Onze Dajaks.
Een der eerste échelons bracht 40 Dajaks in Pionierbivak en over
dezen niet genoeg te waardeeren hulptroep wil ik eerst een en ander
mededeelen.
In het noordoosten van Nederlandsch Borneo, aan den bovenloop van de
Kajan, die bij Boeloengan in zee valt, woont de Dajakstam, waartoe
onze menschen behooren. Het is wel merkwaardig, dat deze inlanders,
in tegenstelling met zoovele andere rassen in den Archipel, tot dit
reizen en trekken over te halen zijn.
Reeds bij meerdere expedities van gelijke soort als de onze bewezen
zij uitstekende diensten en ook nu weer waren zij bij uitstek voor
ons doel geschikt. De Kajan, is mij verteld, is veel wilder nog dan de
Mamberamo; wie konden ons dan beter door de versnellingen brengen dan
juist deze Kajan-menschen? In het kappen van boomen en het bewerken
van hout hebben zij hun gelijke niet; wie waren dan beter geëigend
voor bivakbouw en prauwenmaken dan deze Dajaks? Een ideaal-exploratie
van deze soort zou uitsluitend met Dajaks moeten werken; maar hun
loon was f 1.- per dag buiten den kost, terwijl dwangarbeiders het
Gouvernement alleen op kosten van rantsoen komen.
In een bewegelijke en vroolijke rij zwermden ze achter elkaar uit
onze motorboot, die hen met een sloep in éénen trek uit het schip
gehaald had. Zij gingen eerst hun lijfgoed in veiligheid brengen in
de voor hen aangewezen barak; want zoover was de bouw van het bivak
gevorderd, dat we ruimte hadden voor al onze nieuwe menschen.
Dat gaf mij gelegenheid hen op mijn gemak te bekijken. Het was flink
volk, dat de controleur van Boeloengan voor ons geworven had: allen
krachtig en gezond, vlug, sierlijk en zeker in hun bewegingen. Men zie
slechts onze afbeelding om met mij deze fraai gespierde gestalten
te bewonderen; links staat Hanji Ipoei, het hoofd der Dajaks;
rechts Boejau Awan, een handige kerel met veel invloed. Terloops zij
opgemerkt, dat een boom van den omvang als op de foto door 4 Dajaks
in den tijd van een half uur wordt geveld! Op blz. 157 ziet men den
geheelen stam, zooals zij elken morgen om half zeven met de overige
werkkrachten aantraden om in ploegen te worden ingedeeld; de eerste
dagen kostte het heel veel moeite hun deze eenvoudige manoeuvre aan
het verstand te brengen.
Aan kleeding hebben zij niet veel "om het lijf." Een hoofddoek om
het lange sluike haar, een "tjidako" om de lendenen; een enkelen ring
om arm of been, gewoonlijk van melindjoe-bast. Het sluike haar hangt
hun tot even onder den nek, langer groeit het niet. Sommigen hadden
een jasje van boomschors, door de vrouwen met rood band gegarneerd.
Allen droegen een grooten ronden platten hoed, gemaakt uit palmbladeren
en rottan, waarop verwonderlijke motieven waren gestikt.
Het wapen van den Dajak is de mandau, een zwaard van 40 cM. lengte met
flauw gebogen lemmet. Licht en vlijmscherp als het is, weet de hand
van den Dajak er een bijzonder indringingsvermogen aan te geven. Op de
vraag, of hij met éénen slag een menschenhoofd kon afslaan, antwoordde
Hanji Ipoei met een bescheiden lachje: "Gampang sadjah." [16] De
greep van den mandau is vaak zeer sierlijk bewerkt; een foto geeft
twee oorlogsmandaus en hun scheeden, versierd met vlechtwerk van fijne
rottan en met haar (in den "goeden" tijd van gesnelde koppen; thans,
onder humaner régime, van geiten). Aan de scheede van hout is een
bijscheede van boomschors, waarin een klein vlijmscherp mesje met
langen houten steel; dit dient voor alle voorkomend snijwerk.
Een ander wapen van den Dajak is mij verteld te zijn de lange blaaspijp
met korte vergiftigde pijlen; hiervan was niets meegenomen. Doch het
is zeker, dat de Dajaks zeer bang voor pijlen waren en zij waren nog
niet lang bij ons of een opgewekte schildenindustrie was in vollen
gang. De schilden, evenals andere groote voorwerpen, zooals b.v.b. een
soort guitaar, werden uit één stuk hout gehouwen en met veel geduld
bewerkt; ten slotte werden ze beschilderd met dezelfde krul-motieven
als op de hoeden gezien werden.
Was de blioeng of bijl niet zoozeer een wapen van den Dajak, het was
toch een onmisbaar werktuig. Het ijzer is klein, 15 cM. lang en de
snede niet breeder dan 6 cM. De steel is aan het uiteinde vrij dik
en vaak fraai versierd.
Met den blioeng worden de zwaarste boomen geveld, gespleten, uitgehold
en planken voor prauwenboorden gemaakt van 20 M. lengte bij 3 palm
breedte en 3 duim dikte. Om de laatste te vervaardigen, heeft men
dan het blioengijzer 1/4 slag gedraaid, zoodat het als schaaf dienst
doet; liever gebruikt men er aparte ijzers voor, die dunner, breeder
en eenigszins gebogen zijn.
De ijzers voor mandau en blioeng worden den Dajaks tegenwoordig in
Boeloengan door Chineesche handelaars verkocht; vroeger smeedden zij
ze zelven in den door hen gewenschten vorm, want het smeden is een
kunst, die ze goed verstaan.
Elke Dajak heeft zijn "Rücksack." Het is een mandje van fijn
gevlochten dunnen rottanvezel van diverse kleuren, zoodanig, dat
er weer onderscheidene motieven in zijn geweven. Het wordt op den
rug gedragen aan twee draagkoorden, die over den borst en weer naar
achteren loopen; zooals een soldaat zijn ransel draagt.
Iedere Dajak heeft ook zijn eigen pagaai of dajong. Ze zijn iets
steviger dan die van de Papoea's, maar het blad is wat smaller.
Met hun levendige vroolijkheid, hun fraaie gereedschappen, maar meer
nog door hun krachtigen bouw, hun lichtbruine, bijna gele huidskleur
en hun groote zindelijkheid op het lichaam maakten de Dajaks een
buitengewoon prettigen indruk. Riviermenschen als zij zijn, duiken
zij elk oogenblik in het water, in tegenstelling met de Papoea's;
ongunstig hiertegenover staat de onzindelijkheid van hun eetgerij,
dat er soms verbazend onsmakelijk kon uitzien.
Dit veertigtal modelmenschen dan, nauwelijks aan wal gestapt, werd
aanstonds aan het werk gezet. Hanji Ipoei verstond geen Maleisch;
maar Ileh, een hoofdenzoon, wèl en deze bracht alle bevelen over. De
blioengs kwamen te voorschijn, alle groote boomen in het lage en
in het hooge bivak stonden reeds lang ongeduldig te wachten, weldra
vlogen de spaanders rond. Het was een lust om te zien. Is men moe,
dan wordt een strootje opgestoken; overhaasting schaadt, "wij werken
hard genoeg." En zoo viel een dikke boom in een half uur; zoodanig
was hun uithoudingsvermogen, dat ik van een Dajak 180 slagen telde,
voor hij "het bijltje er bij neerlei."
Merkwaardig is de groote juistheid, waarmee de Dajaks een boom laten
vallen in de gewenschte richting. Verschillende boomen, tusschen de
barakken staande, mochten slechts deze of gene richting uitvallen en
dikwijls hielden wij ons hart vast; doch nooit heeft een der barakken
eenig letsel bekomen.
Even merkwaardig is de economie, waarmee de Dajaks een boschterrein
"raseerden"; nooit viel een boom alleen, doch steeds een heele rij. Van
die rij was dan elke boom half of driekwart ingekapt, alle aan dezelfde
zijde. Ten slotte werd dan een groote zware boom geveld, doch zoo, dat
hij in zijn val tegen nummer twee aankwam, die, half aangekapt zijnde,
doorbrak en nummer drie meenam en zoo voort. Onder een oorverdoovend
gekraak viel de heele rij en de Dajaks juichten vroolijk, doch sprongen
ijlings weg. Om de middelsoort stammen bekommerden zij zich niet;
die gingen vanzelf mede in den grooten val. Het was dan een ware
chaos van gevelde stammen door elkaar.
Vraagt men, waarom wij al dit zware hout niet eenvoudig lieten
staan, dan is het antwoord: "Zonsbestraling en uitdamping zijn
hoofdvereischten voor een gezond hoofdbivak".
Geen wonder, dat we deze kerels veel toestonden en dat bleek toch later
weer verkeerd. Evenals elk mensch, hielden ook zij van hun gemak;
alleen een streng régime kon maken, dat ze zonder toezicht veel en
goed werk leverden. In het begin echter werden ze een beetje bedorven,
maar, zooals ik zeg, het was begrijpelijk.
Verwonderlijk was de hoeveelheid rijst, die zij verwerken konden;
zij waren aangenomen op 3/4 kg. daags, terwijl ons marschrantsoen
1/2 kg. was. Na een Dajak-maaltijd was niets vermakelijker dan de
rij gespannen buikjes en de voldane gezichten te zien.
Niet alleen onze Dajaks, ook de rest van het "regiment" trok aanstonds
aan den slag. Een partij dwangarbeiders bleef op de lossende sloepen
en versjouwde op den wal; een partij fuseliers ging rottan halen
in de rimboe, ging het splijten en maakte er bindmateriaal van;
de rest van de dwangarbeiders haalde stammen voor bouwmateriaal en
vatte met kracht den barakkenbouw aan. Het was een waar genoegen,
zooveel bedrijvigheid; mijn koorts vergat ik geheel en al.
Den 24en December maakten de Militaire Commandant van Ambon, majoor
Gooszen, kapitein Oppermann en ik een tocht naar de Marinevallen. Wij
vertrokken weder in onze twee prauwen, elk met zes Dajaks bemand. De
afstand van 30 KM. werd in 7 uren afgelegd. Wederom maakten de Dajaks
onze bewondering gaande, nu door het voorbeeldeloos handige werken
in de versnellingen.
Een versnelling wordt als volgt genomen: met goede vaart nadert de
prauw in den "neer", de Dajaks roeien hun gelijkmatigen slag. Nabij de
rolsteenbank, als er grond gehaald kan worden, springt het meerendeel
uit de prauw; de vanglijn (touw of rottanstengel van 10 m. lengte,
voor aan de prauw verbonden) wordt uitgeloopen en in handen genomen;
een man vat den kop der prauw; twee man voorin nemen elk een gallah,
dat is een langen soepelen stok en boomen de prauw daarmee voort;
de stuurman blijft achterin. Nu gaat het over de rolsteenbank: de
gallah-menschen en de man aan den kop houden de prauw vrij van de
steenen, de vanglijn-menschen trekken, de stuurman stuurt. Het water
klotst gezellig links en rechts, weldra is de prauw weer in glad water,
alleen een paar voet hooger dan zooeven. Ik reken, dat we zoo een 40,
50 versnellingen passeerden.
In elke prauw zijn twee stuurlui: een voor (pandjerwallah) en een
achter (djoeroemoedi). Beide werken zonder commando absoluut samen
en evenzoo zij met de roeiers. In een Dajak-prauw is geen commando,
alleen een gemeenschappelijk begrijpen.
Ten drie ure in den middag stonden we voor het panorama. Daar lagen
de Marine-vallen in al hun moeilijkheid voor ons. Geen eigenlijke
val, maar een zware versnellings-combinatie, het rivierbed driemaal
verbreed, het water vlietend, al golvend en kolkend, tusschen een
zevental rotsige eilandjes. Dat was geen kinderspel! En stroomop
kijkende, wachtte ons geen vertroosting. We wisten, daar lag de Edival,
die nog een haartje lastiger was. Doch de Dajaks waren niet van hun
stuk te brengen; zij zagen den toestand niet zwaar in en verklaarden,
dat de groote motorboot daar best doorheen zou komen, als we maar
lang en sterk touw hadden.
Nu, daaraan was geen gebrek!
Met goede hoop en vasten wil voor later werd de terugtocht aanvaard
en in 1 1/2 uur volbracht; het was bijna donker, toen we terugkwamen,
de bivakvuurtjes brandden hier en daar. Het was dîner op de "Valk";
een klein europeesch gevoel bekroop ons even.
Den volgenden morgen, 25 December, om 6 uur reeds hoorden we de
stoomfluit van de "Valk" bij den grooten bocht; dat was zoo vroeg
noodig, om 's avonds nog in zee te kunnen zijn.