III.

De eerste maand in Pionierbivak.

Zooals men zich herinneren zal, was de eerste taak voor het Detachement

van den Mamberamo het inrichten van "Pionierbivak", doch voor één

Detachement. Na verkenning van het Batavia-bivak [9] zou dit laatste

ingericht worden als algemeen uitgangpunt, met woonplaats voor beide

Detachementen. Laat mij aanstonds zeggen, dat, toen de bouw van

Batavia-bivak nog maar kort aan den gang was, het reeds duidelijk

werd, dat Pionierbivak hoofdbivak moest blijven, Bataviabivak alleen

een hoofd-vivres-depôt; de redenen zullen later vermeld worden.

Naast de genoemde taak stond het zoeken van aansluiting aan de vroegere

verkenningen van de Apauwar en in het Waropèn-gebied, maar dit stelden

wij voorloopig uit, daar men geen twee dingen tegelijk kan doen;

voor een groote marschpatrouille toch heeft men veel menschen noodig

en dat was juist, wat ons ontbrak.

Ons woonbivak aan den rivieroever bestond uit een officiershuis,

één barak voor militairen, één voor dwangarbeiders, een goedang of

opslagplaats, een ziekenhuis en een keuken.

Het schoonkappen van het terrein had zich bepaald tot alles, behalve

het zware hout. Langs de barakken liepen gegraven sloten, die het

terrein zooveel mogelijk draineerden, wat met het oog op de elkaar

snel opvolgende regens wel noodig was. De paden door het bivak waren

bevloerd met korte dwarslatjes; later werd grint gehaald, dat bij

lageren waterstand gemakkelijk van de banken te krijgen was en de

daarmee aangelegde paden waren netter en meer soliede. Om het bivak

heen stond een houten hek; daarachter was naar alle zijden wildernis.

De officiersbarak was vrij eenvoudig: een houten geraamte, van

achteren, op zijde en van boven met atap gedekt. Het naar twee zijden

schuin afloopende dak was van voren 2, van achteren 1 3/4 M. hoog;

de diepte was 3 M. Hier stonden onze veldbedden, twee tafels, enkele

stoelen en onze koffers. Daar de barak aan de rivierzijde open was,

mocht de door den Westenwind aangevoerde regen daar gaarne vrij in

spelen. Eenig voorstaand geboomte werkte wel beschermend, doch ik weet

zeker dat al mijn goed bedorven zou zijn door vocht als mijn met ijzer

beslagen tropenkoffers niet zoo ondoordringbaar gebleken waren. De

opening naar achteren was wellicht in dat opzicht voordeeliger geweest,

doch wij prefereerden licht en het vrije riviergezicht met als nadeel

den regen boven het omgekeerde. Om niet steeds met de voeten in den

weeken grond te zitten, hadden wij onze barak met gegolfde ijzeren

platen bevloerd; dit was zeer doelmatig; alleen veroorzaakte het

gekras van de kopspijkers onzer schoenen op het ijzer gewoonlijk meer

onaangenaam lawaai dan gewenscht was.

De barakken voor militairen en dwangarbeiders waren overeenkomstig;

de bevloering was hier tevens ligplaats, dus dunne boomstammetjes

naast elkaar, hoe gelijker hoe liever; twee palm boven den

grond. Onderofficieren en verkenner sliepen onder hetzelfde dak,

doch hadden veldbedden.

De goedang had een vloer en een beschermend dak en daartusschen waren

onze voorraden: vivres, geneesmiddelen, verlichting, gereedschappen,

aanmaakmateriaal voor prauwen, enz.

Het ziekenhuis was de reeds vroeger genoemde groote wegneembare tent;

gemiddelde hoogte ruim 2 M.; vrij ruim. Dit was het doktersdepartement

met vele potjes en flesschen en zelfs met een kleine operatie-tafel.

In de keuken werd in een paar groote ijzeren potten de rijst gekookt;

het was een eenvoudig afdakje, waar ook onze filtersteenen stonden. De

laatste bestaan uit een poreuse kalkmassa en zijn zeer doelmatig;

ze zijn geelwit van kleur.

Boven de rivier werden van den oever uit en gelijk met dezen bruggen

gebouwd, op wier uiteinde overdekte W.C.'s en mandikamers kwamen

alles van de meest primitieve constructie, doch stevig.

De kleine aanlegsteiger werd vervangen door een grooten met

verschillende trappen in verband met variabelen waterstand (het totaal

verval over een jaar bedraagt toch 7 M.); die steiger hield zich goed

tot het einde der Exploratie, hoewel de bandjirs dikwijls met stroom

en boomstammen moeite genoeg deden om hem omver te halen.

Intusschen was een ploeg bezig met het schoonkappen van den vroeger

genoemden 4 M. hoogeren rug. Ook hier bleef het zware hout staan voor

de per volgende boot verwacht wordende Dajaks. De rug bleek nogal

grillig van vorm en hoe meer wij met den huizenbouw naar achteren

vorderden, hoe meer wij moesten goochelen met de ruimte. Maar het

ging best. Hier verrezen in den loop der maanden barakken, als zooeven

genoemd, doch ruimer en geriefelijker, hoog (minstens 1 1/2 M.) boven

den grond; een ruime goedang en een ruim ziekenverblijf.

Het werk der officieren was in hoofdzaak toezicht houden en "er achter

heen zitten". Daar wij twee zeer ijverige Europeesche onderofficieren

hadden, nam dat niet veel tijd in beslag en wij verlangden naar de

volgende boot, die ons een groote uitbreiding van menschenmateriaal

zou brengen.

De avonden waren gezellig. Men had dan gemandied, gegeten, men had

lectuur en den grammofoon. De lectuur was een algemeene erfenis

van alle goedkoope romans, die bij het exploratie-detachement van

Zuid-Nieuw-Guinee door de opvolgende explorateurs verwerkt waren

geworden, een vrij belangrijke hoeveelheid. De grammofoon was first

rate, met talrijke goede, groote platen. Wij lieten hem elken avond

draaien door een onzer jongens, die daartoe afgericht was en hij

heeft ons nooit verveeld. Het was de grootste band, die ons aan de

beschaving bond en, met gesloten oogen luisterend, lieten wij ons

leiden waarheen de muziek ons bracht.

Onze dokter amuseerde zich met de fotografie, waarin hij een meester

was. Zijn donkere kamer was voorloopig een roode klamboe, waar hij

's avonds met alle ingrediënten inkroop.

Meteorologische waarnemingen behoorden tot mijn departement; elken

dag, om 7, 2 en 9 uur werden opgenomen: barometerstand, temperatuur,

bewolking, richting en kracht van boven- en benedenwind; elken morgen 7

uur de regenval en de stand van het rivierwater; voor het laatste was

een peilschaal geplaatst tegen den grooten steiger. Deze observaties

zijn altijd door geschied; bij mijn afwezigheid door den dokter,

die permanent bivak-commandant was. Zij geven in elk geval voor een

vol jaar het betrouwbaar verloop van twee met elkaar verbandhoudende

belangrijke dingen: den regenval en den waterstand. Wij weten te goed

de bezwaren van den regentijd en de moeilijkheden der bandjirs om niet

gaarne gebruik te maken van den gunstigen tijd en het is een voordeel,

dat men thans met juistheid zeggen kan in welke maanden het reizen

in Nieuw-Guinee gemakkelijk en opwekkend is en in welke maanden men

met veel zorg en moeite weinig vorderingen maakt.

Voor ons was voorloopig de regentijd nog weggelegd: zware wolken

dreven onafgebroken uit het Westen, aan regen geen gebrek; het was

kil en het landaanzicht naargeestig. 's Morgens hingen dikke nevels

over de rivier, welke ten tien ure waren opgetrokken; 's avonds kwamen

veelal sterren door en op den middag af en toe het zonnetje.

Van nu aan wies de rivier steeds en einde Januari vreesde men, dat het

bivak zou onderloopen; gelukkig kwam het niet zoover. De stroomsnelheid

voor Pionierbivak was in Januari 4 à 5 mijl; in Augustus 2 1/2 à

3 mijl.

De natste en meest moeitevolle maanden zijn van begin November tot

eind Februari; de beste Mei tot September; in dien drogen tijd is

het reizen bepaald een genot en smaakt men elken dag de grootste

voldoening over den afgelegden weg, maar in den regentijd: ho maar!

Dat de natte tijd niet gunstig was voor den gezondheidstoestand

is duidelijk. Toch hadden wij geen ernstige reden tot klagen. Onze

benedenstrooms opgeloopen malaria-infectiën waren door de kinine weldra

overwonnen; het bivak-zelf (heuvelland) was muskietenvrij; daarna

bepaalde het ziekenrapport zich tot de bekende vrij-van-dienst-gasten

en eenige meer hardnekkige koortslijders, die van tijd tot tijd werden

geëvacueerd. Van beri-beri bleven wij voorloopig verschoond en het

totaal aantal lijders daaraan gedurende de geheele expeditie was

gering; over de prophylaxe tegen deze ziekte heb ik vroeger reeds

gesproken. De malaria-prophylaxe was 0.4 gr. kinine elken 4en en

5en dag.

Was het bivak muskietenvrij, een andere lastige bezoeker moet hier even

vermeld. Dit was een insectje, dat leek op een vlieg en op een bij; het

was wat kleiner dan onze kamervlieg, de wetenschappelijke naam er van

is mij onbekend. Men had twee soorten, donkergele en zwarte. Zij waren

meer dan vervelend. Met het rijzen van de zon kwamen zij opzetten,

snel nam hun aantal toe. Soms waren gezicht en handen bedekt met dit

ongedierte, dat er zonder kwaad te doen rustig overheen wandelde. Men

joeg ze ijverig weg en meestal waren zij dan goed genoeg om even op

te vliegen, doch zetten zich weer op een ander plekje neer. Waarom

sloeg men ze dan niet dood? Omdat ze dan zoo geweldig vies roken;

dit was juist hun veilige bescherming. Een geduldschepper waren ze;

gelukkig kwam de plaag niet alle dagen voor.

Den 22en December verscheen opnieuw de "Valk", doch voor dien tijd

maakten wij eenige verkenningstochten.

In den omtrek van het bivak hier en daar rondvarende, hadden wij

boven Havik-eiland een linker zij rivier ontdekt. [10] Deze zag er

nog al forsch uit en werd het eerste doel voor een marsch.

De Mamberamo was kalm, we waren (met de twee prauwen) spoedig aan

den mond der zijtak en daar de regenval eenige dagen vrij gering

was geweest, stond er niet veel water in de kleine rivier. Een paar

kilometer konden wij haar met de prauwen nog volgen; daarna werd ze

te ondiep, we stapten uit en trokken de prauwen in het oeverriet,

de glagah.

Nu werd de bedding verder gevolgd.

Grillig en veranderlijk was het landschap als geen ander; we verkenden

de rivier ruim 20 KM., tot het avond werd en bivaktijd; we waren

toen tot een 200 M. gestegen, het laatste gedeelte snel, daar we den

oorsprong naderden en dus tegen de heuvels begonnen op te kruipen. Hoe

hooger men kwam, hoe schilderachtiger. Frisch, helder water leschte

den dorst en koelde het voorhoofd; het was voor mij een verrukkelijke

tocht en een heerlijke lichaamsbeweging na de lange dagen van rust. Het

nut? Wij brachten een riviertje mede en eenige aangepeilde toppen. Nut

hadden we gehad, als we hier den hoogen scherpen top beklommen hadden

en van dien af het landschap aangepeild; doch eerstens waren we daar

niet voor uitgerust en tweedens was die royale wijze van werken nog

niet voldoende tot mij doorgedrongen; reeds in den aanvang [11] heb ik

gezegd, dat men exploreeren leeren moet en er is tijd voor noodig om

te komen tot het onderscheiden van zeer nuttig en minder nuttig werk.

Ten 5 uur bivak gemaakt, ten 6 uur na de genietingen van een

frisch bad, schoone kleeren en een kroes chocolade in de beste

stemming. Zelden heb ik zoo'n opgewekten bivakavond meegemaakt;

het weer was fraai, de lucht helder; het geruisch van het water, het

gegons van de myriaden beestjes in het bosch, de kookvuurtjes rondom,

het was alles nieuw; hier genoot ik voor het eerst het boschleven

met zijn volkomen gevoel voor vrijheid, onafhankelijkheid, zooals

ik het zoo menigmaal genoten heb, zooals ik er nog dikwijls naar

mag terugverlangen.

Dan 's morgens wordt men wakker door het schemeren van den komenden

dag en door het eerste geroep van de vogels. Ik kende ze spoedig,

die verschillende geluiden; elken vogel herkent men aan zijn slag;

boven allen uit klinkt het geroep en gefluit van den paradijsvogel,

een lang telkens herhaald wijsje.

Als het dag wordt: uit de klamboe, in de kleeren; de dwangarbeiders

pakken reeds; we eten haastig een bordje bras ketan met javaansche

suiker, dan op marsch.

De prauwen worden op hun plaats gevonden; des avonds zijn we in

Pionierbivak terug. Dat was een leuke marsch!

Onze volgende beweging was gericht op de beproeving van onze groote

motorboot in de versnellingen.

Laat mij eerst verklaren wat een versnelling is. Een versnelling

ontstaat daar, waar de aanvoer van water meer is dan de

afvoer-capaciteit van de bedding verdragen kan; i.a. dus in

bergterrein, waar de grond hard is. In wat wij als "vlakte" kennen,

is meestal de grond zacht genoeg om de rivier bij overmatigen

wateraanvoer in staat te stellen, door uitschuring haar bed te

verbreeden; in bergterrein gewoonlijk niet. Er ontstaat daar dus,

òf permanent, òf alleen in tijden van zwaren regenval, een meer of

minder groot niveauverschil en het water stroomt er veel sneller dan

boven of beneden dit punt. De versnelling vormt zich daar, waar het

rivierbed smaller of ondieper wordt; zij brengt veelal met zich op

eenen of beide oevers banken van rolsteenen; er vormt zich een goot,

waarin het water met groote snelheid loopt, kolkt en draait. Groote

versnellingen brengen groote en diepe draaikolken met zich mede. Deze

zijn niet stationnair, maar verplaatsen zich langzaam stroomafwaarts,

waarbij zij zich uitputten. Op de oude plaats ontstaat dan weer een

nieuwe kolk. Aan de binnenzijde der versnelling, i.a. dus langs den

oever beneden het versnellingspunt ontstaat een "neer", d.i. een

terugstroom.

Beneden de versnelling krijgt men een staande golving van een vier,

zes krachtige golven; stroomafwaarts roeiende moet men daar met

groote vaart doorheenschieten, want in den kortsten tijd neemt men

reeds veel water over.

Een mooi voorbeeld van een versnelling geven onze afbeeldingen van den

Edival, waarbij het geheele golvende gedeelte den steenbank weergeeft;

men ziet er stroomafwaarts. De tweede foto geldt voor lagen waterstand;

duidelijk ziet men aan den witten bovenrand der rotsen, hoever de

gemiddelde waterstand is. De eerste geldt voor hoogen bandjirstand;

de op beide foto's met een kruisje gemerkte steenen zijn identiek.

Stroomopwaarts gaande kan men met vrucht van de "neeren" gebruik

maken; dikwijls zijn zij vrij sterk en voeren ons gemakkelijk in de

binnenzijde der versnelling, die daarna "genomen" wordt, zooals wij

later nog uitvoerig zullen zien.

Dat wij met onze groote prauwentransporten geregeld in 4 dagen van

Pionierbivak naar Batavia-bivak kwamen, een afstand van 75 K.M.,

is uitsluitend te danken aan handig gebruik maken van de sterke

"neeren"; dat was dus ± 20 K.M. per dag, zeer veel in een rivier met

zulke sterke versnellingen. De terugtocht duurde 8 uren, d.i. 1/5

van den opvaarttijd.

Wij vertrokken in den morgen, een mooien morgen, van Pionierbivak

met de groote motorboot en twee prauwen, gesleept; vivres voor 3

dagen. Van het komende riviergedeelte tot de Marine-vallen bestond

een schetskaartje, vervaardigd door den toenmaligen Luitenant ter Zee

Rambonnet, commandant van Hr. Ms. Edi tijdens diens opvaart met de

"Pionier" in 1909. Ons doel was, terwijl wij het karakter der rivier

in oogenschouw namen, de motorboot zoover mogelijk te brengen, haar

zoo noodig boven te laten, daar toch haar bestemming Bataviabivak was.

In den zijarm achter Havik-eiland kwamen wij moeizaam vooruit;

het verval is hier vrij groot, de stroom sterk. Daarna schoten

wij harder op; men houdt steeds vlak onder den oever, daar is de

stroom gering; hieruit volgt tevens, hoe gemakkelijk men beslopen

en bepijld kan worden. Bij het nemen der versnellingen, alleen met

eigen motor-beweegkracht, dus zonder hulp van trektouwen, moesten

wij wel in den vollen stroom op. Toen deze meer dan 5 1/2 mijl [12]

werd, was hiermee ons eindpunt bepaald; dit was op ongeveer 1/3 van

den afstand tot de Marine-vallen.

Waren we in dat opzicht teleurgesteld, ook om een andere reden viel

de dag ons niet mee: de motor toch gaf aanleiding tot bezorgdheid.

Een motor heeft een koelpomp, die rivierwater ter afkoeling pompt

langs de heete wanden der cylinders. Voor onze pomp (en ook later

voor die van onze andere motorboot) bleek het rivierwater funest;

doordat het zooveel slib bevatte, werd de goede werking der pomp

gehinderd en raakten de pijpen verstopt.

Toen ons het euvel den eersten keer overkwam, waren we juist in

het volle van een breede versnelling; de pomp gaf geen water

meer, de motor werd heet. De machinist vroeg te stoppen; "nog

een oogenblikje" werd er gezegd, "even uit den stroom onder den

wal." Pang, pang, deed de motor. Stoppen, doch twee scheuren in de

cylindermantels. Onverantwoordelijk? Ja, maar wie had dat verwacht! Tot

onze groote verlichting bleken alleen de mantels gescheurd; water liep

er zelfs niet uit; de cylinders waren heel, de motor kon draaien. Het

was een waarschuwing eens en voor altijd; de pomp werd hierna nooit

meer uit het oog verloren, doch wat dikwijls hebben we haar uit elkaar

moeten nemen en hoeveel geduld heeft ze ons gekost? Eventueelen lateren

explorateurs, die een modderrivier met motorbooten denken te bevaren,

kan niet genoeg op het hart gedrukt worden: een sterke koelpomp,

ongevoelig voor rivierslib.

Als "schip" hield de groote motorboot zich best in de versnellingen. Op

een gegeven oogenblik raakten we in een kolk, de boot helde, de

rivier zoog aan het schroefgedeelte. Het was een vrij unheimische

gewaarwording, doch het bleek van geen belang; al draaiende kwamen

wij vrij, doch één der gesleepte prauwen had het te kwaad gekregen

en was volgeslagen, gekanteld en gaf aanleiding tot het verlies van

eenige dwangarbeiders-eigendommen. De menschen werden opgepikt en

zoo spoedig mogelijk werd op een rustig plekje de prauw weer recht

gelegd en leeg gehoosd.

In den namiddag waren we weder thuis in ons groote dorp. Hadden we

dan al opnieuw tot onze teleurstelling moeten ondervinden, dat onze

motorboot geen hardlooper was en hadden we dan al met schade onze

eerste pomp-ervaring opgedaan, we hadden de groote rivier gezien en

hoe zij zich een bed, rijk aan natuurschoon, uitgeschuurd heeft door

het Van Reesgebergte, welks ketens N.W.-Z.O. loopen.

Waar ons als leeken telkens en telkens de eigenaardige veranderingen

in de oorspronkelijke ligging van den bodem opvielen, moet een

geoloog hier wel een dankbaar arbeidsveld vinden. De mijningenieur

Van Gelder maakte in 1909/10 de Expeditie Franssen Herderschee

mede; bij ons Detachement was geen geoloog van professie; doch de

eenige maanden later gearriveerde 1e Luitenant Feuilleteau de Bruyn,

die een geologischen cursus had gevolgd, maakte eenige uitvoerige

beschrijvingen.

Dezer dagen kregen wij ook af en toe bezoeken van Papoea's van

omwonende of, beter gezegd, van toevallig tijdelijk in de buurt zijnde

stammen. Door ons zooveel mogelijk op hun gemak gebracht, overwonnen

zij weldra hun schuchterheid; hoewel altijd een open oogje houdende

voor een gelegenheid tot eventueel noodigen terugtocht. Den eersten

keer vooral waren zij met groot enthusiasme ontvangen; hier begon

ons ethnografisch werk!

Na hen met diverse ruilartikelen in de meest rooskleurige stemming

te hebben gebracht, begonnen wij zooveel mogelijk van hen te

plukken. Vooreerst woorden. Door de Regeering van Nederlandsch-Indië

worden gedrukte woordenlijsten, in een klein boekje vereenigd,

uitgegeven, om mee te nemen bij elke expeditie of exploratietocht in

onzen Archipel, ten einde op systematische wijze, waar de gelegenheid

zich voordoet, taalgegevens te verzamelen. Omringd door een kring

van onze bezoekers noteerden wij de woorden, die wij machtig konden

worden. Vragen werden natuurlijk niet begrepen, doch al wijzende en

met gebaren en vooral met heel veel geduld kwamen wij toch een heel

eind. De Papoea's hadden vrij veel vermaak in dit geval en waren ten

zeerste voldaan, als wij de goede uitspraak van een woord te pakken

hadden; hun goedkeuring, i.a. elke sterke bevestiging, drukten zij

uit door even kort de voorhoofdhuid op te trekken, om zoo te zeggen

in dezelfde gevallen, waarin wij een kort knikje geven.

Het opschrijven der woorden vervulde hen niet met vrees, zij keken er

met belangstelling naar; uit verschillende dingen kon men merken, dat

zij reeds vroeger met blanken hadden omgegaan. Kralen en een enkele

afgesleten parang waren ook reeds in hun bezit. Terwijl een aantal

zich met ons occupeerde, snuffelden anderen rond, doch werden stevig

in de gaten gehouden, daar wij wel begrepen, dat de verleiding groot

was. Af en toe merkte men, dat er iets nieuws en "leuks" ontdekt was

aan een levendig "èh, èh!", een veelbeteekenend lachen tegen elkaar,

herhaaldelijk optrekken van het voorhoofd en met de vlakke hand slaan

op het zitvlak.

Verschillend waren hun gelaatstrekken; heel anders dan het passieve,

dat men in Indië i.a. bij den inlander aantreft. Hier had men met

een vrij volk te doen, dat nooit geleerd had zijn gewaarwordingen te

verbergen. Vrees, wantrouwen, verlegenheid, verrukking, vergenoegdheid,

allen toonden het ons beurt om beurt. Daar waren domme, goedige

gezichten; daar waren vlugge, intelligente trekken.

Verschillende "kleedingstukken" werden door hen gaarne afgestaan tegen

begeerlijkheden uit onzen ruilvoorraad, waarin het practische oog

parangs en bijltjes voor liet gaan, hoewel een mooie kralenketting

toch ook niet te versmaden was. Tabak werd bovenal gaarne aanvaard;

daar waren zij met recht dol op, deze Papoea's verbouwden zelf geen

tabak. Toch komt de plant voor, daar, waar men haar het minst zou

verwachten, nl. in het verste binnenland. Of de plant geïmporteerd is,

weet ik niet, doch zeker is dat men kan zeggen, dat ze over een groot

deel van Nieuw-Guinee bekend is. Het verging sommigen onzer bezoekers,

zooals het kleine jongens vergaat, die voor het eerst een trekje doen:

zij werden onpasselijk; de meesten evenwel hielden zich goed en vonden

het rooken verbazend voornaam.

Vervolgens kwamen de heeren voor den fotograaf. Dames waren er niet,

die bleven de eerste maanden veilig opgeborgen. Onze afbeelding geeft

de twee krachtigsten onder onze bezoekers, den linkschen brutaal

en zelfvoldaan, den rechtschen ongerust en verlegen. Beiden hadden

rijkelijk de cascado-huidziekte; beiden waren overvuil en roken

op 5 M. afstands alleronaangenaamst; dit is zonder overdrijving;

beiden bewogen zich over het water, doch waarschijnlijk nooit er

in. Het hoofdhaar mag een centimeter of vijf lang geweest zijn;

het was doorvlochten met een cirkelend weefsel van rottankoord,

wat aan den haartooi het aanzien van een pruik of hoedje gaf; des

avonds wordt het haar geenszins "losgemaakt", dit gebeurt nl. nooit,

dus maakt uw consequenties!

Om den hals of om het voorhoofd veelal een kransje, zoo al niet van

kralen, dan van bamboevruchtjes; vaak ook een zakje van gevlochten

melindjoe [13]-touw, een netje a.h.w., waarin eenige eetwaar als

sago en een stukje varkensvleesch. Om het middel een touw van

melindjoe-bast, een oneindig aantal malen om de heupen gewonden;

deze meer beschaafde bezoekers hadden er als schaambedekking een

doekje doorheen bevestigd, maar ook dit partijtje gaat nooit los. Een

dergelijke menigvuldige omwinding, doch van de onderarmen, zagen wij

bij andere stammen in deze buurt. Rond de bovenarmen en onder de knie

vaak een ring van rottan of fijne boomvezels. Sommigen droegen ook

"bretels".

Een onzer foto's toont al deze kleedingstukken. Daarin heeft men:

1. haarkransen van casuarisveeren,

2. kamvormige haartooi van houtjes,

3. armring,

4. halsring van bamboevruchtjes,

5. bosje pijlpunten voor kinderschiettuig,

6. "bretels", bestaande uit een buikband en twee

schouderbanden,

7. buikbanden van gevlochten fijne rottan,

8. voorhoofdstooi van varkensribben,

9. drinkwaterflesch (kalebas),

10. "oneindige" buikgordel met "staartje",

11. fleschje (kalebas) voor kalk voor den sirihpruim,

12. halszakjes van boomvezels.

Men lette ook op het beentje, dat beide mannen dragen door het

middenschot van den neus; dit is een matige versiering: wij kwamen

later in het verre binnenland bij stammen, die te dezer plaatse de

beide slagtanden van het wilde varken droegen, wat hun een woest en

krijgshaftig aanzien gaf.

De kleur der Papoea's is zeer donker bruin; op de plekken der

huidziekte wordt die kleur iets lichter. Eenigen hadden mondkost

bij zich: sago, klappers, papaja's en laboe. De sago in groote

klompen van 1/2 L. inhoud, een groot blok fijn meel; later zal over

de sagowinning uitvoeriger gesproken worden. Klappers komen hier

weinig voor; de palmen zijn dan afkomstig van de Noordkust, waar

ze wel in grooten getale (geïmporteerd) voorkomen; men krijgt den

indruk, dat de kokospalm geen inheemsche boom op Nieuw-Guinee is,

in het diepe binnenland hebben wij hem nergens gezien. Papaja en

laboe zijn op de Soenda-eilanden welbekend; waarschijnlijk ook op

Nieuw-Guinee geïmporteerd.

Op de foto's ontbreken pijlen en bogen. Deze hadden zij dan ook

neergelegd, toen hun schuchterheid overwonnen was. De bogen zijn van

niboeng-hout, de pezen van rottan koord, lengte 2 M. De pijlen zijn

even lang, van licht riet van 3/4 à 1 cM. dikte; de punt is er apart

aan gebindseld en van bamboe of niboeng-hout. Bijna alle pijlpunten

zijn van weerhaken voorzien, het indringingsvermogen is enorm,

doch de zuiverheid van het schot niet groot en boven 20 M. klein te

achten. Omtrent het al of niet vergiftigen van pijlen heb ik geen

zekere gegevens. [14]

Waren onze bezoekers zonder veel moeite voor den fotograaf gehaald,

voor den grammofoon waren ze bang. De psychische uitwerking was toch

aardig om te volgen: eerst het gezang gehoord, nieuwsgierig er heen,

voorzichtig genaderd, verrukt geluisterd, toen er achter gekeken;

niets gezien, angstig geworden, afwerend met de handen gewenkt;

wij stopten toen den grammofoon, waarna de rust wederkeerde.

De macht van het geweer was een enkelen bij herinnering bekend. Hij

wees op het geweer, wees op een vogel, maakte een beweging van

aanleggen, deed langgerekt en smartelijk "oooh!" en viel daarna

een oogenblik neer. Hij had er blijkbaar grooten eerbied voor en

wij probeerden dan ook maar niet hem of zijn metgezellen er mee

te verschrikken.

Na eenige uren werd afscheid genomen; het genoegen was aan beide

partijen.

Na de tweede helft der maand kreeg de koorts mij weer te pakken.

Den 18en December bleef ik om deze reden achter, toen

kapitein Oppermann, vergezeld van onzen dokter, er opnieuw op

uittrok. Noord-oostelijk van ons bivak lag een NW.-ZO. loopende

heuvelrug, dien wij reeds van uit de rivier gezien hadden, naar

schatting 400 à 500 M. hoog. Op onze eerste groote patrouille, die

wij ons voorstelden te maken naar het Apauwargebied, als de "Valk"

ons van meer menschen zou hebben voorzien, hadden wij dien rug over

te trekken, wilden wij oostwaarts vorderen. Bovendien verwachtten

wij van af den kam een ruim uitzicht naar het zuiden te hebben.

Om deze twee redenen dan werd tot het beklimmen van den rug nu reeds

besloten, welks kam in éénen dagmarsch werd bereikt. De kapitein

richtte er een klein bivak in en liet er kappen op twee verschillende

punten. Uit deze punten kreeg men goed uitzicht naar het Zuiden,

doch daar het kappen met de parangs niet zeer vlug ging, kwam er van

het goede uitzicht voorloopig niet veel terecht. Vòòr er resultaten

kwamen, verscheen de "Valk."

Dat was den 22en. Om een uur of tien in den morgen klonk het ongewone

geluid van een stoomfluit over de rivier. Men hoorde van alle kanten

opgewekt: "kapal datang!" [15] Na een kwartier verscheen zij om

den hoek, de "Valk", en bracht het heele kamp in een vroolijke

stemming. Daar verscheen Europa, al was het voor een korten tijd.

Het schip bracht veel vivres, veel materialen en ± 150 fuseliers

en dwangarbeiders, bovendien 40 Dajaks. De Militaire Commandant van

Ambon was aan boord om het Pionierbivak en de zaken aan den Mamberamo

te inspecteeren.

Waren tot nu toe onze handen gebonden geweest door gebrek aan

personeel, thans kon het mes van alle kanten snijden en kwam er aan

het "gemodder" een einde. Een onzer stoomsloepen was meegekomen;

hierdoor kwam de groote motorboot vrij om bij komende gelegenheid

naar Batavia-bivak te worden gebracht.

Een kleine patrouille werd onmiddellijk uitgezonden om Kapitein

Oppermann op de hoogte te brengen van de aankomst van den Majoor

Gooszen; het bleek evenwel, dat de stoomfluit tot aan den heuvelkam

was doorgedrongen en reeds denzelfden middag verschenen de Kapitein

en de Dokter beneden.

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 5 / 23 题