22 Juni. Zonder verdere bijzonderheden wordt de Opvaart voortgezet.

23 Juni. De rivier wordt soms vrij smal met feilen stroom, dan weer

breed, ondiep, met vele zandbanken en eilandvorming. Ten 2 uur 30

min. wordt bivak gemaakt nabij een nederzetting; terwijl de colonne

het bivak bouwt, gelukt het Stroeve en mij aanraking met de bewoners

te verkrijgen, die door het geven van geschenken op hun gemak worden

gesteld.

Totaal hebben wij vanaf Bataviabivak nu langs de rivier 250

K.M. afgelegd.

24 Juni. De zandbanken en ondiepten maken het lastig, de rivier op

te varen, zoodat wij besluiten op een geschikt punt het hoofdbivak in

te richten. Een eerste vereischte is, dat het bivak ten allen tijde,

ook met lage waterstanden, met de motorboot bereikbaar zal zijn,

zoodat deze alleen zonder prauwen de communicatie met Bataviabivak kan

onderhouden en vivres met alle andere noodige behoeften opvoeren. Ten

11 uur 30 min. vinden wij reeds een geschikte plek op den Noordelijken

oever en dadelijk, wordt een begin gemaakt met openkappen van het

bosch. Tot vijf uur wordt flink doorgewerkt en vele groote boomen

zijn reeds gevallen en opgeruimd door ze in de rivier te doen vallen

of rollen, waarna de stroom ze meevoert. Een tijdelijk nachtverblijf

wordt opgeslagen.

's Avonds krijgen wij uitzicht op het machtige Centraal-Gebergte,

dat over een sector van bijna 180° te zien is. Meer dan 150 hooge

en markante toppen kunnen worden gepeild. 's Nachts wordt met groote

nauwkeurigheid de plaats op lengte en breedte bepaald. Onze tijdmeters

en horloges hebben vanaf Bataviabivak zeer mooi geloopen en geven

zeer betrouwbare standen.

's Middags waren Papoea's, die, op het geluid van het boomen vellen,

zich op een zandbank even boven het bivak verzameld hadden, na lang

beraad op de vlucht gegaan. Dat was niets, die zouden wel terugkomen.

Dit Hoofdbivak wordt door ons Motorbivak gedoopt; de rivier is hier

ongeveer 1200 Meter breed; er bevinden zich zandbanken in, doch met

hoog water zijn deze geheel onder.

25 t/m 30 Juni. Er wordt voortgegaan het terrein geheel schoon te

maken; verder in het oerwoud worden stammetjes gekapt voor het

bouwen der barakken; een ploeg verzamelt en splijt rotan om als

bindmateriaal te dienen. Palmbladeren worden tot atap-dakbedekking

gevlochten enz., enz.

Den 26en Juni wordt de motorboot teruggestuurd naar Bataviabivak onder

dekking van 1 eur. sergeant + 4 karabijnen [24], met opdracht, daar

te wachten tot de rest der Rouffaerriviercolonne onder den kapitein

Schultz zou zijn aangekomen.

Het laat zich reeds aanzien, dat dit Motorbivak een goed bivak zal

worden. Het terrein is mooi droog; de rivier stroomt er vrij kalm

langs, zoodat er goede gelegenheid is om te baden. Verder is het

geheel blootgesteld aan bestraling der zon, wat voor een pas opengekapt

terrein een eerste vereischte is; geen enkele boom was blijven staan.

Wij treffen het prachtig met het weer; elken morgen en avond hebben wij

zicht van het Centraal-Gebergte en wij schieten met het peilingswerk

goed op.

Reeds den tweeden dag krijgen wij bezoek van Papoea's, die met 50 en

60 tegelijk gewapend aan komen zetten; het kost heel wat moeite om

onze eigen menschen goed aan het werk te houden, want deze kerels,

die vlak bij Motorbivak hunne kampongs hebben, brengen veel sago,

pisang en andere lekkernijen mede.

Den 30en Juni is de bivakbouw reeds zoover gevorderd, dat wij ons klaar

gaan maken om met de prauwen door te gaan. Het peilingswerk is hier

geheel gereed en de bivakdekking, die achtergelaten zal worden, kon

kalm het bivak verder voltooien, om de colonne Schultz te ontvangen.

1 Juli. 's Morgens wordt eerst nog een observatie genomen ter

verifieering der tijdmeters, ten 9 uur 30 min. wordt vertrokken met

7 prauwen.

Sterkte: 2 luitenants-ter-zee (Stroeve en ik), 1 inl. verkenner, 7

inl. fuseliers, 30 Biaksche Papoea's, 7 dwangarbeiders, totaal 47 man.

Als bivakdekking worden achtergelaten een inlandsch korporaal en vier

fuseliers, met opdracht het bivak verder af te bouwen.

Wij passeeren vele nederzettingen, waarvan wij vele mannen herkennen,

als zijnde reeds op bezoek in Motorbivak geweest. Overal bij de

huizen pisang-tuinen. Aan den oever veel pinang- en niboeng-palmen

en een menigte broodboomen; langs de rivier zien wij bijna geen

sago meer. Voor het eerst wordt hier op de zandbanken fijn grint

aangetroffen; de rivier is hier ongeveer 500 meter breed.

Van uit het bivak, dat ten 2 uur 30 min. gemaakt wordt, wordt in

noord-noord-westelijke richting bergland gepeild op naar schatting

40 KM. afstand; dit moeten toppen van het Van Reesgebergte zijn,

die de meervlakte aan de noordzijde begrenzen.

2 Juli. De rivier vormt vele eilanden, zoodat het kiezen van den goeden

arm dikwijls moeilijkheden oplevert, want wij mogen geen belangrijke

zijrivier voorbijvaren.

Tegen den middag komen wij aan den mond van een flinke, 200 à 300

m. breede linker zijrivier, die grintbanken bevat en zeer helder water

afvoert. Wij besluiten deze linker-zijrivier A eerst samen op te gaan,

om te zien of het de moeite waard is de colonne te splitsen.

Deze rivier is zeer dicht bevolkt; overal huizen en tuinen; spoedig

krijgen wij vriendschappelijke aanraking met de bewoners en ruilen

sago, trossen pisang en ketella voor kleine stukjes blik of een

enkele kraal. Heele drommen gewapende mannen snellen in den looppas

vooruit, over de banken, onder het geroep van oewà-oewà-oewà-wà-wà,

om dan plotseling als op commando keert te maken en als één massa

weder op ons los te stormen, 't Leek vrijwel op een soort krijgsdans,

dus hielden wij een oogje in het zeil en waren op eventueel omkeeren

van hunne stemming voorbereid.

's Middags wordt bivak gemaakt op een 20 meter breede, droge strook

aan den oever; daarachter begint een diep sagomoeras.

's Nachts zware regen, de rivier bandjirt sterk en wij hebben handenvol

werk om geen prauwen te verliezen.

3 Juli. Gisteren hebben wij reeds gezien, dat de zijrivier A voldoende

groot is om de colonne in tweeën te splitsen. Wij willen echter eerst

nog bij de samenvloeiing een nauwkeurige plaatsbepaling nemen en de

voornaamste toppen, die wij van uit Motorbivak peilden, hier ook nemen,

zoodat wij dan reeds een vrij aardig overzicht krijgen van den loop

van het bergland en van de richting der ketens.

Ten 8 uur zijn wij reeds ter plaatse en bouwen tegelijk met het

bivak op eiken oever in een hoogen boom een stellage, van waaruit

wij een goed uitzicht om de zuid hebben. De inl. verkenner wordt met

een prauw, 2 fuseliers en 8 Papoea's uitgestuurd om nog een grooten

zijtak te verkennen; dit blijkt echter geen zijrivier, maar een arm

van de hoofdrivier te zijn. 's Avonds astronomische plaatsbepaling.

4 t/m. 6 Juli. De observatiestellingen komen gereed, doch 's morgens

en 's avonds hebben wij zwaren regen, zoodat wij niets opschieten:

den 5en Juli wederom geen uitzicht.

Den 6en begint hetzelfde, doch tegen den middag klaart het op,

't zonnetje breekt door; dit geeft hoop voor den avond tegen

zonsondergang.

Ten twee uur 's middags worden Stroeve en ik gewaarschuwd, dat een

groot aantal gewapende Papoea's zich verzamelen op een zandbank even

boven het bivak. Er bleken reeds ongeveer 100 man te zijn; telkens

kwamen nog meer prauwen vol krijgers aan. Voortdurend wordt door hen

gezamenlijk de krijgsdans uitgevoerd. Ons bivak wordt gealarmeerd;

ongewapende roeiers in het midden geplaatst met alle zeven soldaten

er bij, terwijl Stroeve en ik den aanval meer naar voren zouden

afwachten. Toen dan ook na circa een kwartier de 150 man sterke

troep den aanval begon, vond zij ons gereed en werd zij gemakkelijk

afgeslagen.

Tegen zonsondergang prachtig uitzicht op het gebergte, zoodat wij

met het peilingswerk gereed komen. Morgen zullen wij ons splitsen in

2 colonnes, Stroeve zal de zijrivier A opgaan, ik de hoofdrivier.

7 Juli 1914. Het eerste vertrekt 's morgens Stroeve met 3 prauwen uit

het "Splitsingsbivak." Sterkte: 1 luitenant-ter-zee, 3 inl. fuseliers,

12 Papoea's, 4 dwangarbeiders, totaal 20 man.

Daarna vertrekt mijne colonne in 4 prauwen. Sterkte: 1

luitenant-ter-zee, 1 inl. verkenner, 4 inl. fuseliers, 18 Papoea's,

3 dwangarbeiders, totaal 27 man.

Ten 8 uur 30 min. steekt de laatste prauw af; de hoofdrivier buigt om

de zuid en blijft den geheelen dag in zuidelijke richting loopen. Langs

den geheelen oever nederzettingen en tuinen; op enkele plaatsen wordt

aanraking met de bevolking verkregen en broodvruchten, suikerriet en

sago geruild. Ten 12 uur 30 min. breekt de rivier door een heuvelketen

heen en zijn wij op den rand der groote meervlakte. In de rivier

bevinden zich reeds groote grintbanken. Ten 2 uur wordt bivak gemaakt.

8 Juli. 's Morgens vertrokken, hebben wij reeds spoedig te kampen met

stroomversnellingen. De rivier-, oevers zijn heuvelachtig; de stroom

zelf is minstens 1000 meter breed, wordt echter door grintbanken en

eilanden dikwijls in vier of meer takken verdeeld. Op de steenbanken

bevinden zich al brokken van 1/2 Meter. Het is opvallend, hoe snel

het karakter van de rivier veranderd is. In de versnellingen vinden

wij geen nederzettingen aan de oevers meer. Het water is nog altijd

bruin en zanderig, het typische Mamberamowater. De begroeiing van

den oever verandert eenigszins, glagah (riet) komt niet meer voor;

behalve broodboomen, pandanus en pinang, treffen wij in het oerwoud

op de heuvelhelling ook een soort naaldboomen en groote boom varens

aan. Bij het bivak, dat wij op den achtermiddag maken, vind ik,

op de jacht zijnde, een goed beloopen Papoeapad op den rechteroever.

9 Juli. 6 uur 30 min. vertrek; aan één stuk door versnellingen; 8 uur

hebben wij een prachtig uitzicht op het Hooggebergte en blijkt, hoe

dicht wij dit reeds naderen. Een grintbank wordt als observatiepunt

gekozen en theodolietmetingen verricht. Tevens worden panoramaschetsen

gemaakt.

Recht in het zuiden is een zwaar, diep ravijn, dat als het ware den

ongeveer 3000 M. hoogen O-W. loopenden bergketen loodrecht snijdt. Dit

moet vrij zeker de bedding der Rouffaerrivier zijn, zoodat deze dan

zijn oorsprong op de Carstenstoppen zal hebben, in aanmerking genomen

den grooten waterafvoer op dit punt.

Ten 1 uur wordt een linkerzijrivier B gepasseerd, die helder water

afvoert en reeds bij de uitmonding grintbanken en versnellingen

vertoont. Deze rivier zal voor later bewaard worden.

De Papoearoeiers doen hun best, maar zijn in dit versnellingterrein

niet in hun element. Zeer langzaam gaan zij vooruit.

10 Juli. De rivier blijft breed met groote grintbanken, tot zij zich

's middags tegen 2 uur plotseling versmalt van 800 M. tot 100 à 150 M.

Dit is het punt, waar de rivier uit het gebergte treedt; de stroom

wordt feller en de oevers steil, vaak loodrechte bergwanden, en het

laat zich aanzien, dat aan den prauwentocht spoedig een einde zal

komen, 's Avonds en 's nachts een astronomische plaatsbepaling.

11 Juli. De ware plaats wordt uitgerekend en de bergpeilingen der

laatste dagen op de kaart bijgewerkt. Voor de roeiers is het vandaag

rustdag.

12 Juli. Wij vorderen nog enkele K.M. om de zuid; de versnellingen

worden echter voor de Papoea's te zwaar, zoodat ik besluit op een

geschikt punt het Prauwbivak in te richten. Op een plek, waar langs de

steile helling een helder stroompje naar beneden stort, wordt het woud

opengekapt en een voorloopig bivak betrokken. Dit heldere water kwam

goed te pas, want het water der hoofdrivier is modderiger dan ooit en

heeft bijna een chocoladekleur. De rivier is hier ongeveer 60 M. breed.

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 9 / 23 题