Den Mamberamo op.
Doreh of Manokwari is de naam voor onzen bestuurszetel aan de Noordkust
van Nieuw-Guinee. Het plaatsje ligt aan den Noordkant der baai;
het terrein is flauw oploopend met heuvels op den achtergrond. Van
af den wal ziende naar het Zuid-Zuid-Westen over de baai heeft men
bij helder weer in den vroegen morgen een schitterend uitzicht op
het 3000 M. hooge Arfak-gebergte aan den overkant.
Behalve de verblijven en de gebouwen voor de ambtenaren van het
Gouvernement, een kazerne voor de gewapende politie, e.d., vindt
men één lange hoofdstraat evenwijdig aan het strand met toko's aan
weerszijden. De handelaren zijn Chineezen, zij koopen vogelhuiden in,
verkoopen snuisterijen aan de pronkzieke Papoea's en voorzien verder
tegen buitensporige prijzen in de talrijke meer of minder belangrijke
nooden van de lagere klassen van het Exploratie-Detachement
De vogelhuiden worden hun geleverd door Papoesche of Ternataansche
jagers, aan wie zij geweren, mondkost en een voorschot verstrekken
en die na verloop van eenigen tijd hun buit aan hen komen afdragen
tegen den overeengekomen prijs. Hier worden goede winsten gemaakt;
de prijs van den Paradijsvogel was destijds gemiddeld f 70.- voor de
beste soort (Ansoesvogel). Ook andere vogelhuiden worden verhandeld,
doch de Paradijsvogel is hoofdzaak; de grootste afnemers waren Amerika
en Frankrijk.
De koopende, doch meer nog kijkende, Papoea's kon men den heelen
dag in de winkels zien "lummelen". Dit luie volkje voert voor den
kost geen vinger meer uit dan even noodzakelijk is. Zij leven van
vischvangst en landbouw en, als de honger het hun zeer lastig maakt,
van koelie-arbeid. Zij hebben zich een zekere beschaving eigen gemaakt;
een sarong of lendendoek siert hun lijf en kralen en ringen behooren
reeds tot den noodzakelijken opschik. Over den haartooi beslist
blijkbaar de spreuk: alles of niets; men ziet of kroeskoppen met 1
à 1 1/2 dM. haardikte of schedelbedekkingen van 1/2 cM. kroeshaar;
beide haartooien zijn evenredig aan hun capaciteiten bewoond. Ook
onder de hier wonende Papoea's komt veel een schurftige huidziekte voor
(cascado), welke hun aanzien niet appetijtelijker maakt.
Zij zijn voor een groot deel Christenen; de bekende zendeling Van
Hasselt heeft nabij Manokwari zijn "hoofdkwartier." Het koppensnellen
is er onder den druk van het Gouvernement en den invloed van den
godsdienst vrijwel uit, doch een enkele maal bezwijkt nog wel het
Papoea-hart voor de verleiding van een rechten raak [2]-tocht.
Hun huizen staan hier en daar langs het strand. Het zijn
verzamelwoningen met een middengang met tal van kamertjes ter
weerszijden, voor elke familie één. De huizen staan op palen, aan het
strand en buiten de laagwaterlijn, wat een hygiënisch voordeel is; een
lange "pier" verbindt de woning met den begroeiden oever van de baai.
De prauwen, uit boomstammen uitgehold, liggen bij het huis; zij hebben
vlerken, zooals in den geheelen Archipel, en een groot rechthoekig
zeil. De Papoea's zijn goede zeelui en krachtige roeiers; hun pagaaien
zijn lang, breed en sierlijk. Een aardig gezicht is het, hen te zien
aankomen, als zij hun doel bereikt hebben en de vangst is goed geweest;
zij roeien dan zeer snel en doen een regen van zeewater opspatten,
de prauw stuift door het water en hun geschreeuw klinkt vroolijk over
de baai; hoe minder de vangst, hoe trager de gang.
Het is een opgewekt volkje en om een kleinigheid kunnen zij een
heidensch spektakel maken. Gezag en gehoorzamen is hun onbekend:
chacun pour soi et Dieu pour eux tous. Er zijn hoofden of korano's,
door het Gouvernement aangesteld, doch mij is altijd verteld, dat
hun gezag zich niet verder uitstrekt dan tot de panden van de jas en
de klep van de pet, die hun als teekenen van waardigheid geschonken
zijn. Toch hebben enkele individuën, ofschoon geen hoofden, grooten
invloed; onder dezen bewezen later Dirk Broos en Oscar ons belangrijke,
schoon goed betaalde diensten; zij zullen hierna ten tooneele komen.
Het Detachement was gelegerd beoosten Manokwari; de legerplaats
heette Kwawi. Hier was tegen het hellende land een groot bivak
gebouwd met grintwegen; een goede weg verbond Kwawi met Manokwari
en vóór Kwawi was een stevige houten aanlegsteiger gemaakt. Men
vond er een hospitaal, groote fuseliers- en dwangarbeiders-barakken
en woningen voor officieren en onderofficieren. Alles was in den
loop der jaren door het Detachement zelf gebouwd uit het hout der
wildernis; de indekking was atap. Het was een permanent bivak van
soliede constructie; zelfs een waterleiding ontbrak er niet.
Hier was gelegerd het Detachement van Noord Nieuw-Guinee. Ik
ontmoette er mijn collega's Doorman en Stroeve, kort te voren van
patrouille teruggekeerd, en maakte kennis met de overige heeren van
het Detachement.
Men had voor ons en onze menschen tijdelijke woningen
gereedgemaakt. Dit was wel noodig, want wij zijn een week te Manokwari
gebleven en toen eerst met een deel van ons Detachement den Mamberamo
opgegaan.
Om te beginnen werden na aankomst (20 November) de "Heemskerk" en
het, reeds ter reede liggende, stoomschip "Valk" geheel leeggehaald
en alle levende ziel ontscheept. Voor allen en alles werd, vaak dan
met moeite, plaats aan den wal gevonden, doch dat we hiermee niet in
één dag klaar waren, is te begrijpen.
Daarna werd op de "Valk", welke ter beschikking bleef, opnieuw
ingescheept: [3] een échelon van ± 70 man, de materialen noodig voor
hun onderdak en voor den verderen bivakbouw en een ruime voorraad
vivres.
Tot de 70 man behoorden 3 officieren, n.l. Kapitein Oppermann,
dokter Thomsen en ik; [4] verder een Inlandsch verkenner, eenige
onderofficieren, ± 15 fuseliers en ± 45 dwangarbeiders.
Over de benoodigde materialen behoeft, na de uitgebreide opsommingen
in het vorige hoofdstuk, [5] niet nader te worden uitgeweid. Slechts
zij nog een groote hospitaal-tent vermeld, die in onderdeelen kon
worden meegevoerd. De groote motorboot ging mee, twee roeisloepen en
twee lichte prauwen.
De afreis van Manokwari was den 26en November. Daar ging het dan ten
slotte op den Mamberamo los, na, voor zoover mij betreft, bijna drie
maanden van reizen en regelen.
Na Sjeri voeren wij recht Oost benoorden het langgerekte eiland Japèn
langs, om vervolgens de Noordkust van Nieuw-Guinee tot Kaap d' Urville
te volgen. Zagen wij het hooge bergland van Japèn bij helder weer en
zonneschijn, den volgenden dag kwam de Noordkust tusschen de elkaar
snel opvolgende regenbuien slechts nu en dan even te voorschijn. Die
kust is weinig schilderachtig.
Men vaart op een mijl of vier uit den wal en aanschouwt niet anders dan
het vlakke land, als een donkere streep geteekend aan den horizon. Het
is een zandig strand en daarachter groeien rizoforen en tjemara's. Hier
en daar kenmerkt een landhoek zich door donkerder tint; op zulke
plaatsen komt gewoonlijk een grootere of kleinere rivier in zee uit.
Kaap d' Urville heet de Noordelijkste hoek der Noordkust, waar
de Mamberamo in zee komt. Zij was moeilijk te herkennen, want
landhoeken zijn er vele en de talrijke buien maakten het vinden
niet gemakkelijker; de "groote rivier" [6] annonceert zich echter
op verren afstand door den grooten plas bruin modderwater, die over
een rayon van niet minder dan tien mijl uit de kust, op het heldere
blauwgroene zeewater drijft. En zoo duidelijk is de scheiding, dat men
op een gegeven moment met het voorschip in zoet, met het achterschip
in zout water is en de scherpe scheidingslijn tusschen blauw en bruin
ter weerszijden ver kan volgen.
Op het lood werd de vaargeul gezocht over de baar of modderbank,
die ook hier, zooals voor elke Indische rivier, niet ontbreekt. De
minste diepte was 4 vadem.
Eindelijk voeren we de rivier binnen; de mond was hier een 800
M. breed, de stroom in het midden 3 à 4 mijl. Daar de "Valk" zes
mijl volle kracht liep, avanceerden wij dus somtijds slechts met een
snelheid van 2 mijl; gewoonlijk konden wij onder den eenen of anderen
oever, in minder stroom, voordeel behalen; doch over de 240 K.M. tot
Pionierbivak deden wij 4 dagen, waarbij evenwel moet opgemerkt worden,
dat we des nachts voor anker gingen.
Als gids voor de opvaart hadden wij de oude kaart van den Luitenant
ter Zee Kerkhoven van 1884, welke ook zijnen opvolgers als leiddraad
had gediend en die, waar noodig, door hen was gecorrigeerd. De groote
rivier toch verlegt zich in die jaren, doch het is minder dan men
wel zou verwachten en het bepaalt zich in hoofdzaak tot de lage en
ondiepe modderbanken bij de eilanden. Evenals zulks bij het opvaren
van alle rivieren gebeurt, houdt men in krommingen den buitenbocht,
omdat die het diepste is; de binnenbocht is ondiep. Drijvend zwaar
hout raakt daardoor gemakkelijk vast, zoodat men er groot gevaar voor
stooten heeft. In binnen- of buitenbocht, kan men zich van verre
gezien, nooit vergissen; de eerste toch is in breeden band omzoomd
door glagah, een meer dan manshoog uitgepluimd oevergewas. Dit glagah
is het wilde suikerriet, doch alleen een hoogst enkele dikke stengel
is saprijk en zoet genoeg om de moeite van het uitkappen te loonen.
Den tweeden ochtend zagen wij de eerste heuvelrijen van het Van
Rees-Gebergte in de verte, den derden dag voeren wij er tusschendoor
tot wij in den avond van den vierden dag op weinig na de plaats van
het oude Pionierbivak bereikten.
Bij Scholten-eiland, den derden dag, deed zich de moeilijkheid van
den stroom duchtig voelen. Men is hier even voorbij den rand van het
heuvelland en heeft wel niet met een stroomversnelling te maken, maar
toch is het rivierbed, hoewel breed, op sommige plaatsen zeer ondiep
door uitgebreide banken van rolsteenen, welke ook bij lagen waterstand
deels droogvallen, zoodat de stroom er sterk is en het water er kolkt.
Door de talrijke draaikolken ter plaatse luisterde de slechts zes
mijl loopende "Valk" moeilijk naar het roer; op een gegeven moment
werden eenige kolken den roerganger de baas; het schip liep zooals
men zegt "uit het roer" en werd door den stroom tegen den steilen
rotswand geworpen. Wij dachten, dat de schok hevig zou zijn, doch dit
viel mee; de oever liep hier onder water blijkbaar hellend af en wij
kwamen vrij zacht aan. Het duurde evenwel eenige uren eer wij ons los
gemaakt hadden, door ons af te halen aan een zijwaarts uitgebracht
werpanker. Het behoeft wel geen betoog, dat het uitbrengen van dit
anker met stalen tros in gesleepte sloepen bij dezen zwaren stroom
hoogst bezwaarlijk was; toen het anker eindelijk gevallen was, hield
het niet in den grond, zoodat het gelicht en opnieuw, doch verder,
uitgebracht moest worden. De tweede maal hield het; toen wij los waren
scheelde het een klein beetje of wij waren opnieuw geboeid geraakt,
doch ditmaal op de overliggende grintbank; wij liepen evenwel vrij,
dicht langs Scholten-eiland.
Een voorbeeld van de kwade gevolgen, die zulk vastloopen kan
hebben, hadden wij ettelijke maanden later, toen wederom de "Valk"
bij dalenden waterstand vastraakte op een verlegden modderhoek bij
Kerkhoven-eiland. Het schip had toen voor eenige maanden vivres in. In
Pionierbivak waren wij ongeveer juist op het einde van onzen voorraad,
de afstand was omtrent 95 K.M. en deze toestand duurde een kleine week;
toelichting overbodig.
's Avonds om een uur of 5 ging het schip voor anker onder den lagen
oever, waar goede ankergrond (modder) was en de stroom gering. De
sloepen werden gestreken en het heele échelon naar den overwal
gebracht, waar op een gunstig plekje bivak werd gemaakt. Het was
toch noodzakelijk, dat ieder onder zijn klamboe sliep; om die allen
te spannen, daarvoor was aan boord geen plaats. In het eerste bivak
waren veel muskieten; wij waren hier nog in de lage moerassige vlakte,
die zich vòòr het heuvelland tot de zee uitstrekt; de volgende
bivaks ondervonden in dat opzicht reeds den goeden invloed van het
heuvelland. Want wij hebben later steeds opgemerkt: waar de vlakte
verdwijnt, verdwijnt ook de muskiet. [7]
Door de opvaart dien eersten dag door het muskietenterrein, zat ook het
schip vol muskieten. Ofschoon dan ook ieder onder de klamboe sliep,
waren er overdag en des nachts toch nog genoeg prikken ontvangen,
om een behoorlijk aantal geïnfecteerden (malaria) te krijgen.
De opvarenden van de "Valk" die, om het zoo maar eens uit te drukken,
wel de lasten, doch niet de genoegens der Exploratie voelden, waren
dan ook over de "groote rivier", die haar kwaden naam binnen de drie
dagen eer aandeed, slecht te spreken. Toen wij voor Pionierbivak lagen,
begonnen wij reeds koortsleiders te krijgen. Van het échelon van ±
70 man gingen er ± 25 aanstonds weer met de "Valk" stroomafwaarts,
geëvacueerd; twee dagen nadat het schip vertrokken was, waren alle
drie de officieren ziek en lagen zij om beurten te bed. Onder de
equipage van de "Valk" was ook menig ziektegeval voorgekomen en bij
latere opvaarten van hetzelfde en andere Gouvernements-vaartuigen
deden zich overeenkomstige gevallen voor. Wel merkwaardig niet of in
geringe mate bij het stokerspersoneel, zoodat men zich onwillekeurig
afvraagt of de hitte der vuren een gunstigen invloed heeft op de niet
ontvankelijkheid voor infectie.
In het kort volgt hier de dienst der Gouvernements Marine, voor zoover
die met de Exploratie verband hield. Die dienst was verdeeld over drie
stoomschepen: de "Valk" en de "Albatros", beide van ongeveer 800 ton en
de "Zwaan", die een 200 ton kleiner was. Die schepen waren beurtelings
gedurende twee maanden ter beschikking van den Commandant van het
Exploratie-Detachement. Wij richtten het zoo in, dat er ongeveer
elke maand een verbinding met Ambon bestond, waarlangs ons vivres,
uitrustingsmaterialen en de mail bereikten; daar tusschendoor had
deze verbinding met Manokwari en het permanente bivak Kwawi plaats.
Ontmoetingen hadden wij niet vele bij het opvaren. Hier en daar
passeerden wij kampongs. Zij lagen geheel anders dan aangegeven was
op de oude kaart van Kerkhoven van 1884, wat ook geen wonder is,
gezien het ambulante karakter der Papoea's.
Eén hutje kwamen we voorbij, waar een man en een vrouw ons, half
verscholen in het geboomte, begluurden; ik vroeg me af, wat er wel
moest omgaan in dit paar der wildernis bij het zien voorbijtrekken
van zooveel onbekends, zooveel angstwekkends. Later, eenige uren
boven Scholten-eiland, kwamen wij voorbij een dorp van een twaalftal
hutten, waar de bevolking ons in groote verbazing, doch zonder vrees
bekeek. Een groote zware kerel in een prauwtje kwam zelfs tot vlak
langs het schip en riep ons onverstaanbare woorden toe. Men vergete
niet, dat deze stammen het opvaren kunnen gezien hebben van de "Havik",
van de Expeditie Franssen Herderschee en van die van De Wal. Enkele
versierselen, als kralen en beenen armringen ontbraken ook hier niet;
dit waren òf ruilartikelen afkomstig van de genoemde expedities,
òf ze waren van af de Noordkust uit de handen van vogeljagers van
stam tot stam gewandeld en hier terechtgekomen. [8]
Nog zij vermeld, dat ter hoogte van dezen kampong veel sagoboomen
gezien werden. In verband met het feit, dat de kampong een half jaar
later verlaten was, maar zich nieuwe kampongs gevestigd hadden op, bij
onze eerste opvaart, onbewoonde plaatsen, komt men tot de conclusie,
dat het nomadenvolk een deel van het jaar de sagostreek bewoont,
zich voor langen tijd voedsel (sago en gerookt varkensvleesch)
verschaft en dan, voorzien van levensmiddelen, voor geruimen tijd
zijn zwerversleven hervat.
Bij het beschrijven van een kampong vol Papoea's mogen de honden
niet vergeten worden. Mager, schurftig, huilerig en laf, zijn ze
desondanks de onafscheidelijke metgezellen der wilden. Hoort of ziet
men ergens in de wildernis een hond, dan kan men er zeker van zijn,
dat menschen in de buurt wonen; omgekeerd kan men bij menschen steeds
honden verwachten. Merkwaardig is het, dat noch ik, noch één mijner
metgezellen, ooit een Papoea-hond hebben hooren blaffen. Deze honden
kunnen niet anders dan huilen en janken. Reeds door Lorentz was dit
opgemerkt aan de Humboldt-baai; hij veronderstelde, dat men hier met
een afzonderlijk ras te doen zou hebben.
In den morgen van 5 December tegen een uur of tien kwamen wij
voor de Otken-rivier. Deze is een kleine rechterzijrivier van den
Mamberamo. Een 1000 M. deze rivier op, lag het Pionierbivak van
Franssen Herderschee en De Wal.
Zoodra het schip het anker had laten vallen, werd een prauw te water
gelaten, want onmiddellijk moest vastgesteld worden of het Oude
Pionierbivak geschikt was voor dit zeer groote Detachement; zoo niet,
waar alsdan het hoofdbivak zou komen.
Het bleek, dat het Oude Bivak te klein was. Het was wel een fraaie
gelijke plek gronds, maar voor een Detachement van b.v. 500 personen
(vrouwen en kinderen en later te werven Dajaksche en Papoesche roeiers
meegerekend), bij lange na niet groot genoeg. Er waren geen sporen te
zien van vroegere barakken. Alles was tot halve manshoogte begroeid
met onkruid en struikgewas. Bij den oever vonden wij een uitstekend
stuk hout, dat bij latere opgraving tot één der vier prauwen bleek
te behooren, die in 1911 door de Expeditie De Wal achtergelaten en
ingegraven waren om eventueelen lateren opvolgers van nut te kunnen
zijn. Die prauwen bleken verrot na twee jaren tijds; wij hadden er
niets meer aan.
Wij staken nu de Otkenrivier over en na eenig wandelen en zoeken
bepaalde Kapitein Oppermann, dat het nieuwe Pionierbivak zou komen
in den hoek tusschen Otken-rivier en Mamberamo. Het land was hier
mooi vlak en 4 M. boven het rivierniveau. Een tweehonderd meters naar
binnen was een 4 M. hoogere rug, breed circa 100 M., die landinwaarts
evenwijdig aan de Otken-rivier liep. Voorloopig zou onderdak gemaakt
worden aan den rivieroever; het eerste werk zou daarna zijn, het
hoofdbivak te bouwen op den hoogeren rug, meer naar binnen.
Een beekje, uitkomend in de Otken-rivier, gaf vrij helder water,
dat na filtreeren en koken zeer goed drinkbaar was.
Zoo was dus de grond voor het Groote Bivak gelegd. Zoo spoedig mogelijk
werd eerst het onderdak voor den nacht gemaakt, waarna militairen en
dwangarbeiders hun persoonlijke eigendommen konden opbergen. Vervolgens
werd een kleine aanlegsteiger gemaakt, waarna met de ontscheping van
materiaal begonnen werd. Onze groote motorboot en de motorboot van de
"Valk" met onze roeisloepen voeren af en aan.
Den volgenden dag, 6 December, vertrok de "Valk". Wij oogden haar na,
tot ze om de groote bocht verdween, na nog eenmaal lang haar fluit
te hebben laten hooren. Daarna waren we alleen, doch er was genoeg
te doen om ons bezig te houden.