IV.

Onze Dajaks.

Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over

dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander

mededeelen.

In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de

Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe

onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders,

in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit

reizen en trekken over te halen zijn.

Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen

zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor

ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de

Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan

juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken

van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend

voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie

van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun

loon was f 1.- per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het

Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.

In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit

onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip

gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in

de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak

gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.

Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink

volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen

krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie

slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten

te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks;

rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij

opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks

in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den

geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige

werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste

dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan

het verstand te brengen.

Aan kleeding hebben zij niet veel "om het lijf." Een hoofddoek om

het lange sluike haar, een "tjidako" om de lendenen; een enkelen ring

om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt

hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden

een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.

Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren

en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.

Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met

flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand

van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aan te geven. Op de

vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde

Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: "Gampang sadjah." [16] De

greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft

twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne

rottan en met haar (in den "goeden" tijd van gesnelde koppen; thans,

onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een

bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met

langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.

Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp

met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het

is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog

niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen

gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een

soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld

bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven

als op de hoeden gezien werden.

Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was

toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de

snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik

en vaak fraai versierd.

Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold

en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm

breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men

dan het blioengijzer 1/4 slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst

doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder

en eenigszins gebogen zijn.

De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in

Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij

ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een

kunst, die ze goed verstaan.

Elke Dajak heeft zijn "Rücksack." Het is een mandje van fijn

gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat

er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den

rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar

achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.

Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets

steviger dan die van de Papoea's, maar het blad is wat smaller.

Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer

nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur

en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een

buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken

zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea's;

ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij,

dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.

Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd

aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch;

maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De

blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en

in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra

vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe,

dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, "wij werken

hard genoeg." En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig

was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde,

voor hij "het bijltje er bij neerlei."

Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten

vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de

barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en

dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken

eenig letsel bekomen.

Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein

"raseerden"; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van

die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde

zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat

hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde,

doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend

gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen

ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerden zij zich niet;

die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware

chaos van gevelde stammen door elkaar.

Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten

staan, dan is het antwoord: "Zonsbestraling en uitdamping zijn

hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak".

Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later

weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak;

alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en

goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven,

maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.

Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden;

zij waren aangenomen op 3/4 kg. daags, terwijl ons marschrantsoen

1/2 kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de

rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.

Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het "regiment" trok aanstonds

aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen

en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen

in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van;

de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en

vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen,

zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.

Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor

Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij

vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De

afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks

onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken

in de versnellingen.

Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de

prauw in den "neer", de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de

rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel

uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte,

voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen;

een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah,

dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort;

de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de

gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de

steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water

klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water,

alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40,

50 versnellingen passeerden.

In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een

achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen

en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando,

alleen een gemeenschappelijk begrijpen.

Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen

de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke

val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal

verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een

zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop

kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival,

die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun

stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden,

dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar

lang en sterk touw hadden.

Nu, daaraan was geen gebrek!

Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard

en in 1 1/2 uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen,

de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de "Valk";

een klein europeesch gevoel bekroop ons even.

Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de

stoomfluit van de "Valk" bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg

noodig, om 's avonds nog in zee te kunnen zijn.

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 6 / 23 题