V.

Den Mamberamo op met het exploratie-detachement van de

Noordkust.--Toebereidselen.

Einde Maart 1914, na onze terugkomst uit het Bonggogebied, [17] kon

de exploratie van de kustgebieden van Noord-Nieuw-Guinee als gereed

worden beschouwd en werden te Manokwari toebereidselen gemaakt voor

het vertrek naar Pionierbivak.

Een der laatste dagen van Maart lichtte het Gouvernements-stoomschip

"Zwaan" het anker, om ons naar den beruchten Mamberamo te brengen. Het

detachement stond onder bevel van den kapitein der infanterie Schultz;

verder gingen mede 1e luitenant der infanterie Schulze en schrijver

dezes. Mijn collega, luitenant-ter-zee Stroeve was nog niet terug van

zijne expeditie in het Van Reesgebergte (Groote Kerkberg of Kamoeso

Pedai) en zou met de eerstvolgende gelegenheid nakomen.

Het detachement bestond uit een uitgelezen troep inlandsche fuseliers

en dwangarbeiders. Bijna allen waren reeds eenige jaren te Manokwari en

hadden in elk geval mij op alle tochten in de laatste anderhalf jaar

vergezeld, zoodat dit een uitstekend getrainde en aan het klimaat

gewende troep mocht heeten. Niettegenstaande dit alles, waren er,

toen in Juni de groote tocht begon in de westelijke Meervlakte,

nog slechts enkele van deze oude garde over.

Het opvaren van den Mamberamo liep vlot van stapel, de gezaghebber

van de "Zwaan" en ik keken nog wel even het plekje aan, waar wij in

1913 met het schip een dag of zes vast zaten. [18] Den avond van

den eersten dag, toen wij voor anker lagen, werd onze genoeglijke

rust plotseling verstoord, doordat een dwangarbeider een collega

vermoordde. 't Was geen prettig begin van onzen Mamberamotocht.

Over het opvaren van de rivier zal ik verder niet uitweiden; in de

vorige hoofdstukken heeft collega Langeler reeds voldoende hierover

verhaald.

Wij kwamen zonder verdere ongelukken een der eerste dagen van April

's middags voor Pionierbivak ten anker en begonnen dadelijk te

debarkeeren en de lading te lossen.

Wij hadden een motorboot medegebracht, met 8 P.K. Brooke's motor,

vaart ± 8 mijl, die bij het lossen goede diensten bewees.

De eerste indruk, dien ik van Pionierbivak kreeg, was niet zoo heel

gunstig; tenminste wat aangaat de sombere, gedrukte stemming, die

er heerschte. 's Morgens een schier eindeloos ziekenrapport bij den

dokter; het meerendeel der fuseliers en dwangarbeiders onder den indruk

van de reeds gebeurde prauwongelukken in de versnellingen en het was

mij dan ook een waar feest, toen ik opdracht ontving om te trachten,

de motorboot en een stoomsloep boven de vallen naar Bataviabivak

te brengen.

Eenige toebereidselen waren spoedig gemaakt en den 4den April 's

morgens vertrok ik met de motorboot en 4 prauwen. De colonne bestond

uit 11 militairen, 5 matrozen, 2 dwangarbeiders en 24 Papoea's. Deze

laatsten gingen mede, om zoo noodig de boot aan een tros voorbij

lastige hoeken te trekken.

Reeds dadelijk bemerk ik, dat het niet zoo vlot zal gaan, want hoewel

de boot bijna 8 mijl haalt, kruipen wij langs den oever vooruit en

moeten reeds tegen den middag het prauwtransport inwachten om een

uitstekenden hoek, waar een felle stroom langs trekt, voorbij te

komen. En nu zijn wij nog beneden de versnellingen en vallen!

Ten 3 uur 30 min. komen wij voor de eerste versnelling waar een

ontzaggelijk groote steen "de tulband" den weg verspert en diepe

draaikolken veroorzaakt. Er wordt getracht een dikken manillatros uit

te brengen door een prauw, bemand met 5 Papoea's; deze prauw slaat vol

water en verdwijnt met mijn kroeskoppen in de draaikolken. Afsteken

met de motorboot is het werk van een oogenblik; gierend en tollend

snuiven wij de draaikolken door en hebben het geluk de brave kerels

te redden. De boorden der prauw worden hierbij echter stukgevaren en

de geheele prauw moet worden achtergelaten. Ik behoef niet te zeggen,

dat deze redding ons weder een heel eind benedenstrooms heeft gebracht

en na veel moeite bereiken wij tegen donker voor de tweede maal den

"tulband", waar bivak gemaakt wordt en nieuwe krachten verzameld

worden voor wat de morgen zal brengen.

Den volgenden dag komen reeds vroeg 8 prauwen met circa 90

dwangarbeiders en Papoea's van de hoogerop gelegen étappen om te

helpen. Het gelukt nu een tros uit te brengen en met behulp van de

120 man, die uit alle macht aan den tros halen, terwijl de motor

volle kracht draait, passeeren wij dit eerste lastige punt.

Verder is het nu bijna bij elken hoek noodzakelijk de boot te

trekken. Reeds dezen tweeden dag laat de motor ons in den steek;

het zeer zandige Mamberamo-water had de circulatiepomp verstopt

en zelfs reeds averij aan de pomp veroorzaakt. De herstelling gaat

gelukkig vrij voorspoedig en ten 4 uur namiddag zijn wij beneden de

Marine-vallen, die er op het eerste gezicht niet malsch uitzien om

te passeeren. De tros wordt uitgebracht en een oogenblik later is

de val achter ons. Wij betrekken bivak in de Etappepost I, die als

een roofnest hoog tegen de rotshelling gebouwd is en vanwaar men

een schitterend uitzicht heeft over de Marine-vallen, 's Avonds en

's nachts, als het bivak in diepe rust gedompeld is, hoort men het

bruisen van het water als van een zware branding.

Den volgenden morgen wordt eerst de colonne van luit. Schulze,

die inmiddels ook hier aangekomen is, met de motorboot naar den

rechteroever der rivier gebracht, om een tocht te maken in de richting

van den Apauwar; daarna gaat het weer vooruit, stroomopwaarts.

Bij het punt tusschen Marine- en Edivallen waar korten tijd tevoren

een prauw verongelukte en 1 fuselier met 7 dwangarbeiders verdronken,

geraakt een prauw, met 1 Papoea er in, in drift en deze ontsnapt

ternauwernood aan den dood. Een schielijk toegeschoten prauw met zes

Dajaks wist hem te bereiken en naar den oever te brengen. Dit punt is

wel het gevaarlijkste van de geheele versnellingenreeks; een kleine

fout behoeft slechts gemaakt te worden door de stuurlui en de prauw

is met de inzittenden reddeloos verloren. Ten 2 uur zijn wij voor de

Edivallen; hierbij vergeleken zijn de Marinevallen maar kinderspel;

het water stroomt met circa 20 mijl (= 36 KM.) snelheid tusschen de

steile rotswanden door, overal bevinden zich rotsen, boven, in en

onder water. Ten 4 uur is alles pas gereed om te trekken; de val wordt

gepasseerd en de hoogst gevaarlijke oversteek naar den rechteroever

even bovenstrooms van den val wordt zonder fout gemaakt. Bivak wordt

gemaakt in Etappepost II; het lastigste deel van de vallen is nu

achter den rug.

Den 7en April vroeg vertrokken, moeten wij in den beginne

eenige malen den sleeptros gebruiken; daarna stoomen wij door

en komen verder zonder hulp voor Etappepost IV, even vóór de

Bataviaversnellingen. Het prauwtransport is 's avonds niet aangekomen,

zoodat wij den volgenden morgen vertrekken met eenige fuseliers van

de fortbezetting. Herhaaldelijk moet getrokken worden. Bij één der

laatste malen raakt een Inlandsch fuselier te water en verdrinkt;

oogenblikkelijk werd de sleeptros gekapt, doch ik kwam te laat;

eenige meters voor den boeg kwam de drenkeling voor de laatste maal

even boven, om voor goed in een kolk te verdwijnen.

Tegen half elf 's morgens ligt de motorboot voor Bataviabivak,

met circa 400 K.M. goed bevaarbare rivier voor zich; behoudens een

reparatie aan de voering der circulatiepomp hadden motor en boot

geen averij.

Voor de muskietenplaag in Bataviabivak vluchten wij naar beneden

en ontmoeten bij Etappepost IV het prauwentransport. Nu moest

de stoomsloep, die bij de Edivallen ligt, naar boven gebracht

worden. Ik zoek 20 van de beste Papoea's uit, die hierbij zullen

helpen en vertrek in mijn prauw, alleen bemand met Papoea's, naar

beneden. Hoe vertrouwd deze echte zeelui in de hoogste branding zijn,

de verraderlijke rivierversnellingen kennen zij niet en doordat het

zulke waterrotten zijn, minachten zij het gevaar te veel. Mijn prauw

sloeg dan ook even boven de Edivallen half vol water en het scheelde

werkelijk niet veel of wij hadden ons testament kunnen maken. Enfin,

tegen donker, zat ik rustig op een tuinbank bovenop een hooge rots aan

den kant van den Edival naar het werkelijk machtige natuur-tafereel

te kijken en onwillekeurig komt dan de gedachte op: wat zal de dag

van morgen weer brengen? [19]

Den 9en April wordt de stoomsloepketel nagezien; er blijken 4

vlampijpen lek te zijn; de dag gaat voorbij met deze te stoppen en

de machine gereed te maken, want dit goede oude stoomsloepje (reeds

4 jaren bij het Exploratiedetachement) loopt lang geen 8 mijl en zal

een zwaren dobber hebben.

Den 10en April vertrekken wij reeds vroeg, met de stoomsloep en 3

prauwen. De colonne is sterk: 5 man "bemanning stoomsloep", 3 Dajaks,

19 Papoea's.

Zonder veel moeite worden de verschillende versnellingen genomen,

doch ongeveer om 10 uur blijken weer vlampijpen lek te zijn; het vuur

wordt getrokken, de pijpen gerepareerd en ten half twee 's namiddags

wordt weder stoom gestookt. Van 4 uur tot donker leggen wij nog een

goed eind af.

's Nachts om half twee begint de machinist Kasmo, die 's avonds tot

half elf was bezig geweest, ketel en machine na te zien en ten half

zeven gaan wij onder stoom. De ketel houdt zich nu best, maar nu legt

de voedingpomp [20] het af, zoodat wij elk half uur moeten stoppen

om met de hand bij te pompen.

12 April ten 2.30 uur komen wij met ons kleine troepje voor Etappepost

IV aan, de post even beneden de Batavia-versnellingen. Mijn Papoea's

komen wat later, dus er is geen gelegenheid meer, vanmiddag nog door te

gaan. Dit was anders wel wenschelijk geweest met het oog op het dalende

water. Sinds 8 April is het water hier ruim 1 1/2 M. gedaald. De

stroom is echter minder, zoodat het morgen bij voldoende water niet

lastig zal zijn.

Den 13en April ten 6.30 uur vertrokken wij van post IV; ten 7 uur, bij

den eersten hoek, slaat de stoomsloep los van de vanglijn, zwaait om en

vóórdat de vanglijn is binnengehaald, zit deze reeds in de schroef en

vliegt de sloep weerloos met 10 mijls vaart de zwaarste versnelling

in. Schoenen en jas uittrekken is het werk van een oogenblik. In

10 seconden draait de sloep drie malen rond; is daarna gelukkig de

zwaarste versnelling gepasseerd en tolt achtereenvolgens nog meerdere

kolken door. De Papoea's, die allen reeds met de prauwen aan den wal

waren, zaten verbijsterd van schrik het geval aan te kijken, zonder

zelfs maar iets te probeeren.

Niet alzoo Tamantojan, de beste aller Dajaks; hij was de eenige Dajak,

die aan den wal was, want hij had de vanglijn uitgebracht; de andere

twee Dajaks zaten bij mij op de sloep, dus konden evenmin als ik wat

uitvoeren. In een prauw met Papoea's springende, steekt Tamantojan,

gillende en joelende de Papoea's aanvurende, van wal en stuurt dwars

door de kolken op ons aan. De kroeskoppen roeien als duivels; door

dit voorbeeld steken de twee andere prauwen ook af en toen de sloep

in kalmer water was gekomen, waar getracht kon worden den tros uit de

schroef te snijden, waren de drie prauwen bij de hand om zoo noodig

te helpen. Eindelijk hebben mijn Inlandsche bootsman Doelah en een

matroos den tros losgesneden; de machine draait nog, er wordt weer den

wal ingestuurd en de poging wordt herhaald, ditmaal met meer succes.

Zooals met de motorboot was geschied,--oversteken naar den anderen

oever tusschen twee versnellingen door,--daar is nu geen denken aan,

zoodat de rechteroever wordt gehouden. Voortdurend wordt getrokken

langs stukken van circa 200 meter. De serang [21] Doelah wordt telkens

bij de Papoea's aan den wal gezet, omdat het noodzakelijk is, iemand

bij de trekkers te hebben, die fluitsignalen begrijpt. Zelf houd ik

het roer en zonder verdere ongelukken bereiken wij het Batavia-bivak,

alwaar ik een foto maak van het handige, onversaagde troepje. Ook

mijn Papoea's worden vereeuwigd.

De muskieten doen ons weder vluchten naar Post IV, waar overnacht

wordt.

Den 14en April terugkomst in Pionier-bivak, alwaar ik van den

kapitein vernam, dat ik over eenige dagen, als de "Zwaan" weder zou

zijn gekomen, met deze terug zou gaan naar Manokwari, om aldaar of

elders Papoea's in te huren.

De tegenwoordige Papoea's, die er sedert December of Januari al waren,

hadden in het geheel niet voldaan. Ik kan ook niet zeggen dat het een

gunstige collectie was; maar het absolute fiasco met deze lieden was

naar mijn bescheiden meening in hoofdzaak een gevolg van gebrek aan

bekendheid met hen; het was het exploratiedetachement uit Merauke

(Zuid Nieuw-Guinee) dat het eerst in November 1913 den Mamberamo

was opgegaan en hoe wil men met lieden, die men niet kan verstaan,

iets bereiken, als men daarenboven hunne gewoonten niet kent en hen

niet begrijpt! Stroeve en ik, die toen reeds anderhalf jaar op de

Noordkust werkten, hadden nooit eenigen last met deze kerels. Zooals

men tevoren ook heeft gezien, bracht ik met deze dienstweigeraars de

motorboot en stoomsloep boven de vallen.

Hoe het zij, den 16en April kwam de "Zwaan" voor Pionier-bivak en nadat

het schip gelost was, vertrokken wij den 18en April naar Manokwari.

Te Manokwari was mijn eerste gang naar het huis van Dirk, die tot

mijn grooten spijt niet tehuis was. Wie Dirk is, zal ik U zoo dadelijk

vertellen; aanstonds ging een goed bemande prauw er op uit, om hem te

achterhalen; hij was n.l. kortelings naar Siari vertrokken en wilde

het Arfakgebergte in.

Den volgenden dag meldde Dirk zich reeds bij mij, zoodat het

voorspoedig gegaan was.

Dirk Broos--eigenlijk heette bij Burwos (bur wosi = van Wosi, een

dorpje op de Noordelijke uitloopers van het Arfakgebergte)--was een

Papoea, en wel de slimste, dien men zich kan voorstellen; zijn huis

stond te Kwawi, doch daar hoorde hij oorspronkelijk niet; toch had Dirk

wijd en zijd in den omtrek gezag, waarvan hij veel gebruik maakte. Dirk

was een uitstekend jager; geen Papoea, die zich met hem als bevaren

zeeman kon meten. Als woudlooper vond hij zijn gelijke niet.

Dirk was Christen; op een vergadering van goeroe's (Inlandsche

hulppredikers) kon hij een preek houden zoo mooi en vlot, dat de

beste Ambonees hem dit niet verbeterde; doch Christen in den waren

zin des woords was Dirk niet. Daarvoor hoefde men hem maar even in

zijn schelmentronie te zien. Enfin, als men Papoea dragers of roeiers

noodig had en men nam Dirk in den arm, dan kwam de zaak in orde;

en het gezag, dat hij onder die lieden had, maakte hem in zulk een

geval tot een onmisbaar iemand.

Met Dirk was ik spoedig overeengekomen, op welke voorwaarden hij mee

zou gaan; hij had n.l. licencie's voor vogelgeweren en stond er op,

dat zijn jagers mede den Mamberamo opmochten, tot Pionier-bivak. Dit

vond ik best en ik polste Dirk, waar hij zijn roeiers vandaan wilde

hebben. Ik zelf wenschte Biaksche Papoea's of Sowekkers; Dirk liet

zich er nog niet over uit en zei lakoniek: "wij zullen wel zien,

als het zoover is."

's Middags bracht ik den zendeling Van Hasselt op het eiland Mansinam

een bezoek, vanwien ik hoorde, dat in de kampongs op de Zuid-

en Oostkust van Noemfoor, hetgeen echte Biaksche Kolonies zijn,

voldoende Biakkers en Sowekkers zouden te vinden zijn.

Ik verzocht den heer Van Hasselt den volgenden dag met mij mede te

gaan, wat deze gaarne aannam, om tevens een inspectietocht op Noemfoor

te maken.

Den 20en April vertrokken wij met de "Zwaan" naar Noemfoor en kwamen

's avonds voor Kg. Rumboi, alwaar de heer Van Hasselt van boord ging

en beloofde 's nachts de andere kampongs op Zuid- en Oostkust van onze

komst te laten verwittigen. Toen wij dan ook den volgenden dag onder

stoom gingen om de Oost, liep alles vlot van stapel en in de kampongs

Pakriki, Wanoeserei en Mandori werden 60 stevige roeiers uitgezocht.

Dirk had zich tot dusver nergens mede bemoeid, maar trad pas op toen

alle roeiers present waren. Dadelijk kwam hij met een verzoek bij

mij, dat allen wel voorschot wenschten te ontvangen. Nu, daar dit

gewoonte was, had ik geen bezwaar en betaalde elk f 5.00 uit. In

minder dan geen tijd had Dirk hen nu om zich heen verzameld, stalde

alle mooie kleeren, sarongs, messen, tabak enz. enz. die, hij voor de

vogeljacht bij zich had, uit en verkocht tegen flinke prijzen zijne

spullen. Mijne roeiers natuurlijk in de wolken, doch in korten tijd

had Dirk, die oude schavuit, de voorschotten.

Onder stoom gaande naar Pionier-bivak bemerkte ik reeds, wat een

bijzonder geschikt slag Papoea's ik getroffen had, vroolijk en

opgeruimd, tevreden en gewillig, op het oog gezonde en stevige

kerels. En dit alles onder de bekwame leiding van Dirk Broos, dit

moest goed gaan. Nu, het heeft de verwachtingen dan ook niet beschaamd.

In Pionier-bivak vond ik luitenant Schulze, die van zijn tocht

bewesten de Marinevallen met zware malaria was teruggekomen, en dan ook

spoedig geëvacueerd zou worden. Verder den luitenant ter zee Stroeve,

die inmiddels van zijn te voren reeds genoemden tocht in het Van

Reesgebergte was teruggekeerd en daarna te Pionier-bivak aangekomen.

Eenige dagen te voren was de colonne van kapitein Schultz, die

vanuit de Van Gelder-rivier om de Z.W. het land binnendrong, door

Papoea's overvallen, waarbij een Dajak gedood en een fuselier gewond

was. Kapitein Oppermann was met een colonne, waarbij den dokter,

ter assistentie vertrokken.

Stroeve was juist bezig een nieuwen tocht voor te bereiden:

de Rouffaerrivier op, den stroom, die door den kapitein Franssen

Herderschee indertijd als een belangrijke zijrivier van de Van der

Willigenrivier was aangegeven, doch niet nader werd onderzocht. Stroeve

hoopte namelijk, dat deze rivier haar oorsprong zou vinden in het

Van Reesgebergte (Kamoeso Pedai) en zou dan trachten aansluiting te

verkrijgen met zijn zoo juist gemaakten tocht in dit gebergte van

uit het Noorden.

Zoo vertrok dan ook na eenige dagen Stroeve met vier prauwen naar

Batavia-bivak en ging van daar uit met de motorboot en 4 prauwen de Van

der Willigenrivier op. Bij de monding der Rouffaerrivier aangekomen,

valt het hem dadelijk op, dat deze aanmerkelijk grooter is dan de

Van Daalenrivier. Eenige loodingsslagen dwars over beide rivieren

bevestigen dit vermoeden. De Rouffaerrivier blijkt veel dieper en

breeder dan de Van Daalenrivier, zoodat de waterafvoer aanmerkelijk

grooter is.

Ook voert de Rouffaerrivier het typische vuile Mamberamo-water af,

terwijl de Van Daalen-rivier mooi helder water bevat.

Na een dag opvaren blijkt de rivier uit Westelijke richting te

komen. Dadelijk verandert Stroeve zijn plan: drie prauwen worden naar

Pionier-bivak teruggezonden; met de motorboot en één prauw wil hij zoo

ver mogelijk de rivier, die ontzaggelijk groot en breed is, verkennen,

daar dit van belang zal zijn bij het ontwerpen van het plan voor den

grooten tocht, die ongeveer half Mei zal moeten aanvangen. Nog eenige

dagen vaart hij de rivier op; overal zijn de oevers bevolkt, voor

Nieuw-Guinee zeker dicht te noemen en niet altijd is de ontmoeting

met de bewoners der Rouffaerrivier vriendschappelijk. Zelfs is hij

genoodzaakt eenige Papoea's, die met een groote overmacht het kleine

troepje aanvielen, neer te leggen. Gebrek aan motorsmeerolie doet

hem terugkeeren op een punt, waar hij oordeelt, dat de rivier nog

belangrijk verder op te varen zal zijn.

Begin Mei komt hij in Batavia-bivak aan, waar hij geen Dajaks

of bevaren stuurlieden vindt om met een prauw door de vallen naar

Pionier-bivak te komen. Voor hem geen bezwaar; hij vraagt van de hem

vergezellende dwangarbeiders eenige liefhebbers om dit gevaarlijke

tochtje mee te maken en, zelf aan het roer, weet hij, na echter

tweemaal omgeslagen te zijn, behouden Pionier-bivak te bereiken.

Opgetogen is hij over zijne ontdekking op de Rouffaerrivier, welke

van zoo groot belang zou zijn voor ons doordringen in het diepste

binnenland van Nieuw-Guinee.

Alle officieren waren nu in Pionier-bivak teruggekomen om

toebereidselen te maken voor den Grooten Tocht.

In twee colonnes, elk 150 man sterk, zouden respectievelijk Idenburg-

en Van der Willigenrivier worden opgevaren.

Elke colonne zou 20 Dajakprauwen krijgen.

De Idenburg-rivier-colonne zou onder bevel staan van den kapitein

Oppermann, bijgestaan door den 1en luitenant Feuilleteau de Bruijn

en den luitenant ter zee Langeler.

De Rouffaer-rivier-colonne kwam onder bevel van den kapitein Schultz

met de luitenants ter zee Stroeve en Doorman.

De officier van gezondheid Dr. Thomsen zou in Pionier-bivak blijven

als bivakcommandant.

Daar door ziekte de gelederen enorm waren gedund, bleek spoedig, dat

van het formeeren van twee volledige colonnes geen sprake kon zijn; ook

het aantal prauwen was verre van toereikend. Er werd derhalve bepaald,

dat de Idenburg-rivier-colonne het eerst zou vertrekken. Stroeve

en ik hielden ons dezen tijd onledig met jagen, schermen, roeien en

plannen maken voor onzen tocht.

Den 15en Mei vertrokken Feuilleteau de Bruijn en Langeler met 20

prauwen naar Batavia-bivak; Dirk Broos met 30 van de beste Papoea's en

alle beschikbare dwangarbeiders-stuurlieden vergezelden hen. Zij waren

niet fortuinlijk, want zij raakten in deze eerste dagen in de vallen

6 prauwen kwijt (3 prauwen met lading en de lading van 3 andere.)

Den 18en Mei 1914 vertrok het tweede en laatste échelon der

Idenburgcolonne, 4 prauwen onder den kapitein Oppermann. De Dajaks

waren achtergehouden, zij zouden zoo spoedig mogelijk het benoodigd

aantal prauwen der Rouffaerrivier-colonne completeeren.

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 7 / 23 题