VII.

De Exploratie der B-rivier.

Den 20en October afmarsch tot het doel in den titel van dit hoofdstuk

vermeld. Er was gewacht moeten worden op nieuw menschenmateriaal,

dat den 16en der maand per "Albatros" werd aangebracht.

In den tusschentijd regelen van particuliere en exploratie-zaken.

Pionierbivak was een mooi, afgewerkt dorp geworden. Aan den oever, waar

oorspronkelijk ons barakje had gestaan, waren drie groote "gebouwen"

verrezen: de groote goedang, het nieuwste (derde) officiershuis

en het Dajak-huis. Mooie foto's waren door onzen dokter gemaakt om

het Pionierbivak, dat reeds van alle kanten astronomisch vastlag,

ook fotografisch vast te leggen.

Commentaren op deze afbeeldingen zijn vrijwel overbodig. Men ziet op

den voorgrond het derde officiershuis (×) met den grooten omgehakten,

doch niet te water geraakten boom er voor; rechts daarvan den

linkervleugel van het Dajak-huis en links, verscholen achter het loof

van den eenigen "sierboom", dien men in het bivak had laten staan,

de goedangs; verder de mandikamers en aanlegsteigers en een klein

"zootje" oude prauwen en sloepen. Bovenstaande foto geeft het groote

bivak van den achterkant met het derde officiershuis (×) en het tweede

idem (·) thans onder-officiersverblijf.

Onze nieuwe woning komt beter uit op blz. 195, terwijl de 2e

foto eenigen van ons in de voorgalerij vereenigd doet zien;

als een aardigheid werden de drie doodskoppen links erbij

gefotografeerd. (ethnografica!)

De grond van het bivak, langzamerhand met klein struikgewas en

onkruid begroeid, zag er vroolijker uit dan in den regen- (=

modder)tijd. Hier sprong lustig een geelharige jonge hond rond,

een vroolijke gladdakker [35] of street-terrier en zijn kameraad,

een klein gestreept varken. Zij waren goede vrienden en namen wat van

elkanders eigenschappen over: het varken kreeg iets van de wildheid

van den hond en de hond heel veel van de vuilheid van het varken;

beiden kenden geen grooter genoegen dan rond te tollen in de modderige

waterloopjes door het bivak.

Of wel zij zaten onze kippen na, die vrij in eenigszins verwilderden

staat rondliepen; ons kippenhok toch was reeds lang verlaten,

sinds er op een goeden nacht een slang in gesnapt was, die zich

aan eenige kippen had volgegeten en bovendien een groot aantal had

gedood. Sindsdien liepen alle kippen vrij rond, zij zaten op de

boomen en overal. Als het "kip" was, trok de oudste der bedienden er

met een oud jachtgeweer op uit en werden eenige neergelegd. Dat we

onder die omstandigheden weinig van eieren zagen, was geen wonder,

vooreerst waren ze moeilijk te vinden en àls er gevonden werden,

zal het meestal wel "bij toeval" door dwangarbeiders geweest zijn.

Ook koeien hadden we een korten tijd in het bivak gehad,

met de bedoeling het eeuwige blikkenvleesch eens door versch

vleesch te vervangen; daar het echter veel te duur uit kwam

(Manokwari-prijzen!) bleef het bij een proefneming. Men vertelde

mij hoe Papoea-bezoekers over deze dieren verstomd hadden gestaan;

men kan zich dat indenken, als men zich herinnert dat de grootste

afmetingen op het gebied van viervoeters op Nieuw-Guinee in het wilde

varken worden gevonden.

De vivresopvoer ging altijd nog zijn gewonen gang, de voorraad in

Bataviabivak werd bijgehouden. Ongelukken kwamen zelden meer voor,

het aantal prauwen was vrij stationair; Dajaks en huur-Papoea's,

de eersten als leiders, bedienden de transportlijn.

Ik hoorde ook het lot van een Europeesch sergeant van de

Idenburgcolonne. Tijdens onze groote opvaart was hij op de

Idenburgrivier teruggezonden, daar hij de verschijnselen van

beri-beri voelde. In Bataviabivak aangekomen, had hij zoo'n haast

om naar beneden te gaan, dat hij denzelfden dag nog doorging in

een transportprauw met zieken; terwijl hij een dag later met Dajaks

van het vivrestransport had kunnen varen. Zijn haast kwam hem duur

te staan: in de Bataviaversnellingen raakte hij het hoofd kwijt,

gaf aanwijzingen links en rechts, zoodat de prauw omging en twee

menschen verdronken. De overigen redden zich op den oever, werden

deels later mee teruggenomen door het voorbijvarend vivrestransport,

bereikten deels uitgeput Bataviabivak. De sergeant zelf had zich aan de

prauw vastgeklemd en is met haar stroomafwaarts gedreven, ging in den

nacht door den Edi-val, waar zijn angstgeroep doorklonk tot Post II,

vervolgens door de Marinevallen en strandde ten laatste een eindweegs

beneden die laatste versnellingen. Hier werd hij door Papoea's gevonden

en bijgebracht; zij brachten den armen, geheel getroubleerden kerel

in Pionierbivak, vanwaar hij ten spoedigste werd geëvacueerd.

Een dergelijk geval strekt wel tot leering.

De gezondheidstoestand in het bivak was steeds zeer goed; wie er

bleven voelden er zich in den drogen tijd behagelijk. Die tijd liep

nu echter op zijn einde en hierin vond ik wel een prikkel om zooveel

mogelijk spoed te betrachten en ten minste ons Prauwbivak te bereiken

vóór de groote was begon. Hoe laag de waterstand was geweest ziet

men op blz. 196 en 197, dit was geweest Juli-Augustus; een verschil

van 7 M. met den hoogsten winterstand was toen gevonden. Het was zeer

ongeriefelijk geweest: de doorstrooming onder W.C.'s en mandikamers

was verdwenen en een vette modderbank, vol rottend afgekapt hout en

oude blikken, was te voorschijn gekomen; prauwen en sloepen waren op

het droge geraakt. In dien tijd ging een Dajak-prauw in 2 à 3 dagen

van hier tot Bataviabivak.

De kleine motorboot, met zooveel moeite boven gekregen, lag nu voor

Pionierbivak, dupe van den eersten alarmkreet over den Grooten

Oorlog. Zij verving hier de stoomsloep bij het maandelijksch

transportsleepen van af den Gouvernementsstoomer naar den oever

van het bivak; die stoomsloep n.m. was gezonken naast het schip,

naar het heette door den fellen stroom, waarschijnlijk echter door

de zorgeloosheid van den stuurman, die binnenboord was geloopen,

nadat hij de sloep naast het schip had vastgelegd. De sloep was op

een gegeven moment scheef gaan liggen, volgeloopen, en de vanglijn,

niet meer bij machte om den grooten druk uit te houden, was geknapt;

de inzittenden hadden zich reeds ijlings binnen boord geborgen. Doch

dit was gebeurd eenige maanden geleden.

Over de groote motorboot hoorde ik de gunstigste verhalen, o.a. dat

zij 3 ton vivres bergen kon. Ik hield reeds een oog op haar voor de

tweede opvaart; kon echter niet vast op haar rekenen, daar Doorman

haar misschien op dit moment gebruikte.

Bij de voorbereiding van dezen mijnen laatsten tocht hield ik rekening

met alle tot nu toe opgedane ervaring. Zooals daar was:

_Indekking_. Uitsluitend tentdoek van het katoen- lijnolie-

vaseline-procédé; voor mijzelf mijn kleine Wittich-tent.

_Vivres_. De benoodigdheden voor den troep, ruim naar den tijd en

precies naar het aantal menschen in kilo's nauwkeurig berekend;

hierboven 10% als reserve voor bederf. Geen enkele "schatting"

alzoo. De blikken alle door mij persoonlijk geinspecteerd, opdat niet

een klein lekgaatje mij 15 K.G. rijst door vochtbederf onbruikbaar

zou maken. Het vleesch in bundels van 4 blikken bij elkaar gepakt;

de verstrekte bundels van 6 toch zijn in de prauwen onhandig en te

groot. Katjang idjoe, hoewel ik die wilde laten slippen, moest op

order van Kapitein Oppermann (en een zeer begrijpelijke order) mede;

ik liet er echter evenveel blikken rijst voor thuis, fourageerde

daarna elke week een deel van de katjang tegelijk met de rijst op.

_Geneesmiddelen_. Veel "buikdrank", [36] kinine en asperine; voldoende

verband en perubalsem; veel zalf. Alles ging in twee blikken, na

Canobivak in één. Voor ziekenkost alleen gecondenseerde melk; een

vivresblik vol bevatte ongeveer 20 blikjes van 1/2 liter.

_Diversen_. Per prauw 6 man; 7 is te veel, 5 te weinig gebleken. De

eindpatrouille van af Canobivak plus de bezetting van dat bivak,

tezamen 33 man, en vivres voor 4 maanden, bezwaarde mij met circa 4000

rantsoenen; dit aantal, gedeeld door het rendement eener prauw na de

reis van Bataviabivak tot Prauwenbivak, gaf mij het benoodigde aantal

prauwen en roeiers. De geheele patrouille van af Bataviabivak eischte ±

7000 rantsoenen. Ik rekende ook met de mogelijkheid dat ik de groote

motorboot zou kunnen krijgen, maakte dus verschillende schema's.

Eén onderofficier; na vertrek van Canobivak geen.

Eén verpleger, eveneens slechts tot Canobivak.

Daar ik na Canobivak de verkenning in 4 prauwen wilde doen met 24 man,

waaronder mijzelf, rekende ik op 8 Dajaks, per prauw 2, één voor,

één achter. Verder op 1 verkenner en de rest, dus 9, dwangarbeiders.

Voor den opvoer langs de Idenburgrivier (behalve op 1 onderofficier,

1 verpleger en deze 22 menschen) uitsluitend op Papoea's onder Oscar,

den "onderkoning."

Een blik ruilartikelen, hoofdzakelijk ijzer, dus parangs en bijlen.

Veel werk, pek en spijkers, want boven Canobivak moesten eerst prauwen

gemaakt worden; overigens is er steeds prauwenreparatie onderweg.

Zooveel mogelijk tijdmeters: 3 van het groote (Marine-)model,

5 chronomètres-torpilleur.

Vischlijnen en haken in ruime hoeveelheid.

Lichte ijzeren haken, door de Dajaks gesmeed en door hen "kait"

genoemd; dienden om, aan een gallah gebindseld, de prauwen aan het

oevergeboomte bij bandjir voort te trekken; hadden aan den onderkant

een klein voetje om het afglijden van den stok te beletten; gaven

verbazend veel gemak. Lectuur, waartoe zich prachtig leenden een

twintigtal exemplaren van de "Petite Illustration"; immers, wanneer

men zonder aanspraak is, zijn observaties en vivresrekening heeft

uitgecijferd en zijn patrouillekaart heeft bijgewerkt, dan komt de

verveling en dat mag niet.

Voor mijzelf nam ik geen andere dan troepvoeding; alleen een viertal

1 pondsblikken boter voor de jachtopbrengst en een tiental blikjes

gecondenseerde melk. Overigens rekende ik op de ziekenkost, hopende

dat ik geen zieken zou krijgen.

Fuseliers, dwangarbeiders en Dajaks waren allen zooveel mogelijk

door mij uitgezocht uit de oude, beproefde garde; de dwangarbeiders

uitsluitend riviermenschen uit Djambi en Palembang, flink en

handig. Velen, die de vorige patrouille hadden meegemaakt, vonden het

niets leuk, dat ze zoo gezond waren, doch daar was niets aan te doen.

Behoef ik nog te zeggen: geen stoomsloep?

Alzoo 20 October afmarsch. In drie prauwen slechts. Een dag of 3

te voren was een groot periodiek prauwentransport reeds naar boven

gegaan; daar waren alle door mij gereserveerde prauwen bij, gemerkt,

de beste die ik in Pionierbivak krijgen kon. In 3 1/2 dag was ik in

Bataviabivak; het was een aangename tocht door het van ouds bekende

Van Reesgebergte; doch met Dajaks en met fuseliers en dwangarbeiders

die na een jaar aan het spel met den Mamberamo gewend waren, kon het

ook niet anders dan voor den wind gaan.

Bij aankomst in Bataviabivak aan den sergeant-majoor-bivakcommandant

mijn verlangenslijstje opgegeven. Alles werd den volgenden morgen

apart gezet, soort bij soort; de prauwen apart gelegd; daarna de

menschen aan het werk gezet om de vleeschblikbundels van zes op vier

terug te brengen, een werk waar heel wat rottantouw voor noodig was.

Van den kapitein Schultz, dien ik hier ontmoette, kreeg ik toestemming

om de groote motorboot te gebruiken. Dit was dus de groote meevaller,

waar ik op gehoopt had. Doorman exploreerde bezuiden Kalongeiland, was

met een klein prauwentransport gemakkelijk op vivres-sterkte te houden.

Nadat ook alle Papoea's voor het transport definitief waren aangewezen,

werden de motorboot en 13 prauwen volgeladen, tezamen circa 5000 kg.,

de motorboot nam benzine in voor 21 dagen en veel vet. De sterkte

van den troep was ruim 80 man, van wie ruim 50 Papoea's.

Toen werd den 26en October de tocht begonnen.

Bij lagen waterstand en met mooi weer legden wij in 16 dagen den

afstand tot Prauwenbivak af, een record, dat wij evenwel niet zonder

zorgen haalden. Die zorgen kwamen natuurlijk van de motorboot en

wel meer speciaal van de pomp. Ik hield haar steeds in de gaten,

overwegende dat, waar zij ons in den steek liet, ik mijn vivres

moest deponeeren om die later te doen ophalen. Elke dag, dat dit

dichter bij Prauwenbivak geschiedde, was mij een dag winst. Ikzelf

bleef dan ook steeds in de motorboot, waar ik wel een vrij ruim,

doch ook een vrij lastig verblijf had. De boot stikte nl. van de

muskieten, die er ook kalm bleven zitten en beurt om beurt op een

gelegenheid wachtten om zich even vol bloed te zuigen. De matrozen

en de motoristen, die bovendien op bloote voeten werkten, waren nog

het minst hierover gesticht en zij vervloekten den Mamberamo, waar

ze tegen hun zin werden vastgehouden.

Prompt elken morgen half zeven was het bivak opgebroken en zat het volk

in de prauwen, wachtende op het sein voor vertrek. Ik liep dan nog even

het verlaten kamp rond om te zien of niemand iets had laten liggen en

daarna stak alles van wal. Gewoonlijk lag de motorboot dan een minuut

of wat te brommen voor er water was, daarna haalde ik mijn transport

stuk voor stuk in en liet meestal half elf stoppen en den geheelen

waterloop nazien en schoonmaken. Tegen een uur of half twaalf kwam

dan de eerste prauw aanzetten, tegen twaalf uur de laatste. Daarna

werd er een half uur rust gehouden om te eten. In den middag werd

hetzelfde herhaald; de motorboot hield ten 3 ure stil voor een tot

bivak geschikte plek, tusschen vieren en half vijf verschenen de

prauwen. Na aankomst in den middag werd opnieuw de geheele pompbeweging

nagezien en gereinigd, klaar voor den volgenden dag.

Tusschen Dajaks en Papoea's was de eerste dagen een wedijver, wie het

meeste met de dajongs zouden presteeren; op glad water toch, zooals

hier op de vlakterivier, waren de Papoea's in hun element en bij het

vertrek en lang daarna waren zij gewoonlijk ver vooruit. Doch de Dajaks

roeiden kalm en zeker door en geleidelijk haalden zij de Papoea's in;

de eerste prauwen, die des middags tegen vieren verschenen, waren

steeds de twee, met Dajaks bemand.

Dit kwam mij ook best van pas zoo. Mijn beste houtkappers had ik nu

het vlugste bij de hand; het eerste wat ik in orde liet maken was

steeds mijn eigen bed en tent en de Dajaks stelden er ook een eer in,

dat dit zoo vlug en zoo goed mogelijk in orde kwam; mijn jongen, Noer,

een dwangarbeider van Palembang, had hierbij het oppertoezicht. Daarna

maakten de Dajaks hun eigen barakje, dat ze steeds van de anderen apart

hielden; vervolgens zette ik ze aan het kappen voor het nachtonderdak

voor de rest van den troep, doch dat stond ze minder aan.

Achteraan kwam gewoonlijk een stelletje Papoea's de kleinste en

minst sterke van den troep, die ik dan weer door verspreiding over

verschillende andere prauwen in een wat gunstiger conditie bracht;

dikwijls ook was er ruzie in een Papoeaprauw en waren dan allen

"boos", en wilden een tijdje niet roeien, tot de andere prauwen uit

het zicht raakten en dan werd er weer verder getrokken. Hoe dikwijls

kwam Oscar bij me, sloeg de hand tegen het voorhoofd bij wijze van

groet en vroeg me, een van hun kleine geschillen te berechten.

Meestal vreeselijke beuzelingen, een scheldwoord vaak, doch door met

een ernstig gezicht uitspraak te doen, hield ik er het vertrouwen

in en legde de verongelijkte zich bij het geval neer; gewoonlijk had

een grapje het gewenschte resultaat.

Welk kinderlijk volkje, die Papoea's! Pleizier om de minste

kleinigheid, gelukkig met een heel klein pluimpje. Dikwijls kwamen

zij ook op ziekenrapport. Als ik hun dan vroeg wat er eigenlijk aan

scheelde, kreeg ik een lang verhaal over weeën hier en weeën daar,

doch dat alles ging graag over als ze maar een kleinen "obat" kregen,

onverschillig welken. Als het periodiek kinineslikken was, de Papoea's

mankeerden nooit; zij vonden het allen even lekker. Dol waren zij op

wonderolie, doch ik was er zuinig op. Hoesten leerden ze vlug aan

en ach, ze konden zoo met een ongelukkig gezicht, al kuchend, van

hun kwalen vertellen. Doch de grofste wonden aan voeten of beenen

lieten hen koel; niet waar, dat zat maar van buiten, dat gaf geen

lekkeren obat.

Ik was zeer tevreden over hen en ze waren over 't algemeen bijzonder

gewillig; alleen ruw met de prauwen en menigmaal moest er een hard

woord vallen als ze hun vaartuig weer tegen een ander lieten oploopen,

dat kop of boorden scheuren kregen.

Eens in de vier dagen was het fourageeren. De prauwen werden zooveel

mogelijk gelijkelijk verlicht; op zulk een dag vlaste elk stel van

zes roeiers er op, dat hun prauw met een of meer blikken ontlast zou

worden. Dan werden de blikken opengeslagen, de heele bende zat er

omheen en ik was het beste voldaan als er geen vivres bedorven werden

bevonden. Overigens werd daar nog zooveel mogelijk uit gehaald; een

blik rijst, b.v.b. dat van onderen wat nat was en duf rook, werd op een

zeil uitgestort, in de zon gedroogd en met de andere opgefourageerd;

natuurlijk, er waren grenzen, doch tweede kwaliteit is ook goed.

Streng moest ook gelet worden op het loopen over de blikken, die in

de prauwen lagen; vooral de Dajaks hadden daar een handje van en hoe

gemakkelijk konden scheurtjes ontstaan!

De fuseliers, ik had er tot Prauwenbivak 8, hadden den

schildwachtdienst, 1 1/2 uur lang van 6 uur af tot 5 uur 's morgens. Ik

verzuimde nooit het bivak geheel schoon te laten kappen en er een

omrastering van struikgewas en doornen om heen te laten maken.

Met circa 80 parangs was het een moeite van geringen duur, die het

gevoel van veiligheid vermeerderde. Alle fuseliers sliepen met het

geladen geweer naast zich; ikzelf had ook steeds den revolver onder

mijn hoofdkussen. Na den dood van Stroeve was ik dubbel voorzichtig

en wantrouwend geworden.

De dwangarbeiders deden den dienst van prauwenwacht; met hun negenen,

telkens 2 tegelijk, gaf dat elken nacht twee uren wacht, van 8 uur

's avonds tot 5 uur 's morgens. Dit was wel een onrechtvaardige

bezwaring tegenover de andere "rassen", doch ik wist er niets beters

op. De Dajaks toch en evenzoo de Papoea's vatten zoo'n dienst als

een grapje op en straf zou hier niet veel geholpen hebben, had hen

in elk geval niet betrouwbaar gemaakt.

Zoo vond de opmarsch geregeld plaats; jacht en vischvangst leverden

een en ander op, de laatste zelfs veel, doch ik kon er weinig

van profiteeren: een paar dagen eerst van Bataviabivak vertrokken,

kreeg ik weer een ingewandsziekte die een dag of tien duurde, die mij

eenigszins bezorgd maakte voor het "in-elkaar-vallen" van den leider,

doch die ik ten slotte met een melkdiëet er onder kreeg.

Wij hadden twee ontmoetingen met Papoea's: den 27en met de Tori

Aikwakai, die ons ijzer afbedelden; ik gaf echter niets, kon mijn

parangs beter voor boven gebruiken; ik zag weder een kampong op een

plaats, waar vier maanden geleden niets te zien was, doch vond er

overigens geen bijzonders. Bivak werd gemaakt op den tegenoverliggenden

oever. Dien nacht was er zeker feest in de kampong; tot in den

vroegen morgen hoorden wij muziek als van het slaan op groote

trommels, begeleid door menschengeroep en hondengejank; ik drukte

den schildwachten waakzaamheid op het hart, kreeg echter eerst in den

ochtend bezoek van een 15-tal mannen in zes prauwen, die met groote

vrijmoedigheid ons bivak binnenstapten en zeer vrijpostig waren. Ik

liet hen wegjagen, ik moest niets van hen hebben.

De tweede ontmoeting was den 2en November, halverwege

Prauwenbivak. Hier was een kleine stam van een twintigtal menschen,

blijkbaar doortrekkende langs den oever der rivier. Daar ik met de

motorboot stopte om de plaats voor bivak te bekijken, kregen wij

contact met de voorloopers van deze kleine bende. Wij wisselden

vriendschappelijke handdrukken en gaven hun sigaretten. Een oude

man was in een soort vervoering bij de motorboot komen zitten, die

nog rustig lag te snorren; hij knikte voortdurend met het hoofd en

murmelde zonder ophouden; heeft ons waarschijnlijk voor goden of

geesten aangezien. Weldra kwam het gros van den stam: kinderen en

zwaar beladen vrouwen; zij trokken schielijk voorbij, daarna gingen

ook de mannen verder.

Den dag, hierop volgende, kreeg ik het eerste belangrijke motordefect

en wel op de volgende wijze. Door de lange droogte was het rivierniveau

geweldig gezakt. Groote stammen kwamen bloot, niet alleen op de

binnenbochten, de glagahbanken: maar ook in de buitenbochten en

in de gestrekte riviergedeelten aan beide zijden. Het was steeds

met groote voorzichtigheid uitwijken; gelukkig was de schroef der

motorboot beschermd door een koperen raam, dat aan den onderkant,

om schroef en schroefas gebogen, aan de huid was bevestigd. Op 3

November, om een uur of elf liep de motorboot volle kracht op een

boom onder water. Wij kwamen onmiddellijk vlot, doch er was geen stuur

meer; onderzoek wees uit dat de stang, die het roer droeg, totaal was

kromgebogen; het roer stak boven water uit. Ik liet mij aandrijven,

wij maakten vast, maakten de roerbeweging los. Inmiddels kwamen de

prauwen aan; ik liet meteen bivak maken, begrijpend dat de reparatie

wel zijn tijd nemen zou. Pogingen om den stang gloeiend te maken en

recht te hameren mislukten; de stang knapte in tweeën, er bleek een

oude breuk te zitten; blijkbaar had zich het grapje vroeger ook al

eens voorgedaan.

De Dajaks gaven redding. Zij maakten een houten roer. Niet ver

behoefden wij te zoeken of wij vonden een stam, die aan zijn voeteinde

platte, wijduitstaande, driehoekige wortelsteunen heeft; als het ware

planken van eene bijzonder taaie samenstelling. Hiermee was het ongeluk

bezworen; een houtblad werd uitgekapt, ik teekende het model en in een

half uur hadden wij een prachtroer met groot oppervlak. Gelukkig was

in den voorraad van de motorboot een eind staaldraad; hiervan werden

twee stropjes gemaakt en het roer er mee opgehangen aan de oude haken;

de stuurstok (z.g.n. helmstok) werd er stevig aan gebindseld en wij

hadden een roer dat mocht gezien worden.

Het voldeed den volgenden dag bijzonder goed. Maar op 4 November:

boem! weer op een boom. Oogenschijnlijk geen bijzonders, doch,

nauw aangezet, rammelde de schroef als een bezetene. Laten duiken;

het bleek dat het schroefraam voor de helft reeds was weggestooten,

de andere helft zwierde los onder de boot en hierin ratelde de

schroef. Die andere helft werd er dus ook maar afgetrokken. Nu echter

was het bestaan der schroef elk oogenblik bedreigd en ik bepeinsde al,

hoeveel dagen de motorboot nog mee zou sukkelen.

Doch ziet, het viel mee. Tot 7 November hield de machine het vol. Toen

waren wij op slechts een paar kilometers van de gevaarlijke passage,

die mij nog van mijn ongeval van 23 Juni goed in het geheugen lag. Ik

was van plan, de motorboot bij die passage af te danken, daar ik

er niet mee tusschen die boomstamversnellingen door dorst. Doch de

motorboot dankte zich zelf af. In den morgen van 7 Novemder konden wij

na een half uur tobben geen water meer uit de koelpomp krijgen. Ik

besloot kort en goed hier het tijdelijk vivresdepôt op te slaan. De

prauwen legden aan; een kleine goedang en een hutje voor twee man

werden met zorg in elkaar gezet, daarna de vivres uit de motorboot

gehaald en in de goedang geborgen.

Ondertusschen werd de machine nagezien, doch niets hielp. Ik liet dus

dajongs en lange roeiriemen maken, gaf den menschen der motorboot

voor 8 dagen eten mee; een karabijn en nog een oud beaumontgeweer

waren de bewapening, een oude fuselier was commandant.

De bezetting van "Vivresbivak" was twee man. Die konden om de beurt

wacht doen met de order, zich tegen elke aanranding met scherp te

verzetten.

Hierna gingen wij voort en de motorboot werd middenstrooms geroeid. Op

het moment van het afscheid snorde de motor nog eenmaal en ziet,

de pomp gaf water. Ik denk wel, dat de machinist op de pomp zijn

uiterste best zal hebben gedaan; ik hoorde later, dat de motorboot

in 4 dagen Batavia-bivak had bereikt, wat voor de inzittenden zeker

een opluchting moet zijn geweest.

In den ochtend van den vierden dag na dezen, op 11 November, passeerden

wij Motorbivak. Daar was het verval reeds leelijk ingetreden; geen

wonder bij een bivak, dat sinds ruim twee maanden verlaten was. Nu

door de eerste kloof. Zij was vrij moeilijk, er was blijkbaar druk

van boven, doch alles marcheerde zonder ongelukken.

De lange versnelling in het bevaarbare deel tusschen de kloven,

halverwege Prauwenbivak, gaf meer zorg. De rivier heeft daar een

verhang van 1 1/2 M. en steile afbrokkelende grintoevers. Er is een

oversteek met niet minder stroom dan in den Edi-val en met evenveel

kans op ongevallen. De prauwen kwamen na twee uur werken behouden

over en een uur later waren wij in Prauwenbivak.

Hier werden wij met groote vreugde ontvangen. Men zal zich

herinneren, dat wij op 28 September van daar waren vertrokken,

er een bezetting latende met ruim een maand vivres. De Europeesche

sergeant-bivakcommandant ontving mij met de mededeeling dat hij alles

had ingepakt en klaar was om den volgenden morgen te vertrekken:

de vivres waren op.

Welk een toeval, dat ons zoo juist op tijd bracht!

De menschen waren in-blij, ons te zien komen. Zij moeten zich dan

ook wel vergeten hebben gevoeld. De gezondheidstoestand was goed

op één uitzondering na: dat betrof een dwangarbeider die in een

ver stadium van beri-beri was. Wat was dat kereltje uitgeteerd; een

geraamte gelijk! Loopen kon hij niet meer. Een dag of veertien later

was hij in Pioniersbivak onder handen van Dokter Thomsen, ik vond er

hem terug welgedaan en gezond, doch hij had een narrow escape gehad.

Was tot hiertoe alles prachtig voor den wind gegaan en de rivier nog

rustig, lang kon het niet meer duren. Dat de kentering ophanden was,

bewezen zware onweersluchten, die zich elken avond in het Oosten

samentrokken en af en toe tot uitbarsting kwamen. Maar het was nog

geen ernst geworden, de drift der wolken was nog van Oost naar West.

Daarom werd in Prauwenbivak geen rust genomen. Den volgenden morgen,

12 November, vertrok de Inlandsche korporaal Kadir met zes der grootste

prauwen en 37 roeiers, van wie acht Dajaks, 8 dwangarbeiders en de 20

beste Papoea's, een keurbende alzoo; om te probeeren den voorraad van

"Vivresbivak" nog te halen voor het doorkomen van de groote bandjirs,

die de Eerste Kloof onbevaarbaar maakten en dus een oponthoud van

weken zouden geven.

Vijf dagen was ik in hoop en vreeze; een bandjir kwam op, doch

verflauwde weer. In den middag van den vijfden dag werd de eerste

prauw gesignaleerd, weldra nummer zes. Een uur later stond Kadir

voor mij; geen ongelukken, geen verliezen, de twee man bezetting van

"Vivresbivak" waren meegekomen. De brave jongen had evenveel voldoening

over den vluggen voortgang als ikzelf.

Intusschen hadden wij in Prauwenbivak niet stil gezeten. Twee keer was

reeds een draagtransport heen en weer tot Canobivak geweest, elken keer

circa 50 man; tevens was dat bivak opnieuw bewoonbaar gemaakt; ik had

er den waterstand niet hoog gevonden, evenwel was het "bekken" gevuld.

Een derde draagtransport, thans 80 man, liep op 17 en 18 November en

bracht datgene, wat Canobivak nog behoefde. Negentien November zag

den afmarsch van den sergeant-bivakcommandant met een 80 man in 10

prauwen, hierbij alle Papoea's, dat deze menschen in de wolken waren,

behoeft wel geen betoog; ook het "geraamte" verheugde zich, hij zag

het leven weer gloren!

Ik vertrok dien dag met mijn heelen eindtroep en alle

patrouille-benoodigdheden naar Canobivak, latende in Prauwenbivak 6 man

bezetting en 6 goede prauwen, hoog op den wal en extra vastgebonden.

Mijn terugtocht was dus gedekt en voor vivresnood behoefden wij niet

bang te zijn; het wegvarend leeg transport toch droeg een nabestelling

van circa 2000 rantsoenen, eerst na een maand in 9 prauwen te

ontvangen, een opdracht, die met kalmte kon worden uitgevoerd.

Een groote damarboom, dicht bij Canobivak opgemerkt door mijn Dajaks,

gaf ons een blik vol hars; dit was alweer een welkome aanvulling van

den pekvoorraad.

Toen ik me dien avond van 19 November in Canobivak onder het kleine

tentje ter ruste legde, had ik een tevreden gevoel; de aanvang was

goed en vlot geweest; de groote voorraad rondom mij en het puike

menschenmateriëel beloofden ook voor de komende dagen succes. Juist

30 dagen geleden was ik van Pionierbivak weggegaan.

Thans was alleen het wachten op de prauwen. Van de drie der vorige

patrouille, die hier hoog en goed bezorgd op den oever lagen, keurde

ik de kleinste af en liet er twee prauwen bijmaken. Hiertoe had ik

mijn 8 Dajaks, die reeds vanaf 16 November in Canobivak aan het werk

waren geweest; thans kwamen mijn 9 Palembangers helpen; deze verstaan

het prauwenwerk goed, doch werken veel langzamer dan de Dajaks. Twee

mooie lange prauwlichamen kwamen den 20en klaar, benevens twee stel

breede planken, wit en soepel, voor de boorden. Den volgenden dag stond

alles in elkaar; pek, werk, damar en spijkers waren ruim voldoende;

op 22 November zouden wij inschepen en stroomop gaan.

Doch Nieuw-Guinee wilde het anders.

Reeds heb ik verteld, hoe elken achtermiddag zware stapelwolken zich

in het Oosten verzamelden. Tegen zonsondergang, dik en koperkleurig,

kwam de wolkmassa opzetten, een uur later bedekt ze den hemel,

bliksemflitsen en dondergerommel waren de uitingen van deze voorboden

van de komende kentering, doch het bleef nog droog. Eerst 21 November

kwam de eerste losbarsting.--Wat ik nog niet vertelde, was dat naast

Canobivak een zijstroompje zich in de groote rivier stortte, een

frisch, helder watertje met vlak onder het bivak een breeden waterval,

die de heerlijkste douches gaf. Met het rijzen van het water verdween

de waterval, want ook de benedenloop van den zijtak vulde zich dan

met het bruine water der Idenburgrivier. Doch dezer dagen was de

waterval er weer en even daar beneden, op vlakke steenoevers, lagen

de prauwen vastgemeerd met dikke touwen aan een boom van den oever.

De avond van 21 November dan, toen wij ons ter ruste begaven, gaf weer

het gewone onweersverschijnsel, maar het verontrustte mij niet. Na

den prauwenwachten goede zorg op het hart te hebben gedrukt, viel ik

in slaap, werd echter een uur later wakker door klaterenden regen. En

die hield niet op, hield uren aan. Omstreeks middernacht drong van

beneden het geschreeuw der prauwenwachters tot mij door; de schildwacht

kwam waarschuwen, doch ik was de klamboe al uit. Ik begreep het al; de

kleine rivier bandjirde en mijn prauwen lagen beneden! Ik schreeuwde:

"orang kaloewar, orang kaloewar!" [37] en in een drom gingen wij naar

beneden, de stormlantaarns in de hand. Het regende en het woei, het

was hondenweer en stikdonker; sommige der lantaarns woeien uit. Wij

glibberden de hooge helling af tot we aan het water kwamen. Hier zag

men bij een bliksemflikkering af en toe een woest schouwspel; het

rustige beekje van den middag was weg, een woeste stroom vloog ons

voorbij en op haar golving dansten mijn vier prauwen en beukten tegen

elkaar. Ieder deed zijn best om te redden wat mogelijk was; doch de

donkerheid en het tumult van den stroom maakten samenwerking en het

geven van orders onmogelijk. Daar danste reeds een prauw weg en toen,

nog wat worstelen, nog wat trekken.... toen trokken de Dajaks me weg:

het werd gevaarlijk hier: de boom, waaraan nog drie der prauwen lagen,

raakte los, dreef weg! Weg alles, het werk van zooveel dagen....

Wij klommen naar boven. Een Dajak moest gedragen worden, had het been

tusschen de prauwen bekneld gekregen; een Dajak was weg. Wij gingen

slapen, er was niets meer om voor te zorgen. Wat moest ik doen? Nieuwe

prauwen maken natuurlijk, doch het kostte twee weken en waar haalde

ik pek en spijkers vandaan? Het zou een kruk-expeditie worden, het

resultaat van den tocht die zoo mooi begonnen was.

In den nanacht hoorden wij geroep aan den overkant en weldra herkenden

de Dajaks hun makker. Die was dus gered gelukkig; nog een uur en hij

was overgezwommen, bij ons. Dat was een vertroosting, daarna sliepen

wij weer door.

Vroeg in den morgen kwam Noer, de jongen, mij vertellen, dat er

van de prauwen overblijfselen gezien werden in de Idenburgrivier op

steenachtige banken een eindje benedenstrooms. Dat was de moeite; het

gaf weer een straaltje hoop. En ja, het viel mee. Dank zij den boom,

die met zijn takken aan de steenen was blijven zitten, waren drie van

mijn vier prauwen daar gestrand. Doch wat was er van over? De planken

waren gescheurd, twee der onderlichamen gaaf. Alles werd bij elkaar

gehaald, de planken losgemaakt, spijkers recht geslagen, pek zuinig

afgeschraapt en in een blik verzameld. Toen werden uit drie gebroken

prauwen weer twee heele gemaakt, wel met een euvel hier en daar,

doch best bruikbaar.

Thans werd de oude, afgedankte Papoea-prauw der vorige patrouille

in eere hersteld, opgelapt, scheuren met blik beslagen en met pek en

werk gedicht en ziet, in den avond van 22 November was de expeditie

op nieuw klaar voor vertrek; alleen haar omvang was ingekrompen; ik

besloot te gaan met 18 man in 3 vaartuigen en 40 dagen vivres. Dat

de prauwen dien nacht hoog waren geborgen, laat zich begrijpen;

niet voor niets had Nieuw-Guinee mij weer eens voorzichtigheid geleerd.

Thans kwam nog een oogenblik strubbeling van den kant der Dajaks. Zij

wilden hun zieken kameraad niet verlaten. Overreden hielp niet, zij

waren nu ver genoeg geweest, bovendien hadden droombeelden hun een

ongunstigen afloop voorspeld. Mijn ultimatum was: niet eten of mee. Zij

kozen het laatste en waren weer opgewekt als te voren. Kinderen, die

Dajaks; zij zeuren, tot men hun een hard woord geeft, denken daarna

aan iets anders.

Zoo werden dan 's morgens op 23 November de prauwen te water gelaten

en volgeladen; het ging net aan, doch, evenals den vorigen keer, wij

zouden er ons wel doorheen eten. Ik gaf 5 dagen vivres "bij den man";

zoo konden wij het 45 dagen uithouden.

Zes Dajaks gingen mede; twee bleven achter: de gewonde en een om hem op

te passen. Verder zes dwangarbeiders, vier fuseliers en de verkenner

Makatipu. Noer; mijn jongen, werd mandoer over zijn kameraden; hij

was zoo ijverig en handig en had toch steeds de leiding.

Canobivak bleef onder bewaking van een korporaal en acht man; zij

haalden telkens hun eten uit Prauwenbivak; dat hield de menschen

levendig, een goede marsch van tijd tot tijd. In den goedang lag juist

zooveel voorraad, dat, als ik na 1 1/2 maand terugkwam, ik mijn prauwen

maar had vol te laden om er opnieuw voor 1 1/2 maand op uit te kunnen

gaan. Dit was dus wel gemakkelijk geregeld. De bezetting had verder

in opdracht, ten spoedigste een goedang met barakje te bouwen op

den heuveltop, ± 40 M. boven het huidige bivak; zooals men weet, kon

immers het rivierniveau tot aan het tegenwoordige Canobivak stijgen,

wij moesten dus daarop voorbereid zijn.

Den 26en November waren wij in "Splitsingsbivak", d.i. aan de monding

der A-rivier. Hier werd geobserveerd en alle vivres geïnspecteerd. Wij

hadden nog al met bandjir te kampen gehad; de goede tijd was absoluut

voorbij, steeds kwamen nu de wolken opzetten uit het Westen. Doch de

voortgang was goed. Werd de bandjir al te bar, dreef hij ons onder en

tusschen de overhangende oevertakken, dan maakten wij bivak; want dan

werd het afjakkeren om een enkelen kilometer met het grootste gevaar

van omslaan; vroeg braken wij dan op om de schade in te halen. Van het

grootste nut bleken nu de "Kaits"; wat hadden wij daar een plezier van!

Onderweg waren groote vluchten kalongs of vleermuizen (vliegende

honden) gezien. Als groote zwarte dorre bladeren hingen zij in

de takken van sommige hooge boomen. Kwamen wij voorbij, dan werd

er geschreeuwd en op blikken geslagen, tot de beesten een voor een

opvlogen; in groote kringen zweefden ze piepend over onze prauwen en

kwamen eerst weer tot rust als we lang voorbij waren. Een enkele maal

heb ik ze geschoten, doch ik vond het vleesch niet smakelijk; het was

bloederig en taai, wellicht komt hier suggestie bij. Misschien ook was

het slecht klaar gemaakt, want meermalen heb ik later hooren beweren,

dat kalong-vleesch zich zeer wel laat eten.

In Splitsingsbivak maakte ik een merk; ik had afgesproken met Kapitein

Oppermann, dat, als ik de A-rivier zou exploreeren, ik eén, voor de

B-rivier twee blikken op een stok zou vastzetten. Hier werden thans

twee blikken gezet op een langen gallah en rottankoord stevig tusschen

de boomen bevestigd.

Op 28 November kwam ik aan de B-rivier; deze liep hier tusschen

schilderachtige hooge rotswanden, het was een fraaie dag en de rivier

merkwaardig kalm. Wij maakten dus dienzelfden dag een grooten voortgang

en bovendien, het vlaktekarakter kwam weer op. Dit laatste is echter

slechts tijdelijk gebleken; de B-rivier bleef versnellingrivier;

een blik op de kaart van het door haar doorstroomende heuvelland

maakt zulks begrijpelijk. Het water was, vergeleken met dat der

Idenburg-rivier, verbazend helder; ook dit wees er op, dat de B-rivier

geen vlakte kende.

Sporen van menschen werden spoedig gezien en wel in den vorm van

ladangs; menschen zelf heb ik aan dezen grooten zijtak vier malen

ontmoet. De ladangs leverden ketella in groote hoeveelheid, evenzoo

pisang; verder tabak en kloewé. Wij namen steeds uit een geschikte

ladang, waar veel groeide, ons bescheiden deel, legden tabak en een

enkelen parang er voor in de plaats. Deze verandering van voedsel

was den troep bij zonder welkom en mijzelf niet minder. De wilde

pisang toch, gekookt, is een geweldig stevig voedsel en evenzoo de

ketella. Als ik mijn avondmaal van rijst voor pisangs ruilde, had ik

aan vijf stuks meer dan genoeg. Ik at ze steeds met gecondenseerde

melk, zoo ook de ketella; men zal zich afvragen, hoe zoo iets in 's

hemelsnaam mogelijk is en inderdaad zou ik het thans ook een vreemde

combinatie vinden. Toentertijd echter vond ik het heerlijk.

Zoo reisden wij steeds langs ladangs, zagen hier en daar een hut. Deze

hadden alle een puntig dak van atap over een gabah-gabahwand van 4 ×

4 M. lengte en breedte; de baleh-baleh lag meestal 1 1/2 M. boven

den grond; slechts één keer zag ik een huis op palen van 4 M.

Sago werd weinig gezien; "op het land leven", zooals tijdens de vorige

patrouille gelukt was, zou hier een onmogelijkheid geweest zijn.

Niet alle dagen was de rivier ons zoo ter wille als dien eersten dag;

den volgenden morgen liep reeds een zware bandjir en later werden wij

ook menigmaal onder de oeverboomen gedrukt. In het geheel voeren we

haar 12 dagen op en hadden toen 130 K.M. langs de oevers afgelegd.

Zelfs aan het eindpunt, waar toch telkens een versnelling den kalmen

loop van het water onderbrak, werden nog krokodillen gezien; zij

verdwenen steeds schielijk bij onze nadering. Aan visch was de rivier

weer bijzonder rijk. Aan jagen werd niet veel gedaan! Wij hadden

voedsel in overvloed, dus de prikkel om na een dag van aanpakken nog

weer het woud in te gaan, was niet bijzonder groot; bovendien, ik hield

liever den troep bij elkaar, want wij hadden niet velen te verliezen.

Een dier, dat ik tot nu toe nog nooit gezien had, werd door twee

Dajaks meegebracht; het was een boschkangoeroe of koeskoes, dien

zij geschoten hadden. Een mooi dier met een donkerbruine huid,

hoog ongeveer een halven meter. Merkwaardig dat mijn fuseliers

en dwangarbeiders, allen Mohammedanen, het vleesch niet wilden

eten. Noer, de jongen, verklaarde mij, dat zij in dat opzicht een

koeskoes gelijkwaardig met een varken vonden; nu, mij smaakte de bout

des te beter. Wel eigenaardig, dat deze dwangarbeiders (die heusch

niet allen voor een liefdesmoord in den boei zijn geraakt, doch ook

wel heel andere dingen op hun kerfstok hebben) zoo streng aan het

verbod van den Koran vasthielden. Zelfs op de vorige patrouille met

Kapitein Oppermann, in den tijd toen de sago ons er boven op hield,

aten de dwangarbeiders geen varkensvleesch; de fuseliers wèl. Thans,

terwijl er overvloed was, namen geen van allen het.

Toen wij de rivier 8 dagen waren opgeroeid en een dag te voren

in Zuidelijke richting en niet ver af bergland hadden gezien,

besloot ik het hoofd eens boven de boomen uit te steken; wij maakten

observatiepunt I, hoog 325 M. Een loonend, een schitterend uitzicht! In

nevenstaande schets zijn schematisch de drie gebergten geteekend,

die ik van hieruit zag; (1) was de Zuidrand van het bergland, dat

van af de Poeveh en Pauwasi was gekaarteerd, gaf dus aansluiting

aan de vorige patrouille! (2) was de (vermoedelijke) waterscheiding

tusschen A- en B-rivier, hoog tot 2500 M. en in het Zuiden overgaande

in het Centrale Gebergte; (3) was het bergland aan de Oostzijde van de

Kaiserin Augusta-rivier, wat mijn kaart aanstonds uitstrekte tot over

de Duitsche grens; tusschen (2) en (3) bergland in Zuid-Oostelijke

richting, behoorend tot het Centrale Gebergte, doch niet veel boven

4000 M. en met lagere complexen er tusschen.

Dat ik mijn kaart niet alleen uit dit ééne observatiepunt

kreeg, behoeft wel nauwelijks gezegd te worden; bovenstaande

terreinbeschrijving in groote lijnen is het resultaat van de

gezamelijke metingen; behalve Observatiepunt I waren er nog drie

andere.

Ik zag wel, dat ik de rivier nog niet voldoende ver was opgevaren om

het bergland in den uitersten zuidoosthoek te kunnen "grijpen". Daarom

gingen wij nog vier dagen verder stroomop, een tegenvaller voor velen,

die gedacht hadden, dat het eindpunt reeds was bereikt.

Observatiepunt II lag 35 KM. verder; op dat traject zagen wij

tweemaal menschen. Den eersten keer twee mannen bij een kleine

prauw voor een ladang met een groot huis. Zij waren zeer verbaasd,

doch niet vreesachtig, toonden belangstelling in al wat hun vreemd

was. Ik verkreeg eenige woorden van hun taal, pijlen, enz. Er valt

niets bijzonders over hen te zeggen na de uitvoerige beschrijving

der stammen in mijn vorige hoofdstuk, waar zij (Pauwasi) geheel mee

overeenkwamen. Een stuk uit Europa was hier nochtans verdwaald geraakt;

het was de bovenhelft van een parang, zoo oud en in 't gebruik zoo

afgesleten, dat die hier wellicht al vijftig jaar was geweest; wij

gaven de beide menschen thans elk een nieuw exemplaar.

Dat men overigens niet al te hard op ons gesteld was, bemerkten wij een

dag later. Wij voeren rustig in kalm water, toen het "pana, pana!" [38]

in eens achter mij klonk. Ik liet mijn prauw vlug oversteken naar

den veiligen oever en nam onmiddellijk den vijandelijken wal onder

vuur. Doch geen vijand was meer te zien, een tiental schoten hadden

indruk genoeg gemaakt. De bepijlde prauw intusschen was niet ver

gevlucht. Dat had zijn oorzaak: de beide Dajaks, voor- en achterman in

die prauw, waren onmiddellijk in de rivier gedoken en hielden zich met

een hand vast aan de prauw, achter het boord, den neus boven water. Dat

was nu wel erg slim, doch zoo was er van zich-bergen voor de anderen

geen sprake; hier kreeg ik dus een minder gunstigen kijk op den moed

der Dajaks, zooals ik reeds vroeger heb aangeduid; om het eigen lijf

te bergen, stelden zij hun tochtgenooten zonder bezwaren bloot.

Dat er intusschen met reden geschreeuwd was, bewezen twee pijlen,

die in het prauwboord zaten, gebroken bij de trilling van het treffen;

of ze ook met kracht aangekomen waren! Ik was blij, dat we er zonder

gewonden waren afgekomen.

Dienzelfden dag kwamen wij voorbij een kampong met twee groote

huizen. Model als vroeger. Twee menschen bleven een korten tijd bij

ons, weldra vluchtten zij het bosch in. Ik wil alleen vermelden,

dat wij in de woningen talrijke (gesnelde) koppen vonden, met roode

strepen versierd; als "verf" dient hiertoe een roode krijtsoort, die

ook in de rivier werd gevonden. Eenige exemplaren werden meegenomen.

Daar het reeds laat was, maakten wij bivak dichtbij op den

tegenovergestelden oever; weldra verschenen menschen aan den

overkant. Een tiental mannen wenkten mij uitnoodigend over te komen

in een van onze prauwen; toen ik met meer menschen wilde gaan, liepen

zij weg; nu, ik ging niet alleen; ik weet wel, dat er dan spoedig

ook roode strepen over mijn hoofd hadden geloopen. Echter probeerde

ik het met drie man, doch zette fuseliers achter de struiken, klaar

om te schieten als het noodig was; maar de menschen liepen weg.

In deze kampong was niemand meer, toen wij later stroomaf voeren.

Den volgenden morgen roeiden wij reeds een uur boven ons bivak, toen

mannen ons inhaalden langs den oever. Zij riepen en wij zwaaiden

vriendelijk. Er gebeurde het volgende: aan een klein open plekje

legden zij eenige voorwerpen neer, werkten daarna met armen en handen

in de meening van: "ga in 's hemelsnaam van ons weg!" en verdwenen. Ik

naderde zeer behoedzaam, bekeek daarna de vredesgeschenken. Het waren

twee draagzakjes van geknoopten boombast, met veeren van papagaaien

en paradijsvogels versierd; er waren eenige kleine ingrediënten in,

o.a. een stukje van het roode krijt.

Hoe merkwaardig, deze menschen, die aan de bepijling wel niet vreemd

zullen zijn geweest en die het thans het veiligst vonden om vrede

aan te bieden! Ik zou er echter niet gaarne op vertrouwd hebben.

Op dezen vredesdag bereikten wij tevens ons eindpunt aan den voet van

een heuvel, 550 M. hoog, op het oog fraai voor uitzicht; hier kwam

Observatiepunt II. Ik was thans 675 KM. van Pionierbivak, ruim 900

KM. van de zee. De verste opvaart van den Digoel was 700 KM., van de

Kaiserin-Augusta-rivier 1000 KM. en van de Fly-rivier 1100 KM. [39]

Van Observatiepunt II kreeg ik gelijksoortig uitzicht als in I; in

oostelijke richting, over een 15 KM. heuvelland heen, deed zich de

uitgestrekte vlakte der Kaiserin-Augusta-rivier aan het oog voor;

eenige glinsterende strepen beduidden groote moerasplekken of meren

als de vroeger besproken Rombébai. Daarachter, scherp van lijn,

het onbekende bergland op Duitsch gebied, 2000 M. hoog, dat aan

zijn buitenrand zoo zuiver omtrokken wordt door den grooten bocht

der Kaiserin-Augusta-rivier.

Welk een voldoening geeft het, na langen marsch en inspanning een

onbekend bergland te ontdekken en in kaart te brengen! Hoe duidelijk

kwam thans de vlakte uit der groote rivier met haar randgebergten

in het oosten en in het westen; zoo ontsprong dus onze zijtak van de

Idenburg-rivier dicht nabij den Duitschen "Mamberamo".

Wat mij echter verdriette, was, dat ik het Sneeuwgebergte niet te

pakken kon krijgen. Vijf dagen lang heb ik er op gewacht, of de

Juliana-top of omliggende zich niet wilde bevrijden van zijn sluier

van wolken of waterdamp, doch het mocht niet zijn; ik kwam niet verder

dan den keten 3700-3800 op 20 KM. van die sneeuwtoppen. Maar het gaf

dan toch aansluiting en toen de vijfde morgen weer niets opleverde,

besloot ik tot terugkeer.

Mijn prauwen en vivres waren in een klein bivak aan den voet van den

heuvel, de bewaking bestond uit twee fuseliers. Den derden dag had een

klein vivrestransport van zes man geloopen met twee karabijnen. Dat

was wel de gevaarlijke zijde van deze Exploratie in klein formaat,

het werken met kleine verbanden, die dan, zooals in dit geval, nog

in drieën werden gesplitst. Doch wat wil men? Het rendement was in

elk geval prachtig.

Ook het systeem "geen onderofficier, geen verpleger" beviel mij

best. De verveling van het lange zitten in de prauw werd er door

verminderd: bivakbouw, fourageeren, vivresrekening, zij vulden weer

den langen vrijen tijd en zóó deed ook het verbinden. Het laatste, het

"dokteren" i.a., had trouwens het groote voordeel, dat men het vermogen

van elken man, zoowel als van den heelen troep, tot op een haar kende.

Aan kinine-prophylaxe werd streng de hand gehouden, katjang idjoe

regelmatig opgefourageerd. Op deze heele patrouille had ik niet eenen

zieke, niet eenmaal ging de flesch met "buikdrank" open. Maar de

menschen waren met zorg uitgerust, hadden allen wollen ondergoed

en nieuwe kleeren, een deken en goed tentmaterieel; bovendien

ruime voeding en volmaakte rust in de observatiepunten, zoodra de

boomstelling stond.

Zoo geeft het dan een groote voldoening, die patrouilles in de puntjes

te regelen en wordt de moeite elken noodigen kilogram berekend te

hebben, volkomen beloond.

Van diefstal, zooals vroeger wel was voorgekomen, was geen sprake;

eenmaal hadden twee dwangarbeiders een blik rijst opengemaakt en,

na zich ruim te hebben ingespannen, het blik in de rivier geworpen;

zoo iets scheelde mij 30 rantsoen rijst, dus 1 1/2 dag eten! Op

toevallige wijze ontdekte ik de daders, eerst drie dagen later;

een zware straf heeft toen herhaling van dit ernstige feit ten

eenenmale voorkomen. Maar er moet ook een strenge tucht heerschen in

een troepje, waarmee men zich in het hartje van Nieuw-Guinee bevindt,

op 600 KM. van het hoofdbivak!

Mijn verkenner Makatipu, menadonees van geboorte, was een aardige

jongen, die vrij goed hollandsch sprak; vol ijver en een vaardig

teekenaar. Hoe zaten wij heele dagen op de baleh-baleh boven in

den boom en maten of wachtten. Hoe werden we geërgerd door het

zachte westenwindje, dat het meten onmogelijk maakte; door de

paardenvliegen, die ons staken als wij er niet op verdacht waren,

door de "geduldvliegjes" die behagelijk over onze huiden heen en weer

wandelden. Hoe konden we vreugde scheppen in elke nieuwe bijzonderheid,

die ons opviel van onze hooge stellage! Ja mijn verrukking over het

vrije uitzicht was nog steeds even groot; die vlakte, die bergketenen,

door geen mensch nog gezien. Wat voelt men zich daar onafhankelijk,

vrij!

Mijn observatiepunt III had ik van af dit voorgaande reeds gekozen; het

was het hoogste punt van een langen heuvelrug in Noordelijke richting,

dien ik langs een zijrivier dacht te bereiken. Het gelukte mij in

een dag of drie en na een landmarsch van éénen dag met zes dagen

vivres. Allereerst werd twee dagen de zijrivier opgevaren en bivak

gemaakt. Die rivier bandjirde zoodanig, dat het bivak zoowat klaar

was, toen het onder water raakte; hierna zochten wij het een tien

meter hoogerop en maakten een tweede bivak. Hier bleven de prauwen

achter, vivres, drie fuseliers en éen Dajak. Dezen man had een klein

malheur getroffen. Bij het kappen had een van zijn stamgenooten hem

even met het puntje van zijn mandau in de kuit geraakt en toevallig

een ader opengesneden. De man bloedde als een rund, doch ik had een

gummislang en stelpte vlug het bloeden, tot groote bewondering van

de bezorgde kameraden. Die hadden zoo iets nog nooit gezien! Toen

een stevig verband en daar lag mijn kostbare riviermensch; doch wij

behoefden niet meer stroomop, het kon wel lijden.

Met dertien man marcheerde ik eenen dag door een vrij zwaar terrein,

doch gelukkig nog geen Van Rees-Gebergte. De weg tegen den kam op

was zeer steil en smal, op 't laatst klommen wij als katten. Doch wij

waren 's avonds in bivak op een mooi plekje van den top (480 M. hoog),

met frisch water in de buurt. Dichtbij moesten menschen zijn, want op

geen 200 M. van ons af was een huis met puntdak, gaaf en dus bewoond

of pas verlaten.

Trouwens, waar wonen geen menschen in dit deel van

Nieuw-Guinee? Behalve de talrijke sporen langs de rivier en onze

vluchtige ontmoetingen, zagen wij over het heele land verspreid in

vlakte en over de heuvels de meest onmiskenbare teekenen van het

verblijf van Papoea's: opstijgende kolommetjes dunnen blauwen rook,

die vooral in den avond menigvuldig werden.

In Observatiepunt III werden de metingen gecompleteerd, de kaart

uitgebreid. Er moest veel gekapt worden. Een keer viel een boom

vlak langs mijn observatiestelling; doch de Dajaks waren zeker van

de richting geweest, waarin die boom zou vallen. Toch was de suizing

vrij sterk; een van de zware takken van den vallenden boom greep langs

den stam, waarin wij zaten en zwiepte ons eenige malen heen en weer;

wel interessant, maar toch wat angstig!

Wij bleven hier drie dagen.

Op den terugmarsch, dicht bij het bivak der prauwen, bij het afdalen

van een steilen rug, hoorde ik eensklaps dat we "aanraking" hadden. En

niet vriendschappelijk! Mijn troepje haastte zich verder, ik snelde

met de fuseliers naar boven, de wapens in de hand. Hier stonden

wij voor een tiental gewapende en gevechtsklare Papoea's. Toen ze

ons ongewapend (!) zagen, zakten de pijlen; men kwam nader, tabak

baarde vriendschap. Het waren brave kerels; zij begeleidden ons

den verderen terugweg en onderzochten met groote nieuwsgierigheid

al onze "bullen", tot zelfs mijn kleeding, waarvan ze de strekking

niet schenen te vatten. Toen ik mijn blouse een oogenblik uittrok,

vervulde die "losse huid" hen met de grootste verbazing; ook mijn

hoed viel zeer in hun smaak, een enkele probeerde hem. Ik verzamelde

hier weer verschillende woorden, o.a. den naam der zijrivier: Abo;

wel bijkans onnoodig te zeggen, dat deze woorden niet leken op die

uit eenige vroeger gehoorde taal; het merkwaardige is, dat namen voor

gelijke voorwerpen, b.v.b. pijl of boog, bij de verschillende stammen

ook zelfs geen vage klankverwantschap met elkaar hebben. Typisch ook

dat Papoea's altijd op het oorlogspad zijn. Nooit zag ik er zonder pijl

en boog. Hoeveel levensonzekerheid is daar in hun zwerversbestaan;

doch wellicht zijn de onderlinge verhoudingen milder dan wij ons

voorstellen.

Het opschrijven der woorden maakte onze vrienden angstig; daarna

dorsten zij ook niet in het bivak te komen, doch bleven loeren aan

den buitenkant. Toen wij een half uur later vertrokken, begeleidden

zij ons echter juichend een eindje langs de rivier, spoedig waren

wij uit zicht.

Een welwillende bandjir bracht ons dicht bij Observatiepunt IV. Daar

liepen wij den volgenden morgen tegen op; het was een heuvel van 420

M., waar geen bijzonders meer van te vertellen valt.

En nu was het afgeloopen. Op 29 December 's morgens vroeg, verliet

ik dit laatste observatiepunt. Ik ontmoette nog één keer menschen,

verzamelde woorden, doopte hier de B-rivier definitief Sobgèrtoerin

[40], vond de hierboven vermelde taalconclusie weer bevestigd,

merkte overigens geen bijzonders op. Vermeldenswaardig is alleen,

hoe een moedertje een heel klein pasgeboren kindje in een netje op

den rug droeg; een huisvarkentje marcheerde er genoegelijk naast.

Dus thans waren we klaar. Ik rekende: 1 Januari in Canobivak, de

patrouille gemaakt in 39 dagen. Ik had dus de vivres wel noodig gehad,

maar toch nog vrij veel overgehouden, daar ik meermalen half of geen

rantsoen had gegeven als wij overvloed van ketella of pisang en visch

hadden gehad.

De terugtocht ging vlug en ongestoord. Verrukkelijk op den snellen

stroom zonder veel moeite voort te varen. Ik was wel tevreden; de

helft van mijn opdracht was vlug en met prachtresultaat uitgevoerd.

Tegen elf uur deden wij een merkwaardige ontdekking. Op een eilandje

in de rivier een Dajak-bivak! Mijn Dajaks hadden het onmiddellijk in

de gaten; behalve het hutje was hier een merkteeken gemaakt, eenige

armdikke stammetjes van den bast ontdaan en ingekapt met den scherpen

mandau. Het leed geen twijfel of men was mij achterop geweest en toen

wij de andere bivakjes van het troepje stuk voor stuk voorbij voeren,

was het mij geheel duidelijk, dat ik teruggeroepen en de exploratie

beëindigd was.

Den volgenden dag in Splitsingsbivak gekomen, betrok ik het oude

Bivak nog voor een of twee dagen. Aan den overkant was een heuvel,

die mij, naar ik hoopte, uitzicht zou geven over het stroomgebied der

A-rivier. Een dag hard werken gaf echter een matig succes; een breede

rug, waarachter de A-rivier na een paar bochten schuil ging, onttrok

het achterland aan ons oog; slechts kon ik nog met eenige peilingen

het scheidingsgebergte tusschen A- en B-rivier aanvullen. En van de

A-rivier vaststellen, dat ze aanvankelijk uit het Zuid-Westen kwam.

Met gemengde gevoelens zat ik daar boven in den boom. Met een baloorig

gevoel wegens het "onontdekt" blijven van den tegenover mij liggenden

grooten zijtak der Idenburg-rivier; ja, dezen tak vergelijkende met

de B-rivier of met de afwatering van Botbotna of Mokkofiang, moest ik

eerlijk bekennen, dat mijns inziens de grootste waterader van deze

drie de A-rivier was; een meening, die ik ook reeds bij vroegere

opvaarten heb gehad. De A-rivier dus de eigenlijke Idenburg-rivier,

die dan toch komt van het Sneeuwgebergte, van den Julianatop; en deze

was niet geëxploreerd! Het was wel jammer.

En dan ook: zoo vlot was alles verloopen, de vivres lagen in Canobivak

klaar, het was zoo zonde die ongebruikt te moeten laten.

Laat mij ook ronduit bekennen dat een gevoel van opluchting, van

vrijheid na goed volbrachte taak, zich van mij meester maakte. Over

eenige dagen zou ik in Pionierbivak zijn en vandaar weer de beschaving

langzamerhand bereiken. Het streelde mij, het trok mij aan, ik kan

het niet ontkennen.

2 Januari van Splitsingsbivak vertrokken, kwamen wij den 3en in

Canobivak aan. De waterstand was zeer hoog, het bivak was niet meer

dan 10 M. boven water. Alles was verlaten. Een klim naar boven bracht

mij voor het bovenbivak, waar ik inderdaad een nette kleine goedang

vond, doch alle vivres waren weg.

Een groot gevoel van verlatenheid beving den heelen troep. Geen

spoor, geen teeken, een groote vlucht. Men vergete niet dat ik in

2 1/2 maand geen oorlogsnieuws had gehad! Was Prauwenbivak, was

Pionierbivak nog bewoond?

Ik fourageerde zeven dagen vivres, bovendien kreeg ieder zijn aandeel

van mijn eigendommen, instrumenten en ethnografica. Zwaar beladen

ging men op marsch. Halverwege Prauwenbivak viel het nachtbivak.

4 Januari in den middag konden wij onze vrees, de eenige in

Nieuw-Guinee te zijn, op zijde zetten: wij zagen rook, er waren

menschen in Prauwenbivak.

Korporaal Kadir meldde zich bij mij, bivakcommandant; hij was hier

met ± 12 man, er lagen 5 goede prauwen. Ten spoedigste werd alles

voor vertrek gereed gemaakt.

Ik vond er brieven en daaronder het bevel tot terugkeer met alle

vivres en voorraden. Een schrijven van Dokter Thomsen las ik met

groote belangstelling; hij toch was het, die mij met negen Dajaks

achterop was geweest op last van kapitein Oppermann, die den 16en

November het bevel, om de exploratie te staken, ontvangen had. Doch

zijn brief was geen opwekkend reisverhaal; het was een aaneenschakeling

van moeilijkheden en misère. Met twee prauwen vertrokken, een groote

en een kleine, hadden zij zich moeizaam tegen de bandjirs opgewerkt,

mijn merk in Splitsingsbivak gevonden. Op een avond aan de B-rivier

hadden de Dajaks vrij van wacht gevraagd, zij waren moe na een heelen

dag tobben; de dokter had hun dat toegestaan, onvoorzichtig. Den

volgenden morgen was de groote prauw weg! Drie dagen had Thomsen nog

langs den oever gemarcheerd, was toen ziek geworden. Hij besloot tot

terugkeer, begreep mij toch niet te zullen krijgen. Een vlot werd

gemaakt en hierop en in de kleine prauw werd teruggevaren; het vlot

was eenige malen over den kop gegaan tegen steenen en rotshoeken;

allen waren echter behouden aangekomen. Thomsen schreef, hoe blij

hij zijn zou, mij behouden terug te zien. Nu, die vreugde zou hem

spoedig te beurt vallen.

Op 5 Januari was de afvaart. De waterstand was hoog, doch er was geen

bandjir. Ik zag geen reden om de Eerste Kloof niet door te gaan,

was echter zoo voorzichtig om de prauwen slechts matig te beladen,

een maatregel die ons waarschijnlijk van verdrinken heeft gered.

Want de Eerste Kloof was verschrikkelijk! De stroomversnelling was

zoo hevig, dat overal gevaar dreigde. Een poging der Dajaks, om

bij het ontdekken van het gevaar nog den wal te halen, was volkomen

vruchteloos; een geweldige zuiging trok ons mee. Een golf sloeg mijn

prauw halfvol water, wierp ons daarna tegen een steilen rotswand. Ik

dacht niet anders dan dat mijn prauw zou splijten, doch zij hield

uit. We roeiden als bezetenen om vrij te blijven van de steenen

en een jagende stroom sleepte ons mee. De prauw van Makatipu, een

groote als de mijne, verging het evenzoo; dezelfde kolk wierp hem

tegen de steenen; ook zij kwamen vrij. Naar de drie andere prauwen

keek ik niet meer, die waren kleiner, die gaf ik verloren; helpen was

onmogelijk geweest, wij hadden genoeg aan onszelf. De heele kloof

van 2 KM. waren we in een paar minuten door. Toen ademde ik op,

de kloof was uit, we passeerden het oude vervallen Motorbivak. Ik

hield er stil, wachtte op de anderen. Makatipu kwam, een poosje nog,

en toen de anderen, een voor een. Goddank, geen ongelukken. Allen

zagen bleek van schrik, zooiets had men nog niet beleefd. Eerst

toen wij de Marinevallen waren gepasseerd, zei Noer, mijn jongen:

"saja hidoep!" [41] Doch voorloopig was het stil in de prauwen.

Drie dagen deden we over de terugvaart tot Bataviabivak, op den

8en passeerden we de versnellingen in het Van Reesgebergte. Den 8en

Januari kwam ik in Pionierbivak.

Die afvaart langs de Idenburg-rivier ging 's nachts door; mijn menschen

berustten gaarne; de oevers zaten thans zoo stikvol muskieten, dat

bivakmaken hier een kwelling was. Tegen donker hielden wij stil,

kookten eten en roeiden weer voort. Ik behoefde heusch niet aan te

sporen, de muskieten zaten er wel achterheen. De eerste nacht was

goed, de tweede regenachtig en ellendig. De muskieten waren toen zelfs

op het water; zij staken in het donker, men kon ze niet zien. Mijn

menschen waren stijf van kou; gelukkig had ik nog cognac, zoo bracht

de flesch allen een kleine verwarming. In den avond van 7 Januari

werd Batavia-bivak bereikt; met welk een vreugde werd de lantaarn,

die ons daar van verre tegenstraalde, begroet!

Over de Idenburg-rivier viel niets te vertellen; wij waren allen

blij, toen het lange traject achter den rug was. Of er dien nacht in

Batavia-bivak geslapen werd!

En toen den 8en door het Van Reesgebergte. Het was een mooie dag,

de Dajaks gilden vroolijk; de anderen eerst, nadat de Marinevallen

gepasseerd waren. Toen zongen zij tot de avond viel en de lichten

van Pionierbivak om den hoek verschenen. Nu, ook mij sloeg het hart

van vreugde; het was weer ruim 2 1/2 maand sinds ik het comfort van

het hoofdbivak miste en ik was er gansch niet ongevoelig voor.

Ik vond een hartelijke ontvangst; wij hadden een opgewekten avond. En

aan het vertellen kwam geen einde.

Slot.

De exploratie van Nieuw-Guinee was hiermee dus beëindigd; zij had

veel gekost, veel geld, veel inspanning en vele menschenlevens.

Moet men nu teleurgesteld uitroepen, als men hoort, dat geen rijke

goudvelden gevonden, geen steenkolenlagen of petroleumbronnen tot

nu toe met succes geëxploiteerd zijn: "Waartoe zóóveel verspild aan

een land zonder toekomst?" Immers neen. Om te beginnen is het een

verblijdend iets, dat Nederland, hetwelk tot 1907 sinds 80 jaren een

kolonie van 12 maal zijn eigen oppervlak bezat, zonder het binnenland

noemenswaard te kennen, in 8 jaren tijds een goede overzichtskaart

verkreeg.

Tevens wijzen verschillende feiten bij het uit den aard der zaak

zeer vluchtig geologisch onderzoek tijdens de militaire exploratie

er op, dat op meerdere plaatsen petroleum gevonden kan worden. Op de

Noordkust werd jodium en petroleum ontdekt; steenkool werd gevonden

in West-Nieuw-Guinee.

De aanplantingen op Engelsch Nieuw-Guinee van rubber, cocos, hennep,

tabak en katoen geven zeer gunstige resultaten, en het is zeker, dat

ons vruchtbaar gedeelte in dit opzicht daar niet voor onder behoeft

te doen. Als werkkrachten zijn de bewoners van ons gebied echter

nog weinig bruikbaar; werken kunnen zij niet. Dit kan en moet hun

echter geleerd worden. Een groot bezwaar blijft echter nog over,

het buitengewoon ongezonde klimaat der lage streken, die vóór de

ontginning zeker geassaineerd moeten worden.

Aan de hand van de voor dit doel zeer bruikbare overzichtskaart zullen

geologen, plant- en dierkundigen het land verder elk op hun gebied

nader kunnen onderzoeken. Gebruik te maken van de dikwijls jarenlange

ondervinding van de eerste explorateurs zal dan wel nuttig blijken

te zijn.

Van ethnografisch belang blijft nog de nadere kennismaking met de

bewoners der zeer dicht bevolkte valleien, door mij gezien bewesten

en bezuiden het laatste observatiepunt, ± 4000 M. hoog, bezuiden

Kalongeiland.

Een onderwerp, dat nog steeds veler belangstelling gaande houdt, is

dat van den zoogenaamden "doorsteek", dwars door Nieuw-Guinee op zijn

breedst. Over de plaats, waar dit het gemakkelijkst zal geschieden,

valt natuurlijk wel van meening te verschillen; doch ik ben van opinie,

dat deze doorsteek, mits goed voorbereid, overal slagen zal.

Dit herinnert mij het gezegde van den toenmaligen Militairen

Commandant van Ambon, onzen doortastenden en energieken Chef der

geheele Exploratie, den Majoor Gooszen, [42] die nooit bezwaren maakte

en ook geen bezwaren accepteerde: "Bezwaren en moeilijkheden zijn er

alleen om te worden overwonnen".

Het mooie resultaat der Mamberamo-expeditie moet dan ook voor een groot

gedeelte toegeschreven worden aan het met helder inzicht en ruimen

blik in groote lijnen aangeven van het plan door dezen hoofdofficier,

die in vroegere jaren als een der eerste explorateurs in Merauke

reeds zijne sporen verdiende.

Vergelijken wij de kaart van het Nederlandsche gebied met die van

de oostelijke helft van het eiland, dan kunnen wij constateeren,

dat wij onze buren, de Duitschers en de Engelschen, in dit opzicht

een heel eind vooruit zijn en kunnen wij tevreden zijn, dat onze

regeering dit werk zoo krachtig heeft aangepakt.

Mogen, als vrede en rust weder op aarde zijn wedergekeerd, vele

wetenschappelijke onderzoekers zich beijveren, om den voltooiden

arbeid der Militaire Exploratie-detachementen productief te maken

door nader en vollediger onderzoek. De weg is voor hen bereid!

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 22 / 23 题