27/28 November. In depôt A.
29 November wordt van depôt A vertrokken en den 30en vinden wij het
Prauwbivak bijna verlaten terug. Er is namelijk in mijn afwezigheid
order gekomen, zoo spoedig mogelijk terug te keeren naar Pionierbivak,
zoodat de sergeant-bivakcommandant reeds bijna alle menschen en vivres
had weggezonden.
't Was wel jammer; de tocht, dien ik mij voorgesteld had te maken
bezuiden de Van der Willigenrivier, teneinde de rivier en het ravijn
te bereiken, waar ik van af punt C dichte bevolking had waargenomen,
kon nu niet meer doorgaan.
1-3 December wordt gereedheid gemaakt voor het vertrek naar
Bataviabivak.
4 December varen wij de groote motorboot achterop, die door de
Idenburg-riviercolonne in gebruik is genomen en weer eens in duigen
ligt. Ik kan nu niet helpen, maar beloof den djoeroemoedi (stuurman),
hem van uit Bataviabivak de kleine motorboot tegemoet te sturen.
5 December. Aankomst in Bataviabivak, alwaar voor mij bericht is van
den Detachements-command. kapt. Oppermann, om de beide motorbooten
door de vallen weder naar Pionierbivak te brengen.
6 December. 3 Prauwen met den verkenner, de sergeant en 10 Dajaks naar
Pionierbivak met alle instrumenten, meetboeken en verdere waardevolle
voorwerpen, 's Morgens stuur ik de kleine motorboot uit om de andere,
groote te gaan zoeken; zij ontmoeten elkaar even boven Bataviabivak
en komen op eigen kracht aan.
7-8 December. Proefstoomen met de booten, want het wordt een gevaarlijk
tochtje. Het hulproer van de groote motorboot, door Dajaks gemaakt,
bevalt mij niet; het wordt nagekeken en hersteld, waarna nogmaals
wordt proefgestoomd.
9 December. Op weg met beide booten; reeds bij het binnenloopen van de
Batavia-versnellingen slaat het roer der groote boot er geheel af. De
andere komt te hulp en tracht de boot uit de kolken te sleepen. Als
dit niet lukt, worden snel alle menschen overgenomen en de groote boot
aan zijn lot overgelaten. Alleen één Dajak vertikte het om de boot
te verlaten en tolt alle versnellingen door. Benedenstrooms wordt de
boot weer opgepikt en naar de vroegere Etappepost IV gesleept. Ik
laat hier de boot achter met bemanning, 4 Dajaks en dekking, met
order voor de Dajaks om een stevig noodroer te maken. Met de kleine
boot komen wij vandaag in Post II bij de Edivallen.
10 December komt de kleine boot behouden in Pionierbivak aan en eenige
dagen later verschijnt ook plotseling de groote.
In Pionierbivak, waar ik nu bijna 6 1/2 maand achtereen vandaan
was, tref ik de kapiteins Oppermann, onzen Detachements-commandant
en Schultz, mijn colonne-commandant. Alleen Langeler is nog op
patrouille naar de bronnen van de Idenburgrivier; Dr. Thomsen is hem
achternagestuurd, om hem terug te roepen.
De tochten zijn voor mij nu afgeloopen en met den kapitein Schultz
zal ik dan ook spoedig naar Manokwari vertrekken, waar onze huizen
staan en waar ik dan een begin maak met het teekenen van de kaart.
Den 25en December brengt het G. ss. "Albatros" ons met mijne laatste
colonne naar Manokwari.
Alvorens dit hoofdstuk te eindigen, zal nog een en ander worden
meegedeeld over de bevolking in het stroomgebied der Rouffaerrivier.
De oevers der Rouffaerrivier zijn vanaf het punt, waar zij uit het
hooggebergte treedt tot aan hare samenvloeiing met de Van Daalenrivier
bewoond. De bevolking is er voor Nieuw Guinee zeer talrijk en wordt
langs de rivieren op circa 10 000 zielen geschat; dit getal werd
bepaald uit gegevens, verkregen door het tellen der mannen in de
kampongs. De zijrivier A is zeer dicht bevolkt, evenals de zijrivier
D der Van Daalenrivier.
Dat de bevolking verdeeld is in stammen komt mij vrij zeker voor;
in kleeding en versierselen is weinig of geen verschil te bemerken;
in den aard der lieden echter wel.
_Bevolking_. De mannen zijn over het algemeen zeer forsch gebouwd,
hebben echter allen slecht gevormde beenen. De eenige uitleg hiervoor
is het bijna voortdurend loopen op de randen der zandbanken, waar zij
tot over de enkels inzakken; zware liesbreuken komen ook algemeen voor.
De vrouwen zijn klein van postuur en goed geproportioneerd; het maakt
den indruk, dat zij zeer spoedig verouderen. Onder de jongeren ziet
men er velen, die niet van Papoesche bekoorlijkheid ontbloot zijn.
_Kleeding en versierselen_. De mannen dragen om het middel eenige dunne
gordels van varenvezel, zooals ook aan den Mamberamo gebruikelijk is;
echter zeer weinige, hoogstens 4 of 5 gordels, terwijl sommigen zich
met één tevreden stellen. Sommige mannen dragen een schaambedekking,
alsdan bestaande uit een kort, smal stukje geklopten boombast, dat vóór
op den buik door een der gordels wordt gehaald en dan dubbel afhangt.
De versierselen der mannen bepalen zich bijna alleen tot hoofdtooi;
tatoeage werd nimmer opgemerkt. De mannen laten op de kruin een
plukje haar staan, waaromheen een krans van casuarisveeren wordt
gewonden; de manier waarop dit geschiedt, is verschillend met die aan
de Mamberamo. De veeren krans staat nl. nagenoeg recht overeind op
het hoofd en hangt naar buiten over. Hiervóór worden over het hoofd,
nabij het voorhoofd, eenige dunne banden gelegd, gemaakt van witte en
bruine vruchtenpitjes. Op het voorhoofd een versiering van gepolijste
varkenstanden, meestal drie stel boven elkaar. Door de neusvleugels
van onder naar boven gestoken een soort haarspeld van been, door het
neustusschenschot een horizontaal stukje hout.
Door den oorlel, eenige tot een driehoekig gebogen casuarispennen,
de driehoek wordt gemaakt door het dunne uiteinde van de pen in
het dikke te steken.
Alle mannen dragen een staart van bladeren. Soms ziet men kruisbanden
over borst en rug. Nooit verlaat hen de geknoopte draagtasch, dien
zij in alle soorten bezitten. De groote tasschen zijn versierd met
koppen en pooten van vogels.
De vrouwen dragen ook eenige gordels met schaambedekking van
boombast. De schaambedekking wordt tusschen de beenen doorgehaald en
voor en achter aan de gordels vastgemaakt. Zij zijn zeer smal en kort,
zoodat zij net toereikend zijn, en niet, zooals elders gewoonte is,
met een breede lap voor en achter afhangen. De hoofdtooi der vrouwen
bestaat alleen in neus- en oorversierselen, zijnde deze dezelfde als
bij de mannen.
Op den bovenloop der zijrivier A dragen de vrouwen ook geen schaamlap.
_Wapens_. Hun bewapening bestaat uitsluitend uit pijl en boog; op
de Beneden-Rouffaerrivier werden eenige beenen messen gezien. De
bogen zijn van niboenghout met rottan pees; zij zijn versierd met
kroonveeren van kroonduiven en met casuarisveeren en tusschen deze
versierselen rood geschilderd (kleurstof uit boomwortels). De pijlen
zijn uitsluitend voor den strijd tegen den mensch en voor de jacht
op groot wild. Vischpijlen, slangenpijlen en vogelpijlen werden
niet gezien.
_Voedingsmiddelen_. Hoofdvoedsel is sago, die overal in geweldige
hoeveelheden voorkomt; voor zoover was na te gaan, geschiedt de
bereiding gelijk als in andere streken. De sago wordt bewaard in ruwe
houten bakken zonder eenige versiering; wanneer de sago geheel gereed
is, wordt zij verpakt in pandanbladeren of stukken van geklopten
boombast.
Varkens- en casuarisvleesch, wijders allerlei soorten vogels.
De tuinen leveren pisang, suikerriet, keladi, oebi en tabak. De
laatste wordt gerookt, gerold in een boomblad.
Aan de Beneden-Rouffaerrivier, dicht bij de Van der Willigenrivier,
werden groote tabakspijpen gebruikt, gemaakt uit een grooten knoest
hout; men gebruikt daar die pijpen ook bij wijze van trompet.
_Vaartuigen_. Deze zijn overal gelijk van vorm met die aan de Van der
Willigenrivier; ze zijn log van vorm, doch liggen licht op het water,
zoodat zij zelfs tegen stroom in hard kunnen opschieten. Vóór in den
platten overhangenden boeg is een rond gat, waardoor een boomstok wordt
gestoken, tot in den rivierbodem, teneinde afdrijven te voorkomen.
Als boomstok wordt gebruikt de middenbladnerf van den sagopalm,
terwijl, wanneer er geroeid wordt, een kort stuk sagobladnerf als
pagaai dienst doet.
Zoodra de stroomversnellingen beginnen, maken de bewoners geen gebruik
meer van prauwen. Er loopen langs den oever zeer goede paden, waarvan
zij gebruik maken om bovenstrooms te komen. Zij zakken dan af op
vlotjes, zooals ik reeds uitvoerig beschreef. [34]
_Jacht_. Voor de jacht op groot wild wordt gebruik gemaakt van
pijl en boog; men beduidde ons, dat de vogels ook hiermede werden
geschoten. Waar de inboorlingen echter geen speciale vogelpijlen
bezitten en in aanmerking nemende het groote aantal vogeljachttrofeeën,
is er reden te veronderstellen, dat zij een veelvuldig gebruik van
strikken maken.
Nooit hebben zij veeren van paradijsvogels, die daar zooveel men wil
te schieten zijn. Toen hun er een vertoond werd, keken zij elkaar
aan en deden erg geheimzinnig, wilden den vogel echter niet hebben.
_Vischvangst_. Veelvuldig kwamen voor een soort aalkorven, van rottan
of van doorntakjes vervaardigd.
Ook zijn er groote hoepelnetten, waarmee de vrouwen schijnen te
visschen. Men vindt verder op den oever van takken en bladeren gemaakt
kleine schuttingen (een soort sero's) ± 3 dM. hoog. Wanneer de rivier
bandjirt, loopt de oever onder; dan de sero geplaatst, en bij weder
gevallen water is de buit voor het grijpen. De plaats van deze sero's
gaf ook een aardigen kijk op het onderwaterloopen der meervlakte in
den bandjirtijd.
_Werktuigen_. Alleen steenen bijlen, die zeer primitief zijn. Wanneer
men deze bijlen heeft gezien, begrijpt men, dat de Papoea's fel waren
op alles, wat maar op een parang (kapmes) leek; in onze nabijheid
was het woord saroo (= parang? ijzer?) niet van hun lippen. Met deze
steenen bijlen kappen zij hun ladangs schoon en maken hun prauwen.
_Huizen_. Mannen, vrouwen en kinderen wonen samen in één huis. De
huizen zijn gelijk als die aan de Van der Willigenrivier; aan den
bovenloop van zijrivier A wordt aan den bouw meer zorg besteed;
dit gaat gepaard met beter verzorgde tuinen.
In verschillende huizen treft men menschenschedels aan. Er is geen
twijfel, waarom zij worden bewaard, zij hangen bij de jachttrofeeën,
en liefst op nonchalante wijze tusschen de varkensschedels. Dat
het koppensnellen hier op groote schaal voorkomt, komt echter niet
waarschijnlijk voor.