanghen".

[28] "Vroo-kost", d. i. vroeg-kost: het eerste schaften aan boord.

[29] Zetten onze marszeilen bij.

[30] Buien, valwinden.

[31] Abriolhos of Abrolhos: kaap en groep van lage rotsachtige

eilanden, op de kust van Brazilië, op 18° Z. br.

[32] Boven, te boven. Versta: boven den wind, zoodat men de eilanden

te loevert kon passeeren.

[33] "Yder bacx-volck": het volk van iederen bak, 6 a 10 man, waren

gehouden aan denzelfden bak te eten.--Spaansche wijn was de gewone

drank, die aan boord van onze schepen in de 17de eeuw bij extra

gelegenheden en 's Zondags geschaft werd. Het "oorlam" was in dezen

tijd wel reeds bekend, maar nog lang geen regel. Nog in 1793 leest

men in een officieel bericht, dat op de schepen der O. I. C. een

voorraad van 9 aam "genever" genoeg werd geacht voor 22 weken:

"doordien veele haar randsoen niet gebruyken".

[34] Tristan d'Acunhe: voornaamste van een groep kleine eilandjes in

den Z. Atlantischen Oceaan.

[35] Dus zonder miswijzing hoegenaamd.

[36] "Ghebolde fock" is een gereefde fok met gevierde schooten. De fok

is het onderste razeil van den voorsten mast, die daarnaar fokkemast

genoemd wordt. Bij zwaar stormweer was men gewoon enkel voor de fok

te loopen, omdat in de 17de eeuw de driehoekige kluiver- en stagzeilen

nog niet voor de driemasters gebruikt werden. Zoo loopt op het bekende

storm-schilderij van Willem van de Velde in het Rijksmuseum het schip

voor een "gebolde fok", waarvan beide de schooten zijn losgeslagen. Dat

een schip op weg naar Oost-Indië de Kaap de Goede Hoop niet aandeed

is een uitzondering; meestal ging men in de Tafelbaai een paar dagen

voor anker om te "ververschen".

[37] "Mayottes". De moderne naam van deze groep is: Comorische

eilanden, of kortweg Comoren. Zij liggen in het kanaal van Mozambique.

[38] Het seinlicht, waarnaar het andere schip zich had te richten.

[39] "Dragende houden": bestendige koers houden.

[40] Het eiland Mauritius, in 1598 door de Nederlanders op de

Portugeezen veroverd en naar Prins Maurits genoemd, werd in 1710 door

ons verlaten en in 1715 door de Franschen bezet, die het Isle de France

noemden. In 1810 werd het door de Engelschen veroverd en draagt nu

weer zijn ouden naam.--'t Eiland de Mascarinas is het tegenwoordige

Réunion. In 1505 werd dit eiland, met Mauritius, door den Portugees

Mascarenhas ontdekt en naar dezen genoemd. Sedert 1649 is het Fransch.

[41] Onstuimig was; doordat er vrij wat "zee ging".

[42] "Schor": steil afloopend. Van een kust gezegd; waar men dus op

geringen afstand van den wal geen ankergrond meer kan vinden.

[43] "Waernemen en bekooken": verzorgen en van warm eten voorzien.

[44] D.i.: "van Damascus". Gedroogde pruimen werden, ook als

voorbehoedmiddel tegen scheurbuik, steeds in genoegzame hoeveelheid

meegenomen: volgens voorschrift tenminste één pond per man en per

maand.

[45] Sloegen ze.

[46] "Dod-eersen": geen pinguins, zooals men uit de beschrijving

geneigd zou zijn op te maken, doch de daarmee verwante tropische

vogel "dod" of "dodo", welke thans geheel is uitgestorven en zelfs

een poos lang voor mythisch werd gehouden. De vermelding te dezer

plaatse is merkwaardig.

[47] "Meulen": knijpen, drukken.

[48] Lieten het anker vallen.

[49] "Vertuyen": voor twee ankers voor anker gaan, waarvan het

eene voor aan de plecht (plechtanker) en het andere (vertui-anker)

aan den achtersteven wordt uitgebracht. Op deze wijze kan het schip

met stroom of getij niet afzwaaien.--Men denke aan het slotkoor van

Hooft's Granida: "Liefd' en Min aen een vertuyt"; of waar hij elders

spreekt van "welige vlechten", die met "veel strickjens soo dertel

sijn vertuit". Jan Luyken zegt van zijn ziel (Antiopana, zijn lief,

toesprekende): "Want aen uw oogen is zij vast vertuyt".

[50] "Boscharen" of "boschkaren": verzamelen, fourageeren.

[51] "Lege-leggers": ledige watervaten.

[52] Adriaan Martensz Block was in 1601 schipper op de Zwarte Leeuw,

een van de schepen waarmede Jacob van Heemskerck zijn tocht naar

O. I. deed. In Dec. 1611 stak hij zelf als commandeur met een smaldeel

in zee, bestemd naar Indië. Op deze reis, dezelfde waarvan hier sprake

is, ontmoette hij op de Afrikaansche kust een vloot van 17 Spaansche

oorlogschepen, die hij aangreep met het gevolg dat er slechts 4 de

tijding van de nederlaag in Spanje konden brengen. Een derden tocht

ondernam Block in 1627 met elf schepen, om J. Pz. Coen ondersteuning

te brengen.

[53] Voedden zich.

[54] "Worden" voor "werden"; ook elders.

[55] Portugeesch "sagueiro" is zoowel palmwijn als de boom, die den

palmwijn levert (suikerpalm). Elders: "sageweer".--"Way" of "wei" is

de ondermelk van karnemelk. Vgl. Hooft's tweespraak tusschen Cephalus

en Amaryllis:

C. Mijn harte gloeyt als vuir van binnen!--

A. Wel neemt het soete weij van geijten inne.

[56] D. i.: onder den wind.

[57] Moesson-winden.

[58] "Ontschieten": te machtig worden. In eigenlijke beteekenis

van een schoot of zeil gezegd, dat door te harden wind uit de hand

schiet.--"Invallen", n.l. de zieken.

[59] Messen met koper hecht.

[60] Savoyekoolen.

[61] Dit moet eveneens een vrucht zijn.

[62] "Krengen": het schip bij de masten overtakelen, zoodat het scheef

en zooveel mogelijk dwars op het water komt te liggen, waarna men

het van onderen kan schoonmaken en opnieuw teeren. In een geval als

dit werd volstaan met geschut en lading, zooveel doenlijk, naar eene

zijde te verplaatsen.

[63] "Mutsje": nap van bepaalden inhoud.

[64] "Steker": kandelaar met een punt, die in het hout kon vastgezet

worden.--"Boom" = bodem. Vgl. Vondel's: "Het is al boter tot den boôm".

[65] "Dief": scheefbrandende kaarspit, die veroorzaakt dat het vet

gaat afdruipen.

[66] Nl. van de verschansing. Het boevenet (bovenet) is het opperste

verdek achteruit.

[67] Ontsteld.

[68] Van benauwdheid.

[69] Wij hieuwen daarna gaten in het tusschendek.

[70] "Het water mannen" d.i.: de wateremmers van man tot man doorgeven.

[71] Ontsteltenis.

[72] "Rusten": dwarshouten buiten boord, waaraan het staande want,

dat de masten helpt overeind houden, bevestigd is.

[73] "Gelderij": de open gaanderij achter aan den spiegel van het

schip, waar de kajuit op uitkwam.

[74] "Sticken": stuk, aan stuk.

[75] D.w.z. tegen den mast. Blijkbaar had men het schip laten

bijdraaien, om het vuur beter te kunnen blusschen.

[76] In vanglijnen ("gijtouwen") opgenomen.

[77] Overzeilen en in den grond varen.

[78] "Naveger"; voor navegaar (avegaar), d. i. een groote houtboor,

waaraan van boven een kruk of dwarsstang is bevestigd.--Een "dopguds"

is een holle beitel.

[79] D.i.: de emmers met water van elkaar overnamen en doorgaven,

bij het blusschingswerk. Vgl. boven.

[80] "Manck": tusschen, onder.--"Borden": planken.

[81] "Inneckhouten": inhouten of ribben.

[82] "Loof": vermoeid, afgemat.

[83] "Willen": zak van zeildoek of gevlochten touw, gevuld met werk

(of tegenwoordig meest met kurk), die buiten boord worden bevestigd

of gehangen, om te voorkomen, dat een boot of schip door stooten

tegen ander vaartuig of tegen den wal beschadigd wordt.

[84] "Platting": van werk gevlochten bindsel, dat voor touw had te

dienen; "platting" genoemd, omdat het plat was en niet (als touw)

gedraaid.--"Geerden": de touwen waarmede de gaffel in zijn stand

wordt gehouden.

[85] Een bolkvanger (later baaivanger) is een korte overjas, die

door zeelieden bij ruw weer gedragen werd.--"Bolk": hevige regenbui

of vlaag.

[86] Zoowel op zee als te land tevens heelmeester, kortweg: "meester".

[87] Zonshoogte namen. Op den "stock" was de graadverdeeling

aangebracht. "Cruys": verstelbaar dwarshout.

[88] "Scheren": uitspannen. Vgl. den term "schering en inslag" bij

het weefgetouw.

[89] "Blinde": het zeil dat de schepen van dien tijd voor onder den

boegspriet voerden. Vgl. het plaatje.--"Bezaen" is, zooals bekend,

het zeil van den achtermast.

[90] Geweerkogels.

[91] Overreedde hen, bracht hen daarvan af.

[92] "Dookig" of "dijzig" = mistig; een "dikke" lucht, zooals de

zeelui nu gewoonlijk zeggen, hoewel de woorden dookig en dijzig nog

bekend zijn. Bogaers gebruikt het laatste in zijn "Schipper de Zwart."

[93] De "voorlezer" was de godsdienstonderwijzer of wat iets later

"ziekentrooster" heet. De koopvaarders hadden meestal zulk een persoon

aan boord, om "het woord te bedienen"; grootere oorlogsschepen of

eskaders voerden doorgaans een "dominee". Was er geen predikant of

voorlezer aan boord, dan was de schipper, of bij het schaften de

stuurman, volgens instructie verplicht in het gebed voor te gaan en

's Zondags de preek te lezen uit een "predicatie-boeck". Van welk

gehalte de zee-dominees soms waren, daarover kan een plaats verder

in dit journaal verrassend inlichten!

[94] Klein anker, bootanker.

[95] Vgl. boven blz. 35.

[96] "Barning": branding.

[97] Effen, kalm water.

[98] "Toeback drincken": zooals men weet in de 17de eeuw de gewone

term voor "rooken".

[99] Gewaar.

[100] Wij ondervroegen elkaar.

[101] Een "rejael" is een kleine Spaansche zilveren munt,

oorspronkelijk ter waarde van 3 1/2 stuiver. Behalve dubbele en

vierdubbele waren vooral de achtdubbele rejaelen in de Nederlanden druk

in omloop. Ze werden gewoonlijk "stukken van achten" genoemd en zijn

als "Spaansche matten" befaamd geworden! Vooral in O. Indië waren deze

stukken bij de inlanders zeer gewilde munt, zoodat de "Compagnie van

Verre" te Amsterdam ze dan ook in 1601 te Dordrecht liet aanmaken,

met eigen stempel en opschrift. Door de Staten van Zeeland werden

in 1602 te Middelburg eveneens "rejaelen van achten" geslagen. In de

eerste helft der 17de eeuw deden de "stukken van achten" of z.g. "heele

rejaelen" 47, later 48 of 50 stuivers. (Vgl. vooral J. E. ter Gouw, in

het Tijdschrift v. h. Kon. Ned. Genootschap voor Munt- en Penningkunde,

XIV, 1906.)

[102] Zekerheid hadden, er op vertrouwden.

[103] De bedoelde drank is arak: gegiste palmwijn, toddy.

[104] "Haperen": druk en verward spreken.

[105] Pagaai, schepriem.

[106] Met gevlamde kling; een vorm dien de inlandsche krissen, zooals

bekend is, ook heden nog dikwijls vertoonen.

[107] Oorspronkelijk wellicht "diefsack": binnenzak in een

mansbroek. In N. Holland is het woord nog gebruikelijk.

[108] Druk te spreken.

[109] Op deze passage dichtte Potgieter zijn tiental "Liedjes van

Bontekoe".

[110] Wij kunnen geen schade, verlies verduren.

[111] Voor hieuw; vgl. boven blz. 42.

[112] Ontsteld.

[113] Onklaar.

[114] Assegaaien.

[115] Vgl. boven blz. 32.

[116] In één slag; zonder dat het noodig was te laveeren.

[117] Niets.

[118] Willem Cornelisz. Schouten: Hij had als schipper met Jacob le

Maire deelgenomen aan den bekenden tocht om de wereld in 1615--'17,

waarbij o. a. de Straat le Maire ontdekt werd. Het zeer merkwaardige

journaal van deze reis werd in 1618 reeds driemaal uitgegeven en voorts

in de 17de eeuw nog meer dan 15 maal herdrukt. Een Duitsche vertaling

verscheen eveneens reeds in 1618 en twee Fransche in hetzelfde

jaar. Een derde Fransche en een Latijnsche kwamen in 1619 uit. Alles

wel een bewijs, dat reisbeschrijvingen als deze in hun tijd lezenswaard

werden gevonden! Schouten overleed in 1625 op zijn terugreis naar het

Vaderland, in de "Baai van Antongiel" op de Oostkust van Madagascar,

zooals wij aan het slot van dit journaal zelf nog zullen zien.

[119] "Glop": een open ruimte, doorgang.

[120] "Peuren": trekken, gaan, zich begeven.

[121] Hielden het voor een kraak. De kraak was een eigenaardig

Spaansch en Portugeesch scheepstype, hoog en hol, en nog op de oude

wijze gebouwd met een "kasteel" voor en achter.

[122] Men zou kunnen twijfelen, of deze Frederik Houtman van Alkmaar,

die in Bontekoe's journaal ook beneden voorkomt, wel dezelfde is als de

broeder van Cornelis de Houtman van Gouda, den grondlegger van onzen

handel in de Oost. Frederik de H. vergezelde zijn broeder op beide

diens tochten in 1595--'97 en in 1598. Toen Cornelis in 1598 door

den koning van Achin werd omgebracht, bleef Frederik meerdere jaren

diens gevangene. Hij keerde in 1601 of 1602 naar het Vaderland terug

en vergezelde in 1603 den commandeur Steven van der Haghen op diens

Indische reis. In 1605 werd hij onze eerste Gouverneur op Amboina,

toen dat eiland door van der Haghen op de Portugeezen was veroverd

(Amboina is, zooals bekend, onze eerste bepaalde nederzetting in

de Oost).--Het lijkt haast uitgesloten, dat twee De Houtman's van

gelijken voornaam, tegelijkertijd in O. I. geweest zouden zijn,

beide met een zelfde gezag bekleed, zonder dat wij daarvan iets

zouden weten. Hoogstens zou men kunnen aannemen, dat Cornelis de

Houtman van Gouda en Frederik Houtman van Alkmaar geen broeders

doch neven waren. Echter noemt Frederik (Pietersz.) de Houtman van

Gouda in de voorrede van zijn werk "Spraeck ende Woordboeck inde

Maleysche en de Madagaskarsche Talen" (Amsterdam 1603) zich zelf den

broeder van Cornelis de Houtman. Hij maakte ook als sterrekundige

naam. In 1597 komt Frederik Houtman voor als gehuwd met Vroutje

Cornelisd. van Alkmaar. In 1625 legde hij zijn post in Indië voor

goed neder en keerde naar het Vaderland terug. Reeds vroeger was hij

te Alkmaar gevestigd geweest en overleed aldaar als schepen der stad

(blijkens zijn grafsteen) 21 Oct. 1627: "Frederick Pietersz. Houtman,

in syn leven geweest Gouverneur van Amboine .... etc." Sedert 1614

was hij in de vroedschap gebracht.--Men merke op, dat een "kijcker

of bril" in de handen van den gouverneur-astronoom Frederik de

Houtman zeer goed past. Zulke instrumenten waren in het eerste

kwartaal der 17de eeuw nog hoogst zeldzaam en hoofdzakelijk voor

sterrekundige waarnemingen bestemd. De verrekijker was eerst in de

laatste jaren der 16de eeuw te Middelburg door Zacharias Jansen en

Johannes Lipperhey uitgevonden. Voor zoover mij bekend, is dit de

allervroegste vermelding van een verrekijker, die in de journalen

voorkomt. Het woord "bril" behoeft niet op een dubbelen kijker te

slaan.--"Gelderije": vgl. blz. 43.

[123] Geen pleziervaartuig, doch een rank schip van kleiner tonnemaat,

zooals er aan schepen, die in admiraalschap uitvoeren, gewoonlijk

werden meegegeven, voor ophelderingsdienst, enz.

Journael ofte gedenckwaerdige beschrijvinghe van de Oost-Indische Reyse van Willem Ysbrantsz. Bontekoe · 第 10 / 11 段