't wrack af begaf en swom aende boot. Hy hadde weynigh letsel gekregen
van 't opvliegen, maer ick riep: "Wilt ghy my hebben, soo moet ghy my
halen, want ick ben soo geslagen, dat ick niet swemmen kan". Doen
sprongh de trompetter uyt de boot overboort met een loodlijn,
(die sy noch hadden) en brocht my het end'. Ick maeckte die om mijn
middel vast en sy haelden my nae de boot toe, en quam alsoo (de Heer
sy gelooft!) inde boot. Inde boot wesende quam achter by Heyn Rol,
Willem van Galen en de onderstierman, genaemt Meyndert Krijnsz. van
Hoorn, die seer verwondert waren dat ick noch in 't leven was. Ick
hadde inde boot achter een roefjen laten maken, daer wel een paer
man in mocht, dwars over de boot; daer kroop ick in en dochte: ick
mocht wat overleggen; want ick giste niet langh te sullen leven,
door de slagh aen mijn rugh en de twee gaeten in mijn hooft; doch
seyde evenwel tegen Heyn Rol en de anderen: "Blijft te nacht by
't wrack; wy sullen morgen alst dagh is wel eenige fictualie bergen,
en mogelijck noch wel een compas vinden om het landt te vinden." Want
daer was in de schuyt en boot noch compas, noch kaert, noch boogh,
noch geen of weynigh eten en gheen drincken; met sulcken haestigheyt
waren sy van 't schip ghevaren. Seyden oock, dat de opper-stierman,
Jan Piet van Hoorn, de compassen uyt het nachthuys hadde genomen;
't scheen dat hy al vrees hadde, datse het schip souden verlaten,
't welck evenwel noch geschiede.
Nu terwijl ick alhier in dat gat of roefje lagh, soo liet de coopman
het volck de riemen uytleggen en stelde het volck aen 't roeyen,
gelijck of hy alst dagh was landt meende te hebben. Maer alst dagh
worde, waren wy van 't wrack versteken, en ooc mede van 't lant. Waren
heel mismoedigh; quamen en keken in 't gat, daer ick lagh, of ick
noch leefde, en siende dat ick noch leefde spraken: "Och lieve
schipper! Wat sullen wy doen? Wy sijn van 't wrack versteken en wy
sien geen landt; hebben eten noch drincken, noch boogh, noch kaert,
noch compas! Wat raedt gaet ons aen?" Daer op ick seyde: "Mannen,
men moste my ghehoort hebben als ick gister avondt seyde: dat ghy te
nacht by 't wrack sout blijven, dat wy wel fictualie souden krijgen,
want het vlees en speck en kaes dreef my om de beenen, dat ick er
qualijck door konde komen." Sy seyden: "Lieve schipper, komt daer
uyt." Ick sey: "Ick ben soo lam, dat ick my qualijck kan reppen;
wilt ghy my hier uyt hebben, soo moet ghy my helpen." Doe quamen sy
en holpen my daer uyt, en ick gingh sitten, keeck het volck over,
en sy roeyden. Ick vraeghde datelijck: "Mannen, wat eten hebt ghy in
de boot?" en sy brochten omtrent 7 a 8 pont broodt uyt, met alle man;
wy hadden twee lege vaetjes, daer leyden wy dat broot in. Ick seyde
vorder: "Mannen, legh de riemen in, het moet anders komen, want ghy
sult loof [82] worden, en wy hebben geen eten te geven. Legh in de
riemen." Doen seyden sy: "Wat sullen wy dan doen?" Maer seyd ick:
"Treckt uwe hemden uyt en maeckt daer seylen van." Sy seyden: "Wy
hebben geen seyl-garen." Ick seyde: "Neemt de willen van de boot [83]
en pluyst die aen werck en draeyt daer seyl-garen af; van de rest
leght plattingh tot schooten en geerden [84]." Daer op trock een yder
sijn hemt uyt, en flanstese aen malkander tot seylen, 't selfde deden
sy inde schuyt mede. Telden als doen ons volck en bevonden inde boot
46 en inde schuyt 26 persoonen; maeckt 72 persoonen in 't geheel.
Daer was een blauwe bolckvanger [85] met een kussen inde boot;
die worde my gegeven. De bolckvanger trock ick aen en het kussen
sette ick op mijn hooft, door dien ick (als verhaelt) twee gaten
in 't hooft hadde. De barbier [86] hadden wy wel mede inde boot,
maer hy en hadde geen medicamenten; doch kaude evenwel wat broodt en
leyd' de kauwen also op de wonden; waer mede ick (door Godts genade)
genesen worde. Ick presenteerde mijn hemt mede uyt te trecken, maer sy
wildent niet hebben; droegen noch sorge voor my, om my in 't leven te
houden. Wy lietent de geheelen dagh voortdrijven; waren ondertusschen
besich met de seylen te maecken. 's Avondts warense klaer, settender
die by, en trocken aen 't seylen. Dit was den 20. dagh van November
1619. Begonnen koers te stellen aende sterren, want wy wisten goelijck
waer de sterren behoorden op ende onder te gaen; stelden 's nachts
alsoo onse koers.
Het was by nacht soo kout, dat het volck klaptanden, en by daegh
soo heet, datmen vergaen wou van hetten; want de son was meest boven
't hooft.
Den 21, 22 en 23 dito practiseerden wy een graed-boogh, om hooghte
te nemen; sloegen een quadrant op de plecht en teeckenden een stock
met een cruys daer uyt. Wy hadden de kistemaecker Teunis Sybrantsz
van Hoorn in; die hadde een passer. Hy hadde oock ten deele eenighe
wetenschap om een stock te teyckenen, soo dat wy met malcander alsoo
een graed-boogh maeckten en formeerden, daer wy mede schooten [87]. Ick
sneed oock een paskaert achter op 't boort, en leyd' het eylandt van
Sumatra daer in, met het eylandt van Java, met de straet van Sunda,
die tusschen beyde eylanden in loopt. En die selfde dagh dat wy
't schip verlooren, des middaeghs, hadde ick noch hooghte ghenomen
aen de son, en bevond' vijf en een halve graed Suyder-breete vande
Equinoctiael, en het besteck inde kaert stont omtrent 90 mijlen van
landt. Ick sneet ook een compas daer in; paste doe alle dagen met de
passer by gissingh of, en stelde de koers 70 mijlen besijen of boven
't gat, om, als wy landt kreghen, te beter te weten wat heen dat wy
mosten. Seylden alsoo op het schieten met onse boogh en het passen aen.
Ick gaf van de 7 a 8 pont broodt elck alle dagen sijn rantsoen,
soo langh alst dueren mocht; doch was wel haest op. Elck kreegh des
daeghs ontrent een stuckjen soo groot als een lit van een vinger. Wy
hadden geen drincken; daerom alst reghende, namen wy onse seylen
neer en schoorense [88] dwars over de boot heen, en vinghen het
water alsoo op 't seyl en gaerden dat in onse twee vaetjes; en als
die vol waren setten die uyt de weegh, tot alst een droge dagh was
dat het niet en regende. Ick sneed een neusje van een schoen en een
yder quam by 't vaetje en schepten het neusje vol en dronckent uyt,
en gingh weder aen sijn plaets, daer hy gheseten had. En alhoewel wy
in sulcke benautheydt waren, seydent volck: "Schipper, neemt ghy soo
veel als u lust, want het mach ons doch allegaer niet helpen." Doen ick
haer beleeftheydt sagh, wilde niet meer hebben als sy. Aldus seylende
met schuyt en boot, en dewijl de boot harder seylde als de schuyt,
en datter niemandt inde schuyt was die hem op navegatie verstondt,
soo baden dieghene die inde schuyt waren (als sy dicht by ons quamen)
of sy by ons inde boot mochten over komen en seyden: "Lieve schipper
neemt ons doch over, opdat wy by malcander moghen wesen"; vreesden
van ons af te dwalen. Maer het volck inde boot die waren daer teghen
en seyden: "Schipper, nemen wy haer over, soo sijn wy altemael om den
hals, want de boot kan al het volck niet voeren". Mosten derhalven
dan wederom vande boot afhouwen.
De ellende was onder ons groot; wy hadden geen meer broodt en konden
gheen landt sien. Ick maekten het volck altijdt wijs, dat wy dicht aen
landt waren, datse goede moet souden houwen; maer sy murmereerden onder
malcander daer al teghen en seyden tegen malcander: "De schipper mach
seggen dat wy nae landt toe seylen, maer wy seylen moghelijck van landt
af." Op een dagh (alsoo het leeck dat wy 't niet langer konden harden
sonder eten) gaf Godt almachtigh datter mieuwen over de boot quamen
vlieghen, ghelijck oftse gevangen wilden wesen, want sy vlogen ons
bynae inde handen en lieten haer grijpen. Wy pluckten haer de veeren
af en snedense aen stickjes; gaven elck wat; atense soo rau op, en
het smaeckten my soo wel als ick mijn leven kost ghe-eten heb; jae,
smaeckte soo soet of ick honigh in mijn mondt en keel stack. Hadden
wy maer wat meer ghehadt; was pas of ter nauwer noodt soo veel dat
wy konden leven, en meer niet.
En dewijl het landt hem noch niet op dee, soo wierden wy soo dwee
gemaeckt, dat het volck resolveerden (doen die vande schuyt ons weder
baden datse mochten overkomen) haer over te nemen; want daer en quam
geen uytkomste met het landt; vreesden dat wy van dorst en van honger
souden moeten sterven, en als wy mosten sterven, soo resolveerden wy
noch liever met en by malcander te sterven. Namen daerop het volck
uyt de schuyt over inde boot en namen al de riemen uyt de schuyt met
de seylen, die setten wy mede op de boot. Hadden doen op de boot een
blind, fock, groot-zeyl en besaen [89]. Wy hadden doe oock ontrent 30
riemen, die leyden wy over de doften heen, als een overloop. De boot
was soo hol, dat het volck onder de riemen op haer neers moy mochten
sitten; setten alsoo de eene helft van 't volck onder de riemen
en de ander helft boven de riemen; mochten hiermede het volk moy
bergen. Waren doe met ons 72 personen inde boot; saghen malcanderen
met bedroefde ooghen aen, hebbende noch eten noch drincken. Daer en
was gheen meer broodt, noch de mieuwen quamen niet meer, en het wilde
niet regenen.
Doen 't nu weder op het ongesienste was om 't leven te houden,
soo quamen (door des Heeren barmhertigheydt) oversiens uytter zee
op-barsten een perthy vliegende visschen, zijnde soo groot als een
groote spieringh, in maniere als een school musschen, en vlogen in
de boot. Daer wast doe aen 't grabbelen! Elck dee sijn best om wat
te krijghen. Wy deylden die om en aten die rau op, en smaeckten als
honigh; doch het mocht al weynigh helpen. Evenwel sterckte het min of
meer, en dee sooveel (met Godt) datter niemandt en sturf, 't welck
te verwonderen was, want het volck begon al sout water te drincken,
teghen mijn waerschuwingh aen. Ick seyde tegen haer: "Mannen, en
drinckt geen sout water, want het en sal u geen dorst verslaen; ghy
sult de loop daer van krijghen en daer af sterven". Andere kauden
bosse-klooten [90] en musquets-koegels; andere droncken haer eygen
water. Ick dronck mijn eyghen water soo langh alst goedt was; want
het worde achter nae onbequaem om gedroncken te worden.
De benauwtheydt wierde hoe langher hoe swaerder en grooter, en het
volck begon soo wanhoopigh, mistroostigh en wreedt op malcanderen te
sien, dat het leeck datse malcander bykans souden aenghetast hebben
om te eten; jae, spraecken daer van onder malcander, en vonden goedt
de jongens eerst op te eten; die op zijnde, wilden sy daer om werpen,
wie men dan aentasten soud; waer over ick in mijn geest seer ontroert
wierde en uyt grooter benauwtheydt badt ick Godt almachtigh, dat
het sijn Vaderlijcke ontfermhertigheydt daer toe doch niet soude
laten komen, en ons niet versoecken boven 't vermoghen, wetende
wat maecksel dat wy waren. Ick kan niet wel seggen hoe bang dat my
was om dese voorslagh, te meer omdat icker (soo my docht) wel eenige
sach die 't begonnen souden hebben om de jonghens te dooden; doch ick
versprack haer [91] (met Godts hulpe) en bad voor de jongens en seyde:
"Mannen, laet ons dat niet doen. Godt sal wel een uytkomst geven,
want wy konnen niet ver van landt zijn, uytwijsende ons daghelijcx
afpassen en schieten." Sy gaven voor antwoordt: "Dat hebt ghy al
langh geseyt en wy krijgen geen landt; jae, seylen mogelijck van
't landt af"; wesende geheel t' onvreden. Sy stelden my doe de tijdt
van drie dagen, om, indien wy in dien tijdt gheen landt beseylden,
de jongens te eten. Voorwaer een desperaet voornemen! Badt daerover
met een vyerighen ernst aen Godt, dat hy sijn genadighe ooghen op
ons soude nederslaen en gheleyden ons binnen die tijdt te lande,
opdat wy gheen grouwelen souden bedrijven voor sijn ooghen.
Hier gingh de tijdt in en de noot was soo groot, dat wy 't niet wel
langher harden konden. Wy dochten dickwils: waren wy aen landt dat wy
maer gras mochten eten, wat noodt wast. Ick vermaende het volck met soo
veel troostelijcke reden als ick op die tijdt konde bybrenghen. Seyde
dat sy doch goedts moedts souden wesen; dat de Heer het versien soude;
doch was self kleynmoedigh; soude een ander troosten en behoefde self
wel ghetroost te worden. Sprak menigh woordt boven 't hert. Verdroegen
en leden alsoo met malcander, dat wy soo moe en mat wierden, dat wy
qualijck de macht hadden op te staen. Heyn Rol, de coopman, was soo
verd', daer hy sat daer sat hy; konde niet verder komen. Ick was
noch soo moedigh, dat ick van achteren tot voor inde boot konde
komen. Swarlden alsoo op Godts ghenade tot den 2. December 1619,
zijnde de 13. dagh dat wy het schip verloren; doen wast een grauwe
lucht met regen en stiltjes; maeckten de seylen los, schoren die dwars
over de boot en kropen al te samen onder de seylen, en gaerden onse
vaetjes vol water. Het volck hadden weynigh kleeren, door dien sy soo
haestigh waren vertrocken, en hare hemden waren tot seylen ghemaeckt,
als voor verhaelt is; hadden de meestendeel geen meer als een linnen
broeckjen aen, waren met de bovenlijven naeckt. Kropen alsoo (om de
warmte te scheppen) onder de seylen by malcander, en ick stont op
die tijdt aen 't roer en mijn gissingh was dicht by landt. Hoopte dat
het op soude klaeren, terwijl ick aen 't roer stondt, maer bleef even
mistigh sonder dat het op wilde klaren. Ick wierde door de doockighe
[92] lucht en regen soo kout, dat ick 't niet langher aen 't roer
konde harden, riep daerom een vande quartier-meesters en seyde:
"Komt en verlost my eens van 't roer, want ick macht niet langer
harden." Doe quam de quartier-meester en verloste my; ick kroop mede
manck het volck om de warmte weder te krijghen.
De quartier-meester hadde gheen uur aen 't roer ghestaen, of het
begon al op te klaeren, en hy siet toe en siet terstondt landt. Hy
riep met groot verheugen: "Mannen komt uyt, het landt leydt dicht
voor ons! Landt! Landt!" Hadt ghy ghesien hoe dra wy onder het seyl
van daen waren en voor den dagh quamen. Settender de seylen weder
by en seylden nae 't landt toe; quamen dien selfden dagh noch aen
landt. De Heer almachtigh zy gelooft en gepresen, die onse bidden
en smeken heeft verhoort; want wy deden des morgens en 's avondts
het gebedt, met vyerigen aendacht tot Godt en songhen oock een psalm
voor en nae het ghebedt, want wy hadden noch eenighe psalm-boeckjes
by ons. De meeste tijdt was ick hierin voor-leser, doch daer nae, doe
de voor-leser uyt de schuyt in ons boot quam, deed hy 't selver [93].
Nu by 't landt komende, liep de zee soo aen het landt, dat wy niet
landen dorsten; doch vonden aende binnekant van 't eylandt (want het
een eylandt was) een inwijckjen; daer lieten wy de dregh [94] t'
zee vallen, en hadden noch een dreghjen, dat setten wy aen landt,
soo dat de boot vertuyt lagh [95], en spronghen (soo goedt als wy
konden) met alle man aen landt en trocken elck sijns weeghs aen 't
boschkaren2. Maer soo drae ick op 't landt quam, viel ick op mijn
knien en kuste de aerde van blijdtschap en danckte Godt voor sijn
genade en barmhertigheydt, dat hy ons niet en hadde versocht, of had
tot noch toe een uytkomst inde saeck gegeven; want dese dagh was de
laetste, nae welcke het volck gheresolveert waren de jonghens aen te
tasten en op te eten. Hier bleeckt dat de Heere de beste Stierman was,
die ons gheleyde en stierde dat wy het landt kreghen, als verhaelt is.
Wy vonden op dit eylandt veel kokus-noten, maer konden (wat wy sochten)
geen versch water bekomen; doch geneerden ons met het sap uyt de
jonghe kokus-noten, dat een goede dranck was. En van de oude noten
(die 't pit hardt was) aten wy; maer wat te veel en onvoorsichtigh,
want wy wierden dien selfden nacht al te samen heel sieck, met
sulcke ellendighe pijn ende snyingh in 't lijf en inde buyck, dat
het scheen of wy barsten mosten. Kropen by malcander in 't sant, elck
klaeghde meer als d' aer; en achternae begon het purgatie te baren,
daer door wy datelijck verlichtingh gevoelden; waren 's anderendaeghs
weder fris en liepen dit eylandt bykans rondtom. Wy vonden daer geen
volck, maer saghen wel tekens datter volck op geweest hadde. Hier was
anders niet op om te eten als kokus-noten. Ons volck seyden tegen my
dat sy aldaer een slangh ghesien hadden, die wel een vaem dick was,
maer ick heb hem self niet ghesien.
Dit eylandt leydt ontrent 14 a 15 mijl van 't landt van Sumatra. Wy
haelden sooveel kokus-noten in de boot als wy konden voeren,
tot victualie: de oude kokussen om te eten en de jonghe om uyt te
drincken. Staken 's avondts wederom van 't eylandt af nae het landt
van Sumatra; kregen het 's anderendaeghs in 't ghesicht. Quamen daer
by, liepen by 't landt langhs met een voor de windt, Oostelijck aen
of om de Oost, soo langh tot dat de noten weder op waren. Doen wilden
't volck weder aen landt; seylden dicht by de barningen van 't landt
langhs [96], maer vonden geen gelegenheyt om te landen, door dien
dat de zee soo geweldigh aenliep.
Doe resolveerden wy dat er 4 a 5 mannen overboort souden springen en
sien of sy door de barningh aan 't landt konden swemmen, en loopen
dan by de strandt langhs, om te sien of sy nerghens eenige openingh
konden sien, om met de boot in te komen. 't Welk geschieden. Sprongen
overboort, raeckten door de barningh aen landt en liepen by 't strandt
langhs, en wy seylden oock met de boot al by de wal henen.
Ten lesten vonden sy een revier. Doen trocken sy haer broecken uyt,
en wuyfden dat wy daer nae toe souden komen. Wy dat siende seylden
datelijck daer nae toe. Daer by komende lagh daer een banck recht
voor de mondt van de revier, daer de zee soo geweldigh op storte, dat
ick seyde: "Mannen, ick steeck hier niet in, of ghy moet het altemael
consenteren, want raeckt de boot om, dat ghy 't my dan niet hebt te
wijten." En vraeghden by de ry om, wat elck daer toe seyde. Gaven
voor antwoort: jae, en dat sy 't wel wilden avonturen. Doen seyd'
ick: "Ick avontuer mijn lijf by 't uwe". Ick stelde datelijck ordre,
datse achter aen beyde zijden een riem souden uytvoeren en aen yder
riem twee man. Ick stondt aen 't roer, om de boot alsoo recht voor
zee te houden. Doe staecken wy alsoo met de boot in de barningh. De
eerste zee, dieder quam, bonsde de boot wel half vol water. Ick riep:
"Mannen, hoos uyt! hoos uyt!" En sy hoosden uyt, met hoeden, met
schoenen en met de lege vaetjes, die wy in de boot hadden; en kreghen
het water meest uyt. Doe quam de tweede zee; die worp de boot bykans
tot de doften toe vol water, waer door de boot soo mal lagh, of hy
sincken wilde. En ick riep al: "Mannen, hou recht, hou recht! hoos
uyt, hoos uyt! of wy zijn altemael lijveloos!"--Wy hieldent noch
recht voor zee en hoosden 't water uyt, soo veel wy konden.
Doe quam de derde zee en die storte te kort, soo dat wy daar
weynigh water van inkreghen; en doe wast datelijck slecht water
[97]. Raecktender alsoo met Godes hulp door. Wy proefden het water en
was datelijck versch, waer over wy al te samen seer verblijdt waren
en leyden de boot aen de rechterhandt vande revier aen de wal.
Op 't landt komende was het met langh gras bewossen; toe siende,
soo laghender boonen in 't gras, ghelijck oft Eydersche boontjes
waren. Doe met alle man aen 't soecken en eten; ick self dede mede
mijn best, dachte: ick sal mijn part mede sien te krijgen, en ons
volck liepen een weynigh nae de hoek toe. Vonden daer vyer met eenighe
toeback legghen, waer door wy heel verblijdt waren. Het scheen datter
volck van 't landt hadden gheweest, die daer vyer aen geleydt hadden,
en toeback ghedroncken hebbende eenige toeback vergeten hadden, of
met wil legghen laten [98]. Wy hadden in de boot twee bijlen, daer
hackten wy boomen mede om en tacken mede af, en leyden wel tot 5 a
6 plaetsen vyer aen. Daer gingen ons volck by thienen en twaelven
om staen en sitten, en droncken toeback. Doen 't avondt was, leyden
wy lustighe vyeren aen en stelden tot drie plaetsen wachten uyt,
uyt vreese vande inwoonders van 't landt, want het was donckere maen.
Nu dien selfden nacht wierden wy soo sieck vande boonen, die wy
ge-eten hadden, dattet was of wy barsten souden van pijn ende snyingh
inde buyck (gelijck wy te voren vande kokus-noten ghevaren waren.) En
terwijle dat elck vast klaeghde, soo quamen de inwoonders van 't landt,
en meenden ons daer al te samen doodt te slaen; ghelijck ghy hier nae
noch hooren sult. Onse uytgestelde wachten wordense juyst wijs [99];
sy quamen nae ons toe ende seyden: "Mannen, wat sullen wy doen? Daer
komen sy aen!" Wy hadden geen geweer als twee bijlen met noch een
roestighe deeghen, en waren daer toe noch sieck (als verhaelt) vande
boonen. Resolveerden evenwel dat wy ons soo niet wilden laten doodt
smijten; namen derhalven ghebrande houten inde handt en trocken teghen
haer aen in het doncker; de voncken vyers vloghen over 't landt, 't
welck by het duyster een vreeslijck aensien gaf. Oock wisten sy niet
of wy gheweer by ons hadden of niet. Sy namen de vlucht van ons af,
achter 't bosch, en wy keerden weder te rugh nae onse vyeren; bleven
alsoo die gantsche nacht in sorge en vreese by 't vyer sitten en staen;
maer ick en de koopman Heyn Rol liepen in de boot, vertrouwden ons
niet op 't landt.
's Morgens doen het dagh was en de son opquam of was, quamen drie
vande inwoonders uyt 't bosch loopen op strand. Wy stuerden drie van
onse maets nae haer toe, die wat Maleys konden, want sy hadden voor
die tijdt al in Oost-Indien geweest, soo dat sy de spraeck ten deele
gheleert hadden. Die by haer komende, vraeghden die drie inwoonders
haer wat volck dat wy waren; seyden: "Wy zijn Hollanders en hebben
door ongheluck van brandt ons schip verloren, en zijn hier gekomen
om eenige ververschinghe te ruylen, soo ghy 't hebt." Sy antwoorden,
dat sy hoenderen en rijs hadden, daer wy heel graegh nae waren. Doe
quamen sy alsoo by ons ontrent de boot en vraeghden of wy oock gheweer
hadden. Wy gaven tot antwoordt: "jae, geweers genoegh, musschetten,
kruyt en koegels". Ick hadde de seylen over de boot laten halen, soo
datse inde boot niet kosten sien, watter in was. Doe brochten sy ons
rijs, die ghekoockt was, met ettelijcke hoenderen. Wy examineerden
ons onder malcanderen [100], wat gelt dat wy by ons hadden, en
brochtent by malkander. D' eene bracht 5, d' ander 6, dese 12, d'
eene min, d' ander meer rejaelen van achten te voorschijn [101], soo
dat wy in 't geheel ontrent 80 rejaelen van achten by een brochten,
van welck gheldt wy die hoenderen en rijs, die sy ghebrocht hadden,
betaelden. Die hebbende seyde ick tegen ons volck: "Nu mannen, set
jou nu by malcander, en laet ons nu de buyck voor eerst vol eten en
sien hoe 't dan is." 't Welck wy deden. De maeltijdt gedaen zijnde,
maeckten wy overlegh wat ons nu te doen stondt, om ons beter te
versien van 't gheen ons noodigh was. En alsoo wy niet wel verkent
waren, vraeghden haer, hoe dat landt hiete, maer konden 't niet wel
verstaen; doch konden anders niet verstaen of noemden Sumatra. Sy
wesen met de handen neerwaert aen, dat Java daer lagh, en noemden
Jan Coen, dat die onse Overste aldaer op Java was; 't welck waer
was, want Jan Pietersz. Coen van Hoorn was doen ter tijdt Generael,
soo dat wy doen ten deele verkent worden en vast ginghen [102], dat
wy boven windt van Java waren; want wy hadden geen compas, waren
altijdt twijffelmoedigh geweest, of onse dinghen al vast gingen;
stelden ons in die saeck doe vry wat gheruster.
Maer alsoo wy meer victualie van doen hadden, om onse reys te
vervorderen, soo resolveerden wy, dat ick met vier vande maets met een
prauwtjen de revier op soude varen naer het dorp, dat een stuck weeghs
op lagh, met het gheldt dat wy doen noch hadden, om aldaer victualie
te koopen, sooveel wy krijghen konden. 't Welck ick dede en voeren op.
In 't dorp komende kochten wy rijs ende hoenderen en stuerden 't
nae de boot by Heyn Rol, de koopman, ordre stellende dat elck sijn
part soude krijghen, op datse niet kijven souden, en ick met de vier
maets lieten in 't dorp 2 a 3 hoenderen koocken met wat rijs; ginghen
by malkander sitten en aten soo veel als ons luste. Daer was oock
dranck, die sy uyt boomen tappen [103], die soo sterck was datmen
daer wel droncken af konde worden. Droncken daer van mede eens om,
met malkander, doen wy ghe-eten hadden. Terwijl wy aten, saten de
inwoonders van 't dorp rondtom ons en keecken ons aen, als of sy ons
de beten uyt de mondt wilden kijcken.
Nae de maeltijdt kocht ick een buffel voor vijf en een halve rejael
van achten en betaelden hem; maer de buffel betaelt wesende, konden
wy hem door de groote wildigheydt niet krijghen; spilden daer veel
tijdt mede, en alsoo het laet worde, wilde ick met de vier maets weer
nae de boot; souden, soo my dochte, de buffel 's anderendaeghs wel
krijgen. Hier over baden my de vier voorschreven maets, of ick wilde
toestaen, dat sy die nacht daer mochten blijven, inbrenghende dat sy
's nachts, alst beest soude sitten, het wel souden krijghen. Hoewel
ick haer dit afriedt, soo consenteerde ik het ten langhen lesten, door
haer langh aenstaen. Ick nam mijn afscheyt, en seyden of wenschten
malkanderen goeden nacht.
Aende kant vande revier komende, daer de prauw lagh, stond' daer een
hoop volcx vande inwoonders en haperden gheweldigh teghen malkander
[104]. Het scheen dat de eene wilde hebben dat ick voer en de andere
niet. Ick greeper een of twee (uyt den hoop) by den arm en stuwdese
nae de prauw toe, om te varen, gelijck of ick noch meester was, en
ick was boven half knecht niet. Sy saghender soo vreesselijck uyt als
bullemannen, doch lieten haer ghesegghen, en twee ginghen met my inde
prauw. De eene gingh achter sitten en de ander voor, elck met een
scheppertjen [105] in de handt, en staecken af. Sy hadden elck een
kris op haer zijd' steecken, zijnde een geweer oft een ponjaert was,
met vlammen [106].