[125] Jan Pietersz. Coen was in October 1617 Laurens Reael als
Gouverneur-Generaal der O. I. C. opgevolgd. Bij de aankomst van
Bontekoe te Batavia (December 1619) was die stad niet langer dan zes
maanden geleden op de ruïne van het vermeesterde Jacatra gesticht. Den
30en Mei van datzelfde jaar toch had de inneming plaats gehad, onder
de aanvoering van Coen zelf. Zie de stukken, die op het beleg van
Jacatra en op de vestiging van ons gezag op Java betrekking hebben,
bij J. K. J. de Jonge, Opkomst van het Nederl. Gezag in O. Indië,
Dl. IV, blz. 138 vgg.
[126] Beker.
[127] Drink u toe. Ook in het volkslied: "Ick brenght u, haveloos
meyske".
[128] Gresse of Grisse: een stad op Java, aan de Straat van Madoera.
[129] Larantoeka, op de oostpunt van Flores, tegenover het eiland
Solor.
[130] "Specken": het gewone scheldwoord voor de Spanjaarden in die
dagen.--"Mostiesen" voor mestiezen: kleurlingen.
[131] Dit te ondernemen.
[132] "Baets Jan". Bedoeld is het eiland Batjan, een der Molukken,
ten Z.W. van Djilolo (Halmaheira).
[133] Afgelost.
[134] Het eiland Boeton ligt ten Z.O. van Celebes.
[135] "Java Minor": Madoera.
[136] Djambi.
[137] Koelies.
[138] Versta: achter op het verdek, bij den spiegel van het jacht.
[139] Macao: de Portugeesche nederzetting aan den mond van de
Canton-rivier; vgl. nader de Inleiding hiervoor.--"Incorpereren":
inlijven, bezetten.
[140] Pescadores: eilandengroep tusschen Formosa en den vasten wal
van China, door de onzen als handelsbasis gebruikt en als zoodanig
van groot gewicht; totdat wij in 1624 Formosa zelf in bezit namen,
van welk eiland--door den heldendood van den predikant Anth. van
Hambroeck vermaard geworden--wij, zooals bekend is, in 1662 werden
verdreven; waarna wij geen moeite deden er ons opnieuw te vestigen.
[141] Samenwerking met de Engelschen komt in dezen tijd, na het
verbijsterende succes van Coen, meer voor. Kort te voren waren zij ons
nog vijandig gezind geweest en zouden dit, uit verklaarbaren naijver,
weldra weer worden.
[142] Voor anker moesten gaan. Vgl. boven blz. 35.
[143] Ankergrond; grond waar men "het steken" kan.
[144] De mededeelingen omtrent koers en vaarwater worden gedaan ten
dienste van mogelijke "nakomers". Men ziet, hoe de journalen ook in
dit opzicht bestemd waren van nut te zijn.
[145] Het heeft geen zin de ligging van elk der hier en in 't vervolg
genoemde eilanden afzonderlijk aan te geven. "Poele" beteekent:
eiland. 't Land van Champay is het vaste land van Achter-Indië
(Cochinchina).
[146] Deze zin is in het journaal, blijkbaar wegens het gewicht der
aanwijzingen, gecursiveerd.
[147] Laagachtig.
[148] Ook deze zin is in het journaal gecursiveerd.
[149] Inham, baai.
[150] Het eiland Ceceer de Tor ("met de steen-klippen") is nog heden
ten dage bekend om zijn eetbare vogelnestjes, die naar China worden
uitgevoerd.
[151] Portugees of Spanjaard.
[152] Naar den naam te oordeelen een veroverd vaartuig, evenals het
schip (jacht) St. Nicolaas.
[153] "Aenhalen": enteren en buitmaken.
[154] Coxbroad.
[155] Vermoedelijk wel als belangstellende toeschouwers; vgl. beneden.
[156] Exerceeren.
[157] In den tekst staat "onsen commandeur Nieuwenroode", doch voor in
het journaal wordt den lezer verzocht "deze faut te verbeteren". Een
koopman Nieuwenroode was nochtans bij de onderneming inderdaad aanwezig
en diende in December van ditzelfde jaar (1622) en gedurende 1623 op
het schip van Bontekoe; zooals beneden op blz. 94 en 99 vg. blijkt.
[158] Indien het.
[159] In het geheel.
[160] Pedro Blanco is een zeer klein eiland op de kust van China
(22°, 22' N.br.).
[161] "Bey": baai.--"Steck-grondt" vgl. boven blz. 79.
[162] Verzamelplaats, zooals de schepen toenmaals gewoon waren die
af te spreken.
[163] Tayowan of Taiwan is de hoofdstad van Formosa en de Chineesche
naam voor het eiland zelf. Vgl. over onze vestiging aldaar blz. 78,
noot 2.
[164] Kan.
[165] Chincheo of Tsintsjoe. De lieden van dit zeegewest staan nog
bekend als de beste matrozen en kooplui van China.
[166] Vgl. het Itinerario, in de uitg. der Linschoten-Vereeniging,
I, blz. 48 vgg.
[167] Laag.
[168] De "lijk" is het touw waarmede het zeil omboord is. Over het
voeren van de fok bij stormweer zie boven blz. 30.
[169] "Af en aan houden": laveeren.
[170] Inlandsch schuitje; ook beneden herhaaldelijk.
[171] Uit deze mededeeling blijkt nauwkeurig van wanneer de versterking
der handelsbasis op de Piscadores dateert. Vgl. boven blz. 78.
[172] Singapoor.
[173] Vergaan was.
[174] Niets.
[175] "Setten": voor anker gaan. "Geset": geankerd.
[176] 't Is opmerkelijk, dat het woord "hulde" hier nog in de oude,
middeleeuwsche beteekenis voorkomt van: welwillendheid, gunst, genade.
[177] Nl. de zes andere van de boot.
[178] Geslagen.
[179] "Scampan" of "ciampan" (zie boven blz. 86): inlandsch schuitje.
[180] Stukken, waaruit met steenen kogels geschoten kon worden. Te land
en voor grootere schepen was dit soort geschut al in onbruik geraakt,
maar voor bewapening van kleine vaartuigen is er nog in den loop van
de 17de eeuw sprake van.
[181] Revanche.
[182] Kleine kanonnen.
[183] Een en twintig balen gedubbeld zijden garen. Van "fijn getweernd
linnen" is bijv. in de Staten-vertaling herhaaldelijk sprake, als in
't boek Exodus aanwijzingen voor het maken van den Tabernakel worden
gegeven. Tegenwoordig meest "twijnen".--Een "kanasser" of "kanaster"
is een mat of korf van gevlochten biezen, zooals nog gebruikt wordt
voor emballage van tabak, suiker en thee.
[184] Ontsteltenis.
[185] Dwars met het boord.
[186] T.w. de in vlammen staande jonk.
[187] Een aardige "volksetymologie" van schipper Bontekoe voor:
"korte metten". Hij heeft er elders meer van die kracht.
[188] Versta: voor het anker afzwaaide.
[189] In 't midden van het water; versta: halfweg, in open zee.
[190] Spuigaten, de gaten waardoor het opgepompte water uit het schip
wordt verwijderd.
[191] Dreven meer af dan wij (met laveeren en opkruisen) konden
winnen.--"Overstuur zijn" en zich of anderen "overstuur maken"
behoort mede tot de zeemansuitdrukkingen, die in onze dagelijksche
omgangstaal zijn overgegaan.
[192] "Verdubbelen": met een betimmering het schip van binnen onder
de waterlijn versterken.
[193] D. i. waterdicht.
[194] Over het leggen van een "wang" zie boven blz. 27.
[195] Nl. de sloep, waaraan men werkte.
[196] Werd nagelaten.
[197] D.w.z. twee glazen lang, dus een uur.
[198] Aan boord was het etmaal verdeeld in vier wachten, elk van
omstreeks zes uur:
de eerste- of morgenwacht, van het vroegschaften tot den middag;
de tweede- of dagwacht, van den middag (tweede schaften) tot 't
vallen van 't donker (in noordelijke en tropische zeeën tot zoolang
de schipper het gelast);
de eerste nachtwacht of voormiddernachtwacht, van het afloopen der
dagwacht tot middernacht;
de tweede nachtwacht of hondenwacht, van middernacht tot den morgen.
Later werden zes wachten elk van vier uur ingevoerd. Het tellen en
afroepen der "glazen" begon met elke wacht opnieuw. Het "glas" was
oorspronkelijk de zandlooper, die achter op de campagne stond en elk
half uur gekeerd werd. Tegenwoordig worden de glazen afgeluid.
[199] "Teysing" niet voor Taischöng, d. i. Formosa, doch een punt op
den vasten wal; vgl. de volgende blz.
[200] Sloten zich boord aan boord aaneen.
[201] "Napeuren": achterna gaan; vgl. boven blz. 69, noot 3.
[202] "Opgijen"; vgl. boven blz. 44.
[203] T.w. de ankertros.--"Catsje" is Kiatsu, op 22° 53' N.br.
[204] Meer naar land toe.
[205] Te onderzoeken.
[206] Vermoedelijk doordat hij er een pijpje gesmookt had. "Toeback
drincken" was alleen boven op het verdek geoorloofd.
[207] Een verdrag gesloten had.
[208] Losprijs.
[209] "Roopaert": affuit van een kanon.--"Bas": zie blz. 92.
[210] Dat zal een stichtelijke Paaschpreek geweest zijn, die in de
ijzers werd voorbereid!--Wij lezen anno 1671: "Het is de eenighe taek
van de predicanten en krankbezoekers de kerken-dienst waer te nemen. De
raet doet hen in achting houden en niet bestraffen in 't bijzijn van
het volck, ten waer de misgreep grovelijck waer."--Dat Bontekoe op
15 Februari zijn eersten stuurman en nu weer den dominee in de boeien
laat zetten, bewijst dat hij met dat al een streng heer kon zijn.
[211] Vgl. boven blz. 25.
[212] In 't nauw brengen; insluiten en overvallen.
[213] Zie boven blz. 43, noot 3.
[214] Kuiten.
[215] Boven blz. 85; over het fort vgl. blz. 87.
[216] Dit is niet wel mogelijk: het getal schijnt veel te groot,
gezien dat Bontekoe zelf met 206 "eters" uitvoer; misschien hadden
de beide schepen samen zooveel volk verloren.
[217] In een brief van 11 Mei 1621 had Coen aan de Heeren Bewindhebbers
der Compagnie om ontslag gevraagd. Volgens gemeenlijk gangbare
berichten vertrok hij van Batavia op 31 Januari 1623, met het schip
Dordrecht. Den 19 Sept. 1624 liep hij met vijf schepen in Zeeland
binnen. Alleen de peper, welke deze schepen in hadden, werd berekend op
19.000 balen, die voor 45 ton gouds werden verkocht. In het voorjaar
van 1627 zeilde Coen opnieuw naar Indië, kwam daar 27 Sept. aan en
overleed 20 Sept. 1629.
[218] Over deze kolonisatie op Java is nog weinig bekend.
[219] Om met ons te spreken. "Verspreken" beteekent in de scheepstaal
der 17de eeuw ook "praaien".
[220] "Balie": tobbe.
[221] Maakten de stukken vaardig.
[222] Een "totock" is een door de Chineesche overheid aangesteld
commissaris of handelsagent. Het woord heeft thans gemeenlijk een
andere beteekenis, zooals bekend is.
[223] Op 's lands vloot werden zij die op wacht slapende gevonden
waren, volgens de geldende ordonnantiën, enkel voor den mast geleersd,
d.w.z. met een eind touw op den blooten rug gegeeseld. Behalve
"leerzen" of "laarzen" kende men ook "britsen", 't geen met een dunner
touw geschiedde, zonder dat de kleeren werden uitgetrokken. Jongens
werden niet gegeeseld, doch ontbloot en met een bos dunne touwtjes of
twijgen gekastijd. De Ruyter "condemneerde" eens (in 1664, op 't schip
"de Spieghel") vier man, "die haer wacht verslapen hadden, om drie
weken lang voor het gantsche scheepsvolck stockvis te beucken"!--Van
de ra vallen of loopen (ook: van de ra dansen) geschiedde van een
tot zes malen: de veroordeelde moest in de groote mars klimmen en
vandaar de ra afloopende zich in zee storten, waarna hij weder werd
opgehaald.--Kielhalen is als een zwaardere vorm van deze straf te
beschouwen, waarbij de "delinquent" onder de kiel van 't schip door,
aan 't andere uiteinde der ra weder werd opgetrokken. Openlijke
insubordinatie en muiterij werd gewoonlijk aldus gestraft, of naar
omstandigheden ook strenger. Voor mindere ongehoorzaamheid, evenals
voor diefstal, werd na ondergane geeseling van de ree geloopen, doch
op het stelen van vivres stond als regel 't hangen ("executie met
den koorde"). Wie aan boord het mes trok, "in evelen moede", werd,
na meestal eerst te zijn gekielhaald en geleersd, met een mes door de
hand aan den mast gestoken, waarna hij moest blijven staan tot hij het
er zelf uittrok. Nog in 1667 werd deze straf op "de Zeven Provinciën"
toegepast. Wie "plockhaerde" of dronken was, werd geleersd en in de
ijzers gezet. Wie een ander doodde, werd zonder verschooning bij den
doode gelegd en met hem levend over boord gezet; in later tijd ook
"gearquebuseerd". Niet zelden ging een lijfstraf met korting der
soldij gepaard.--Aldus leeren de artikel-brieven en journalen.
[224] Chineesch regeeringspersoon, gouverneur van een district.
[225] Voor "Mandarijn".
[226] "Uytrechten": beslechten.
[227] Geschil.
[228] Opdat.
[229] Teyowan of Taiwan is de hoofdplaats van Formosa
(vgl. blz. 78). Dit had aldus de aanleiding kunnen worden, dat wij
daar reeds in 1623 een factorij vestigden. Nu werd het 1624, zooals
men weet.
[230] Versta: Nederlandsch.
[231] "Ostagiers": gijzelaars.--In margine staat hierbij de volgende
aanteekening: "Manderijns zijn gouverneurs of oversten; dan daer
sijn noch manderijns, die onder de opper-manderijn staen van de
Provincie: van sulcke schijnen dese drie gheweest te zijn." De
eigenlijke beteekenis van het woord manderijn is: raadsheer,
minister. Vgl. Linschoten, Itinerario I, blz. 91, noot.
[232] Aan de Vecht, tusschen Loenen en Nieuwersluis, ligt nog een
oud kasteeltje Oudaen geheeten. Het Huis Oudaen binnen Utrecht is
welbekend.
[233] T.w. de Commandeur met de andere afgevaardigden.
[234] Bemerkt.
[235] In het opschrift is de naam van 't schip van Bontekoe zelf
vergeten.
[236] Nogmaals een gegeven voor de nauwkeurige dateering onzer
vestiging op Formosa; vgl. boven blz. 114. Het vertrek was aanvankelijk
voorloopig.
[237] Een tropische vrucht.
[238] Hier schijnt het journaal te zijn bekort: van 20 Nov. 1623 op
20 Febr. 1624.
[239] Onhandelbaar, bij het overstag loopen.
[240] "Dragende houden": rechtstreekschen, bestendigen koers houden.
[241] Vgl. boven blz. 76.--Hier is weder een bekorting op te merken.
[242] Vgl. boven blz. 69 vg.
[243] Maakten een "slag" of "gang", bij het laveeren.
[244] Afnemende noordwestering. Deze mededeeling slaat op de miswijzing
van het kompas; vgl. boven blz. 30.
[245] "Voor een schoovers-fock met de blind", d.w.z.: voor een sterk
gereefde fok en voor de blinde (het kleine zeil onder de boegspriet
der toenmalige schepen; vgl. boven blz. 51).--Door den hevigen en
ongestadigen wind was het niet mogelijk op een vaste kompas-streek
koers te houden.
[246] T.w.: het seinlicht (als "admiraalschip"), waarnaar de beide
andere schepen hun koers hadden te regelen. Vgl. boven blz. 31.
[247] "Onder zee schieten", d. i.: met alle zeilen ingenomen zich op
wind en golven laten drijven. Dit geschiedde, als het schip door het
al te zware weer niet meer te hanteeren was, of als men bevreesd was
tuig te verliezen.
[248] Nl.: stijf tegen de raas.
[249] Dus te drie uur; vgl. boven blz. 98.
[250] Boven het verdek; vgl. boven blz. 24 vg.
[251] Vlak, effen.
[252] "Rollen" van een schip: slingeren.
[253] In verlegenheid bracht.
[254] Om dit en het volgende te verstaan is een uitlegging noodig:
Onder op den bodem of "'t vlack" van het schip liggen dwarsbalken,
"liggers" genaamd, en daarover een planken vloer, die nog heden
"buikdenning" wordt genoemd en die den bodem van het ruim uitmaakt. De
ruimten tusschen de liggers, onder de buikdenning, heeten "wrangen"
en daarin monden de ondereinden van de pompen uit.--Omdat peper een
kostbare lading was, had men die niet onder in het ruim gestuwd,
maar boven een tusschenvloer ("genier"), waar de specerij, ook als
het schip water maakte, niet door het vocht kon worden aangetast. Op
dit genier lagen ook de van hun affuiten genomen kanonnen, die door
het slingeren van 't schip "gaende", d. i. aan het rollen raakten en
met hun "ooren" het plankier stuk stootten.
[255] De "vullingen" zijn de losse schotten, die beneden in 't
schip scheef, langs de zijden, tusschen de inhouten of ribben zijn
aangebracht, om die tusschenruimten aan te vullen. Toen nu deze
"drijvende" werden, was het mogelijk, dat de door het plankier beneden
in 't ruim neerlekkende peper, langs de wanden van het schip, in de
wrangen raakte en daar de mondingen van de pompen verstopte.
[256] Men verhielp dus het euvel door de pompen eenvoudig uit de
wrangen te trekken en op de buikdenning, dus op den bodem van het
ruim zelf te plaatsen. De benedeneinden werden in manden gezet,
om te beletten, dat de in het ruim omdrijvende peper de mondingen
opnieuw zou verstoppen.
[257] Boven den wind. "In lij": onder den wind.
[258] "De vleet" is alles wat achter een vaartuig, drijvende, wordt
meegetrokken. Thans nog in het bijzonder de naam van het sleepnet
dat ter haringvangst gebruikt wordt.
[259] Effener.
[260] Verschrikten.
[261] Stompen op te richten. De noodmasten worden door Bontekoe hier
"stompen" genoemd.
[262] Tegenwoordig Port St. Louis, ten Z. van de Baai van Antongiel.
[263] Vgl. het Noorsch-Deensche "alligevel": alevenwel.
[264] Indien.
[265] Branding op eenige ondiepten.
[266] "Schadeloos": met schade, averij. Een in de scheepstaal gewoon
woord.
[267] De spuigaten, waardoor het water uit 't schip wordt verwijderd.
[268] Gedoente.
[269] Gerief, wat wij behoefden.
[270] Een zwaluw.
[271] Die dus voor den grooten mast pasklaar werd gemaakt.
[272] Planken.
[273] Stelden ons geheele loopende want daaruit samen (touw slaande).
[274] Bezigden, verbruikten.
[275] In latere drukken is toegevoegd: "'t Was een goet
man".--Prof. G. Kalff (Gesch. d. Nederl. Letterk. V, blz. 3) merkt
naar aanleiding van deze woorden met bewondering op: "Hoe treft ons
door hartelijken eenvoud dat uitzoeken van den besten boom; hoe sober
is dat trouwhartig slot!"
[276] Vgl. boven blz. 94.
[277] "Vroom": flink, van goed gedrag.
[278] Versta: wij bemerkten, dat wij (met het herstelde tuig) achter
nog niet zooveel zeil voerden, dat wij bekwaam waren om door den wind
over, d. i. over stag te loopen.
[279] "Het laten deurstaan": een koers vervolgen; vgl. boven blz. 30,
regel 9.
[280] Aan ons voorbij schoot.--"Vernemen": bemerken.
[281] "Schovers-seylen": dicht gereefde zeilen. Vgl. blz. 121:
"schovers-fock".
[282] Kaap Agulhas; oostelijk van Kaap de Goede Hoop.
[283] "Stijf schip": zwaar geladen, vast op 't water.
[284] Effen, kalm.
[285] De Kaap te boven; dus voorbij, omgezeild. Vgl. ook de voorgaande
blz.
[286] Kerk-vallei.
[287] D. i.: brachten (met een boot) een anker uit op eenigen afstand
van het schip, waardoor dit, door met het spil het ankertouw te winden
en in te korten, dichter onder den wal kon worden getrokken.
[288] "Verpreyen", elders ook "verspreken": praaien.
[289] Over het "in compagnie varen" van meerdere schepen vgl. hiervoor.
[290] Versta: een zandlooper. De bedenktijd was dus een half
uur. Vgl. boven blz. 98.
[291] "Branden": losbranden, vuur geven. Het werkwoord "vuyren" of
"vyeren" beteekent in de 17de eeuw nooit "schieten", doch "met lichten
seinen geven".
[292] Stukken van gemiddelde zwaarte.
[293] "Boegseeren": een schip, dat 't zij door windstilte, 't zij bij
gebrek aan ruimte geen zeil kan maken, met behulp van een roeiboot
in open vaarwater brengen. In dit geval was het boegseeren noodig,
omdat men lag onder de hooge klippen, in de luwte van het land.
[294] Buien, rukwinden.--Vgl. over de uitreis blz. 28.
[295] Over het "opgijen" der zeilen vgl. boven blz. 44.--"Vrookost"
blz. 28.
[296] De "groente" is de plantaardige aanwas, die zich (met weekdieren)
onder aan de houten schepen vasthechtte en ze "vuil" maakte.
[297] "Kaeck": bui.
[298] Bedoeld schijnt Ouessant, schoon dit wat noordelijker ligt.
[299] Terre Neuve, Terra Nova: New Foundland.
[300] Dapper.
[301] Kinsale, havenstad op de kust van Ierland, enkele uren ten
Z.W. van Cork; thans vervallen.
[302] Ging voor anker.
[303] "Convoyers" zijn schepen van oorlog, die gewoon waren de
koopvaarders tot voorbij de Spaansche kusten te vergezellen en op
de thuisreis weder in te wachten, om hen zoo noodig te beschermen en
te geleiden.
[304] "Onbeniert": onhandelbaar bij het laveeren. Vgl. boven blz. 139.
[305] "Mayor": burgemeester.
[306] Beschadigd, met averij. Vgl. boven blz. 127, noot 2.
[307] Uit dezen zin en den volgenden is merkbaar, dat wij niet met
den stijl van Bontekoe, doch met dien van Jan Jansz. Deutel te maken
hebben! Vgl. "Toe-eygeninghe" en "Voor-reden". Echter strekt het den
uitgever tot eer Bontekoe te hebben bewogen deze berichten aangaande
het schip Middelburgh aan het journael toe te voegen, dat zoodoende
een historisch slot bekwam.
[308] Ziet op de ontdekking van de Straat le Maire; vgl. boven blz. 17.
[309] Dit overzicht is met medewerking van Dr. G. J. Boekenoogen
samengesteld, wien ik verschillende aanwijzingen aangaande de oude
drukken te danken heb.