II.

Den Mamberamo op.

Doreh of Manokwari is de naam voor onzen bestuurszetel aan de Noordkust

van Nieuw-Guinee. Het plaatsje ligt aan den Noordkant der baai;

het terrein is flauw oploopend met heuvels op den achtergrond. Van

af den wal ziende naar het Zuid-Zuid-Westen over de baai heeft men

bij helder weer in den vroegen morgen een schitterend uitzicht op

het 3000 M. hooge Arfak-gebergte aan den overkant.

Behalve de verblijven en de gebouwen voor de ambtenaren van het

Gouvernement, een kazerne voor de gewapende politie, e.d., vindt

men één lange hoofdstraat evenwijdig aan het strand met toko's aan

weerszijden. De handelaren zijn Chineezen, zij koopen vogelhuiden in,

verkoopen snuisterijen aan de pronkzieke Papoea's en voorzien verder

tegen buitensporige prijzen in de talrijke meer of minder belangrijke

nooden van de lagere klassen van het Exploratie-Detachement

De vogelhuiden worden hun geleverd door Papoesche of Ternataansche

jagers, aan wie zij geweren, mondkost en een voorschot verstrekken

en die na verloop van eenigen tijd hun buit aan hen komen afdragen

tegen den overeengekomen prijs. Hier worden goede winsten gemaakt;

de prijs van den Paradijsvogel was destijds gemiddeld f 70.- voor de

beste soort (Ansoesvogel). Ook andere vogelhuiden worden verhandeld,

doch de Paradijsvogel is hoofdzaak; de grootste afnemers waren Amerika

en Frankrijk.

De koopende, doch meer nog kijkende, Papoea's kon men den heelen

dag in de winkels zien "lummelen". Dit luie volkje voert voor den

kost geen vinger meer uit dan even noodzakelijk is. Zij leven van

vischvangst en landbouw en, als de honger het hun zeer lastig maakt,

van koelie-arbeid. Zij hebben zich een zekere beschaving eigen gemaakt;

een sarong of lendendoek siert hun lijf en kralen en ringen behooren

reeds tot den noodzakelijken opschik. Over den haartooi beslist

blijkbaar de spreuk: alles of niets; men ziet of kroeskoppen met 1

à 1 1/2 dM. haardikte of schedelbedekkingen van 1/2 cM. kroeshaar;

beide haartooien zijn evenredig aan hun capaciteiten bewoond. Ook

onder de hier wonende Papoea's komt veel een schurftige huidziekte voor

(cascado), welke hun aanzien niet appetijtelijker maakt.

Zij zijn voor een groot deel Christenen; de bekende zendeling Van

Hasselt heeft nabij Manokwari zijn "hoofdkwartier." Het koppensnellen

is er onder den druk van het Gouvernement en den invloed van den

godsdienst vrijwel uit, doch een enkele maal bezwijkt nog wel het

Papoea-hart voor de verleiding van een rechten raak [2]-tocht.

Hun huizen staan hier en daar langs het strand. Het zijn

verzamelwoningen met een middengang met tal van kamertjes ter

weerszijden, voor elke familie één. De huizen staan op palen, aan het

strand en buiten de laagwaterlijn, wat een hygiënisch voordeel is; een

lange "pier" verbindt de woning met den begroeiden oever van de baai.

De prauwen, uit boomstammen uitgehold, liggen bij het huis; zij hebben

vlerken, zooals in den geheelen Archipel, en een groot rechthoekig

zeil. De Papoea's zijn goede zeelui en krachtige roeiers; hun pagaaien

zijn lang, breed en sierlijk. Een aardig gezicht is het, hen te zien

aankomen, als zij hun doel bereikt hebben en de vangst is goed geweest;

zij roeien dan zeer snel en doen een regen van zeewater opspatten,

de prauw stuift door het water en hun geschreeuw klinkt vroolijk over

de baai; hoe minder de vangst, hoe trager de gang.

Het is een opgewekt volkje en om een kleinigheid kunnen zij een

heidensch spektakel maken. Gezag en gehoorzamen is hun onbekend:

chacun pour soi et Dieu pour eux tous. Er zijn hoofden of korano's,

door het Gouvernement aangesteld, doch mij is altijd verteld, dat

hun gezag zich niet verder uitstrekt dan tot de panden van de jas en

de klep van de pet, die hun als teekenen van waardigheid geschonken

zijn. Toch hebben enkele individuën, ofschoon geen hoofden, grooten

invloed; onder dezen bewezen later Dirk Broos en Oscar ons belangrijke,

schoon goed betaalde diensten; zij zullen hierna ten tooneele komen.

Het Detachement was gelegerd beoosten Manokwari; de legerplaats

heette Kwawi. Hier was tegen het hellende land een groot bivak

gebouwd met grintwegen; een goede weg verbond Kwawi met Manokwari

en vóór Kwawi was een stevige houten aanlegsteiger gemaakt. Men

vond er een hospitaal, groote fuseliers- en dwangarbeiders-barakken

en woningen voor officieren en onderofficieren. Alles was in den

loop der jaren door het Detachement zelf gebouwd uit het hout der

wildernis; de indekking was atap. Het was een permanent bivak van

soliede constructie; zelfs een waterleiding ontbrak er niet.

Hier was gelegerd het Detachement van Noord Nieuw-Guinee. Ik

ontmoette er mijn collega's Doorman en Stroeve, kort te voren van

patrouille teruggekeerd, en maakte kennis met de overige heeren van

het Detachement.

Men had voor ons en onze menschen tijdelijke woningen

gereedgemaakt. Dit was wel noodig, want wij zijn een week te Manokwari

gebleven en toen eerst met een deel van ons Detachement den Mamberamo

opgegaan.

Om te beginnen werden na aankomst (20 November) de "Heemskerk" en

het, reeds ter reede liggende, stoomschip "Valk" geheel leeggehaald

en alle levende ziel ontscheept. Voor allen en alles werd, vaak dan

met moeite, plaats aan den wal gevonden, doch dat we hiermee niet in

één dag klaar waren, is te begrijpen.

Daarna werd op de "Valk", welke ter beschikking bleef, opnieuw

ingescheept: [3] een échelon van ± 70 man, de materialen noodig voor

hun onderdak en voor den verderen bivakbouw en een ruime voorraad

vivres.

Tot de 70 man behoorden 3 officieren, n.l. Kapitein Oppermann,

dokter Thomsen en ik; [4] verder een Inlandsch verkenner, eenige

onderofficieren, ± 15 fuseliers en ± 45 dwangarbeiders.

Over de benoodigde materialen behoeft, na de uitgebreide opsommingen

in het vorige hoofdstuk, [5] niet nader te worden uitgeweid. Slechts

zij nog een groote hospitaal-tent vermeld, die in onderdeelen kon

worden meegevoerd. De groote motorboot ging mee, twee roeisloepen en

twee lichte prauwen.

De afreis van Manokwari was den 26en November. Daar ging het dan ten

slotte op den Mamberamo los, na, voor zoover mij betreft, bijna drie

maanden van reizen en regelen.

Na Sjeri voeren wij recht Oost benoorden het langgerekte eiland Japèn

langs, om vervolgens de Noordkust van Nieuw-Guinee tot Kaap d' Urville

te volgen. Zagen wij het hooge bergland van Japèn bij helder weer en

zonneschijn, den volgenden dag kwam de Noordkust tusschen de elkaar

snel opvolgende regenbuien slechts nu en dan even te voorschijn. Die

kust is weinig schilderachtig.

Men vaart op een mijl of vier uit den wal en aanschouwt niet anders dan

het vlakke land, als een donkere streep geteekend aan den horizon. Het

is een zandig strand en daarachter groeien rizoforen en tjemara's. Hier

en daar kenmerkt een landhoek zich door donkerder tint; op zulke

plaatsen komt gewoonlijk een grootere of kleinere rivier in zee uit.

Kaap d' Urville heet de Noordelijkste hoek der Noordkust, waar

de Mamberamo in zee komt. Zij was moeilijk te herkennen, want

landhoeken zijn er vele en de talrijke buien maakten het vinden

niet gemakkelijker; de "groote rivier" [6] annonceert zich echter

op verren afstand door den grooten plas bruin modderwater, die over

een rayon van niet minder dan tien mijl uit de kust, op het heldere

blauwgroene zeewater drijft. En zoo duidelijk is de scheiding, dat men

op een gegeven moment met het voorschip in zoet, met het achterschip

in zout water is en de scherpe scheidingslijn tusschen blauw en bruin

ter weerszijden ver kan volgen.

Op het lood werd de vaargeul gezocht over de baar of modderbank,

die ook hier, zooals voor elke Indische rivier, niet ontbreekt. De

minste diepte was 4 vadem.

Eindelijk voeren we de rivier binnen; de mond was hier een 800

M. breed, de stroom in het midden 3 à 4 mijl. Daar de "Valk" zes

mijl volle kracht liep, avanceerden wij dus somtijds slechts met een

snelheid van 2 mijl; gewoonlijk konden wij onder den eenen of anderen

oever, in minder stroom, voordeel behalen; doch over de 240 K.M. tot

Pionierbivak deden wij 4 dagen, waarbij evenwel moet opgemerkt worden,

dat we des nachts voor anker gingen.

Als gids voor de opvaart hadden wij de oude kaart van den Luitenant

ter Zee Kerkhoven van 1884, welke ook zijnen opvolgers als leiddraad

had gediend en die, waar noodig, door hen was gecorrigeerd. De groote

rivier toch verlegt zich in die jaren, doch het is minder dan men

wel zou verwachten en het bepaalt zich in hoofdzaak tot de lage en

ondiepe modderbanken bij de eilanden. Evenals zulks bij het opvaren

van alle rivieren gebeurt, houdt men in krommingen den buitenbocht,

omdat die het diepste is; de binnenbocht is ondiep. Drijvend zwaar

hout raakt daardoor gemakkelijk vast, zoodat men er groot gevaar voor

stooten heeft. In binnen- of buitenbocht, kan men zich van verre

gezien, nooit vergissen; de eerste toch is in breeden band omzoomd

door glagah, een meer dan manshoog uitgepluimd oevergewas. Dit glagah

is het wilde suikerriet, doch alleen een hoogst enkele dikke stengel

is saprijk en zoet genoeg om de moeite van het uitkappen te loonen.

Den tweeden ochtend zagen wij de eerste heuvelrijen van het Van

Rees-Gebergte in de verte, den derden dag voeren wij er tusschendoor

tot wij in den avond van den vierden dag op weinig na de plaats van

het oude Pionierbivak bereikten.

Bij Scholten-eiland, den derden dag, deed zich de moeilijkheid van

den stroom duchtig voelen. Men is hier even voorbij den rand van het

heuvelland en heeft wel niet met een stroomversnelling te maken, maar

toch is het rivierbed, hoewel breed, op sommige plaatsen zeer ondiep

door uitgebreide banken van rolsteenen, welke ook bij lagen waterstand

deels droogvallen, zoodat de stroom er sterk is en het water er kolkt.

Door de talrijke draaikolken ter plaatse luisterde de slechts zes

mijl loopende "Valk" moeilijk naar het roer; op een gegeven moment

werden eenige kolken den roerganger de baas; het schip liep zooals

men zegt "uit het roer" en werd door den stroom tegen den steilen

rotswand geworpen. Wij dachten, dat de schok hevig zou zijn, doch dit

viel mee; de oever liep hier onder water blijkbaar hellend af en wij

kwamen vrij zacht aan. Het duurde evenwel eenige uren eer wij ons los

gemaakt hadden, door ons af te halen aan een zijwaarts uitgebracht

werpanker. Het behoeft wel geen betoog, dat het uitbrengen van dit

anker met stalen tros in gesleepte sloepen bij dezen zwaren stroom

hoogst bezwaarlijk was; toen het anker eindelijk gevallen was, hield

het niet in den grond, zoodat het gelicht en opnieuw, doch verder,

uitgebracht moest worden. De tweede maal hield het; toen wij los waren

scheelde het een klein beetje of wij waren opnieuw geboeid geraakt,

doch ditmaal op de overliggende grintbank; wij liepen evenwel vrij,

dicht langs Scholten-eiland.

Een voorbeeld van de kwade gevolgen, die zulk vastloopen kan

hebben, hadden wij ettelijke maanden later, toen wederom de "Valk"

bij dalenden waterstand vastraakte op een verlegden modderhoek bij

Kerkhoven-eiland. Het schip had toen voor eenige maanden vivres in. In

Pionierbivak waren wij ongeveer juist op het einde van onzen voorraad,

de afstand was omtrent 95 K.M. en deze toestand duurde een kleine week;

toelichting overbodig.

's Avonds om een uur of 5 ging het schip voor anker onder den lagen

oever, waar goede ankergrond (modder) was en de stroom gering. De

sloepen werden gestreken en het heele échelon naar den overwal

gebracht, waar op een gunstig plekje bivak werd gemaakt. Het was

toch noodzakelijk, dat ieder onder zijn klamboe sliep; om die allen

te spannen, daarvoor was aan boord geen plaats. In het eerste bivak

waren veel muskieten; wij waren hier nog in de lage moerassige vlakte,

die zich vòòr het heuvelland tot de zee uitstrekt; de volgende

bivaks ondervonden in dat opzicht reeds den goeden invloed van het

heuvelland. Want wij hebben later steeds opgemerkt: waar de vlakte

verdwijnt, verdwijnt ook de muskiet. [7]

Door de opvaart dien eersten dag door het muskietenterrein, zat ook het

schip vol muskieten. Ofschoon dan ook ieder onder de klamboe sliep,

waren er overdag en des nachts toch nog genoeg prikken ontvangen,

om een behoorlijk aantal geïnfecteerden (malaria) te krijgen.

De opvarenden van de "Valk" die, om het zoo maar eens uit te drukken,

wel de lasten, doch niet de genoegens der Exploratie voelden, waren

dan ook over de "groote rivier", die haar kwaden naam binnen de drie

dagen eer aandeed, slecht te spreken. Toen wij voor Pionierbivak lagen,

begonnen wij reeds koortsleiders te krijgen. Van het échelon van ±

70 man gingen er ± 25 aanstonds weer met de "Valk" stroomafwaarts,

geëvacueerd; twee dagen nadat het schip vertrokken was, waren alle

drie de officieren ziek en lagen zij om beurten te bed. Onder de

equipage van de "Valk" was ook menig ziektegeval voorgekomen en bij

latere opvaarten van hetzelfde en andere Gouvernements-vaartuigen

deden zich overeenkomstige gevallen voor. Wel merkwaardig niet of in

geringe mate bij het stokerspersoneel, zoodat men zich onwillekeurig

afvraagt of de hitte der vuren een gunstigen invloed heeft op de niet

ontvankelijkheid voor infectie.

In het kort volgt hier de dienst der Gouvernements Marine, voor zoover

die met de Exploratie verband hield. Die dienst was verdeeld over drie

stoomschepen: de "Valk" en de "Albatros", beide van ongeveer 800 ton en

de "Zwaan", die een 200 ton kleiner was. Die schepen waren beurtelings

gedurende twee maanden ter beschikking van den Commandant van het

Exploratie-Detachement. Wij richtten het zoo in, dat er ongeveer

elke maand een verbinding met Ambon bestond, waarlangs ons vivres,

uitrustingsmaterialen en de mail bereikten; daar tusschendoor had

deze verbinding met Manokwari en het permanente bivak Kwawi plaats.

Ontmoetingen hadden wij niet vele bij het opvaren. Hier en daar

passeerden wij kampongs. Zij lagen geheel anders dan aangegeven was

op de oude kaart van Kerkhoven van 1884, wat ook geen wonder is,

gezien het ambulante karakter der Papoea's.

Eén hutje kwamen we voorbij, waar een man en een vrouw ons, half

verscholen in het geboomte, begluurden; ik vroeg me af, wat er wel

moest omgaan in dit paar der wildernis bij het zien voorbijtrekken

van zooveel onbekends, zooveel angstwekkends. Later, eenige uren

boven Scholten-eiland, kwamen wij voorbij een dorp van een twaalftal

hutten, waar de bevolking ons in groote verbazing, doch zonder vrees

bekeek. Een groote zware kerel in een prauwtje kwam zelfs tot vlak

langs het schip en riep ons onverstaanbare woorden toe. Men vergete

niet, dat deze stammen het opvaren kunnen gezien hebben van de "Havik",

van de Expeditie Franssen Herderschee en van die van De Wal. Enkele

versierselen, als kralen en beenen armringen ontbraken ook hier niet;

dit waren òf ruilartikelen afkomstig van de genoemde expedities,

òf ze waren van af de Noordkust uit de handen van vogeljagers van

stam tot stam gewandeld en hier terechtgekomen. [8]

Nog zij vermeld, dat ter hoogte van dezen kampong veel sagoboomen

gezien werden. In verband met het feit, dat de kampong een half jaar

later verlaten was, maar zich nieuwe kampongs gevestigd hadden op, bij

onze eerste opvaart, onbewoonde plaatsen, komt men tot de conclusie,

dat het nomadenvolk een deel van het jaar de sagostreek bewoont,

zich voor langen tijd voedsel (sago en gerookt varkensvleesch)

verschaft en dan, voorzien van levensmiddelen, voor geruimen tijd

zijn zwerversleven hervat.

Bij het beschrijven van een kampong vol Papoea's mogen de honden

niet vergeten worden. Mager, schurftig, huilerig en laf, zijn ze

desondanks de onafscheidelijke metgezellen der wilden. Hoort of ziet

men ergens in de wildernis een hond, dan kan men er zeker van zijn,

dat menschen in de buurt wonen; omgekeerd kan men bij menschen steeds

honden verwachten. Merkwaardig is het, dat noch ik, noch één mijner

metgezellen, ooit een Papoea-hond hebben hooren blaffen. Deze honden

kunnen niet anders dan huilen en janken. Reeds door Lorentz was dit

opgemerkt aan de Humboldt-baai; hij veronderstelde, dat men hier met

een afzonderlijk ras te doen zou hebben.

In den morgen van 5 December tegen een uur of tien kwamen wij

voor de Otken-rivier. Deze is een kleine rechterzijrivier van den

Mamberamo. Een 1000 M. deze rivier op, lag het Pionierbivak van

Franssen Herderschee en De Wal.

Zoodra het schip het anker had laten vallen, werd een prauw te water

gelaten, want onmiddellijk moest vastgesteld worden of het Oude

Pionierbivak geschikt was voor dit zeer groote Detachement; zoo niet,

waar alsdan het hoofdbivak zou komen.

Het bleek, dat het Oude Bivak te klein was. Het was wel een fraaie

gelijke plek gronds, maar voor een Detachement van b.v. 500 personen

(vrouwen en kinderen en later te werven Dajaksche en Papoesche roeiers

meegerekend), bij lange na niet groot genoeg. Er waren geen sporen te

zien van vroegere barakken. Alles was tot halve manshoogte begroeid

met onkruid en struikgewas. Bij den oever vonden wij een uitstekend

stuk hout, dat bij latere opgraving tot één der vier prauwen bleek

te behooren, die in 1911 door de Expeditie De Wal achtergelaten en

ingegraven waren om eventueelen lateren opvolgers van nut te kunnen

zijn. Die prauwen bleken verrot na twee jaren tijds; wij hadden er

niets meer aan.

Wij staken nu de Otkenrivier over en na eenig wandelen en zoeken

bepaalde Kapitein Oppermann, dat het nieuwe Pionierbivak zou komen

in den hoek tusschen Otken-rivier en Mamberamo. Het land was hier

mooi vlak en 4 M. boven het rivierniveau. Een tweehonderd meters naar

binnen was een 4 M. hoogere rug, breed circa 100 M., die landinwaarts

evenwijdig aan de Otken-rivier liep. Voorloopig zou onderdak gemaakt

worden aan den rivieroever; het eerste werk zou daarna zijn, het

hoofdbivak te bouwen op den hoogeren rug, meer naar binnen.

Een beekje, uitkomend in de Otken-rivier, gaf vrij helder water,

dat na filtreeren en koken zeer goed drinkbaar was.

Zoo was dus de grond voor het Groote Bivak gelegd. Zoo spoedig mogelijk

werd eerst het onderdak voor den nacht gemaakt, waarna militairen en

dwangarbeiders hun persoonlijke eigendommen konden opbergen. Vervolgens

werd een kleine aanlegsteiger gemaakt, waarna met de ontscheping van

materiaal begonnen werd. Onze groote motorboot en de motorboot van de

"Valk" met onze roeisloepen voeren af en aan.

Den volgenden dag, 6 December, vertrok de "Valk". Wij oogden haar na,

tot ze om de groote bocht verdween, na nog eenmaal lang haar fluit

te hebben laten hooren. Daarna waren we alleen, doch er was genoeg

te doen om ons bezig te houden.

Nieuw-Guinee en de exploratie der "Meervlakte" De Aarde en haar Volken, 1918 · 第 4 / 23 题