20/21 Aug. Kappen door tot 2200 M. hoogte (Depôt D.)

22 Aug. Transport loopen van C naar D. Wij zijn nu langzamerhand

zoover gevorderd, dat wij geen depôt meer behoeven te maken, doch

den eindtocht kunnen beginnen.

23 Aug. Wordt van depôt D vertrokken met 14 dagen vivres bij de

colonne. Op 24 en 25 Aug. wordt door zwaar terrein doorgekapt. De

begroeiing wordt toch allengs minder; volgens ons bestek moesten wij

dicht bij den top gekomen zijn en inderdaad, den 26en Augustus ten

8 uur 45 min. bereikte ik als eerste den top en zag tot mijn groote

voldoening prachtige sneeuwtoppen, schitterend wit afstekend bij de

andere van den Centralen keten.

Een werkelijk machtig uitzicht had men hier: den geheelen

Centralen keten met twee complexen van sneeuwtoppen, de Carstensz-

en Idenburgtoppen; verder het Weylandgebergte in het Westen en het

Van Reesgebergte in het Noorden; tenslotte de Meervlakte, die omgeven

wordt door deze gebergten en die doorsneden wordt door Rouffaerrivier

en Van Daalenrivier met hunne zijrivieren. Men kon geheel volgen, waar

de rivieren vandaan kwamen; men zag de waterscheidingen enz.; in één

woord: de geheele kaart, zooals die worden moest, lag voor onze oogen.

Het eerste werk van den Kapitein was een plekje te vinden voor het

bivak, want hier dacht ik ongeveer een week te blijven. De top was

rotsachtig en met lage struikjes en gras begroeid.

Ikzelf had dadelijk mijn theodoliet voor den dag gehaald en was met den

inl. verkenner, die de panoramaschetsen maakte, aan den arbeid getogen.

Dit observatiepunt nº. 4 lag 2650 M. hoog zooals bepaald werd

door den kookthermometer te gebruiken. De meting van dezen top

uit Motorbivak gaf ook dezelfde hoogte. Dat deze observatietop

van uit Motorbivak te zien was, kwam goed van pas bij de

juiste plaatsbepaling van dit observatiepunt 4. Immers van uit

Motorbivak een nauwkeurige astronomische peiling op onzen top;

in observatiepunt 4 door observaties van stersdoorgangen en door

sterscircummeridiaanswaarnemingen een absoluut juiste breedte;

combinatie: de plaats is op breedte en lengte nauwkeurig bekend,

onafhankelijk van den stand der chronometers. Met deze zuivere

lengte en breedte bepaalde ik een nieuwen stand der chronometers,

welken stand ik dan weder gebruikte voor een astronomische peiling

op den Oost-Carstensztop. Aangezien toevalligerwijze deze sneeuwtop

N. 180° O. rechtwijzend van observatiepunt 4 bleek te liggen, ligt

dus de Oost-Carstensztop door 2 astronomische peilingen rechtstreeks

in lengte vast op Motorbivak, onafhankelijk van den tijd. Aangezien

verder dit Motorbivak vast lag op Batavia- en dus op Pionierbivak,

zooals ik reeds vroeger meedeelde, kon de door mij gevonden lengte

van den Oost-Carstensztop als juist worden aangenomen. Het was mij dan

ook een groote voldoening, later bij de constructie te zien, dat mijn

astronomische peilingslijn de vroeger door anderen van af de zuidkust

bepaalde plaats van dien top precies sneed, zoodat in dit opzicht van

om de noord en om de zuid werkend volkomen aansluiting werd verkregen.

Vanaf observatiepost 4 waren duidelijk zes nieuwe toppen te zien in

het Carstenszcomplex en drie in het Idenburgcomplex; op de genomen

foto is dit duidelijk waar te nemen.

De dagen gingen langzaam voorbij; 's morgens bij het lichtworden

om half zes, klaar bij den theodoliet, doch tegen acht uur kwamen

meestal de wolken reeds uit de dalen omhoog en hulden de toppen in

een dichten nevel. Wij leefden dan den verderen dag in een wolk, die

somtijds eerst tegen zonsondergang wegtrok. De nachten waren koud;

dikwijls windvlagen, vergezeld van regen, die ons in onze primitief

opgeslagen tenten herhaaldelijk de nachtrust benamen. Het observeeren

van sterren was door de koude ook geen sinecure.

De gezondheidstoestand liet wel wat te wenschen over; behalve

eenige hardnekkige malarialijders, waren er twee dragers met zeer

zwaar geïnfecteerde voetwonden, aan wie ik handenvol werk had, om

hen met geringe hulpmiddelen behoorlijk te behandelen. Verder een

dwangarbeider met een zware bronchitis, wellicht longontsteking. Water

om te drinken of te koken was nergens te krijgen, zoodat wij hiervoor

waren aangewezen op nachtelijke regenbuitjes. Hoeveel misère er ook

was, het uitzicht 's morgens vergoedde ruimschoots alles.

Den 1en September was ik geheel gereed met de metingen en aanvaardden

wij den terugtocht. Even voor wij den top verlieten, ontdekten wij

plotseling op de helling van den bergketen bezuiden ons bivak rook

en zagen wij duidelijk eenige huizen in het midden van lichtgroene

plekken, ladangs. [25] Hier wonen dus weder menschen; vanuit de vlakte

tot dezen top hadden wij nergens sporen van bewoning ontdekt, zoodat

wij hier zonder twijfel met bergbewoners te doen hebben. De huizen

stonden ongeveer op een 1500 M. hoogte.

De terugtocht gaat vrij langzaam; de zieken en gewonden bepalen

de marschsnelheid, want hen te dragen in dit terrein is practisch

onuitvoerbaar. Van dit langzame tempo wordt gebruik gemaakt om van

1400 M. tot 1000 M. orchideeën te verzamelen. Op 2 en 3 September

wordt rustig doorgegaan en 4 September zijn wij weder in ons 2e

Prauwenbivak aan de Boven-Rouffaerrivier.

Den 5en September zouden wij teruggaan naar Motorbivak, maar stonden

echter voor het feit, dat wij nog slechts 6 prauwen over hadden;

twee waren er immers opgaande verloren gegaan. In zes prauwen

wordt 's morgens vertrokken; even na het vertrek passeeren wij een

versnelling, die door de vier eerste prauwen met moeite en veel water

overnemen wordt genomen; de twee laatste prauwen verdwijnen er bijna

gelijktijdig in, d.w.z. 15 man te water. Mijn prauw aan den kant

brengen en er met alle overtollige menschen uitspringen is het werk

van een oogenblik en met alleen drie Papoearoeiers bemand suist mijn

prauw de drenkelingen achterna. Zij slagen er in één prauwbemanning

te redden en ook de prauw zelf wordt met veel tobben aan wal gebracht

en gekeerd. De andere prauw, waaraan zich nog 3 menschen vastklemmen,

is reeds om den hoek verdwenen.

De oevers worden afgezocht, appél gehouden; er ontbreken nog eenige

menschen. Alles weer in de prauwen en opnieuw stroomafwaarts; hier

dient gehandeld te worden. Na circa 10 minuten varen hooren wij van den

oever roepen en jawel: twee van de drie vermisten; zij hadden gebruik

gemaakt van een oogenblik, dat de felle stroom hen vlak langs een hoek

voerde, en hadden een rotspunt kunnen bereiken. Volgens hun zeggen,

was de laatste man, die de prauw niet durfde loslaten, om den hoek

verdwenen. Enfin, hij moest langs het 1e Prauwbivak komen, waar de

kapt. Schultz, die 's morgens vóór mij was vertrokken met 2 prauwen,

op mij zou wachten. Daar zouden zij hem wel zien en helpen.

Bij aankomst in 1e Prauwbivak hoorde ik van den kapitein, dat op

de gewone wijze het prauwongeluk zich reeds had aangekondigd door

het voorbij drijven van blikken uit de ladingen. Zij waren er op

hun qui-vive geweest en hadden den laatsten drenkeling spoedig te

pakken gehad. De prauw was echter even beneden het bivak te pletter

geslagen. Weer een prauw minder, maar gelukkig geen menschen verloren.

Wij gaan verder terug; het ongeval heeft ons echter te lang opgehouden

om nog vóór donker Motorbivak te kunnen bereiken. Wij overnachten in

het Oude Splitsingsbivak.

Den 6en September kwamen wij in Motorbivak aan; wij troffen hier een

Europeesch sergeant, die het bericht kwam brengen van den Grooten

Oorlog en tevens de order om terug te keeren. Hoelang kon het nog

duren, voordat wij de bewoonde wereld zouden bereiken? Was er nog

communicatie?

Deze sergeant was in een prauw gekomen met een uitgelezen stel van zes

Dajaks, de eersten, die in ons Motorbivak kwamen, nadat de voornaamste

tochten achter den rug waren.

Verder vonden wij een bericht van Stroeve, dat zijn tocht naar 2200

M. schitterend geslaagd was [26]; dat hij om de N.W. de Wapoga had

verkend en teruggegaan was om levensmiddelen te halen, teneinde een

doorsteek te maken naar deze rivier (Wapoga), en zoodoende uit te

komen aan de Geelvinckbaai. Teruggaande, was hij den 1en luitenant

Ilgen [27] tegengekomen, die zich bij hem aansloot, zoodat Ilgen en

Stroeve dezen tocht met een kleine colonne zouden aanvangen. Nu, wij

hadden goede hoop, dat zij zouden slagen. Hierna zouden zij beiden

weder den Mamberamo op naar Motorbivak komen, teneinde met ons hier

het werk af te maken.

Het Motorbivak had, wat inrichting en onderhoud aangaat, een zekeren

graad van volmaaktheid bereikt, zoodat het werkelijk een lust was,

om er een paar dagen te zijn.

Hoewel rust niet overdadig zou zijn geweest, kon hiervan na het

ontvangen oorlogsbericht niets komen; 7 en 8 September werden gebruikt

om alles gereed te maken voor vertrek en den 9en September 1914

braken wij dan ook op, zooals wij dachten, om er niet meer terug te

komen. De groote motorboot lag hopeloos in duigen; het freewheel van

de aanzetinrichting was kapot en zou vernieuwd moeten worden. Toch

wilde ik haar medenemen en liet de Papoea's lange riemen maken,

zoodat de boot als een galei werd voortbewogen.

's Morgens reeds om een uur of elf zien wij een prauw aankomen met

de bekende Dajakhoeden en weldra bereikt ons een spoedbericht, dat

de exploratie kan worden beëindigd, alvorens terug te keeren naar

Ambon. Wij waren dus blijkbaar een dag te vroeg vertrokken.

De motorboot kan niet meer mede stroomopwaarts terug, zoodat deze met

zijn Papoearoeiers onder leiding van een vertrouwden, geroutineerden

sergeant naar Bataviabivak wordt geroeid; voor het gemak geef ik hun

een prauw mede. Het zal niet gemakkelijk zijn, dit gevaarte heelhuids

in Bataviabivak te brengen, en met eenige bemoedigende woorden nemen

wij afscheid van den sergeant en de Biaksche Papoea's, die weder naar

hunne kampongs zullen terugkeeren.

Den 10en September '14 komen wij in Motorbivak terug; alles, wat

wij achtergelaten hadden, is gestolen doch het bivak is geheel

ongeschonden.

De kapitein Schultz zal voorloopig in Motorbivak blijven, teneinde de

komst van Stroeve en Ilgen af te wachten, die tegen eind September

weder hier kunnen zijn. De geheele colonne, die met ons mee is

geweest naar observatiepunt 4 heeft rust noodig, zoodat zij ook in

Motorbivak blijven.

Er zijn nu echter 11 Dajaks; 11 en 12 September maak ik alles gereed

om er met een kleine colonne op uit te gaan. Het doel was te probeeren

de linkerzijrivier B der Rouffaerrivier op te gaan en te verkennen.

Mocht het blijken, dat deze rivier over een belangrijken

afstand op te varen zou zijn, dan kon de circa 3000 M. hooge kam

be-Z.W. observatiepunt 4 [28] beklommen worden.

15 September vertrek ik met een kleine colonne van 23 man, waaronder

11 Dajaks de rivier op, om den 9en October op de meest avontuurlijke

wijze van benedenstrooms weder te Motorbivak terug te komen. Zijrivier

B werd verkend; de Boven-Rouffaerrivier was met Dajaks slechts 1/2

K.M. verder op te komen dan ons te voren gelukt was en daarna op

zoek naar de door mij waargenomen meren in de Meervlakte, belandde

ik met een gedeelte van de colonne aan een vrij groote rivier, die

afgezakt werd en in de Van Daalenrivier uitmondde, en zoodoende kwam

ik na een kleine maand weder in de Rouffaerrivier, echter een heel

eind benedenstrooms van Motor bivak.

9 October. 's Morgens bereiken wij het Motorbivak waar wij alles

in orde aantreffen. Tot mijn groote verwondering waren Stroeve

en Ilgen nog niet aangekomen. Met kapitein Schultz bespreek ik

de verdere plannen, nu zij er nog niet zijn en wij besluiten, zoo

spoedig mogelijk door te gaan met het peilingswerk benedenstrooms

van Motorbivak. Dan ontmoeten wij hen van zelf en kunnen de tochten

bezuiden Kalongeiland beginnen.

Eenige dagen later braken wij voor goed van Motorbivak op, hetgeen

ons allen speet, omdat het zoo'n buitengewoon gunstig gelegen bivak

was, voorzien van alle mogelijke rimboegemakken. De dag voor ons

vertrek was nog bijna uitgeloopen op een gevecht met de omwonende

Papoea's, die van een bezoek aan het bivak misbruik maakten, door

een Dajakschen mandau te stelen. 't Werd gelukkig gezien en er werd

krachtig ingegrepen, maar de goede verstandhouding was weg.

Den volgenden morgen vertrokken wij en maakten bivak op den

linkeroever, ongeveer 24 K.M. beoosten Motorbivak. De lengte werd

hier als volgt bepaald: 's morgens een standbepaling in Motorbivak;

's middags een lengtebepaling in dit observatiepunt 5.

In een hoogen boom nabij het bivak werd een observatiestelling gemaakt

en werden metingen verricht. Het weder werkte niet mede. Om de zuid

bleven de Centrale ketens verscholen in de wolken.

Den 17en October werden wij plotseling verrast door het geroep:

"prauwen in aantocht." En zeker, van benedenstrooms kwamen minstens

7 prauwen.

Groote vreugde in het bivak. De eerste prauw komt naderbij, tot mijn

verwondering zie ik Stroeve er niet in. Ik roep den Europeeschen

sergeant toe, waar of deze is; en daarna hooren wij het treurige

bericht, dat hij aan den Wapogamond gesneuveld is. Een noodlottig einde

voor mijn dapperen makker, die sedert October 1912, alle tochten van

het Exploratiedetachement medemaakte.

Een bericht van den Detachements-Commandant bereikt ons, dat luitenant

Ilgen ingedeeld was bij de Idenburgriviercolonne.

Tegelijk met het bericht van het sneuvelen van Stroeve ontvingen wij

van den 1en luitenant Ilgen een verslag van het verloop van den mooien

tocht, die helaas zoo noodlottig moest eindigen.

Ik zal hier het uittreksel overnemen, indertijd in het Tijdschrift

van het Kon. Ned. Aard. Gen. verschenen en ontleend aan het journaal

van Ilgen: [29]

Laatstgenoemd officier ontving in het begin van Augustus 1914 van den

Colonne-Commandant de opdracht om zich, na aankomst in Motorbivak,

zoo spoedig mogelijk en met zooveel mogelijk vivres en personeel te

begeven naar de zijrivier A van de Rouffaerrivier, waar luitenant

ter zee Stroeve exploreerde en blijkbaar moeilijkheden had ondervonden.

Ilgen kwam den 10den Augustus aan de monding van die zijrivier en

bereikte de colonne Stroeve den 15en dier maand. Onderweg ontmoette

hij een groot aantal inboorlingen, allen ongewapend en in houding zeer

vriendschappelijk. Stroeve deelde hem mede, dat hij van een ± 2200

M. hoogen bergtop een groot gedeelte van het omringende bergland had

kunnen peilen en ook een groot stuk van de Wapoga, en voornemens was

geweest een doorsteek naar die rivier te maken, doch uit gebrek aan

voldoende vivres dien tocht had moeten uitstellen. Na de vereeniging

der beide colonnes kon thans daartoe worden overgegaan.

De 17en Augustus werd de tocht aangevangen; men rekende er op, zonder

groote bezwaren den 5en September aan de monding der Wapoga te kunnen

wezen en verzocht den Detachementscommandant in het Pionierbivak, om

op dien dag een Gouvernements-stoomer bij die monding te doen zijn,

ten einde de colonne te doen afhalen. Men heeft zich echter misrekend

en deze verkenningstocht is een der zwaarste geworden van die, welke

voor de exploratie van Nieuw-Guinee zijn gedaan en heeft daarbij het

leven gekost van een onzer meest verdienstelijke verkenners. Ten einde

diens nagedachtenis te eeren en aan onze lezers een goed denkbeeld

te geven van de groote moeilijkheden en gevaren, welke bij zulke

tochten door onze brave pioniers moeten worden overwonnen, zal ik [30]

de beschrijving van de lotgevallen der colonne gedurende de laatste

dagen hieronder woordelijk overnemen uit het journaal van Ilgen.

Na vermeld te hebben, dat na één dag opvarens van die zijrivier A

de prauwen werden verlaten en op den linker (noordelijken) oever

werden geborgen, van waaruit den volgenden dag de landtocht aanving;

dat na een marsch door een uitgestrekt moeras de uitloopers van de

waterscheiding werden bereikt; dat na dagen van vermoeiend klimmen

en dalen, langs paden, welke in dichtbegroeid terrein moesten worden

gekapt, den 26en Augustus een riviertje werd aangetroffen, door welks

bedding men aan de Wapoga kwam; dat deze rivier door hare bedding

of langs de oevers verder werd gevolgd, nu en dan van ruwe vlotten

gebruik makende, waarbij echter door stroomversnellingen en bandjir

een deel der kostbare vivres verloren ging; dat op den tocht slechts

enkele inboorlingen worden aangetroffen, die steeds vriendschappelijk

hulp verleenden,--schrijft Ilgen in zijn journaal verder:

5 September. "Heden hopen we de nederzetting der jagers te bereiken

(die volgens het verslag van den kapitein Ten Klooster van zijne

verkenning van de Wapoga en volgens een Papoea-mandoer der colonne,

nabij de kust moet zijn gelegen) om daar te fourageeren. Het wordt

tijd, want wij beginnen gebrek te krijgen aan de noodzakelijkste

artikelen. Zout is er niet meer en ook de gezouten visch is verbruikt.

De op de kaart aangegeven linkerzijrivier der Wapoga moeten we

spoedig bereiken; doch als ten 12 uur 's middags deze rivier nog niet

is aangetroffen, krijgen wij de zekerheid, dat wij ons verder van

de kust bevinden, dan we vermoedden. Daar de vlotten zoo langzaam

opschieten, besluiten wij, dat de luitenant ter zee Stroeve in een

der prauwtjes vooruit zal gaan met den Inlandschen fuselier Wagimin en

den dwangarbeider Deloesin, om spoediger bij de jagers te zijn en mij,

die met de vlotten langzaam zal volgen, prauwen tegemoet te zenden. Zoo

het schip, dat wij heden aan den riviermond verwachten, er reeds is,

zal hij ons met de motorboot tegemoet komen teneinde voeding aan te

voeren en ons _vlug_ naar den riviermond te brengen. Het prauwtje

zal ook 's nachts doorroeien.

Dit plan wordt dadelijk uitgevoerd. Het laatste blik rijst wordt

verdeeld, maar blijkt door nat worden een weinig bedorven te

zijn. De rijst kan echter nog worden gebruikt en wordt in elk geval

verstrekt. De toespijs is reeds vroeger verdeeld. Ieder heeft nog

een paar stukjes deng-deng, maar dat is ook al.

Ten 12 uur 30 min. n.m. scheidt zich de patrouille van den heer

Stroeve van de colonne. Reeds na een half uur wordt door mij genoemde

zijrivier van de Wapoga bereikt. Ik ben dus thans nog ± 60 K.M. van

den mond verwijderd.

Ten 6 uur n.m. wordt op den rechteroever bivak betrokken.

Den geheelen dag werd verder geen bevolking of eenige nederzetting

aangetroffen.

6 September. Afmarsch 6 uur v.m. Als het schip er is, kan ik volgens

mijn berekening tegen 3 uur n.m. de motorboot ontmoeten en kan de

patrouille 's avonds aan boord zijn.

Wij merken echter niets van de motorboot, waaruit ik de gevolgtrekking

maak, dat het schip er nog niet is; maar in elk geval zullen wij toch

wel de jagers ontmoeten, die, ± 20 K.M. de rivier op, hun nederzetting

moeten hebben.

Ten 6 uur n.m. is de nederzetting der jagers nog niet bereikt. Wij

krijgen, als gevolg van den vloed, een weinig tegenstroom, waartegen

de vlotten niet meer kunnen oproeien, zoodat wij op dat uur in bivak

moeten gaan.

Daar hier de vloed reeds merkbaar is, moeten we dus reeds dicht bij de

kust zijn. Waar blijft echter de nederzetting der jagers? De mandoer

der Papoeasche koelies, die bij de kolonne is, zegt mij nu dat bedoelde

nederzetting zich vlak bij den riviermond bevindt. Morgen zullen we

er dus in elk geval zijn. Ik verlang er zeer naar, daar het zonder

zout toebereide eten bijna niet te genieten is.

Ook heden troffen wij nergens menschen of nederzettingen aan, wat ik

vreemd vind, daar er langs de oevers vrij veel sago is te vinden.

7 September. Afmarsch 6 uur. v.m. Aanvankelijk is de vloed

uit zee nog zeer merkbaar en komen de zware vlotten bijna niet

vooruit. Ondergeteekende, die met één roeier in het kleine prauwtje

vooraan gaat, moet telkens uren wachten om de colonne gelegenheid te

geven op te sluiten. Later komt de eb wat krachtiger door, en nu gaat

het vlugger.

Ongeveer ten 11 uur v.m. wordt het eilandje bereikt dat ± 4 K.M. van

den mond midden in de rivier ligt. Vanaf dit punt is de zee zichtbaar

en als het personeel op de vlotten hier het einde van den tocht ziet,

gaat er een luid gejuich uit hun midden op. De meer genoemde mandoer

der Papoea'sche koelies zegt, dat zich op dit eilandje de nederzetting

der vogeljagers moet bevinden. Er is echter niets van te zien. Zelfs

geen overblijfselen van huisjes. Ondergeteekende krijgt den indruk,

dat deze streek in langen tijd niet door jagers is bezocht. Vervlogen

is de hoop, hier onzen voorraad vivres te kunnen aanvullen. Van het

schip is nog niets te zien. De toestand is niet rooskleurig, want

zoo juist verorberden we ons laatste beetje bedorven rijst, sommigen

der dwangarbeiders hadden zelfs hun aandeel reeds des morgens vroeg

geheel verbruikt.

Zoodra de riviermond zichtbaar is, krijgen de moeilijk te besturen

vlotten order den linkeroever te houden, om het gevaar van in zee

drijven te voorkomen. Van den Europeeschen sergeant Van der Valk,

die den tocht met den luitenant ter zee Doorman had meegemaakt

[31], hadden wij bij den aanvang der patrouille vernomen, dat op den

linker rivieroever een strook strand beplant met tjemara's was, en

dat vroeger het "Strandbivak" daar was opgeslagen. De luit. ter zee

Stroeve en ik hadden toen afgesproken om, voor het geval er op het

schip moest worden gewacht, ook op dit punt een bivak in te richten.

Ten 1 uur n.m. werd de mond der rivier bereikt. Tot mijn groote

verwondering trof ik de patrouille Stroeve niet aan. Ook geen teeken

of eenige mededeeling, waarheen de patrouille zich had begeven, werd

gevonden; noch waren de overblijfselen van een bivak aanwezig. Een

patrouille in het prauwtje uitgezonden, om op den rechteroever te

zoeken, komt onverrichterzake terug. Ik vermoed, dat de vermiste

patrouille, die evenals wij gebrek aan vivres heeft, misschien

weer de rivier is opgevaren, om sago te halen. Het is mogelijk,

dat zij zich ter hoogte van het eiland op den rechterrivieroever

bevinden. Daar wij links gepasseerd zijn, zouden wij misschien elkaar

zijn misgeloopen. Het prauwtje wordt onmiddellijk daarheen gestuurd,

maar komt wederom zonder iets gevonden te hebben terug. Ondertusschen

is de avond gevallen. Ik maak me hevig ongerust omtrent het lot der

patrouille. Wat kan hun overkomen zijn? Zou het prauwtje wellicht

bij het varen gedurende den nacht zijn omgeslagen en de opvarenden

hier of daar op den oever zitten? Doch neen, dit kan niet, daar

zij de colonne dan toch hadden moeten zien passeeren. Een andere

veronderstelling is, dat de heer Stroeve, het schip niet vindende,

een verkenning heeft gemaakt langs de kust, om te trachten, aldus

aan voedsel te komen. Met deze hoop bezield, gaan we zonder eten den

nacht in. De stemming onder de menschen is zeer gedrukt. Ik hoop, dat

morgen het schip zal komen; men zal er misschien op hebben gerekend

dat wij tot en met den 8en vivres hebben en op dien datum het schip

zenden; niettemin zullen we toch morgen moeten zien sago te krijgen,

daar wij bij langer wachten zoo slap zullen zijn van honger, dat van

eenigen spierarbeid geen sprake meer zal zijn.

8 September. Ten 6 uur v.m. worden 4 man in het wrakke prauwtje

uitgezonden, om de rivier op te varen voor het bereiden van sago. Het

doel is, dat zij een goeden boom zullen uitzoeken en dadelijk met

kloppen beginnen. Het prauwtje zal door 1 man worden teruggebracht,

waarna ik zelf met 3 dwangarbeiders naar boven zal gaan, om de

werkzaamheden te controleeren. Ik hoop dan vanavond een sagomaal te

kunnen verstrekken.

Daar ik meen op den anderen oever aan een der boomen een teeken te zien

hangen, misschien door de patrouille Stroeve daar voor mij geplaatst,

wordt het prauwtje eerst daarheen gezonden, om zich van de eventueele

aanwezigheid van eenig bericht te overtuigen. Reeds na een half uur

is het prauwtje terug. Inderdaad hebben zij een spoor gevonden en ben

ik spoedig ingelicht omtrent het vreeselijk feit, dat zich gisteren

morgen hier heeft afgespeeld. De uitgezonden dwangarbeiders vonden

op den anderen oever den inl. fus. Wagimin; de man is al zijn wapens

en ledergoed kwijt. Hij wordt dadelijk naar het bivak overgebracht

en hier hoor ik uit zijn mond, wat er is voorgevallen.

Den 6en kwam de patrouille Stroeve, na den geheelen nacht te hebben

doorgeroeid, des morgens omstreeks 10 uur bij den riviermond aan. Daar

ook zij de verwachte nederzetting der jagers niet vonden, begaf de

heer Stroeve zich dadelijk naar den rechteroever en richtte hier op de

uiterste punt van dezen oever een bivakje in. De inl. fus. Wagimin,

die versche menschensporen zag, maakte de opmerking, of niet liever

op den linkerrivieroever zou worden gebivakkeerd. Hij was mede geweest

bij de vroegere exploratie van deze rivier, en meende zich het bestaan

te herinneren van de vijandige kampong Aropen. (Vermoedelijk vergiste

hij zich met de kampoeng Kai, die ongeveer een jaar geleden getuchtigd

werd, maar die ± 70 KM. meer Noordelijk ligt). De heer Stroeve zeide

toen, dat zij voorloopig hier zouden blijven, maar morgen (dus den

7den) bij aankomst der geheele colonne zouden oversteken.

Op den 7den, des morgens vroeg, gaf de heer Stroeve opdracht aan den

inl. fuselier en aan den dwangarbeider Deloesin, om met het prauwtje

nipahvruchten en zoo mogelijk sago te verzamelen. Hij zelf zou, met

den karabijn gewapend, een verkenning maken in Noordelijke richting,

en trachten eenig wild onder schot te krijgen. Toen Wagimin tegen 8

uur voorm. terugkwam in het bivak, was de heer Stroeve nog niet terug,

maar kwam kort daarop aan. Hij had niets geschoten en verzocht om

eenige nipahvruchten. Ook hun voedsel was geheel verbruikt.

Nauwelijks had Stroeve eenige vruchten genuttigd, toen hij plotseling

op korten afstand van ter zijde werd bepijld. Van het naderen van den

vijand had geen van de leden der patrouille iets gemerkt. Vermoedelijk

had hij, de sporen van Stroeve volgende, zoo het goed verscholen

bivakje gevonden. De ongelukkige officier werd dadelijk door twee

pijlen in de zijde getroffen, die hij zich eigenhandig uit het lichaam

trok en waarop hij om den karabijn riep. Daar hij bij terugkomst der

verkenning dit wapen buiten zijn bereik had neergelegd, kon hij het

niet meer grijpen, maar vloog toen naar den dwangarbeider Deloesin,

ontrukte dezen den klewang en stormde onvervaard op den talrijken

vijand in. Daar de Papoea's uit deze streken niet voorzien zijn

van blanke wapenen, was deze taktiek in deze omstandigheden wel

de beste. Inderdaad had de plotselinge aanval aanvankelijk succes,

althans alles vlood heen, met uitzondering van één man, die staan

bleef en op korten afstand zijn pijl op Stroeve afschoot. Deze pijl

trof mijn armen vriend in den buik, waarop hij nederzeeg.

Middelerwijl had de vijand den karabijn in het bivak gevonden, en

toen Wagimin en Deloesin dit wapen in handen van den vijand zagen en

hun commandant gevallen, vluchtten zij achtervolgd door vele vijanden

het bosch in, waar zij zich verborgen. Van de komst mijner colonne,

eenige uren later, hadden zij niets gemerkt, daar zij zich niet durfden

vertoonen. Aldus hadden zij zich den geheelen nacht verborgen gehouden

en in al dien tijd niets genuttigd.

Dit verhaal wordt mij in stukjes en brokjes door den zeer ontdanen

fuselier medegedeeld.

Onmiddellijk stapte ondergeteekende met den fuselier en een

dwangarbeider, behoorlijk gewapend, in het prauwtje om op den

rechteroever een onderzoek in te stellen. Spoedig wordt daar het lijk

van den heer Stroeve gevonden op de plaats waar hij gevallen is. Het

lijk is niet beroofd en nog voorzien van alle kleederen. Het wordt

opgenomen en in het prauwtje gelegd, waarna de oever verder wordt

afgezocht naar den dwangarbeider Deloesin, die na eenig zoeken

en roepen eveneens in het bosch wordt gevonden. De man is door

een pijlschot licht in den voet gewond, maar is er overigens goed

afgekomen. De dappere gesneuvelde officier heeft dus hier met zijn

eigen lijf het leven gered van zijn twee lotgenooten. Het bivakje is

geheel geplunderd. Alle instrumenten zijn door de wilden weggenomen,

zoomede het meetboek van onzen tocht, dat de heer Stroeve had

meegenomen om eventueele peilingen aan te teekenen.

De verslagenheid van de menschen bij aankomst van het lijk in het

bivak is groot. Ook bij mij is de indruk van het gebeurde diep,

doch de zorg voor de levenden staat nu op den voorgrond. Het schip

is er nog niet, kan misschien nog lang wegblijven en ons voedsel is

op. Spoedig wordt het lijk begraven vlak bij ons bivak en daarna ga

ik er met drie dwangarbeiders in het prauwtje op uit, om te trachten

een sagoboom hierheen te sleepen. Ten 5 uur n.m. zijn wij met een

boom terug. De bereiding der sago is echter met deze ongeoefende

menschen niet eenvoudig. Niemand weet eigenlijk, hoe de sago moet

worden verkregen, maar toch heeft ieder des avonds een weinig van

een vies kleverig sagopapje, wrang en bitter van smaak. Een poging

om uit zeewater zout te koken mislukt volkomen door het zeer geringe

zoutgehalte van het water.

Als het schip niet spoedig komt, zal de toestand zeer hachelijk

worden. De stemming onder de menschen is down.

9 September. Gisterenavond werden we opgeschrikt door het geroep van

"kapal" (schip). Alles springt op om zich te overtuigen. Helaas,

een loos alarm. De post heeft een ster aangezien voor de lichten van

het schip.

Hedenmorgen algemeene verslagenheid, omdat het schip er nog niet

is. Bij de menschen doen zich, vermoedelijk als gevolg van de slechte

voeding, gevallen van nachtverblindheid voor. Met alle middelen

tracht ik er bij mijn lotgenooten den moed in te houden, spreek ze

toe en doe mijzelf zeer opgewekt voor. De menschen liggen verslagen

op den grond en trachten in den slaap hun toestand te vergeten. Met

moeite krijg ik hen tot werken om een vischnet te maken. Van avond

zullen we trachten wat visch te vangen. De sagovoeding gaat niet erg

schitterend. Wel is waar krijgen wij een papje, maar dit is bijna

niet naar binnen te krijgen. Ik krijg de zekerheid, dat er iets met

het schip niet in orde is. Maar wat?

10 September. Gisterenavond vingen we een klein zoodje visch. Voor

elk twee vischjes. Het is wel niet veel, maar het heeft smaak. Daar

ik vrees, dat de krachten bij ons zoo zullen afnemen, dat we ten

slotte niet meer in staat zullen zijn om sago te halen, ga ik er reeds

heden weer op uit om een boom, die echter blijkt absoluut geen sago

te bezitten. Hij is blijkbaar te jong. Morgen zullen we een anderen

zien te krijgen.

12 September. De 6e dag, dat we zonder behoorlijke voeding zijn;

nog steeds geen schip in zicht. Ik vraag me vergeefs af, wat toch de

reden der vertraging kan zijn.

Tegen 10 uur v.m. zie ik aan de overzijde een twintigtal menschen

loopen. Ik hoop, dat ze een aanval met prauwen zullen wagen. Het zal

dan niet moeilijk zijn hun met de drie overgebleven vuurwapens een

goede les te geven. Ondergeteekende denkt er over om aanvallend te

werk te gaan; er staat echter zoo veel wind, dat een oversteek in

ons kleine prauwtje, waar hoogstens 4 man in kunnen plaats nemen,

niet mogelijk is. De vijand wordt nauwkeurig waargenomen. Ze maken

echter geen aanstalten om over te steken.

Ten 11 uur v.m. meent ondergeteekende een rookwolkje aan de kim

te zien, en na een half uur hebben we zekerheid, dat het schip in

aantocht is.

Een gejuich van "sekarang hidoep" [32] gaat er op onder de leden

van de patrouille en ieder maakt klaar om te embarkeeren, hoewel

het zeker nog wel 2 à 3 uren duren zal, vóór we zoover zijn. Een

veel-rook-gevend vuurtje wordt er aan het strand ontstoken en een

roode deken als vlag opgestoken. De bevolking aan de overzijde is

bij het in zicht komen van het schip snel verdwenen.

Dank zij de welwillendheid van den gezaghebber der "Albatros", wordt

op mijn verzoek het lijk van den gesneuvelden luitenant ter zee

Stroeve opgegraven ten einde, via Manokwari, te worden overgebracht

naar Ambon."

Tot zoover het verslag van Ilgen, dat ons de treurige waarheid bracht

van het verlies van mijn braven kameraad; bijna twee jaren waren wij

samen bij het exploratie-detachement te Manokwari werkzaam geweest.

Er moest nu echter gehandeld worden; voor het karteeren der bergen

bezuiden Kalongeiland stond ik thans alleen met nog slechts 2 maanden

tijd voor den boeg.

Besloten werd, dat wij zoo spoedig mogelijk zouden opbreken en ik den

tocht zou maken. Kapitein Schultz zou naar Bataviabivak teruggaan en

mij alle beschikbare menschen en vivres nazenden.

Mijn plan was, eene linkerzijrivier der Idenburgrivier op te gaan

(monding op 138° 35' OL. en 3° 15' ZBr.) zoover mogelijk, en daar

een hoofdbivak te maken; in Z.W. richting te marcheeren en een hoogen

top te beklimmen, indien mogelijk meerdere toppen. Zeer dicht bij dit

riviertje stonden op de oude kaart reeds toppen van ± 2000 M., bepaald

op den tocht van Franssen Herderschee, doch deze plaats verdiende

volgens zijn eigen rapport weinig vertrouwen, daar de bergen bepaald

werden uit de Van der Willigenrivier door afstandschatting.

Wij zakten de Rouffaerrivier en daarna de Van der Willigenrivier

af. Den 2en October waren wij nog een dag van Bataviabivak af en

besloten de colonne te splitsen. 's Morgens 6 uur vertrok de kapitein

Schultz met een paar prauwen naar Bataviabivak.

Na zijn vertrek werd door mij alles gereed gemaakt om den nieuwen

tocht aan te vangen. Ten 7 uur 30 min. wordt vertrokken met 10 prauwen.

Sterkte der colonne: 1 Luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner,

2 eur. sergeants, 1 inl. korporaal, 9 inl. fuseliers, 1

eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 35 dwangarbeiders. Totaal 60 man.

Zonder bijzondere gebeurtenissen wordt ten 4 uur 30 min. n.m. onder

hevigen slagregen, Kalongeiland bereikt en bivak gemaakt bij

de samenvloeiing der Idenburg- en Van de Willigenrivier. Vier

koortsgevallen.

21 October. 's Morgens wordt om de Zuid een hooggebergte gepeild met

bijzonder hooge, kenbare toppen. Met zeer veel genoegen slaan wij

dit gade, want dit is het terrein, waarheen ik op weg ben.

Nadat ik met de metingen gereed ben gekomen, roeien wij de

Idenburgrivier stroomopwaarts; de stroom is gering, de rivier doet

denken aan de Van Daalenrivier, wat betreft stroomsterkte, waterkleur

en oevers. Het is moordend warm, zoodat ik korte dagen maak, om

mijn roeiers niet te veel af te matten. 2 uur 30 min. bivak. Vier

koortsgevallen.

22 October. Varen verder de Idenburgrivier op; 2 uur 30

min. bivak. Geen bijzonderheden. Vier koortsgevallen.

23 October. Als gisteren. 's Avonds passeert op weg naar Bataviabivak

een prauw van de Idenburg-rivier-colonne onder bevel van een

inl. fuselier. Deze heeft order met het oog op de geringe hoeveelheid

vivres ook 's nachts door te roeien. Spoedberichten heeft hij niet,

zoodat ik hem vergunning geef in ons bivak te overnachten en hen den

volgenden morgen vóór het vertrek flink van eten laat voorzien. 't

Was een buitenkansje voor hen, want zij waren al vier dagen en nachten

op weg.

Onder hevigen slagregen wordt vertrokken, ten 10 uur wordt de

linkerzijrivier bereikt en opgegaan. Ten 11 uur klaart het op en

krijg ik mooi helder zicht.

In het Zuiden, vrij dicht bij, bergland; om de West echter niets dan

laagland. De bergen, waarvan ik reeds sprak, zullen wel verder om de

Zuid liggen.

Na 1 KM. te zijn gevorderd, slaat een prauw om; door de snelle hulp

van onze Dajaks, die onmiddellijk uit alle prauwen te water sprongen,

worden menschen, prauw en bagage gered. Ik heb voor de 10 prauwen

slechts 10 Dajaks als stuurlieden en daar een prauw pas vertrouwd

bestuurd is met minstens 3 Dajaks, kan dit ongeval geen verwondering

baren. Als dan ook ten 2 uur 30 min. wederom een prauw omslaat en

eenige barang verloren gaat, besluit ik hier maar mijn "Prauwbivak" in

te richten en dan maar wat verder te marcheeren. 't Was jammer, want de

Luit.-ter-zee De Wal kon in 1911 deze rivier ongeveer 10 KM. opvaren,

terwijl ik 2 KM. van den mond reeds verplicht ben te bivakkeeren.

Het bivak wordt in orde gebracht; prauwen op het droge gehaald. Een

flink vivresmagazijn wordt gebouwd.

Als alles klaar is, laat ik 's middags de colonne indeelen voor het

vertrek op morgen. Daar ik verwacht, vrij spoedig in het bergland te

zitten, laat ik warme kleeding en wollen dekens uitgeven; elke man een

twist-borstrok en -onderbroek, benevens een wollen deken. De dragers

moesten dit stuk voor stuk bij het transport-loopen boven hun gewone

vracht meenemen, anders zou mij dit te veel dragers kosten.

26 October. 6 uur 30 min. op marsch, kappen in ZW. richting,

aanvankelijk langs de rivier. Een zwaar en diep moeras, daarna droog

boschterrein, doorsneden met vele beekjes. Sterkte: 1 Luit.-ter-zee,

1 inl. verkenner, 1 eur. sergeant, 1 inl. korporaal, 5 inl. fuseliers,

1 eur. ziekenverpleger, 10 Dajaks en 33 dwangarbeiders, totaal 53 man.

Als bivakdekking was achtergelaten 1 eur. sergeant met 4 karabijnen.

Ten 3 uur 30 min. wordt bivak gemaakt; heden afgelegd 5 1/2 KM. in

9 uur marcheeren door bijzonder zwaar terrein.

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 11 / 23 题