14 Juli. Ten 6 uur 30 min. vertrekken in 3 prauwen, terug naar
Motorbivak--hetgeen in één dag te halen zal zijn--: 3 inlandsche
fuseliers en 13 Papoea's, totaal 16 man, met bericht aan den Colonne
Cdt. van het verloop van de verkenning.
Als bivakbewaking blijven over: 1 luitenant ter zee, 1 inl. verkenner,
1 inl. fuselier, 5 Papoea's en 3 dwangarbeider, totaal 11 man.
's Morgens wordt door mij de omtrek verkend, om een geschikt
observatiepunt te vinden. Op de helling van een 1300 M. hoogen top,
die zich vrij dicht bij den oever bevindt, wordt een boom gevonden,
waarin een stelling kan worden gemaakt. Er kan dan om de Zuid en West
uitzicht worden verkregen.
De Papoea's en dwangarbeiders maken het bivak verder gereed.
15 Juli. De Papoea's bouwen de boomstelling. Verdere bivak
werkzaamheden. Het wemelt hier letterlijk van paradijsvogels; den
geheelen dag hoort en ziet men hen; soms vliegen zij met vijf of zes
tegelijk door het bivak.
16 t/m. 18 Juli. De boomstelling is gereed, doch er is voortdurend
slecht zicht en de toppen komen niet uit de wolken.
19 Juli. Prachtig uitzicht. Het peilingswerk komt 's morgens geheel
gereed; op ± 20 KM. om de Z.Z.W. ligt een naar ruwe meting klein 3000
m. hooge top op den linkeroever der rivier. De bergkammen, waarlangs
deze top het vlugst te bereiken zal zijn, kan ik prachtig zien en
het blijkt mij dat de beste plaats voor het begin der klimpartij is
hooger de rivier op, voorbij de eerstvolgende linker zij-rivier. Het
is echter de vraag of dit punt met prauwen bereikt kan worden.
20 Juli. Juist gereed zijnde om met een leege prauw en de 5 Biakkers
de rivier hooger-op te gaan verkennen, komt van benedenstrooms een
prauw in zicht en weldra is het 7 prauwen sterke transport onder een
eur. sergeant en met ongeveer 45 man in het Prauwbivak.
Er was een schrijven van den kapitein Schultz, waarin deze mij schreef,
met dit transport voldoende menschen en vivres te hebben gezonden, om
zoo noodig den tocht dadelijk voort te zetten; doch indien mogelijk,
eerst zelf nog in Motorbivak terug te komen om met hem en Stroeve
over de te maken tochten besprekingen te houden. Nu, haast was er
heelemaal niet; alles was volledig verkend en op een paar dagen kwam
het niet aan.
21 Juli. 6 uur 30 min. wordt met 7 prauwen naar beneden vertrokken
met bijna alle menschen, alleen de eur. serg. bleef met eenige
soldaten als dekking achter. Zooveel menschen werden medegenomen,
teneinde de levensmiddelen in Prauwbivak niet noodeloos snel te
laten verbruiken. Sterkte: 1 luit.-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4
inl. fuseliers, 18 Papoea's en 26 dwangarbeiders, totaal 50 man.
Ongeveer 8 uur hoor ik achteruit een geschreeuw. Dadelijk wordt
aangelegd, over de grintbank teruggeloopen: een prauw omgeslagen
tegen een rots. Bij het appèlhouden bleek, dat een dwangarbeider
vermist werd, hij was in de versnelling verdwenen en niet meer boven
gekomen. De prauw is zwaar beschadigd en wordt achtergelaten.
4 uur. Aankomst in Motorbivak, waar ik den kapitein en Stroeve aantref;
tot laat in den avond blijven wij nog elkaar ons wedervaren vertellen
en de toekomstplannen bespreken.
Van af Splitsingsbivak had Stroeve de zijrivier A ongeveer 40
KM. hemelsbreed om de west kunnen opvaren, had op 2 plaatsen
uitzicht gekapt en de noodige peilingen verkregen. In het westen
had hij een top verkend van ruim 2000 M., behoorende tot het
Oost-Weylandgebergte. Vanaf het eindbivak was deze top ± 30
KM. hemelsbreed verwijderd.
Het beklimmen van dezen top zou volledige aansluiting verschaffen
met de vroegere tochten op de Oostkust der Geelvinckbaai, zoodat tot
dezen tocht besloten werd.
De door mij verkende bergtop van ± 3000 meter, van waaraf vrij zeker
door het ravijn der Rouffaerrivier de Carstenszsneeuwtoppen te zien
zouden zijn, zou eveneens beklommen worden. De kapitein wilde dezen
laatsten tocht medemaken.
22 t/m. 23 Juli. Verdere besprekingen; klarigheid maken voor den
tocht. Het Motorbivak was in mijne afwezigheid geheel gereed gekomen
en keurig in orde gebracht.
Langs de rivier een aanlegsteiger voor de motorboot en de prauwen,
een bad- en waschsteiger en verder benedenstrooms de privaten, ook
boven het water.
Er waren reeds in het bivak tuintjes aangelegd en de medegebrachte
zaden deden al dienst.
Weinig of geen muskieten, zoodat het werkelijk een genoegen was om
er te verblijven. Men hoefde slechts het oerwoud in te gaan om een
goed jachtterrein te hebben; de rivier leverde goede visch.
Vele Papoea-kampongs bevonden zich in de nabijheid, zoodat wij over
gebrek aan bezoek niet te klagen hadden.
De gezondheidstoestand liet niets te wenschen over, in aanmerking
genomen, dat Stroeve en ik met het eerste echelon al bijna 2 maanden
van Pionier bivak weg waren.
24 Juli. 's Morgens vertrekken beide colonnes te zamen en bivakkeeren
's middags in Splitsingsbivak.
25 Juli. Het eerst vertrekt Stroeve, nadat wij afscheid hadden genomen
en ik hem de beste resultaten toe had gewenscht, de zijrivier A op.
Wij gingen daarna opbreken en bereikten na 3 dagen roeien, den 27en
Juli, het eerste Prauwbivak.
28 Juli. Rustdag voor de roeiers; den volgenden dag zouden wij trachten
nog hooger de rivier op en aan den linkeroever te komen.
29 Juli. De rivier wordt spoedig heel lastig en daar wij niet over
geoefende stuurlieden beschikken, verliezen wij al spoedig 2 prauwen,
waarna wij op den linkeroever het 2e Prauwbivak inrichten, ongeveer
1 KM. verder dan het eerste.
30 t/m. 31 Juli. Bivak wordt door de soldaten en dwangarbeiders
ingericht. De Papoea's varen in drie prauwen transport tusschen beide
Prauwbivaks en brengen in twee dagen alle vivres boven.
Door mij wordt met den inl. verkenner de weg verder verkend.
1/2 Aug. Het kleine zijriviertje, waaraan het bivak ligt, wordt
een eindweegs gevolgd, doch spoedig maken zeer groote steenen dit te
bezwaarlijk en wordt het ravijn aan den zuidkant beklommen. Zeer steil
gaat het omhoog, den weg kappende door een dichte begroeiing. Op het
eind van den eersten dag is de kam nog niet bereikt en maken wij bivak
op de helling. Water om rijst te koken of te drinken is tot vrij ver
in den omtrek niet te vinden, zoodat wij een flinke regenbui noodig
hebben, die dan ook gelukkig tegen den morgen komt. Wij behoeven dus
niet met een leegen maag op marsch te gaan.
Den 2en Augustus wordt door zwaar terrein doorgeklommen, tot wij den
kam bereiken en dezen verder volgen; de bergrug loopt voorloopig om
de ZW. tot WZW. Op een geschikte plek wordt 's middags bivak gemaakt
op 880 meter hoogte en hier zal een vivres-depôt A worden ingericht.
3 t/m. 5 Aug. De dragers loopen transport tusschen 2e Prauwbivak en
A. Den 4en Augustus kunnen zij door een hevigen bandjir de zijrivier
niet oversteken en verliezen zoodoende één dag.
De kapitein en ik zijn met den inl. verkenner en eenige soldaten in
het bivak gebleven en kappen deze dagen den weg verder.
7 t/m. 9 Aug. Kappen met de geheele colonne door, voortdurend den
kam volgende, die naar het westen en zelfs naar het NW. gaat loopen,
dus van het doel af. Wij wisten echter te zeker, dat wij op den goeden
weg waren, om ons hierdoor te laten misleiden.
Den 9en Augustus richten wij een 2e depôt B in op 1330 meter. Vooral
des nachts is het op deze hoogte al koud. Vanaf het begin van den
tocht hadden wij geen spoor van menschen gezien; niets dat op hunne
aanwezigheid duiden kan.
10 t/m 13 Aug. Tweemaal wordt transport geloopen van A naar B en in
dien tijd door ons de weg verder gekapt. De kam blijkt nu spoedig om
de Zuid te gaan loopen.
14 t/m 16 Aug. Kappen den weg verder tot 2000 M. hoogte (Depôt C). De
natuur wordt hoe langer hoe mooier. Boomen met dik-bemoste stammen
en takken; het mos glinstert van duizende druppels; op den bodem een
mostapijt, waarin men wegzinkt. Over heele stukken is het alsof men
door mosspelonken loopt.
17/18 Aug. Transportloopen van B naar C.
19 Aug. Rustdag; de dragers marcheeren nu achttien dagen achtereen
in dit zware bergterrein en hebben rust noodig. Zieken zijn er
betrekkelijk weinig; wel veel voetwonden, waaraan ik veel werk heb,
om ze elken middag te verbinden.